GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.206.366/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4842140)
arrest van 4 december 2018
[appellant]
,
wonende te [A] ,
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. J.J. Achterveld,
Stichting Elkien,
gevestigd te Leeuwarden,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: Elkien,
advocaat: mr. W.E.A. Stegeman.
1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van de procedure tot 6 maart 2018 verwijst het hof naar het arrest dat op die datum is gewezen. Ter uitvoering van dat arrest heeft op 3 oktober 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Daarbij zijn van beide zijden spreeknotities overgelegd die aan het proces-verbaal zijn gehecht. Van Elkien is voorafgaand aan de comparitie nog productie 20 ontvangen.
1.2
Partijen hebben arrest gevraagd op het voorafgaand aan de zitting toegezonden procesdossier, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie en genoemde productie 20.
1.3
Het hoger beroep strekt tot vernietiging van het vonnis van 20 september 2016, het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellant] , met veroordeling van Elkien in de kosten van beide instanties.
2 De vaststaande feiten
2.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals die door de kantonrechter zijn vastgesteld in rechtsoverweging 2 (2.1 t/m 2.6) van het bestreden vonnis van
20 september 2016. Aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder als onweersproken vaststaat, gaat het om het volgende.
2.2
Bij vonnis van de kantonrechter Leeuwarden van 27 oktober 1998 is een tussen stichting Volkshuisvesting Leeuwarden, een rechtsvoorgangster van Elkien, en [appellant] bestaande huurovereenkomst ontbonden en is [appellant] veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van fl. 2.032,42. Dit bedrag is onbetaald gelaten.
2.3
Nadat [appellant] in juli 2012 belangstelling heeft getoond voor het huren van een door Elkien aangeboden huurwoning in Arum, heeft Elkien aan [appellant] meegedeeld dat een woning niet aan hem zal worden verhuurd omdat hij een huurachterstand heeft. De vorderingen die [appellant] vervolgens jegens Elkien (in kort geding en in een bodemprocedure) heeft ingediend, die strekten tot het sluiten van een huurovereenkomst voor een vergelijkbare huurwoning, zijn afgewezen.
2.4
Bij schrijven (e-mail) van 5 augustus 2015 heeft Elkien nogmaals het navolgende aan [appellant] bericht:
“Onderwerp: blokkade op inschrijving
Geachte heer [appellant] ,
U staat bij Elkien ingeschreven als woningzoekende en wilt graag een woning bij ons huren. Helaas kunnen wij hier geen gehoor aan geven.
Op dit moment huurt u van Woonfriesland en heeft u een huurachterstand. Bovendien heeft u bij Elkien een historie van overlast en nog een huurachterstand. Dit alles is voor ons de reden om uw inschrijving te blokkeren zodat u niet op woningen kunt reageren.”
2.5
Bij vonnis van 29 maart 2016 is op vordering van de stichting WoonFriesland een tussen deze stichting en [appellant] bestaande huurovereenkomst met betrekking tot een atelier in Leeuwarden ontbonden in verband met een huurachterstand.
3 De procedure in eerste aanleg
3.1
[appellant] heeft Elkien gedagvaard en gevorderd, samengevat, veroordeling tot het opheffen van de blokkering van zijn inschrijving als woningzoekende in de administratie van gedaagde, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag, gedurende welke Elkien nalatig blijft aan deze verplichting te voldoen, betaling van € 750,- ten titel van buitengerechtelijke incassokosten en betaling van de proceskosten, waaronder een salaris voor gemachtigde van [appellant] .
3.2
Elkien heeft verweer gevoerd.
3.3
De kantonrechter heeft in het vonnis van 20 september 2016 geoordeeld dat Elkien op grond van de nog openstaande schuld van [appellant] diens inschrijving als woningzoekende mag blokkeren en dat hetgeen [appellant] daartegen heeft aangevoerd onvoldoende zwaarwichtig is om anders te oordelen en heeft daarom de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de kosten van het geding.
