Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:GHAMS:2020:2898

Gerechtshof Amsterdam
30-10-2020
03-11-2020
23-002616-16
Strafrecht
Hoger beroep

De verdachte heeft nagelaten om een ongebruikelijke transactie zoals bedoeld in de Wwft te melden. Daarnaast heeft de verdachte meermaals nagelaten om cliëntenonderzoek als bedoeld in de Wwft te verrichten, dan wel de bij het cliëntenonderzoek verzamelde gegevens op toegankelijke wijze te bewaren.

Oplegging van een geldboete van € 3000,00.

Rechtspraak.nl
RF 2021/12
JONDR 2021/238
NJFS 2021/216

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002616-16

datum uitspraak: 30 oktober 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-993014-16 tegen

[verdachte],

gevestigd te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de vertegenwoordigers van de verdachte naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is daarmee ook gericht tegen de beslissingen tot partiële vrijspraak van het tenlastegelegde. Nu het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld en volgens de advocaat-generaal, met welk standpunt het hof zich verenigt, de feiten gevoegd aan de rechter zijn voorgelegd, staat voor de verdachte, volgens artikel 404, vijfde lid Wetboek van Strafvordering (Sv), tegen die beslissingen tot partiële vrijspraak geen hoger beroep open. Het hof zal daarom de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dit betrekking heeft op de beslissing tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder 2, eerste onderdeel onder het vijfde gedachtestreepje en onder 2, tweede onderdeel, onder het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is – voor zover nog in hoger beroep aan de orde - aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.
zij, in de periode van 17 maart 2014 tot en met 31 maart 2014, althans 2013, te Zoetermeer en/of Heerhugowaard en/of Haarlem en/of elders in Nederland, (telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000 Euro of meer, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, (een) verrichte ongebruikelijke transactie(s), niet (binnen 14 dagen / onverwijld) nadat het ongebruikelijke karakter van deze transactie(s) bekend is geworden heeft gemeld aan het meldpunt/de Financiële inlichtingen eenheid, immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen melding gedaan van

-(een) op of omstreeks 17 maart 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) (van (in totaal) (minstens) 32.127,00 Euro, althans 25.000,00 Euro (zie factuurnummers [nummer 1] en [nummer 2]).


2.
zij, in de periode van 2 december 2013 tot en met 27 juni 2014, althans 2013 en/of 2014, te Zoetermeer en/of Heerhugowaard en/of Haarlem en/of elders in Nederland, (telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000 Euro of meer, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, geen danwel onvolledig, cliëntenonderzoek heeft verricht, immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen identiteit vastgesteld en/of gecontroleerd en/of geen uittreksel van de kamer van koophandel aangevraagd en/of gecontroleerd bij (onder meer) de volgende transactie(s):

-(een) op of omstreeks 2 december 2013 verrichte ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) (van (in totaal) (minstens) 19.844,00 Euro, althans 15.000,00 Euro (zie factuurnummers [nummer 3] en [nummer 4]), en/of

-(een) op of omstreeks 23 december 2013 verrichte ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) (van (in totaal) (minstens) 20.951,52 Euro, althans 15.000,00 Euro (zie factuurnummers [nummer 5] en [nummer 6]), en/of

-(een) op of omstreeks 30 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) (van (in totaal) (minstens) 18.800,00Euro, althans 15.000,00 Euro (zie factuurnummers [nummer 7] en [nummer 8]), en/of

-(een) op of omstreeks 17 maart 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) (van (in totaal) (minstens) 16.056,00 Euro, althans 15.000,00 Euro (zie factuurnummer [nummer 9]), en/of

en/of

zij, in de periode van 2 december 2013 tot en met 8 januari 2015, althans 2013 en/of 2014 en/of 2015, te Zoetermeer en/of Heerhugowaard en/of Haarlem en/of elders in Nederland, (telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000 Euro of meer, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 33 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, niet danwel onvolledig, de gegevens van de cliënt op toegankelijke wijze bewaart gedurende vijf jaar na het tijdstip van het beëindigen van de zakelijke relatie of tot vijf jaar na het uitvoeren van de desbetreffende transactie bij (onder meer) de volgende transactie(s):

-(een) op of omstreeks 30 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) (van (in totaal) (minstens) 18.800,00 Euro, althans 15.000,00 Euro (zie factuurnummers [nummer 7] en [nummer 8]), en/of

-(een) op of omstreeks 18 maart 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) (van (in totaal) (minstens) 20.749,92 Euro, althans 15.000,00 Euro (zie factuurnummer [nummer 10]).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

De vertegenwoordigers van de verdachte hebben, kort samengevat, aangevoerd dat zij niet begrijpen waarom is gekozen voor het strafrecht in plaats van voor een bestuursrechtelijke afdoening. De verdachte heeft nimmer een waarschuwing ontvangen en ook nooit de kans gekregen zich te verweren tegenover de boetedwangsomfunctionaris.

