2.3
VEC en Galliata hebben gesteld dat is onderzocht of een collectieve aansluiting bij het pensioenfonds Zorg & Welzijn, dat evenals het ABP een middelloonregeling hanteert, mogelijk was, doch dat dit niet mogelijk was, omdat dat pensioenfonds te kennen had gegeven dat de activiteiten van VEC en Galliata niet aansloten bij de van toepassing zijnde werkingssfeer.
Ook hebben VEC en Galliata aangevoerd dat een FPU-regeling, zoals die in de regeling met het ABP bestond, in 2008 in het kader van een middelloonregeling dan wel een beschikbare premieregeling niet meer kon worden aangeboden (de fiscale facilitering daarvan was met ingang van 1 januari 2006 afgeschaft).
VEC en Galliata hebben aangevoerd dat destijds vier grote pensioenverzekeraars, te weten Aegon, Reaal, Zwitserleven en Fortis, zijn benaderd. VEC en Galliata hebben daarbij gesteld dat daarbij de volgende uitgangspunten zijn gehanteerd:
- soort regeling: beschikbare premieregeling beleggen;
- ingangsdatum: 1 oktober 2017 (bedoeld zal zijn 2007);
- toetredingsleeftijd: 15 jaar;
- pensioendatum: eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt;
- franchise: minimale Witteveen;
- pensioenaanspraak bij leven: 78% van de Witteveens staffel 2;
- partnerpensioen: 1,225%;
- wezenpensioen: 0,245%;
- ANW-hiaatpensioen: € 12.991;
- premievrijstelling AO: meeverzekerd met uitgangspunt staffel volgend;
- WIA-hiaat en excedent: 70-80% van het inkomen.
Daarbij is volgens VEC en Galliata gestreefd naar een staffelpremie op een niveau waarmee bij een rendement van 4% een vergelijkbare pensioenopbouw zou plaatsvinden als bij een middelloonregeling.
VEC en Galliata hebben gesteld dat niet is gekozen voor Aegon wegens de hoge kosten en wegens de samenwerking van Aegon als business partner van de [bedrijf 1] .
Voor een pensioen bij Reaal is niet gekozen omdat Reaal destijds nog geen staffel kende volgens de premievrijstelling, hetgeen juist wel in het belang was in geval van arbeidsongeschiktheid, terwijl Reaal haar portefeuille gefaseerd zou overdragen aan Zwitserleven. Bovendien stelde Reaal een afsluitprovisie van € 400.000,-- in het vooruitzicht.
Volgens VEC en Galliata viel Fortis af wegens de hoge uitvoeringskosten.
Redenen voor de keuze voor een pensioenvoorziening bij Zwitserleven waren volgens VEC en Galliata:
- Zwitserleven kende een gematigde doorlopende provisie en rekende geen toeslag bij termijnbetalingen, hetgeen voor de liquiditeitspositie een belangrijke factor was;
- Zwitserleven bood de mogelijkheid om te kiezen voor een maatschappijgarantiefonds waardoor oudere medewerkers konden sparen met een gegarandeerde opbrengst (life cycle fonds);
- de regeling bij Zwitserleven betekende een aanzienlijke besparing in de eigen bijdrage voor de deelnemers en een hogere aanspraak voor partners en wezen in geval van voortijdig overlijden.
VEC en Galliata hebben daarbij aangevoerd dat [bedrijf 1] zich bij het selecteren en implementeren van een nieuwe pensioenregeling heeft doen bijstaan door haar pensioenadviseur [pensioenadviseur 1] van [bedrijf 2] en dit bovendien heeft gedaan in overleg met en met instemming van ABVAKABO FNV (vertegenwoordigd door [pensioenadviseur 2] , pensioenadviseur van [bedrijf 3] ) en in overleg met de ondernemingsraad (zolang deze functioneerde), terwijl 90% van de werknemers van [bedrijf 1] heeft ingestemd met de nieuwe pensioenregeling.
2.4
Deze door VEC en Galliata gestelde feiten zijn niet voldoende gemotiveerd door [appellanten] betwist.
Zij hebben gesteld dat een regeling bij het pensioenfonds Zorg & Welzijn voor hen voordeliger zou zijn geweest, maar dat argument moet worden verworpen, nu onbestreden is gesteld dat aansluiting bij dat pensioenfonds niet mogelijk was.
De stelling van [appellanten] dat door VEC en Galliata niet een vergelijking is gemaakt met een collectieve pensioenregeling, gebaseerd op een middelloon, moet worden verworpen, nu niet voldoende gemotiveerd is betwist dat door VEC en Galliata is gezocht naar een verzekering met een premie op een niveau waarmee bij een rendement van 4% een vergelijkbare pensioenopbouw zou plaatsvinden als bij een middelloonregeling.
Het feit dat VEC en Galliata bij hun keuze voor een alternatieve pensioenregeling ook de continuïteit van de onderneming in hun afweging hebben betrokken en ook moesten betrekken - mede in het licht van de leidraad (aflevering 10) hieromtrent van de Autoriteit Financiële Markten - is in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd.
Het door [appellanten] gestelde feit dat voor hen de nieuwe pensioenregeling nadeliger heeft uitgepakt dan de oude pensioenvoorziening bij het ABP (een andere pensioenregeling kan in het concrete geval voor de ene werknemer gunstiger uitpakken dan voor de andere), kan niet zonder meer leiden tot het oordeel dat de aangeboden pensioenregeling bij Zwitserleven niet als een redelijk voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomsten moet worden aangemerkt.
Voorts is onvoldoende gemotiveerd bestreden dat het afsluiten van een pensioenregeling met een FPU-regeling destijds niet meer mogelijk was, terwijl ook vast staat dat [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] in 2007 de mogelijkheid is geboden hun FPU-rechten te behouden door toen van de FPU-regeling gebruik te maken en in deeltijd hun dienstverband voort te zetten, doch dat zij van die mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt.
Het door [appellanten] gestelde feit dat geen instemming van de ondernemingsraad met de aangeboden pensioenregeling heeft plaatsgevonden, kan VEC en Galliata niet worden tegengeworpen, omdat de ondernemingsraad toen niet meer functioneerde door het opstappen van de leden ervan, terwijl vast staat dat steeds overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden, zolang deze heeft gefunctioneerd.