Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde bewezenverklaard en verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren opgelegd, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vijf jaren. De vordering van de benadeelde partijen is gedeeltelijk toegewezen en er is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt. Het hof doet opnieuw recht.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1 primair:
hij op of omstreeks 16 maart 2016 te [plaats] , gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Porsche, type 911 Carrera S, kenteken [kenteken 1] ), tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , eveneens als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto merk Mini, type Cooper, kenteken [kenteken 2] ), althans alleen, rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, namelijk de [straat 1] en/of de [straat 2] , zich zodanig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft/hebben gedragen, dat/waardoor een aan zijn/hun, verdachte en/of [medeverdachte] schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, hierin bestaande dat, al dan niet na voorafgaand alcoholgebruik van verdachte, verdachte en/of [medeverdachte] over een afstand van ongeveer 3100 meter, althans over enige afstand, relatief (zeer) dicht achter elkaar aan heeft/hebben gereden (op de [straat 1] en/of de [straat 2] ) en/of daarbij zijn/hun aandacht (voortdurend) heeft/hebben gericht op het door zijn mededader bestuurde motorrijtuig, althans niet, althans onvoldoende heeft/hebben gelet op het voor hem/hun gelegen gedeelte van de weg en/of op het overige verkeer en/of terwijl de gereden snelheid van verdachten en/of [medeverdachte] over (een gedeelte van) die afstand (veel) hoger was dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse (gelet op de toen geldende omstandigheden) toegestaan en/of verantwoord was en/of terwijl de duisternis was ingetreden en/of de [straat 2] een onoverzichtelijke/gevaarlijke weg is met veel in- en afritten van woonhuizen die slecht te zien zijn vanaf de weg, terwijl verdachte en/of [medeverdachte] van de wegsituatie op de hoogte was/waren, (waarbij) verdachte op een afstand van (ongeveer) 130 meter voor de plaats van het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid tussen de 150 en 183 kilometer per uur (met als beste schatter voor de snelheid 167 kilometer per uur) en/of op een afstand van ongeveer 45 meter voor de plaats van het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid tussen de 149 en 170 kilometer per uur (met als beste schatter voor de snelheid 160 kilometer per uur), in elk geval met snelheden / een snelheid die (veel) hoger waren/was dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelhe(i)d(en) dan ter plaatse (gelet op de toen geldende omstandigheden en de aard van de weg) toegestaan en/of verantwoord was, waardoor verdachte zijn motorrijtuig niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was, waarna verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig is gebotst tegen een ander motorrijtuig (Toyota Aygo), waarin [slachtoffer] zich bevond, waardoor [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen, dat zij daaraan is overleden, terwijl bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed 0,92 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn en/of de aanrijding is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;
1 subsidiair:
hij, op of omstreeks 16 maart 2016, te [plaats] , gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Porsche, type 911 Carrera S, kenteken [kenteken 1] ), tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , eveneens als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto merk Mini, type Cooper, kenteken [kenteken 2] ), althans alleen, rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, zich zodanig heeft/hebben gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd of kon worden gehinderd immers heeft/hebben verdachte en/of [medeverdachte] , al dan niet na voorafgaand alcoholgebruik van verdachte, rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, namelijk de [straat 1] en/of de [straat 2] , over een afstand van ongeveer 3100 meter, althans over enige afstand, relatief (zeer) dicht achter elkaar aan gereden (op de [straat 1] en/of de [straat 2] ) en/of daarbij zijn/hun aandacht (voortdurend) heeft/hebben gericht op het door zijn mededader bestuurde motorrijtuig, althans niet, althans onvoldoende heeft/hebben gelet op het voor hem/hun gelegen gedeelte van de weg en/of op het overige verkeer en/of terwijl de gereden snelheid van verdachten en/of [medeverdachte] over (een gedeelte van) die afstand (veel) hoger was dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse (gelet op de toen geldende omstandigheden) toegestaan en/of verantwoord was en/of terwijl de duisternis was ingetreden en/of de [straat 2] een onoverzichtelijke/gevaarlijke weg is met veel in- en afritten van woonhuizen die slecht te zien zijn vanaf de weg, terwijl verdachte en/of [medeverdachte] van de wegsituatie op de hoogte was/waren, (waarbij) verdachte op een afstand van (ongeveer) 130 meter voor de plaats van het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid tussen de 150 en 183 kilometer per uur (met als beste schatter voor de snelheid 167 kilometer per uur) en/of op een afstand van ongeveer 45 meter voor de plaats van het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid tussen de 149 en 170 kilometer per uur (met als beste schatter voor de snelheid 160 kilometer per uur), in elk geval met snelheden / een snelheid die (veel) hoger waren/was dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelhe(i)d(en) dan ter plaatse (gelet op de toen geldende omstandigheden en de aard van de weg) toegestaan en/of verantwoord was, waardoor verdachte zijn motorrijtuig niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was, waarna verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig is gebotst tegen een ander motorrijtuig (Toyota Aygo), waarin [slachtoffer] zich bevond, waardoor [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen, dat zij daaraan is overleden.
