Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6286

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
200.221.833
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Achterstallige huurpenningen, contractsoverneming.

Naar het oordeel van het hof maakt het feit dat ESWE, waarvan geïntimeerde directeur was, het gehuurde feitelijk in gebruik had en ook de huur voldeed, op zichzelf nog niet dat zij daarmee ook als contractspartij van appellant heeft te gelden. Appellant heeft in zijn memorie van grieven (onder 10.) aangevoerd dat hij er feitelijk nooit weet van heeft gehad dat ESWE het gehuurde was gaan gebruiken in plaats van de vof, van wie geïntimeerde een van de vennoten was. Van een acceptatie van ESWE als huurder kan daarom volgens appellant geen sprake zijn. Daartegenover heeft geïntimeerde nagelaten te onderbouwen waaruit appellant dit gebruik door ESWE als huurder had kunnen afleiden en heeft hij de stelling (conclusie van antwoord onder 7.) dat appellant toestemming heeft gegeven voor gebruik van het gehuurde door ESWE niet onderbouwd. Appellant heeft verder onweersproken aangevoerd dat geïntimeerde ook wel eens persoonlijk de huur kwam voldoen, zodat niet altijd zichtbaar was door en voor welk bedrijf werd betaald, terwijl voor appellant ook niet relevant was door wie de huur werd betaald. Verder heeft appellant bestreden dat in de vermelding van de naam “ESWE” op de facturen een aanvaarding van ESWE Installatietechniek B.V. als huurder ligt besloten, nu er – onder meer blijkens de als productie 2 in het geding gebrachte akte – ook werd gesproken van de “vof ESWE Installatietechniek”. Tegen deze achtergrond oordeelt het hof dat geïntimeerde zijn stelling dat sprake was van contractsoverneming onvoldoende heeft onderbouwd. De conclusie luidt dan dat niet vast is komen te staan dat sprake is van contractsoverneming en dat geïntimeerde contractspartij van appellant is en is gebleven, op grond waarvan geïntimeerde in beginsel gehouden is de gevorderde achterstallige huurpenningen te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.221.833

(zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Enschede, 5562648)

arrest van 10 juli 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. A. Hurenkamp,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D.G. Geerdink.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
7 maart 2017 en 16 mei 2017 die de kantonrechter (rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, locatie Enschede) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 augustus 2017,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord met productie 14 tot en met 20.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.4 van het vonnis van 16 mei 2017 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat in hoger beroep ook van die feiten – met enkele toevoegingen – zal worden uitgegaan. De weergave van die feiten is als volgt.

3.2

Op 22 mei 1995 is tussen [appellant] als verhuurder enerzijds en [geïntimeerde] en [X] , vennoten van de vennootschap onder firma [geïntimeerde] en [X] Installatietechniek (hierna ook: de vof) als huurders anderzijds een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [Straat] te [plaats] . De overeenkomst is aangegaan voor vijf jaar en daarna voor onbepaalde tijd verlengd.

3.3

De vof is – via [geïntimeerde] Holding B.V. – ingebracht in de besloten vennootschap ESWE Installatietechniek B.V. (hierna: ESWE), die ook de maandelijkse huurbetaling deed. Sinds de samenwerking tussen [geïntimeerde] en [X] in 2005 is beëindigd, is [geïntimeerde] de enige directeur en eigenaar van ESWE geweest.

3.4

ESWE is in 2013 gefailleerd. Het faillissement is in 2014 opgeheven wegens gebrek aan baten.

3.5

Bij vonnis van 7 mei 2013 heeft de kantonrechter te Enschede een vordering van de vennootschap onder firma Bouwmarkt [appellant] tot betaling van achterstallige huur tegen ESWE afgewezen. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen:

“Blijkens de als productie 1 overgelegde akte van huur is niet de vennootschap onder firma Bouwmarkt [appellant] v.o.f., eiseres, verhuurder, maar de heer [appellant] in persoon. Nu op geen enkele wijze is gesteld of gebleken dat er sprake zou zijn van rechtsopvolging, oftewel niet duidelijk is op welke grond de vennootschap onder firma Bouwmarkt [appellant] gerechtigd is de huurpenningen te vorderen, dient de vordering reeds op die grond te worden afgewezen.

Ten overvloede wordt overwogen dat vooralsnog evenmin duidelijk is op welke grond er een huurovereenkomst tussen eiseres, dan wel de heer [appellant] en ESWE Installatietechniek tot stand is gekomen, nu van de indeplaatsstelling noch van een contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW sprake is geweest.”