4. De bespreking van de grieven
4.1
De zes door [appellant] opgeworpen grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. [appellant] heeft aangevoerd dat de kantonrechter bij de beoordeling van de vraag of hij als woningzoekende mocht worden geblokkeerd, een onjuiste afweging van de wederzijdse belangen heeft gemaakt. Het belang van [appellant] - dat ook zou blijken uit art. 22 Grondwet - zou zwaarder moeten wegen dan het belang van Elkien dat in de kern neerkomt op een financieel belang, nu het belang om te voorkomen dat [appellant] overlast zal veroorzaken, niet door de kantonrechter is gehonoreerd. Dienaangaande overweegt het hof als volgt. Als uitgangspunt heeft ten aanzien van de toewijzing van een huurwoning te gelden het beginsel van contractsvrijheid. Elkien is dan ook in beginsel vrij om al dan niet een huurovereenkomst met een woningzoekende aan te gaan. Wel geldt op grond van de Woningwet dat Elkien, als erkende instelling in de zin van art. 19 Woningwet, een bijzondere verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van het huisvesten van personen die door hun inkomen of door andere omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende huisvesting
(art. 46 lid 1 onder a Woningwet). Niet weersproken is dat [appellant] op zichzelf beschouwd kan worden gerekend tot voornoemde doelgroep. Deze bijzondere verantwoordelijkheid brengt mee dat hogere eisen aan Elkien dan aan een reguliere verhuurder mogen worden gesteld als het gaat om het wel of niet toewijzen van een woning en dat onder omstandigheden een blokkering van een woningzoekende in strijd met de vereiste maatschappelijke zorgvuldigheid die Elkien in acht moet nemen - en daarmee onrechtmatig jegens [appellant] - kan zijn. Het voorgaande neemt echter niet weg dat Elkien zodanige bezwaren ten aanzien van het aangaan van een huurovereenkomst met [appellant] heeft, dat het belang van [appellant] als woningzoekende hiervoor moet wijken. Het hof is van oordeel dat Elkien haar belang bij het niet toekennen van een woning aan [appellant] zwaarder mocht laten wegen dan het belang van [appellant] bij het toewijzen van een woning. Het belang van Elkien komt erop neer dat er voldoende vertrouwen kan zijn in het nakomen van de huurverplichtingen door [appellant] . Dit vertrouwen is er niet, zo heeft Elkien gesteld. Ter onderbouwing heeft Elkien, onweersproken, aangegeven dat [appellant] nog een huurschuld uit 1998 en proceskostenschulden uit 2012 en 2013 heeft aan Elkien.
4.2
[appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat de kantonrechter bij het betrekken van voornoemde schuld in zijn afweging niet voorbij had mogen gaan aan de door [appellant] voorgestelde betalingsregeling (grief I en grief V). [appellant] heeft in dit verband aangegeven bereid te zijn te leven van de zogenoemde beslagvrije voet. Ook is hij bereid - om te voorkomen dat er in de toekomst weer een betalingsachterstand zal zijn - de gemeente opdracht te geven om rechtstreeks de huurpenningen aan Elkien te voldoen. [appellant] is tevens van oordeel dat de kantonrechter bij het ‘wegen’ van de schuld ten onrechte heeft verwezen naar het feit dat een andere huurovereenkomst (namelijk die tussen [appellant] en WoonFriesland) door de rechter is ontbonden vanwege het bestaan van een huurschuld, nu volgens [appellant] de schuld tijdens die procedure al volledig was ingelopen. Daaruit zou juist mogen worden afgeleid dat [appellant] bereid is zijn positie als huurder serieus te nemen en dat hij bereid en in staat is zijn positieve intenties in daden om te zetten. Tenslotte betoogt [appellant] dat Elkien zelf pogingen had moeten ondernemen om de openstaande schuld op Elkien te verhalen, maar dat - volgens de kantonrechter - niet heeft gedaan en ook niet moest doen omdat [appellant] geen vaste woon- of verblijfplaats had.
4.3
Het hof is van oordeel dat de schuldenproblematiek op een juiste wijze door de kantonrechter in de afweging van de wederzijdse belangen is betrokken. Het bestaan van de huurschuld alsmede de wijze waarop [appellant] met deze schuld omging, mag zwaar meewegen bij de beoordeling van de betreffende aanvraag voor een huurwoning. Het gaat niet aan om de verantwoordelijkheid voor het incasseren van de opeisbare schuld bij Elkien neer te leggen terwijl [appellant] om hem moverende redenen geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Van Elkien hoeft niet te worden verwacht dat zij alles in het werk zal gaan stellen om [appellant] ’s verblijfplaats op te sporen. Voorts zij erop gewezen dat [appellant] op geen enkele wijze - ook niet ter zitting - inzicht heeft willen verstrekken in de omvang van zijn schuldenlast, zodat het voor het hof niet mogelijk is om na te gaan op welke termijn de schuld aan Elkien door [appellant] zou kunnen worden afgelost als het door hem gedane tegenvoorstel door Elkien zou worden aanvaard. Overigens is het hof van oordeel dat het voorstel dat Elkien heeft gedaan om de schuld af te lossen - te weten betaling van de helft ineens en de andere helft in zes maandelijkse termijnen - als coulant jegens [appellant] is te beschouwen.
