GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.247.389
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort 6451326)
beschikking van 10 mei 2019
[verzoekster] .
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerster, tevens verzoekster in het zelfstandig tegenverzoek,
hierna: [verzoekster] ,
advocaat: mr. W.M. Hes,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Scope Beheer B.V.,
gevestigd te Amersfoort,
verder ook te noemen,
verweerster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoekster, tevens verweerster in het zelfstandig tegenverzoek,
hierna: Scope,
advocaat: mr. J.L.J.J. Nelissen.
5 De beoordeling in hoger beroep
5.1
Met de grieven 1 en 2 komt [verzoekster] op tegen het oordeel van de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden omdat sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding. De grieven 3 en 4 richten zich tegen de afwijzing van het verzoek om een billijke vergoeding nu niet sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van Scope, onder meer wegens schending van de re-integratieverplichtingen. Met grief 5 klaagt [verzoekster] erover dat de kantonrechter de vordering van 100% van haar loon over het tweede ziektejaar heeft afgewezen. Grief 6 richt zich tegen de overweging in de bestreden beschikking dat [verzoekster] geen belang heeft bij haar vordering tot veroordeling van Scope tot doorbetaling van het loon omdat zij iedere maand het loon heeft betaald.
5.2
Hoewel [verzoekster] in haar verzoekschrift in hoger beroep aangeeft dat de grieven ertoe strekken de rechtsstrijd in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen, constateert het hof dat geen grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 5.3 van de bestreden beschikking dat het opzegverbod wegens ziekte niet geldt, zodat het hof van dit oordeel van de kantonrechter zal uitgaan. Ook wordt in hoger beroep niet opgekomen tegen de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verzoekster] heeft in hoger beroep meermaals gesteld dat zij in plaats van herstel van de dienstbetrekking thans een billijke vergoeding verzoekt. Ter zitting heeft het hof met partijen vastgesteld dat [verzoekster] zich inmiddels neerlegt bij de uitgesproken ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar niet bij de daarvoor aangenomen grond en de gestelde verstoorde verhouding. Voor zover desondanks met de grieven 1 en 2 wordt opgekomen tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst an sich, falen deze daarom. Wel zal het hof dienen te onderzoeken of terecht tot de conclusie is gekomen dat sprake was van verstoorde arbeidsverhoudingen die diende te leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Wanneer daarvan geen sprake zou zijn, zou [verzoekster] aanspraak kunnen maken op een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 derde lid BW. Wanneer ook het hof zou oordelen dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst diende plaats te vinden is geen plaats voor een billijke vergoeding in de zin van laatstbedoelde bepaling. Wel zal het hof dan onderzoeken of [verzoekster] aanspraak kan maken op een billijke vergoeding uit andere hoofde.
5.3
Voordat het hof aan verdere inhoudelijke beoordeling toekomt, constateert het hof dat het verweerschrift van Scope in hoger beroep (een dag) te laat is ingediend. De vraag is of het daarmee buiten beschouwing dient te blijven. Het hof beantwoordt deze vraag negatief. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat in artikel 361 lid 4 weliswaar een termijn van 4 weken na toezending van het beroepsschrift aan de opgeroepen belanghebbende, binnen welke termijn een verweerschrift moet worden ingediend, maar een sanctie daarop ontbreekt. Ook uit het Procesreglement verzoekschriftenprocedures gerechtshoven kan een dergelijke sanctie niet worden afgeleid, nog daargelaten dat uit dit Reglement (artikel 3.3.1) juist voortvloeit dat indiening van het verweerschrift mogelijk is tot de aanvang van de mondelinge behandeling. De rechter is daarom vrij een later ingediend verweerschrift al dan niet te aanvaarden. Het hof ziet in de omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat de voormelde termijn met slechts één dag is overschreden, geen aanleiding het verweerschrift buiten beschouwing te laten. [verzoekster] heeft immers niet gesteld en evenmin is gebleken dat de goede procesorde daardoor is geschaad dan wel zij in haar (verdedigings)belangen is geschaad.