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg, kort gezegd, gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur ter hoogte van € 24.753,43, vermeerderd met wettelijke rente en met buitengerechtelijke kosten.

4.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 16 mei 2017 de vorderingen van [appellant] afgewezen.

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1

Onder aanvoering van drie grieven heeft [appellant] gevorderd dat het hof het bestreden vonnis van 16 mei 2017 zal vernietigen en – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van € 24.753,43 en zal veroordelen in de kosten van beide instanties, beide te vermeerderen met de wettelijke rente en daarnaast [geïntimeerde] zal veroordelen in de nakosten.

5.2

Kern van het geschil betreft de vraag wie contractspartij is van [appellant] , als verhuurder, en wie in dat kader door [appellant] in de procedure betrokken had moeten worden met het oog op de gevorderde achterstallige huurpenningen. De vraag is of dat [geïntimeerde] is, als vennoot van de – in 1999 beëindigde – vennootschap onder firma [geïntimeerde] en [X] Installatietechniek of dat ESWE dat is.

5.3

De kantonrechter heeft in een procedure tussen vennootschap onder firma Bouwmarkt [appellant] en ESWE bij vonnis van 7 mei 2013 ten overvloede overwogen dat vooralsnog voor hem onduidelijk was op welke grond er een huurovereenkomst tussen [appellant] en ESWE tot stand was gekomen, omdat van indeplaatsstelling noch van contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW sprake is geweest (zie hiervoor rov. 3.5). [appellant] heeft vervolgens in de onderhavige procedure niet ESWE, maar [geïntimeerde] , als vennoot van de vennootschap onder firma [geïntimeerde] en [X] Installatietechniek in rechte betrokken. De kantonrechter heeft bij vonnis van 16 mei 2017 geoordeeld niet gebonden te zijn aan de hiervoor genoemde ten overvloede gegeven overweging van de kantonrechter in het vonnis van 7 mei 2013 en heeft geoordeeld dat niet [geïntimeerde] , maar, doordat sprake is van contractsoverneming, ESWE als huurder heeft te gelden. Dat betekent dat [appellant] de verkeerde partij heeft gedagvaard, waardoor de kantonrechter de vordering heeft afgewezen.

5.4

De voornaamste grief die [appellant] tegen het vonnis van 16 mei 2017 heeft aangevoerd, is dat niet ESWE maar [geïntimeerde] contractspartij is bij de huurovereenkomst, waardoor [geïntimeerde] gehouden is de betalingsverplichtingen voortvloeiend uit die overeenkomst na te komen. Kort gezegd is volgens [appellant] namelijk geen sprake van contractsoverneming of indeplaatsstelling door ESWE, omdat [appellant] nimmer heeft ingestemd met een dergelijke contractsoverneming of indeplaatsstelling. Het hof volgt [appellant] in dit standpunt en overweegt daartoe als volgt.

5.5

Op [geïntimeerde] , die zich ter afwering van de vordering van [appellant] , beroept op het bevrijdende verweer dat niet hij maar ESWE vanwege contractsoverneming gehouden is tot nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst, rust de stelplicht en de bewijslast van die contractsoverneming.

5.6

Zoals ook de kantonrechter in zijn vonnis van 16 mei 2017 heeft overwogen, is voor contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 van het Burgerlijk Wetboek (BW) enerzijds vereist een akte tussen de overdragende en de overnemende partij en anderzijds medewerking van de wederpartij. Medewerking kan in elke vorm worden verleend, hetzij vooraf, hetzij achteraf, hetzij zonder duidelijke ‘verklaring’.

[geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van contractsoverneming diverse aktes overgelegd (zie productie 1, 2 en 3 bij conclusie van antwoord). Daarnaast heeft [geïntimeerde] gesteld dat [appellant] stilzwijgend heeft ingestemd met deze contracts-overneming, omdat [appellant] niet alleen wist dat ESWE het gehuurde feitelijk in gebruik had, maar ook omdat ESWE de huur betaalde, [appellant] betalingsherinneringen aan ESWE (en niet aan de vof) richtte en omdat de voormalig gemachtigde van [appellant] een brief inzake de betalingsachterstand aan ESWE (en niet aan de vof) heeft verstuurd. [appellant] heeft gemotiveerd betwist dat uit voornoemde punten, of uit andere feiten en omstandigheden, zou blijken dat hij expliciet of stilzwijgend heeft ingestemd met contractsoverneming.