Het opportuniteitsbeginsel dat is neergelegd in artikel 167 Sv biedt het openbaar ministerie in beginsel de vrijheid om naar aanleiding van een opsporingsonderzoek vervolging in te stellen. Voor de

niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats, namelijk als er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde én daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Daarvan is hier niet gebleken.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde – voor zover nog aan de orde – is bewezen.

Een aantal van de door de rechtbank bewezenverklaarde transacties zijn zogenaamde samengestelde transacties. Het gaat om transacties die boven de grens van € 15.000,- uitkomen omdat de bedragen van twee afzonderlijke transacties bij elkaar zijn opgeteld vanwege het nauwe verband tussen die transacties. Namens de verdachte is betoogd dat deze optellingen ten onrechte hebben plaatsgevonden, omdat geen, althans onvoldoende verband tussen de samenstellende transacties bestaat. Daarbij speelt een rol dat in de tijd waarin de feiten plaatsvonden de Algemene leidraad Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme geen aanwijzing bevatte over hoe het begrip ‘samengestelde transactie’ moet worden uitgelegd. De medewerkers van [verdachte] hebben naar eer en geweten gehandeld en nimmer willen meewerken aan het ontduiken van verplichtingen uit hoofde van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), aldus de vertegenwoordigers van de verdachte.

Samengestelde transacties

De bedoeling van de wet is dat instellingen bepaalde verplichtingen nakomen indien de waarde van transacties een bepaalde grens overschrijdt. Het is niet de bedoeling dat die verplichtingen niet worden nageleefd doordat transacties in deeltransacties worden gesplitst. Daarom is in artikel 3 lid 5 onderdeel b van de Wwft bepaald dat een instelling cliëntenonderzoek verricht indien zij twee of meer transacties verricht waartussen een verband bestaat met een gezamenlijke waarde van ten minste € 15.000,00.

De verdachte heeft gelijk dat over de uitleg van dit criterium in de praktijk verschillend kan worden gedacht. Mede nu die uitleg in de Algemene leidraad Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme nog niet werd gegeven, moet de verdachte hier het voordeel van de twijfel krijgen.

Dit neemt niet weg dat, als het verband tussen twee transacties dermate groot is en de instelling moet vermoeden dat het gaat om een samengestelde transactie, van de instelling moet worden verwacht dat zij onderzoek doet om vast te stellen of de transacties als samengestelde transacties moeten worden beschouwd. Dat is bijvoorbeeld het geval als de transacties

  1. tegelijk of opvolgend worden verricht,

  2. door dezelfde persoon of verschillende, maar aan elkaar verwante personen,

  3. betrekking hebben op dezelfde goederen en

  4. afzonderlijk onder de wettelijke waardegrens blijven, maar gezamenlijk daarboven uitkomen.

In dergelijke gevallen moet worden uitgegaan van een samengestelde transactie, tenzij een door de instelling ingesteld onderzoek uitwijst dat zij als afzonderlijke transacties moeten worden beschouwd.

factuurnummer [nummer 9]

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, nu de factuur een ander klantnummer dan het klantnummer van [naam 1] bevat, niet aannemelijk is dat dit een verkoop aan [naam 1] betreft. Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte onvolledig cliëntenonderzoek heeft verricht en dus opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de in artikel 3 Wwft geformuleerde verplichting om deugdelijk cliëntenonderzoek te verrichten.

De transacties met factuurnummers [nummer 5] en [nummer 6], [nummer 7] en [nummer 8]

Gelet op het voorgaande is het hof gelijkelijk de rechtbank van oordeel dat de facturen [nummer 5] en [nummer 6], [nummer 7] en [nummer 8] samengestelde transacties betreffen.