Verstoorde arbeidsverhouding
5.4
Het hof zal eerst beoordelen of sprake is van de door Scope gestelde ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding met [verzoekster] .
5.5
Het hof stelt het navolgende daarbij voorop. Het ontslagcriterium van de g-grond is ontleend aan het Ontslagbesluit (oud) en hoofdstuk 27 van de Beleidsregels UWV (Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 56-57 (MvA)). Uit de wetsgeschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt dat de g-grond pas vervuld is als sprake is van een ernstig én duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en dat beide criteria tot uitdrukking komen in de formulering ‘zodanig dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’. Ter toelichting is nog opgemerkt dat
“ook bij een minder duurzaam verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst opgezegd moet kunnen worden als de ernst daarvan zodanig is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd” (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 43-46). Voor toepassing van deze ontbindingsgrond is niet vereist dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer. De omstandigheid dat de werkgever van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring van de arbeidsverhouding een verwijt kan worden gemaakt, staat op zichzelf evenmin aan ontbinding op de g-grond in de weg. Bij de beoordeling of sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, kan de mate waarin de verstoorde arbeidsverhouding aan een partij (of aan beide partijen) verwijtbaar is, wel gewicht in de schaal leggen, maar die omstandigheid behoeft op zichzelf niet doorslaggevend te zijn (HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:220). Op het uitgangspunt dat de verwijtbaarheid van het verstoord zijn van de arbeidsverhouding in beginsel geen rol speelt bij de beoordeling van het ontbindingsverzoek op de g-grond kan een uitzondering bestaan indien de werkgever een verstoring van de arbeidsverhouding heeft gecreëerd met het enkele doel om een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te forceren. Behoudens deze uitzondering geldt naar het oordeel van het hof dat indien sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie die geheel of grotendeels aan de werkgever is te wijten, en tevens voldaan is aan het criterium dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet, dit zich vooral moet vertalen in het toekennen van een billijke vergoeding aan de werknemer.
5.6
[verzoekster] heeft ter toelichting op de eerste grief aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte de arbeidsverhouding tussen [verzoekster] en [naam ondernemer] heeft vereenzelvigd met de tussen hen bestaande privérelatie. De kantonrechter had het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding moeten afwijzen, aldus [verzoekster] . Zij heeft daarbij een beroep gedaan op de Beleidsregels Ontslagtaak UWV. Daarin is, kort gezegd, bepaald dat ingeval sprake is van een persoonlijke familierelatie tussen werkgever en werknemer een verstoring in die familierelatie tot gevolg kan hebben dat ook de arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer verstoord raakt. Daaruit volgt dus dat daarvan niet automatisch sprake is, aldus [verzoekster] . De eerste mediation tussen partijen zag louter op de afwikkeling van het huwelijk tussen [verzoekster] en [naam ondernemer] . Een tweede mediation was weliswaar bedoeld om ook afspraken te maken over de arbeidsovereenkomst maar zover is het niet gekomen omdat [naam ondernemer] de mediation heeft beëindigd. Ook de door de kantonrechter aangehaalde “pesterijen over en weer” vond enkel plaats in de privérelatie. [verzoekster] maakt in dat verband aanspraak op een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 lid 3 BW. Ter toelichting op de tweede grief voert [verzoekster] aan dat uit de door haar aangevoerde feiten en omstandigheden blijkt dat de verstoring van de arbeidsverhouding, zo deze al mocht bestaan, zijn oorzaak vindt in het gedrag en de acties van Scope en [naam ondernemer] richting [verzoekster] .