5.7

Naar het oordeel van het hof maakt het feit dat ESWE, waarvan [geïntimeerde] directeur was, het gehuurde feitelijk in gebruik had en ook de huur voldeed, op zichzelf nog niet dat zij daarmee ook als contractspartij van [appellant] heeft te gelden. [appellant] heeft in zijn memorie van grieven (onder 10.) aangevoerd dat hij er feitelijk nooit weet van heeft gehad dat ESWE het gehuurde was gaan gebruiken in plaats van de vof, van wie [geïntimeerde] een van de vennoten was. Van een acceptatie van ESWE als huurder kan daarom volgens [appellant] geen sprake zijn. Daartegenover heeft [geïntimeerde] nagelaten te onderbouwen waaruit [appellant] dit gebruik door ESWE als huurder had kunnen afleiden en heeft hij de stelling (conclusie van antwoord onder 7.) dat [appellant] toestemming heeft gegeven voor gebruik van het gehuurde door ESWE niet onderbouwd. [appellant] heeft verder onweersproken aangevoerd dat [geïntimeerde] ook wel eens persoonlijk de huur kwam voldoen, zodat niet altijd zichtbaar was door en voor welk bedrijf werd betaald, terwijl voor [appellant] ook niet relevant was door wie de huur werd betaald. Verder heeft [appellant] bestreden dat in de vermelding van de naam “ESWE” op de facturen een aanvaarding van ESWE Installatietechniek B.V. als huurder ligt besloten, nu er – onder meer blijkens de als productie 2 in het geding gebrachte akte – ook werd gesproken van de “vof ESWE Installatietechniek”. Tegen deze achtergrond oordeelt het hof dat [geïntimeerde] zijn stelling dat sprake was van contractsoverneming onvoldoende heeft onderbouwd. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. De conclusie luidt dan dat niet vast is komen te staan dat sprake is van contractsoverneming en dat [geïntimeerde] contractspartij van [appellant] is en is gebleven, op grond waarvan [geïntimeerde] in beginsel gehouden is de gevorderde achterstallige huurpenningen te betalen. De grief slaagt.

5.8

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg echter verschillende verweren gevoerd die op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep voorliggen. Het meest verstrekkende verweer is het (bevrijdende) verweer dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd, waardoor de vordering van [appellant] moet worden afgewezen. [geïntimeerde] heeft daartoe aangevoerd dat de huurovereenkomst per 1 februari 2012 mondeling is opgezegd tegen 1 mei 2012 en dat [appellant] daarmee akkoord is gegaan (zie onder 8. en 9. van de conclusie van antwoord). Deze instemming zou volgens [geïntimeerde] volgen uit de brief van Interim Justitia (productie 4 bij conclusie van antwoord). Ter comparitie heeft [geïntimeerde] echter 1 januari 2012 als datum genoemd waartegen het contract zou zijn opgezegd (zie proces-verbaal van de comparitie van 20 april 2017). [geïntimeerde] heeft toen verklaard: “We spraken toen af dat de huur per 1 januari 2012 zou eindigen op voorwaarden dat ik dan bij zou zijn met de huur. Ik zou het pand op 1 januari 2012 leeg opleveren.” Gelet op deze niet met elkaar overeenstemmende data waartegen zou zijn opgezegd, had het op de weg van [geïntimeerde] gelegen zijn stelling dat sprake is geweest van mondelinge opzegging van de huurovereenkomst nader te specificeren. Als zodanig kan niet dienen de brief van Interim Justitia, waarnaar [geïntimeerde] verwijst, nu daarin geen erkenning van de mondelinge overeenstemming tot beëindiging van de huurovereenkomst valt te lezen. Het vorenstaande klemt te meer nu [appellant] ter comparitie betwist dat sprake was van een mondelinge opzegging. [appellant] verklaarde: “Het klopt dat [geïntimeerde] en ik ergens in oktober (p)of november 2011 contact hebben gehad bij [geïntimeerde] op het bedrijf. (…) Over opzegging van de bestaande huurovereenkomst ging het niet. Aan een ‘opzegging’ is ook geen vervolg gegeven. Het is niet zo dat [geïntimeerde] eind 2011 bij mij is geweest om zo’n opzegging te bevestigen.” (zie proces-verbaal van de comparitie van 20 april 2017).

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] vanwege zijn niet overeenstemmende stellingen ter zake, de betwisting door [appellant] en de omstandigheid dat door [geïntimeerde] geen gevolg is gegeven aan de veronderstelde opzegging, zijn stelling dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd, onvoldoende (consequent) toegelicht. Om die reden zal het bewijsaanbod dat [geïntimeerde] op dit punt heeft gedaan (zie onder 23. van de conclusie van antwoord), dan ook door het hof worden gepasseerd.