2:
hij op of omstreeks 16 maart 2016 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een voertuig (Porsche, type 911 Carrera S, kenteken [kenteken 1] ), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,92 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Vaststelling van de feiten en de te bespreken rechtsvragen
Op 16 maart 2016 heeft op de [straat 2] in [plaats] een ernstig verkeersongeval plaatsgevonden. De [straat 2] is een weg met veel in- en uitritten van aanliggende percelen. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. [slachtoffer] , de toen 19-jarige bestuurder van een Toyota Aygo, reed rond 21.45 uur vanuit de uitrit van perceel [nummer] linksaf de [straat 2] op. Kort voor deze uitrit zit een flauwe bocht in de [straat 2] , waardoor bestuurders vanaf de uitrit maar een beperkt zicht op de weg naar links hebben. [slachtoffer] was net de weg opgereden, toen een Porsche 911 Carrera S met zeer hoge snelheid van links kwam aanrijden. De Porsche werd bestuurd door verdachte, die, naar later bleek, meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol in zijn bloed had. Verdachte zag het licht van de straatlantaarns weerspiegelen op het dak van de auto van [slachtoffer] . Hij reed zodanig snel dat hij zijn voertuig niet meer tot stilstand kon brengen. Verdachte is met zijn Porsche tegen de linker voorzijde van de Toyota gereden. [slachtoffer] liep zwaar lichamelijk letsel op bij deze aanrijding. Twee weken later is [slachtoffer] aan de gevolgen van haar verwondingen overleden.
In hoger beroep heeft verdachte erkend dat hij op 16 maart 2016 onder invloed van alcohol en met zeer hoge snelheid in de door hem bestuurde auto over de [straat 2] heeft gereden. Verdachte heeft de verantwoordelijkheid voor zijn rijgedrag, de daarop volgende aanrijding en het overlijden van [slachtoffer] aanvaard. Voor het tenlastegelegde is in zoverre ook voldoende wettig en overtuigend bewijs.
In hoger beroep staan twee juridische aspecten ter discussie, namelijk of er sprake is van medeplegen en of het handelen van verdachte kan worden aangemerkt als roekeloos, de zwaarste vorm van schuld die de wet kent.
Het hof stelt voorop dat het zich zeer bewust is van de grote impact die de aanrijding en het overlijden van [slachtoffer] hebben gehad op haar familie en vrienden en ook op verdachte en zijn omgeving. Op de zitting in hoger beroep is dit duidelijk gebleken. Echter, de hiermee verband houdende emoties, hoe begrijpelijk ook, kunnen bij de beoordeling van de juridische aspecten geen rol spelen. Het is de taak van het hof om op basis van de wet en de jurisprudentie te beslissen over de juridische elementen van deze zaak.
Bewijsoverwegingen
Van het medeplegen van een strafbaar feit is sprake als de verdachte het feit in nauwe en bewuste samenwerking met één of meer anderen heeft gepleegd. De verschillende medeplegers moeten allen een substantiële bijdrage aan het delict hebben geleverd.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij samen met zijn zoon [medeverdachte] een verkeersongeval met dodelijke afloop heeft veroorzaakt. De tenlastelegging veronderstelt dus dat niet alleen het rijgedrag van verdachte, maar ook dat van [medeverdachte] , in oorzakelijk verband staat met het verkeersongeval en dat beiden nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dit het geval is. Er is sprake geweest van een onderlinge dynamiek en een gezamenlijk handelen, dat als medeplegen kan worden gekwalificeerd, aldus de advocaat-generaal.