5.7
Het hof stelt voorop dat het beroep van [verzoekster] op de (voormalige) Beleidsregels Ontslagtaak UWV haar niet baten, tenminste niet zonder meer. De civiele rechter is daaraan immers niet gebonden. Wel kan de rechter hierop bij zijn beoordeling acht slaan. Nu de Beleidsregels, zoals door [verzoekster] is weergegeven, alleen bepalen dat een verstoring in een privérelatie tussen werknemer en werkgever tot verstoring van de zakelijke relatie kan leiden, en [verzoekster] heeft gesteld dat daarvan hier juist geen sprake is, zal het hof dit punt zelfstandig beoordelen. In de situatie, zoals hier, dat ook een mediation niet is gelukt en de conflictueuze situatie vervolgens, gezien de standpunten van partijen en hun opstelling ter zitting, blijft bestaan en doorsudderen met een verharding van die situatie als (zeer waarschijnlijk) gevolg, kan naar het oordeel van het hof de conclusie geen andere zijn dan dat ook geobjectiveerd beschouwd de arbeidsverhouding duurzaam en grondig is verstoord en dat onder deze omstandigheden herstel daarvan niet kan worden verwacht. De (verbroken) persoonlijke relatie tussen [naam ondernemer] en [verzoekster] speelt hoe dan ook een rol bij hun interacties, ook als deze werkgerelateerd zijn. Het hof acht het immers voor de hand liggen dat een strikte scheiding tussen de rol als echtgenoot/echtgenote en werkgever/werknemer bij een zodanig nauwe relatie en verwevenheid als hier aan de orde niet of nauwelijks voorstelbaar is. Weliswaar is de werkgever van [verzoekster] een vennootschap, maar nu [naam ondernemer] daarvan (indirect) directeur/groot-enig aandeelhouder is en de feitelijkheid is dat werknemer en (materiele) werkgever nauw op elkaar betrokken zijn, zowel door de fysieke werkplek (de echtelijke woning) als door de aard van het werk, hun werkrelatie niet los gezien kan worden van hun persoonlijke relatie. Daarbij speelt een rol dat naast [verzoekster] en [naam ondernemer] geen andere personeelsleden werkzaam waren in de onderneming. De door [verzoekster] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep in het geding gebrachte producties adstrueren deze vaststelling, waarbij het hof in het midden laat of en zo ja, wie daarvan een verwijt kan worden gemaakt, nu dat - zoals hiervoor onder 5.5 is overwogen - bij de onderhavige ontbindingsgrond (in beginsel) geen (doorslaggevende) rol speelt. Dat [verzoekster] en [naam ondernemer] op afstand met elkaar zouden kunnen werken (‘buitendienst’ versus ‘binnendienst’), zoals [verzoekster] nog heeft gesteld, acht het hof niet reëel. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter en maakt deze tot het zijne. Het hof merkt tot slot op dat ook de Beleidsregels waarop [verzoekster] zich heeft beroepen, een conclusie als de onderhavige toelaten.
Herplaatsing
5.8
Ingevolge artikel 7:671b lid 2 in samenhang met artikel 7:669 BW geldt, naast het aanwezig zijn van een redelijke grond voor ontbinding, als extra voorwaarde voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Op grond van artikel 9 lid 1 van de Ontslagregeling worden, bij de beoordeling of binnen de onderneming van de werkgever een passende functie beschikbaar is voor een werknemer, arbeidsplaatsen betrokken waarvoor een vacature bestaat of binnen de redelijke termijn bedoeld in artikel 10 lid 1 van de Ontslagregeling een vacature zal ontstaan.
[verzoekster] stelt in haar beroepsschrift dat Scope zich onvoldoende heeft ingespannen om haar te herplaatsen binnen Scope. Scope op haar beurt stelt dat er geen herplaatsingsmogelijkheden waren.
5.9
Uitgangspunt is dat ook indien sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, een ontbindingsverzoek slechts door de rechter kan worden toegewezen indien herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt (art. 7:669 lid 1 BW). Dat heeft Scope evenwel niet miskend. In de concrete omstandigheden van dit geval, zoals hiervoor onder 5.7 benoemd, ligt immers besloten dat herplaatsing niet in de rede ligt, zoals door Scope in het verweerschrift en ter mondelinge behandeling in hoger beroep nader is toegelicht. Naar het oordeel van het hof heeft [verzoekster] onvoldoende geconcretiseerd welke feitelijke mogelijkheden voor herplaatsing binnen de redelijke termijn bestonden.