Op de facturen [nummer 5] en [nummer 6] staan twee verschillende namen (‘[naam 2]’ en ‘[naam 3]’), die kennelijk aan elkaar zijn verwant. De facturen betreffen de verkoop van nagenoeg dezelfde goederen op dezelfde datum, waarbij de order- en factuurnummers oplopend zijn. Het factuuradres is in beide gevallen gelijk en in beide gevallen is op exact hetzelfde moment voor ontvangst getekend. Tevens lijkt op factuur [nummer 5] te zijn aangetekend dat in één keer contant is betaald voor beide facturen. Dat op de ontvangstbewijzen twee verschillende handtekeningen staan doet aan de verwantschap tussen deze facturen niets af.

Nu de verdachte geen nader onderzoek naar deze transacties heeft ingesteld dat anders uitwijst, moeten zij worden beschouwd als één samengestelde transactie en is bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de in artikel 3 Wwft geformuleerde verplichting om cliëntenonderzoek te verrichten.

De facturen [nummer 7] en [nummer 8] staan op naam van ‘[naam 4]’ en ‘[naam 5]’. Zij betreffen de verkoop van dezelfde goederen, voor hetzelfde bedrag, op dezelfde datum. De personen hebben een gelijke achternaam en het factuuradres en klantnummer zijn hetzelfde. De order- en factuurnummers zijn oplopend en de betaalwijze en verzendwijze zijn gelijk. Nu de verdachte geen nader onderzoek naar deze transacties heeft ingesteld dat anders uitwijst, moeten zij worden beschouwd als één samengestelde transactie. In de administratie van de verdachte is alleen het identiteitsbewijs van [naam 4] aanwezig. Een identiteitsbewijs van [naam 5] ontbreekt, waaruit moet worden afgeleid dat diens (of dier) identiteit niet is onderzocht en geverifieerd. Daarmee heeft de verdachte opzettelijk in strijd met de in artikel

3 Wwft geformuleerde verplichting om cliëntenonderzoek te verrichten gehandeld. Ten aanzien van [naam 4] is bewezen dat de gegevens niet op toegankelijke wijze zijn bewaard, aangezien deze gegevens niet toegankelijk waren ten tijde van de controle.

De transacties met factuurnummers [nummer 3] en [nummer 4]

Deze facturen betreffen de verkoop van nagenoeg dezelfde goederen, voor nagenoeg hetzelfde bedrag, op eenzelfde datum, met een oplopend order- en factuurnummer. In beide gevallen betreft het een balieverkoop, waarbij de identiteit van de kopers niet bekend is. Niet kan worden vastgesteld dat het om dezelfde koper gaat of, als het om verschillende kopers gaat, dat deze aan elkaar verwant zijn. Daarmee is niet bewezen dat de transacties samengesteld zijn en moet de verdachte in zoverre worden vrijgesproken.

Opzet

Ten aanzien van het tenlastegelegde, maar door de verdediging betwiste, opzet overweegt het hof als volgt.

De voorschriften van de Wwft zijn zgn. ordeningsrecht. In het ordeningsrecht is ‘kleurloos opzet’ voldoende voor een bewezenverklaring. Dit betekent dat het opzet van de verdachte wel gericht moet zijn op de tenlastegelegde handeling die is verricht of nagelaten, maar dat niet is vereist dat het opzet ook is gericht op het niet naleven van de in de bewezenverklaring bedoelde wettelijke verplichting (vgl. HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2684). Ontbrekende kennis van de regelgeving staat aan het bewijs van het opzet dus niet in de weg.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
zij, in de periode van 17 maart 2014 tot en met 31 maart 2014 Heerhugowaard als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000 Euro of meer, opzettelijk, in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, een verrichte ongebruikelijke transactie, niet onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van deze transactie bekend is geworden heeft gemeld aan /de Financiële inlichtingen eenheid, immers heeft zij opzettelijk geen melding gedaan van

-een op 17 maart 2014 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten contante betalingen van in totaal 32.127,00 Euro, factuurnummers [nummer 1] en [nummer 2].

