GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.264.696/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 7509079 \ EA VERZ 19-62
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 februari 2021
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: geen (voorheen mr. K.R. Lieuw On te Amsterdam),
STICHTING CORDAAN,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S. de Graaf te Amsterdam.
1 Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellante] en Cordaan genoemd.
[appellante] is bij beroepschrift met een productie, ontvangen ter griffie van het hof op 20 augustus 2019, onder aanvoering van dertien grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaaknummer, op 21 mei 2019 heeft gegeven. Samengevat heeft [appellante] in het beroepschrift primair verzocht (I) te bepalen dat het ontbindingsverzoek ten onrechte is toegewezen en (II) de bestreden beschikking te vernietigen althans Cordaan te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen en voor de tussenliggende periode voorzieningen te treffen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst. Subsidiair, voor het geval de bestreden beschikking niet wordt vernietigd althans geen herstel van de arbeidsovereenkomst wordt bevolen, heeft [appellante] verzocht (III) Cordaan te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 20.000,- bruto. Ten slotte heeft [appellante] verzocht Cordaan te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
Op 5 december 2019 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van Cordaan ingekomen, ertoe strekkende de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
Op 11 augustus 2020 heeft mr. K.R. Lieuw On kenbaar gemaakt dat hij zich als advocaat van [appellante] heeft onttrokken. De mondelinge behandeling die zou plaatsvinden op 28 augustus 2020, is vervolgens uitgesteld teneinde [appellante] in de gelegenheid te stellen een (nieuwe) advocaat in te schakelen.
Van de zijde van [appellante] is op 8 oktober 2020 een nadere productie ontvangen.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 16 november 2020. Bij die gelegenheid heeft namens Cordaan mr. De Graaf voornoemd het woord gevoerd. [appellante] heeft eveneens het woord gevoerd, nadat zij desgevraagd uitdrukkelijk te kennen had gegeven de zitting – ook zonder bijstand van een advocaat – door te willen laten gaan. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.
Uitspraak is bepaald op heden.
2 Feiten
2.1.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1.1. tot en met 1.8. een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. In deze zaak gaat het om het volgende.
2.2.
Op 1 september 2018 is [appellante] , geboren op [geboortedatum] 1987, op basis van een leerarbeidsovereenkomst in dienst getreden van Cordaan in de functie van Leerling MMZ (medewerker maatschappelijke zorg) 2e jaars met een salaris van € 1.376,71 bruto per maand (exclusief vakantiegeld en emolumenten).
2.3.
Cordaan is een zorgaanbieder met diverse vestigingen in onder meer Amsterdam. Zij richt zich op personen die voor korte of langere tijd verpleging, verzorging of een andere wijze van ondersteuning nodig hebben. [appellante] was werkzaam op de locatie [locatie] , een huis voor mensen met een verstandelijke beperking.
2.4.
Op 6 november 2018 is [appellante] door de politie aangehouden vanwege verdenkingen van stalking/belaging, oplichting en poging tot chantage. Op 8 november 2018 is zij in vrijheid gesteld.
2.5.
Op 7 november 2018 is [appellante] zonder voorafgaande mededeling aan Cordaan niet op haar werk verschenen.
2.6.
Bij brief van 20 december 2018 is namens de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam (hierna: het OM) aan Cordaan meegedeeld dat [appellante] verdacht wordt van stalking/belaging, oplichting en poging tot chantage en dat niet uitgesloten kan worden dat het slachtoffer een vorm van een verstandelijke en/of sociale beperking heeft.
2.7.
Bij brief van 21 januari 2019 heeft het OM aanvullende informatie over de strafzaak van [appellante] aan Cordaan toegestuurd.
2.8.
Op 21 januari 2019 heeft naar aanleiding van genoemde strafzaak een gesprek plaatsgevonden tussen enerzijds [appellante] en haar toenmalige gemachtigde, en anderzijds [A] , werkzaam als HR adviseur bij Cordaan, en mr. De Graaf voornoemd.
2.9.