5.10
Uit het voorgaande volgt dat Scope een redelijke grond had om de kantonrechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden en dat de kantonrechter in de bestreden beschikking terecht die ontbinding op grond van een (voldoende ernstig) verstoorde arbeidsverhouding heeft uitgesproken. Voor herstel van de arbeidsovereenkomst is reeds daarom geen plaats, waarmee grieven 1 en 2 falen. Vervolgens komt aan de orde de vraag of [verzoekster] recht heeft op een billijke vergoeding.
5.11
Nu het hof hiervoor heeft geoordeeld dat de ontbinding terecht is uitgesproken, komt [verzoekster] van rechtswege geen aanspraak toe op een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 derde lid BW als alternatief voor herstel van de dienstbetrekking.
5.12
Voor toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 8 sub c BW, zoals [verzoekster] met (de toelichting op) grief 3 heeft verzocht, is vereist dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Scope. In de memorie van toelichting bij de Wwz is verwoord dat de billijke vergoeding alleen dient te worden toegekend als het ontslag is toe te rekenen aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 34. (MvT)) en dat het hierbij gaat om uitzonderlijke gevallen. Ter verduidelijking is in de parlementaire geschiedenis een aantal voorbeelden genoemd waarin toekenning van een additionele billijke vergoeding - naast de transitievergoeding - aan de orde kan zijn, zoals discriminatoir handelen, het ernstig veronachtzamen van re-integratieverplichtingen bij arbeidsongeschiktheid en verwijtbaar onvoldoende zorg voor de arbeidsomstandigheden.
Er is dus een hoge drempel voor toewijzing van de billijke vergoeding, waarmee inderdaad sprake is van het ‘muizengaatje’ dat de wetgever voor ogen had (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 4, p. 12 en 15 (nader verslag)). In de memorie van toelichting bij de hervorming van het ontslagrecht wordt voorts opgemerkt dat het aanvoeren van een valse ontslaggrond met als doel om een onwerkbare situatie te creëren of het grovelijk veronachtzamen van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, een reden kan zijn voor het toekennen van een billijke vergoeding aan de werknemer, de zogenoemde ‘Asscher-escape’.
5.13
Samengevat heeft [verzoekster] aangevoerd dat [naam ondernemer] als werkgever haar onnodig onder druk gezet door tijdens haar arbeidsongeschiktheid:
1. niets te doen aan de re-integratie;
II. in strijd met het advies van de bedrijfsarts geen enkele poging te ondernemen om de verhouding met [verzoekster] te herstellen;
III. de door [verzoekster] geïnitieerde mediationtrajecten voortijdig te beëindigen;
IV. kort na de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland inzake de voorlopige voorziening een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen waardoor [verzoekster] opnieuw de gang naar de rechter heeft moeten maken;
V. meerdere keren het salaris niet (tijdig) uit te betalen, waardoor [verzoekster] in een financieel lastige situatie kwam;
VI. de uit de voorlopige voorziening voortvloeiende alimentatie niet (tijdig) uit te betalen;
VII. het salaris zonder voorafgaande berichtgeving naar een andere bankrekening over te maken, zodat [verzoekster] hierover niet kon beschikken;
VIII. zonder voorafgaande aankondiging de loondoorbetaling tijdens ziekte van 100% naar 70% terugbrengen.
5.14
[verzoekster] heeft allereerst, naar het hof begrijpt: ook in dit verband, aangevoerd dat het op de weg van Scope gelegen had om aan haar re-integratieverplichting te voldoen. De enkele schending van de re-integratieverplichting is reeds ernstig verwijtbaar, zoals volgt uit de door haar genoemde parlementaire geschiedenis en rechtspraak, zo voert [verzoekster] aan. Scope heeft niets aan re-integratie gedaan. [verzoekster] is sinds de ziekmelding op 28 maart 2017 één keer door de bedrijfsarts gezien. Er is geen plan van aanpak opgesteld, geen eerstejaarsevaluatie opgesteld, geen re-integratieverslag opgemaakt en geen onderzoek gedaan naar de mogelijkheid tot re-integratie tweede spoor. Voorts heeft Scope het advies van de bedrijfsarts om met elkaar in gesprek te gaan over eventueel belemmerende factoren in de re-integratie niet gevolgd, aldus [verzoekster] .