2.
zij, in de periode van 2 december 2013 tot en met 30 januari 2014, te Heerhugowaard telkens als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000 euro of meer, meermalen, telkens opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, geen dan wel onvolledig, cliëntenonderzoek heeft verricht, immers heeft zij telkens opzettelijk geen identiteit vastgesteld en/of gecontroleerd bij de volgende transacties:

-een op 23 december 2013 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van in totaal 20.951,52 Euro, factuurnummers [nummer 5] en [nummer 6], en

-een op 30 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van in totaal 18.800,00 Euro factuurnummers [nummer 7] en [nummer 8];

en

zij, in 2013, 2014 en2015, te Heerhugowaard telkens als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000 Euro of meer, meermalen, telkens opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 33 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, niet dan wel onvolledig, de gegevens van de cliënt op toegankelijke wijze heeft bewaard gedurende vijf jaar na het tijdstip van het beëindigen van de zakelijke relatie of tot vijf jaar na het uitvoeren van de desbetreffende transactie bij de volgende transacties:

-een op 30 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transacties, te weten contante betalingen van in totaal 18.840,00 Euro factuurnummers [nummer 7] en [nummer 8], en

-een op 18 maart 2013 verrichte ongebruikelijke transacties, te weten een contante betaling van in totaal 20.749,92 Euro, factuurnummer [nummer 10].

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren terrorisme, meermalen gepleegd.

en

Opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 33 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De economische kamer van de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 12.000,00, waarvan € 4.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 6.000,00, waarvan € 3.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar. Daartoe heeft zij, kort samengevat, aangevoerd dat het huidige bestuur zeer bewust bezig is met de compliance binnen het bedrijf en houdt zij rekening met de overschrijding van de redelijke termijn.

De vertegenwoordigers van de verdachte hebben bepleit om te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Daartoe hebben zij betoogd dat de verdachte zeer bewust bezig is met de compliance binnen het bedrijf en dat de strafbare feiten zijn gepleegd vóór de overname van de verdachte door de huidige bestuurders. Tevens hebben zij gewezen op de lange duur van de procedure en de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft nagelaten om een ongebruikelijke transactie zoals bedoeld in de Wwft te melden. Daarnaast heeft de verdachte meermaals nagelaten om cliëntenonderzoek als bedoeld in de Wwft te verrichten, dan wel de bij het cliëntenonderzoek verzamelde gegevens op toegankelijke wijze te bewaren. Door haar handelen heeft de verdachte de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te krijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit en om achterliggende strafbare feiten op te sporen. De financiële schade die witwassen in de samenleving veroorzaakt is groot.

Dat de bewezenverklaarde strafbare feiten hebben plaatsgevonden voor de overname van de verdachte door het huidige management, is voor de verdachte vennootschap geen strafverminderende omstandigheid. Wel houdt het hof er rekening mee dat ten tijde van de transacties de verplichtingen uit hoofde van de Wwft minder bekend waren dan heden ten dage. De vertegenwoordigers van de verdachte hebben ter terechtzitting uitgelegd dat de procedures binnen het bedrijf naar aanleiding van het onderzoek zijn aangepast. Dat thans de verplichtingen uit de Wwft wel worden nageleefd, vindt ondersteuning in het uittreksel uit de Justitiële documentatie van 1 oktober 2020 betreffende de verdachte. Daaruit blijkt dat zij sinds het bewezenverklaarde niet met politie en justitie in aanraking is geweest en zij overigens ook niet eerder is veroordeeld wegens enig strafbaar feit.

Gelet op de lange duur sinds de bewezenverklaarde feiten en het feit dat de verdachte zich sinds het onderzoek niet meer aan enig strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, bestaat geen noodzaak voor een voorwaardelijk strafgedeelte.

Alles afwegende is een geldboete van € 4.000,- passend en geboden.

In artikel 6, eerste lid Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd binnen een redelijke termijn te worden berecht.

In deze procedure is de op redelijk te beoordelen termijn aangevangen op 25 januari 2016, het moment van de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg. Het vonnis waarvan beroep werd uitgesproken op 30 juni 2016. Op 8 juli 2016 is hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 30 oktober 2020 arrest. Daarmee is de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep met bijna 28 maanden overschreden. De procedure als geheel heeft ruim vier jaar en 9 maanden geduurd. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie, is deze periode overschreden met ruim negen maanden. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de hoogte van de op te leggen geldboete matigen tot € 3.000,00.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 3, 16 en 33 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren terrorisme.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 2, eerste onderdeel onder het vijfde gedachtestreepje en onder 2, tweede onderdeel, onder het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 3.000,00 (drieduizend euro).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. S. Clement en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. B. van Vliet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 oktober 2020.

Mr. S. Clement is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.