Het hof passeert de stelling dat verdachte de uitslag van de ademanalyse uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft betwist waardoor deze analyse niet voor het bewijs gebruikt zou mogen worden.
Op grond van de in het proces-verbaal van politie vermelde feiten en omstandigheden komt niet vast te staan dat verdachte ten overstaan van de betrokken verbalisanten de uitslag van de genoemde ademanalyse uitdrukkelijk heeft betwist. Verbalisanten behoefden hetgeen verdachte aldus het proces-verbaal van politie nadat hem de uitslag was meegedeeld heeft gezegd niet op te vatten als een betwisten van de uitslag op grond waarvan zij gehouden zouden zijn te wijzen op de mogelijkheid van een tegenonderzoek. Dat verdachte ontstemd was maakt dit niet anders. Dat kan immers vele oorzaken hebben en hoefde in de gegeven omstandigheden door verbalisanten niet als een uitdrukkelijke betwisting van de uitslag te worden geïnterpreteerd.
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 6 april 2017 met parketnummer 96-195323-16 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte wegens het primair ten laste gelegde tot een geldboete van vierhonderdtwintig euro, subsidiair acht dagen hechtenis en tot ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden, waarvan vier maanden en negentien dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. T.J.J. Bodewes, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem is ten laste gelegd.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
primair:
hij, op of omstreeks 24 september 2016, te [plaats] , als bestuurder van een voertuig, (snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 740 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
subsidiair:
hij op of omstreeks 24 september 2016 te [plaats] , als bestuurder van een voertuig
(snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een
stof, (alcohol), waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten dat het gebruik daarvan - al
dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan
verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Het hof is, anders dan de politierechter, van oordeel dat het op grond van de inhoud van het dossier wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. het hof overweegt daartoe het volgende.
De stelling van verdachte en zijn raadsman om de uitslag van de ademanalyse, waaraan verdachte op 24 september 2016 heeft meegewerkt, van het bewijs uit te sluiten komt er – zakelijk weergegeven – op neer dat verdachte, nadat deze uitslag van de ademanalyse aan hem werd meegedeeld, deze uitslag uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft betwist. Gevolg daarvan is, volgens de raadsman, dat nu de verbalisanten hebben nagelaten om verdachte te wijzen op de mogelijkheid van een tegenonderzoek, de uitslag van de ademanalyse niet voor het bewijs mag worden gebezigd.
Uit het in de wettelijke vorm door de betrokken verbalisanten opgemaakte proces-verbaal1 blijkt onder meer dat bij het eerste directe contact tussen verdachte en de verbalisanten bij verdachte werd waargenomen dat zijn adem naar alcohol rook, hij met dubbele tong sprak en hij onvast ter been was. De uitkomst van een ter plaatse uitgevoerd voorlopig ademonderzoek was een “F” en deze combinatie van factoren leidde tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.
Verdachte heeft daarop meegewerkt aan de ademanalyse en het resultaat van die analyse bedroeg 740 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht2.
De verklaring die verdachte heeft afgelegd nadat hem de uitslag van de ademanalyse was meegedeeld behelst – zakelijk weergegeven – dat hij heeft erkend na het nuttigen van alcoholhoudende drank als bestuurder te zijn opgetreden, en dat hij de afgelopen vierentwintig uren haast niet, te weten twee Heineken flesjes van elk vijfentwintig centiliter, had gedronken.
De verbalisanten hebben ten slotte nog aangekruist dat verdachte het onderzoeksresultaat niet uitdrukkelijk heeft betwist.