Het hof oordeelt hierover anders. Dat ook [medeverdachte] met zeer hoge snelheid over de [straat 2] (en, daarvoor, over de [straat 1] ) heeft gereden en dat hij wist dat verdachte, na gebruik van alcoholhoudende drank, achter het stuur van zijn auto stapte, maakt op zichzelf niet dat sprake is van medeplegen. Daarvoor moet worden vastgesteld dat het rijgedrag van [medeverdachte] van invloed is geweest op het - tot het verkeersongeval leidende - rijgedrag van verdachte. Technisch bewijs daarvoor ontbreekt. Voor het bewijs daarvoor moet gebruik worden gemaakt van verklaringen die door getuigen zijn afgelegd. Die verklaringen moeten met de nodige behoedzaamheid worden gehanteerd. De meeste getuigen zijn gehoord op een moment dat zij kennis hadden genomen van de gevolgen van het ongeval. Dit kan de inhoud van de verklaring over het daaraan voorafgaande rijgedrag gekleurd hebben. De getuigen zijn veelal telefonisch gehoord en niet altijd blijkt op welke feiten en omstandigheden hun conclusies zijn gebaseerd. Uit de verklaringen van de getuigen kan niet meer worden afgeleid dan dat [medeverdachte] met forse snelheid achter verdachte gereden heeft, dat hij ook op korte afstand achter verdachte heeft gereden en een aantal keren op verdachte is ingelopen toen verdachte remde voor een bocht of voor de flitspaal op de [straat 2] . Getuigen benoemen dit laatste als dat het leek alsof [medeverdachte] probeerde om verdachte in te halen. Tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het rijgedrag van [medeverdachte] van invloed is geweest op het tot het verkeersongeval leidende rijgedrag van verdachte, kan dit echter niet leiden. Verdachte was als eerste weggereden, reed voortdurend voorop en kon zijn eigen snelheid en rijrichting volledig zelf bepalen. Er is geen bewijs dat de verdachten onderling hadden afgesproken om hard te gaan rijden. Voor een straatrace of rijden met een ‘wedstrijdachtig karakter’ is geen bewijs, ook niet daarvoor dat verdachte werd opgejaagd door het rijgedrag van [medeverdachte] of dat het handelen van [medeverdachte] het rijgedrag van verdachte op een andere manier heeft beïnvloed. Wat feitelijk kan worden vastgesteld, is dat [medeverdachte] eveneens met een hoge snelheid dezelfde route reed als verdachte. Dat is onvoldoende om van nauwe en bewuste onderlinge samenwerking te kunnen spreken. Niet kan worden bewezen dat [medeverdachte] ’ rijgedrag, hoewel dit gevaarzettend en strafbaar is geweest, het verkeersongeval mede heeft veroorzaakt. Er is geen sprake van medeplegen. Verdachte is, als enige, de veroorzaker (pleger) van het verkeersongeval.
Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarop het tenlastegelegde (door schuld in het verkeer) is gebaseerd, kent verschillende gradaties van schuld. De ondergrens van schuld in de zin van dit artikel is een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. De zwaarste vorm van schuld is roekeloosheid.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat van roekeloosheid alleen sprake is als zodanige feiten en omstandigheden zijn vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat verdachte zich daarvan bewust was of bewust had moeten zijn.
De juridische betekenis van roekeloosheid is niet dezelfde als de betekenis van dit begrip in het normale spraakgebruik. Roekeloosheid grenst aan opzet. Er geldt een dubbel zo hoog strafmaximum als voor alle andere schuldvarianten. Mede vanwege dit strafverhogende effect worden aan het vaststellen van roekeloosheid volgens de geldende jurisprudentie zeer hoge eisen gesteld.
Van belang is verder dat de ernst van de gevolgen, in dit geval een dodelijk slachtoffer, geen rol kunnen spelen bij de vaststelling van de mate van schuld. Immers, een relatief lichte verkeersovertreding kan noodlottige gevolgen hebben, terwijl zeer gevaarlijk rijgedrag soms gelukkigerwijs zonder gevolgen blijft.
Ook is van belang dat in artikel 175, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, aparte strafverzwarende omstandigheden zijn genoemd, waaronder het veel sneller rijden dan de maximumsnelheid en het rijden onder invloed. Dat maakt dat deze omstandigheden, omdat ze op zichzelf al strafverzwarend zijn, niet genoeg zijn om tot het oordeel te komen dat sprake is van roekeloosheid.