5.15
Met [verzoekster] kan worden geconstateerd dat de re-integratie inspanningen van Scope zeer beperkt zijn gebleven. Waar onder omstandigheden schending van de re-integratieverplichtingen kan leiden tot de conclusie dat sprake is van ernstig verwijtbare gedragingen aan de zijde van de werkgever, zoals [verzoekster] heeft gesteld, is het hof in de onderhavige situatie van oordeel dat, mede gelet op de verhouding waarin partijen staan zoals hiervoor is overwogen, geen ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever kan worden vastgesteld. Dat Scope op enkele momenten mogelijk gehandeld heeft in strijd met hetgeen een goed werkgever betaamt, brengt nog niet met zich dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen dat geleid heeft tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:671b lid 8 sub c BW. Daartoe zijn te weinig concrete relevante feiten en omstandigheden aangevoerd. Van een van de door de wetgever genoemde voorbeelden in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33818 nr. 3, pagina 34 e.v.) van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Scope is, anders dan [verzoekster] kennelijk veronderstelt, geen sprake. Van laakbaar gedrag van de werkgever waardoor een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan wat onvermijdelijk tot het ontslag van de werkneemster leidde, is niet gebleken. De gedragingen en de uitlatingen van [verzoekster] hebben ook bijgedragen aan de verstoring van de arbeidsverhouding. Van Scope kon niet worden gevergd dat de arbeidsovereenkomst werd voortgezet. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter en maakt het tot het zijne.
5.16
[verzoekster] heeft aangevoerd dat kort na de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland inzake de voorlopige voorziening in de echtscheidingsprocedure een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is ingediend waardoor [verzoekster] opnieuw de gang naar de rechter heeft moeten maken en meerdere keren het salaris niet (tijdig) uit te betalen, waardoor [verzoekster] in een financieel lastige situatie kwam. Zij heeft daartoe voorts aangevoerd dat het salaris is overgemaakt op haar SNS-bankrekening in plaats van zoals gebruikelijk op haar ING-bankrekening. Voorts heeft [naam ondernemer] het salaris van [verzoekster] aangewend ter voldoening van de hypotheeklasten, waardoor [verzoekster] niet over het salaris kon beschikken. Met grief 6 maakt [verzoekster] dan ook aanspraak op doorbetaling van loon en in concreto betaling van het achterstallig salaris over de maand maart 2018 ten belope van Zeewolde € 703,25 netto, te vermeerderen met rente en verhoging.
5.17
Nu [verzoekster] in de toelichting op grief 6 heeft gesteld dat Scope wist dat het salaris op de ING rekening moest worden betaald hetgeen blijkt uit het feit dat salaris over de maanden april tot september gewoon op de rekening is betaald, begrijpt het hof dat het geschil in hoger beroep zich niet uitstrekt tot het salaris over laatstgenoemde maanden, maar beperkt is tot het salaris over de maand maart 2018 als hiervoor bedoeld. Dit verhoudt zich evenwel niet met het (gehandhaafde) verzoek in hoger beroep om betaling van achterstallig salaris over de maanden april tot en met augustus 2018. Desgevraagd verklaarde [verzoekster] ter zitting in hoger beroep dat het inderdaad alleen nog gaat om loon over de maand maart.