Bij vonnis van 3 april 2019 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam [appellante] veroordeeld voor het bellen van 112 zonder noodzaak, belaging (stalking) en poging tot afdreiging (hierna: het strafvonnis). [appellante] is vrijgesproken van de ten laste gelegde oplichting. [appellante] is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van tweehonderd (200) uur. Ten slotte heeft de rechtbank een contactverbod als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.
3 Beoordeling
3.1.
Cordaan heeft in eerste aanleg verzocht - samengevat weergegeven - ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [appellante] op zo kort mogelijke termijn vanwege primair verwijtbaar handelen of nalaten van [appellante] zodanig dat van Cordaan in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de zogenoemde e-grond), subsidiair wegens een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van Cordaan in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de zogenoemde g-grond), meer subsidiair wegens omstandigheden die zodanig zijn dat van Cordaan in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de zogenoemde h-grond), alles met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
3.2.
[appellante] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van Cordaan. Voor het geval het verzoek tot ontbinding toegewezen zou worden, heeft [appellante] verzocht om Cordaan te veroordelen tot betaling aan haar van een billijke vergoeding van € 20.000,-, bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de geldende opzegtermijn zonder aftrek van de periode gelegen tussen het verzoekschrift en de ontbindingsbeschikking en te bepalen dat Cordaan binnen 14 dagen overgaat tot betaling van het naar rato opgebouwde vakantiegeld en verlofuren/vakantiedagen onder verstrekking van een specificatie. Dit alles met veroordeling van Cordaan in de proceskosten.
3.3.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden tegen 1 juni 2019 vanwege verwijtbaar handelen of nalaten van [appellante] als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De verzoeken tot toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding zijn door de kantonrechter afgewezen. De kantonrechter heeft, ten slotte, beslist dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
3.4.
Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op. [appellante] heeft (met grief 1) betoogd dat het ontbindingsverzoek ten onrechte is toegewezen vanwege verwijtbaar handelen aan haar zijde (e-grond). De grieven 2 tot en met 9 houden daarmee verband, zodat het hof deze grieven gezamenlijk zal behandelen. Eerst wordt echter ingegaan op het verweer van Cordaan dat [appellante] niet-ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep omdat zij zou hebben nagelaten haar grieven te onderbouwen.
3.5.
Op grond van de artikelen 359 en 278 lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet het beroepschrift de gronden bevatten waarop het beroep berust, waarbij de eis geldt dat die gronden behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht, zodat zij voor de rechter en de wederpartij voldoende kenbaar zijn. Dat wil zeggen dat uit het beroepschrift moet blijken op welke gronden [appellante] meent dat de bestreden beschikking onjuist is. Het door [appellante] ingediende beroepschrift bevat dertien grieven. Bij het merendeel van deze grieven heeft [appellante] volstaan met de stelling dat de kantonrechter ten onrechte een bepaalde overweging bij de beoordeling heeft betrokken zonder een nadere toelichting daarop te geven. Bij enkele andere grieven heeft zij daarentegen kort gemotiveerd waarom de bestreden beschikking op de desbetreffende onderdelen niet juist zou zijn. Hoewel deze onderbouwing van de grieven summier is, blijkt uit het beroepschrift naar het oordeel van het hof afdoende op welke gronden [appellante] meent dat de beschikking van de kantonrechter onjuist is. Ook voor Cordaan moet voldoende kenbaar zijn geweest waartegen zij zich in hoger beroep heeft te verweren, mede gezien de inhoud van het verweerschrift waarin zij ingaat op de stellingen van [appellante] . Het verweer van Cordaan strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] in haar hoger beroep wordt mitsdien verworpen.
3.6.
[appellante] betwist dat haar handelen zodanig verwijtbaar is dat van Cordaan als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 sub e BW). Volgens [appellante] heeft de kantonrechter ten onrechte aan de beslissing ten grondslag gelegd dat zij strafrechtelijk is veroordeeld voor afdreiging, stalking en het nodeloos bellen van het alarmnummer 112. Deze strafbare feiten zijn begaan in de privésfeer en hebben geen verband met haar werkzaamheden bij Cordaan. Bovendien had zij hoger beroep ingesteld tegen het strafvonnis zodat de bewezen verklaarde feiten niet vast stonden. Volgens [appellante] heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat zij met mensen werkt die bovengemiddeld kwetsbaar zijn voor afdreiging en stalking, dat het nodeloos bellen van 112 en stalking niet passen bij een zorgverlenend beroep, dat het slachtoffer een kwetsbaar persoon lijkt te zijn, dat er een risico bestaat dat zij soortgelijke gedragingen ook zal verrichten bij bewoners van Cordaan en dat zij er geen blijk van heeft gegeven verantwoordelijkheid te nemen voor haar eigen gedragingen.
3.7.
Uitgangspunt is dat strafrechtelijke gedragingen begaan in de privésfeer, geen invloed behoeven te hebben op de arbeidsrechtelijke relatie. Dit kan evenwel anders zijn indien er een duidelijke relatie bestaat tussen die gedragingen en het werk, onder meer indien het gaat om feiten die weliswaar volledig in de privésfeer zijn gepleegd, maar die onverenigbaar zijn met (de aard van) de functie die een werknemer bekleedt.
3.8.
In het strafvonnis heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] zich schuldig heeft gemaakt aan het bellen van een alarmnummer zonder noodzaak daartoe (het doen van valse meldingen van mishandeling) alsmede aan belaging en poging tot afdreiging van haar ex-vriend. Zij heeft ernstige inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke leven en heeft misbruik gemaakt van de zwakte en gevoeligheid voor manipulatie van haar ex-vriend, om op die manier geld van hem proberen te krijgen. Ook heeft zij hem niet met rust willen laten nadat duidelijk was dat hij alle contact met [appellante] wilde verbreken. De strafrechter heeft het [appellante] aangerekend dat zij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen en de (ernst van de) gang van zaken heeft ontkend.
3.9.
Ter zitting is door [appellante] toegelicht dat zij het door haar ingestelde hoger beroep tegen het strafvonnis heeft ingetrokken, zodat dit strafvonnis in kracht van gewijsde is gegaan en de daarin bewezen verklaarde strafbare feiten vast staan. De bewezenverklaarde gedragingen zijn naar het oordeel van het hof onverenigbaar met de werkzaamheden van [appellante] als zorgverlener, waarbij in het geval van [appellante] zonder meer sprake is van een afhankelijke relatie met de patiënt. De bewoners van Cordaan met wie [appellante] te maken heeft, zijn bovendien makkelijk te manipuleren/beïnvloeden en meer vatbaar voor misbruik. [appellante] is als persoon in staat gebleken tot het verrichten van deze strafbare feiten in de privésfeer, zodat een risico op herhaling bestaat zowel op haar werk als in een privésituatie. Ook is van belang dat het OM in de aard van de strafbare feiten en de werkzaamheden van [appellante] aanleiding heeft gezien om op eigen initiatief Cordaan als werkgever te informeren over de verdenkingen aangaande [appellante] . Cordaan heeft ter zitting toegelicht dat het OM dit eerder slechts in uitzonderlijke gevallen gedaan heeft. [appellante] heeft dit laatste niet weersproken, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.
3.10.
Het hof rekent het [appellante] aan dat zij geen openheid van zaken heeft gegeven aan Cordaan over de reden van haar onaangekondigde afwezigheid op haar werk op 7 november 2018. Op 6 november 2018 is [appellante] vanwege een verdenking van de genoemde strafbare feiten door de politie aangehouden en heeft zij tot 8 november 2018 vastgezeten. Daardoor kon zij op 7 november 2018 niet op haar werk verschijnen. Pas na enkele dagen is zij op haar werk teruggekeerd, maar zij heeft Cordaan geen enkele uitleg gegeven over (de reden van) haar afwezigheid. Van een goed werkneemster mag verwacht worden dat zij haar werkgever hiervan op de hoogte stelt, ook als het een privé aangelegenheid betreft. Dit geldt te meer gezien de aard van de strafbare feiten en de mogelijke invloed daarvan op haar werkzaamheden en de bewoners van Cordaan. Pas na de melding van het OM kwam Cordaan achter de strafrechtelijke vervolging van [appellante] .
3.11.
Tegen de achtergrond van het voorgaande is het handelen van [appellante] zodanig verwijtbaar dat in redelijkheid niet van Cordaan kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing lag niet in de rede nu sprake is van verwijtbaar handelen als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW.
3.12.
Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden. De grieven 1 tot en met 9 falen.
3.13.
Ten aanzien van het betoog van [appellante] dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft ontbonden per 1 juni 2019 (grief 11), wordt als volgt overwogen. In de bestreden beschikking van 21 mei 2019 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2019 ontbonden en is daarbij geen rekening gehouden met de opzegtermijn van één maand. Op grond van artikel 7:671b lid 8 sub b BW kan de kantonrechter het einde van de arbeidsovereenkomst bepalen op een eerder tijdstip dan waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Het hof is van oordeel dat het handelen van [appellante] , zoals hierboven is omschreven, moet worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar in de zin van dit artikel. [appellante] heeft zich schuldig gemaakt aan het bellen van 112 zonder noodzaak daartoe, belaging (stalking) en poging tot afdreiging. Door deze strafbare feiten en de mogelijke invloed daarvan op haar werkzaamheden als zorgverlener is zij het vertrouwen van Cordaan onwaardig geworden. Bovendien heeft [appellante] geen open kaart gespeeld over de gebeurtenissen en daarmee niet bijgedragen aan mogelijk herstel van dat vertrouwen. Aangezien deze handelwijze van [appellante] ernstig verwijtbaar is en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst daarvan het gevolg is, heeft de kantonrechter het einde van de arbeidsovereenkomst kunnen bepalen op 1 juni 2019. Grief 11 faalt dan ook.
3.14.
Met grief 10 komt [appellante] op tegen de beslissing van de kantonrechter om geen billijke vergoeding toe te kennen. [appellante] meent dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Cordaan, indien zij niet kan terugkeren op het werk. Cordaan is volgens [appellante] vooringenomen jegens haar en gebruikt ten onrechte de privésituatie om haar ernstige verwijtbaarheid in de schoenen te schuiven.
3.15.
Gelet op artikel 7:671b lid 8 sub c BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is van dit laatste geen sprake. Voor toekenning van een billijke vergoeding aan [appellante] is dan ook geen plaats. Ook grief 10 faalt.
3.16.
Met grief 12 betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar verzoek om openstaande vakantiedagen, verlofuren en/of vakantiegeld uit te betalen. Cordaan heeft, onder verwijzing naar de laatste loonstrook van [appellante] van juni 2019, evenwel gemotiveerd betwist dat [appellante] nog recht heeft op uitbetaling daarvan, omdat Cordaan deze openstaande bedragen al bij de eindafrekening aan haar heeft voldaan. Gesteld noch gebleken is dat [appellante] desondanks recht heeft op uitbetaling daarvan. Grief 12 slaagt niet.
3.17.
Met grief 13, ten slotte, komt [appellante] op tegen de beslissing van de kantonrechter om de proceskosten te compenseren. Voor zover [appellante] daarmee bedoelt te stellen dat Cordaan in de proceskosten had moeten worden veroordeeld, kan het hof haar daarin niet volgen. Cordaan is in eerste aanleg immers (grotendeels) in het gelijk gesteld, zodat er geen aanleiding is om haar in de proceskosten te veroordelen. Deze grief treft geen doel.
3.18.
De conclusie is dat de grieven tevergeefs zijn voorgesteld. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
4 Beslissing
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Cordaan begroot op € 741,= aan verschotten en € 2.148,= voor salaris;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L.D. Akkaya, G.C. Boot en A.C.M. Kuypers en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.