Het handelen van verdachte komt er in de kern op neer dat hij met zeer hoge snelheid en onder invloed van alcohol heeft gereden. Dit rijgedrag moet worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig, maar kan niet worden beschouwd als roekeloos in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte moet daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Verdachte wordt veroordeeld voor zeer onvoorzichtig rijgedrag, als gevolg waarvan een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] is overleden.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1 primair:
hij op 16 maart 2016 te [plaats] , gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Porsche, type 911 Carrera S, kenteken [kenteken 1] ), rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, namelijk de [straat 1] en de [straat 2] , zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen, waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, hierin bestaande dat, na voorafgaand alcoholgebruik, verdachte over een afstand van ongeveer 3100 meter (op de [straat 1] en de [straat 2] ), terwijl de gereden snelheid van verdachte over een gedeelte van die afstand veel hoger was dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, terwijl de duisternis was ingetreden en de [straat 2] een weg is met veel in- en afritten van woonhuizen die slecht te zien zijn vanaf de weg, terwijl verdachte van de wegsituatie op de hoogte was, waarbij verdachte op een afstand van ongeveer 130 meter voor de plaats van het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid met als beste schatter voor de snelheid 167 kilometer per uur en op een afstand van ongeveer 45 meter voor de plaats van het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid met als beste schatter voor de snelheid 160 kilometer per uur, waardoor verdachte zijn motorrijtuig niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waarna verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig is gebotst tegen een ander motorrijtuig (Toyota Aygo), waarin [slachtoffer] zich bevond, waardoor [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen, dat zij daaraan is overleden, terwijl bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed 0,92 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn en de aanrijding mede is veroorzaakt doordat verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;
2:
hij op 16 maart 2016 te [plaats] , gemeente [gemeente] , als bestuurder van een voertuig, (Porsche, type 911 Carrera S, kenteken [kenteken 1] ), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,92 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Oplegging van straf en/of maatregel
Verdachte heeft zich op 16 maart 2016 schuldig gemaakt aan zeer onvoorzichtig en gevaarlijk rijgedrag. Hij heeft onder invloed van alcohol achter het stuur van zijn Porsche plaatsgenomen en is met zeer hoge snelheid in de richting van zijn woning aan de [straat 2] gaan rijden. Aangekomen op de [straat 2] , een weg waarvan verdachte zelf heeft verklaard dat deze voor oprijdend verkeer vanaf de uitritten buitengewoon slecht te overzien is en waar maximaal 50 kilometer per uur is toegestaan, is verdachte met een extreem hoge snelheid blijven rijden, op enig moment zelfs boven de 160 kilometer per uur. Ter hoogte van een flitspaal heeft verdachte sterk afgeremd, waarna hij onmiddellijk weer terug accelereerde naar een zeer hoge snelheid. Verdachte was zich er zeer wel van bewust dat hij met te hoge snelheid reed. Met dit gedrag heeft verdachte de veiligheid van andere weggebruikers ernstig in gevaar gebracht.
Verdachte heeft met zijn rijgedrag een tragisch verkeersongeval veroorzaakt, dat de dood van [slachtoffer] , een jonge vrouw in de bloei van haar leven, tot gevolg heeft gehad. De lijdensweg van [slachtoffer] en haar uiteindelijke overlijden heeft haar familie, die een dochter en een zus moet missen, en haar grote vrienden- en kennissenkring in rouw gedompeld. Aan dit verlies kan geen enkele strafrechtelijke afdoening tegemoet komen.
Het buitengewoon verwijtbare handelen van verdachte rechtvaardigt de oplegging van een voor schulddelicten als het onderhavige zeer zware straf. Door de verdediging is een deels voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit, eventueel gecombineerd met een taakstraf of een geldboete. Het hof gaat hier niet in mee. Taakstraffen of geldboetes kunnen bij zo ernstige feiten niet aan de orde zijn. Ook een deels voorwaardelijke straf heeft hier geen toegevoegde waarde. Uit oogpunt van vergelding en van generale preventie is alleen een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.
Bij het bepalen van de duur van die gevangenisstraf moet het hof, terwijl het in tegenstelling tot de rechtbank niet tot bewezenverklaring van roekeloosheid komt, naast met de ernst van het feit, ook rekening houden met andere factoren. Zo zal het hof bij de straftoemeting moeten meewegen welke straffen er in eerdere, vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De in hoger beroep gewijzigde procesopstelling van verdachte is niet van invloed op de straftoemeting. Wel houdt het hof rekening met wat omtrent de persoon van verdachte is gebleken.
De Oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS, waarin is weergegeven welke strafoplegging landelijk gebruikelijk is, geeft als uitgangspunt voor het veroorzaken van een dodelijk ongeval onder invloed van alcohol, waarbij sprake is van een zeer hoge mate van schuld, een gevangenisstraf van drie jaren en een onvoorwaardelijke rijontzegging van vier jaren. Al het voorgaande in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat oplegging van die straffen hier passend en geboden is.
Vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 7.314,28 (zevenduizend driehonderdveertien euro en achtentwintig cent) bestaande uit
€ 7.314,28 (zevenduizend driehonderdveertien euro en achtentwintig cent) materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partijen in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 3.969,56 (drieduizend negenhonderdnegenenzestig euro en zesenvijftig cent).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.314,28 (zevenduizend driehonderdveertien euro en achtentwintig cent) bestaande uit materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 71 (eenenzeventig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 16 maart 2016.
Aldus gewezen door
mr. E. de Witt, voorzitter,
mr. J.J. Beswerda en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,
en op 26 april 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.