5.18
Het hof is van oordeel dat betaling van het salaris (steeds) heeft plaatsgevonden op een bankrekening van [verzoekster] en dat het aldus aan haar ten goede is gekomen. Dat zij door een debetstand daarover niet kon beschikken regardeert Scope als werkgever niet, maar is een kwestie tussen [verzoekster] en haar bank. Nu betaling slechts eenmaal op een niet door de werkneemster aangewezen bankrekening heeft plaatsgevonden ziet het hof daarin geen aanleiding om te concluderen dat Scope ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door het loon op een niet aangewezen bankrekening van [verzoekster] over te maken.
5.19
[verzoekster] heeft voorts aangevoerd dat de uit de voorlopige voorziening voortvloeiende alimentatie niet (tijdig) is uitbetaald.
5.20
Het hof is van oordeel dat het (gestelde) niet (tijdig) betalen van de alimentatie - wat daarvan overigens zij - in beginsel buiten het onderhavige arbeidsrechtelijke geschil staat en in ieder geval, ook in samenhang met de overige verwijten, geen ernstige verwijtbaarheid van Scope oplevert.
5.21
[verzoekster] klaagt in verband met haar verzoek om een billijke vergoeding dat zonder voorafgaande aankondiging de loondoorbetaling tijdens ziekte van 100% naar 70% is teruggebracht.
5.22
Voor zover het gaat om de verlaging zelf, verwijst het hof naar hetgeen hierna omtrent grief 5 zal worden overwogen. Voor zover het gaat om het ‘zonder aankondiging vooraf’ staken van de betaling van 100% van het loon oordeelt het hof dat het op de weg van werkgever had gelegen om [verzoekster] daarvan op voorhand in kennis te stellen. Dit nalaten levert evenwel geen ernstig verwijtbaar handelen op.
5.23
Van een ‘onder druk zetten’ van [verzoekster] door Scope, zoals zij heeft gesteld en is samengevat onder 5.13, is gelet op het vorenstaande onvoldoende gebleken. Van (andere) feiten of omstandigheden waaruit volgt dat Scope/ [naam ondernemer] uit is geweest op een opzettelijk veroorzaakte verstoring van de arbeidsverhouding met [verzoekster] is niet gebleken. Het hof verenigt zich met de overwegingen van de kantonrechter en maakt deze tot de zijne. Het verzoek om een billijke vergoeding dient gelet op het vorenstaande - tegen de achtergrond dat inmiddels is gebleken dat [verzoekster] vanaf 1 juli 2018 elders werkzaam is waar zij naar eigen zeggen € 1.600,- per maand verdient - te worden afgewezen. De grieven 3 en 4 falen daarmee.
5.24
[verzoekster] maakt voorts met grief 5 aanspraak op doorbetaling van 100% van het loon in haar tweede ziektejaar. De kantonrechter heeft de loonvordering boven de 70% in het tweede ziektejaar immers afgewezen.
5.25
Het hof verenigt zich met de overwegingen van de kantonrechter en maakt deze tot de zijne. Grief 5 faalt daarmee.
5.25
Grief 6 richt zich tegen de overweging in de bestreden beschikking dat [verzoekster] geen belang heeft bij haar vordering tot veroordeling van Scope tot doorbetaling van het loon omdat Scope iedere maand het loon heeft betaald.
5.27
Voor zover [verzoekster] in de toelichting op haar grief betaling van het loon over de mand maart 2018 heeft verzocht, stuit dit verzoek af op hetgeen hiervoor is overwogen. Het gestelde belang bij haar vordering tot doorbetaling van het loon in de toekomst heeft [verzoekster] , tegenover de erkenning en de uitgesproken bereidheid van Scope tot betaling, ook in hoger beroep niet duidelijk gemaakt. Dat inmiddels sprake zou zijn van niet-betaling, hangende het hoger beroep is ook niet gebleken. Ook grief 6 faalt daarmee.
5.28
De conclusie is dat alle grieven falen. Het hoger beroep faalt daarmee.
5.29
Het hof zal [verzoekster] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Scope zullen tot aan deze beschikking worden vastgesteld op € 726,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten, tarief II in hoger beroep).