Naar aanleiding van het gevoerde verweer zijn in eerste aanleg, op de zitting van de politierechter van 6 april 2017, de beide betrokken verbalisanten als getuige gehoord. De verbalisanten hadden geen van beiden specifieke herinneringen aan de gang van zaken rond de mededeling van de uitslag van de ademanalyse aan verdachte of aan de reactie van verdachte daarop. Wel hebben de beide verbalisanten – zakelijk weergegeven - aangegeven dat de uitslag van de ademanalyse voor hen paste bij hun waarnemingen en de wijze waarop verdachte zich destijds gedroeg. Zij herinneren zich desgevraagd nog dat verdachte zich toen het rijbewijs werd ingenomen geagiteerd gedroeg.
Het hof overweegt het volgende. Bij de beoordeling van de vraag of verdachte de uitslag van de ademanalyse heeft betwist althans dat verbalisanten in de verklaring en gedrag een betwisting aanleiding hadden moeten vinden om van een uitdrukkelijke betwisting uit te gaan, baseert het hof zich allereerst voor wat betreft de gang van zaken op de inhoud van het proces-verbaal van politie. Het hof acht dat proces-verbaal ook gelet op de inhoud van de ter zitting van de politierechter afgelegde verklaringen van de verbalisanten, betrouwbaar bewijs. Op grond van de in dat proces-verbaal vermelde feiten en omstandigheden komt niet vast te staan dat verdachte op 24 september 2016 ten overstaan van de betrokken verbalisanten de uitslag van de genoemde ademanalyse uitdrukkelijk heeft betwist. Verbalisanten behoefden hetgeen verdachte aldus het proces-verbaal van politie nadat hem de uitslag was meegedeeld heeft gezegd niet op te vatten als een betwisten van de uitslag op grond waarvan zij gehouden zouden zijn te wijzen op de mogelijkheid van een tegenonderzoek. Dat verdachte ontstemd was maakt dit niet anders. Dat kan immers vele oorzaken hebben en hoefde in de gegeven omstandigheden door verbalisanten niet als een uitdrukkelijke betwisting van de uitslag te worden geïnterpreteerd. Het hof verwerpt daarom het verweer en gebruikt voormelde uitslag van de ademanalyse voor het bewijs van het ten laste gelegde.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primair: hij op 24 september 2016, te [plaats] , als bestuurder van een voertuig, (snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 740 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij een snorfiets heeft bestuurd terwijl onder invloed van alcohol verkeerde. Het alcoholgehalte in zijn adem bedroeg maar liefst zevenhonderdveertig microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, hetgeen wijst op de inname van een grote hoeveelheid alcoholhoudende drank. Verdachte heeft door zich aldus te gedragen de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.
Uit een verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 februari 2018 blijkt bovendien dat verdachte in het verleden al vele malen wegens soortgelijke delicten onherroepelijk werd veroordeeld. Deze veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan.
Bij de strafoplegging heeft het hof tevens gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft aangegeven dat een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid hem bovengemiddeld zwaar zou treffen, gelet op de omstandigheid dat het rijbewijs noodzakelijk is voor het uitoefenen van zijn zelfstandige bedrijf.
Hoewel, gelet op het voorgaande en met name op de recidive, niet kan worden afgezien van de oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid, zal het hof de advocaat-generaal in zijn eis volgen door slechts de tijd die het rijbewijs ingevorderd is geweest in onvoorwaardelijke zin op te leggen. Daarnaast leg het hof nog wel een voorwaardelijk deel van deze bijkomende straf op, teneinde recidive te voorkomen. Daarnaast acht het hof, met de advocaat-generaal, oplegging van een geldboete van vierhonderdtwintig euro passend.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 420,00 (vierhonderdtwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 4 (vier) maanden en 19 (negentien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Aldus gewezen door
mr. J. Hielkema, voorzitter,
mr. J. Dolfing en mr. M. Kuijer, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,
en op 4 april 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M. Kuijer voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
1 Proces-verbaal aangeduid met 240920160232919983.
2 Een schriftelijk stuk, te weten een afdruk van het resultaat van een ademanalyse met nummer 566, met als einddatum/-tijd 24 september 2016 te 03:01 uur en ondertekend door de bedienaar [naam] .
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: