Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 januari 2017 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-996518-13 tegen de betrokkene
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
adres: [adres]
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 31.200,00.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 31 mei 2016 veroordeeld ter zake van kort gezegd - medeplegen van een feit bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, zichzelf of een ander gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit in de periode van 12 april 2012 tot en met 14 januari 2014, handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III op 14 januari 2014, medeplegen van aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is op 24 november 2013 en medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd in de periode van 25 oktober 2012 tot en met 21 mei 2013.
Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 17 januari 2017 het openbaar ministerie
niet-ontvankelijk verklaard in de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de strafzaak.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2019 veroordeeld ter zake van kort gezegd - medeplegen van een feit bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen, een vervoermiddel en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit in de periode van 12 april 2012 tot en met 14 januari 2014, medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd in de periode van 20 augustus 2010 tot en met 11 november 2010, handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III op 14 januari 2014, aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is op 24 november 2013 en medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd in de periode van 25 oktober 2012 tot en met 21 mei 2013.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2021 en 18 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de betrokkene en de raadsman naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep moet worden verklaard, nu de appelschriftuur te laat is ingestuurd.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat bij het indienen van de appelschriftuur weliswaar sprake is geweest van een termijnoverschrijding, maar dat dit in deze zaak niet hoeft te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep. De reden voor de late indiening van de appelschriftuur is dat de medewerker die de appelschriftuur zou insturen op vakantie was. Er is sprake geweest van een administratieve vergissing waardoor de appelschriftuur twee dagen later is ingestuurd. Het gaat in de onderhavige zaak over een aanzienlijk bedrag verdient uit illegale handel in sigaretten, waarover geen accijns is betaald. Deze sigaretten zijn de maatschappij in gegaan en de betrokkene heeft hier geld aan verdiend. Alles afwegende moet het maatschappelijk belang bij behandeling van het appel in deze zaak zwaarder wegen dan de beperkte overschrijding van de termijn voor indiening van de appelschriftuur, aldus de advocaat-generaal.
Het oordeel van het hof
De officier van justitie heeft op 30 januari 2017 hoger beroep ingesteld tegen het bovengemeld vonnis van de rechtbank Noord-Holland. De appelschriftuur houdende grieven is eerst op 15 februari 2017, derhalve 2 dagen te laat, ingediend.
Niet alleen het niet indienen, maar ook het niet tijdig en niet op de voorgeschreven wijze indienen van een appelschriftuur kan tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep leiden. De wetgever heeft het aan de rechter overgelaten te beoordelen of de omstandigheid dat niet of niet tijdig of niet op de voorgeschreven wijze een appelschriftuur is ingediend, in concreto tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden.
De omstandigheid dat de schriftuur niet tijdig is ingediend hoeft in deze zaak niet te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. De betrokkene was op de hoogte van het appel en er is slechts sprake van een geringe termijnoverschrijding. Daarnaast is niet gebleken dat de betrokkene door de overschrijding enig nadeel heeft ondervonden en hij is door de gang van zaken niet in enig belang geschaad. Dat de appelschriftuur betrekkelijk summier is, en dat de advocaat-generaal in hoger beroep een andere grondslag voor de ontneming aanhoudt, zoals de raadsman heeft aangevoerd, leiden niet tot een ander oordeel. Het hof zal daarom het belang van een inhoudelijke beoordeling van deze zaak in hoger beroep laten prevaleren boven het belang van een scherpe sanctionering van het door het openbaar ministerie begane verzuim.
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in het hoger beroep.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en de gronden waarop het berust en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer bespreekt.
In hoger beroep gevoerd verweer
De raadsman heeft zich beroepen op het bepaalde in artikel 74 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Nu het gaat om een ontneming op basis van overtreding van een feit dat geregeld is in de Wet op de accijns, een belastingwet, is artikel 36e Wetboek van Strafrecht (Sr) niet van toepassing en is het aan de fiscus om de niet aangegeven belasting alsnog te innen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsberekening niet ziet op het fiscale voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door de overtreding van de Wet op de accijns, maar op de winst uit zwarte handel in sigaretten, derhalve voordeel uit witwassen.
In artikel 74 van de AWR is bepaald dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op de voet van artikel 36e Sr niet mogelijk is ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. Gevorderd wordt niet de door de betrokkene ontdoken accijns, maar de winst die hij op de sigarettenhandel heeft behaald. Hij heeft deze winst alleen kunnen maken omdat hij ten onrechte geen accijns heeft betaald over de sigaretten. Daarmee hangt die winst zo zeer samen met het niet betalen van accijns, die de fiscus kan naheffen, dat ontneming op grond van artikel 36e Sr buiten toepassing moet blijven. Daar komt nog bij dat het voordeel uit de winst bovendien bij de naheffing van de accijns in feite tenietgaat omdat daarin juist het wederrechtelijk verkregen voordeel is gelegen. Het hof verwerpt het verweer.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. P.C. Römer en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. B. van Vliet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 juni 2021.
Mr. A.R.O. Mooy is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.