5.9

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg ook het (bevrijdende) verweer gevoerd dat hij de door [appellant] gevorderde huurpenningen over de maanden januari tot en met april 2012 mocht verrekenen met teveel betaalde energielasten, dan wel dat in dat kader op de vordering van [appellant] nog een bedrag van € 3.974,23 (zie onder 9. en 10. van de conclusie van antwoord), althans een bedrag van ongeveer € 3.800,00 (zie onder 16. van de memorie van antwoord) in mindering dient te worden gebracht. Hoewel door [geïntimeerde] als productie 11 bij de conclusie van antwoord een berekening (uitkomend op een bedrag van € 3.974,23) is overgelegd, heeft [geïntimeerde] niet naar deze productie verwezen en heeft hij deze productie nergens toegelicht. Bovendien heeft [appellant] ter comparitie van 20 april 2017 verklaard dat partijen hebben afgesproken dat een vast bedrag van € 50,00 aan energiekosten in rekening zou worden gebracht aan [geïntimeerde] . Dit bedrag kwam volgens [appellant] ongeveer overeen met het vastrecht. [geïntimeerde] heeft deze stelling niet, althans onvoldoende, weersproken. Nu gelet op de inhoud van deze afspraak niet relevant is wat de daadwerkelijke energiekosten zijn geweest, gaat het hof voorbij aan de stellingen van [geïntimeerde] op dit punt.

5.10

Voorts heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat [appellant] in de periode tussen 11 juni 2013 en
2 oktober 2015 geen stappen heeft ondernomen om zijn vordering op [geïntimeerde] te verhalen en dat [appellant] pas een jaar na de brief van 2 oktober 2015 tot dagvaarden is overgegaan. Vanwege dit stilzitten meende [geïntimeerde] dat [appellant] de verwachting had gewekt geen aanspraak meer te zullen maken op de vordering. Om die reden is [geïntimeerde] , aldus [geïntimeerde] , geen wettelijke rente verschuldigd (zie onder 16. van de conclusie van antwoord).

Het hof begrijpt het verweer van [geïntimeerde] als een beroep op rechtsverwerking. Uitgangspunt is dat enkel tijdsverloop of stilzitten niet voldoende is om rechtsverwerking aan te nemen. [geïntimeerde] heeft naast het tijdsverloop of stilzitten van [appellant] geen bijkomende omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [appellant] zijn aanspraak niet (meer) geldend zou maken. Voorts is gesteld noch gebleken dat de positie van [geïntimeerde] is benadeeld of verzwaard door het alsnog geldend maken door [appellant] van de door hem gestelde aanspraak. Het hof is daarom van oordeel dat de door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheden afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien voldoende grond bieden voor de conclusie dat [appellant] zijn recht heeft verwerkt. Het verweer gaat daarom niet op.

5.11

Voorts heeft [geïntimeerde] nog aangevoerd dat hij, bij aanvang van de huurovereenkomst, een borgsom aan [appellant] heeft betaald en dat deze borgsom in mindering dient te worden gebracht op de vordering van [appellant] (zie onder 21. van de conclusie van antwoord). Ter comparitie van 20 april 2017 heeft [geïntimeerde] verklaard dat hij dit bedrag via de notaris heeft voldaan en heeft [appellant] verklaard dat hij niet weet of er een waarborgsom is betaald door [geïntimeerde] . Daarom zal het verweer door het hof worden gepasseerd en wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

5.12

[geïntimeerde] heeft tot slot aangevoerd dat geen sprake is van verzuim (zie onder 20. van de conclusie van antwoord) en dat de vorderingen met betrekking tot de achterstallige huurpenningen over december 2006 en februari 2008 zijn verjaard (zie onder 21. van de conclusie van antwoord). [geïntimeerde] heeft geen van beide verweren van een (juridische) toelichting voorzien, waardoor hij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Daarom gaat het hof aan beide verweren voorbij.

5.13

Nu het hof van oordeel is dat [geïntimeerde] contractspartij is gebleven van [appellant] en geen van de door [geïntimeerde] aangevoerde verweren slaagt, zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [appellant] toewijzen.

6 De slotsom

6.1

De tweede grief slaagt. Het bestreden vonnis van de kantonrechter te Enschede van

16 mei 2017 zal worden vernietigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 471,00 voor verschotten en op € 800,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 716,00 voor verschotten en op € 2.316,00 (2 punten x tarief III) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Enschede van 16 mei 2017;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 24.753,43 aan [appellant] te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 471,00 voor verschotten en op € 800,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld € 716,00 voor verschotten en op € 2.316,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157,00 met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, S.B. Boorsma en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.