4.4
Bij de afweging van de wederzijdse belangen moeten worden betrokken de voor [appellant] bestaande mogelijkheden om elders woonruimte te vinden. [appellant] heeft in dit verband betoogd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij voor het vinden van woonruimte niet afhankelijk is van Elkien (grief II). Elkien heeft hiertegen gemotiveerd gesteld dat er voldoende alternatieven voor [appellant] voorhanden waren. Niet is gebleken of aannemelijk gemaakt dat andere woningcorporaties - door Elkien zijn negen concrete corporaties genoemd - geen woning aan [appellant] zouden willen verhuren. Ook de feitelijke situatie - [appellant] heeft, zo is ter zitting gebleken, inmiddels andere woonruimte kunnen huren - wijst daarop. Dat [appellant] liever in [A] woont dan in het dorp waar hij nu verkeert, is op zichzelf begrijpelijk, maar is niet doorslaggevend. Het hof kan [appellant] niet volgen in zijn betoog dat het vinden van reguliere woonruimte in zijn leefomgeving een basisrecht zou zijn waarvoor het belang van Elkien zou moeten wijken. Afgezien van het feit dat van een basisrecht als zodanig niet kan worden gesproken, heeft [appellant] alleen aangegeven dat [A] zijn leefomgeving vormt omdat zijn huidige vriendin er zou wonen.
4.5
Om de onder 4.4 genoemde reden wordt het beroep van [appellant] op zijn medische omstandigheden (grief III) eveneens afgewezen. De kantonrechter kon deze omstandigheden buiten beschouwing laten, nu [appellant] voor het vinden van woonruimte niet afhankelijk was van Elkien. Nu [appellant] ook feitelijk andere woonruimte is aangeboden en hij die ook feitelijk heeft gevonden, is hij voor de toegang tot medische zorg niet afhankelijk van Elkien. Overigens is niet weersproken dat [appellant] zelfs tijdens de periode dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats had (en daardoor niet stond ingeschreven bij een huisarts) wel degelijk noodzakelijke (spoedeisende) medische hulp heeft gekregen in het MCL.
4.6
Geheel ten overvloede wijst het hof erop dat het tijdens de zitting door [appellant] opgeworpen verweer dat sprake zou zijn van discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging, omdat hij een zogenoemde Rechabiet - iemand die net als het Rechabietenvolk, welk volk genoemd wordt in het bijbelboek Jeremia (hoofdstuk 35) en, zoals daar beschreven, in een tent wil wonen en geen alcohol gebruikt - zou zijn, niet opgaat. Van een door de Grondwet of het EVRM beschermd recht op godsdienst of levensovertuiging is immers geen sprake. Volgens vaste jurisprudentie geldt als voorwaarde voor het aanmerken van een samenstel van opvattingen als een godsdienst of levensovertuiging in de zin van artikel 9 van het EVRM, dat die opvattingen een zeker niveau aan overtuigingskracht, ernst, samenhang en belang bereikt hebben (vgl. Raad van State, 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2715 inzake het belijden van pastafarisme). Hiervan is geen sprake, nu [appellant] zelf heeft aangegeven dat hij de enige persoon in Nederland is die deze opvatting aanhangt en hij heeft aangegeven er niet zeker van te zijn of er mogelijk nog gelijkgezinden in het buitenland zijn. Daarmee is op geen enkele wijze gesteld en evenmin aannemelijk gemaakt dat sprake is van een samenstel van opvattingen als voornoemd. Bovendien heeft Elkien tijdens de zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat de gestelde overtuiging van [appellant] geen rol heeft gespeeld bij het genomen besluit ten aanzien van zijn inschrijving als woningzoekende.
4.7
Nu [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, faalt ook grief VI die tegen de proceskostenveroordeling is gericht.
5 De slotsom
De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Elkien vast te stellen als volgt: € 716,- aan verschotten (griffierecht) en € 2.148,-
(2 punten in tarief II) aan geliquideerd salaris van de advocaat.
De wettelijke rente en nakosten zullen als hierna bepaald eveneens worden toegewezen.
6 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van 20 september 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland (locatie Leeuwarden) waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Elkien vastgesteld als volgt:
€ 716,- aan verschotten en € 2.148,- aan geliquideerd salaris van de advocaat, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na deze uitspraak en met nakosten ten belope van € 157,- zonder betekening dan wel € 239,- in geval van betekening;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de proceskostenveroordeling;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. W.F. Boele, mr. W.P.M. ter Berg en mr. W.A. Zondag en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
4 december 2018.