Het beroep op niet-ontvankelijkheid slaagt. Dit oordeel berust op het volgende.
3.4.1
In eerste aanleg is [Y] gedagvaard “in diens hoedanigheid van bewindvoerder van de heer [X] ”. Ter onderbouwing van de vorderingen is in de inleidende dagvaarding onder 19 tot en met 31 het volgende aangevoerd:
19. Op grond van de tussen eisers en de heer [X] op 3 april 2001 gesloten notariële akte bestaat er voor eisers een voorkeursrecht van koop ten aanzien van het stuk grond en het zich daarop bevindende pand, gelegen aan de [adres] .
20. Dit recht komt er op neer dat, wanneer [X] tot verkoop van de betreffende onroerende zaak wilde overgaan, eisers vooreerst in de gelegenheid moesten worden gesteld om deze te kopen, op de in de akte aangegeven wijze.
21. Gedaagde was, als bewindvoerder van de heer [X] , gehouden om, alvorens tot verkoop van het bewuste stuk grond, over te gaan, eisers daarvan op een deugdelijke wijze schriftelijk in kennis te stellen.
22. In de akte is in dit verband immers bepaald (pag. 4):
(…)
23. Gedaagde heeft niet aan de voor hem uit voormelde akte voortvloeiende verplichtingen voldaan. Eisers hebben immers geen enkel schriftelijk bericht van gedaagde mogen ontvangen waarin het voornemen om tot verkoop van het litigieuze perceel over te gaan kenbaar is gemaakt. Ook anderszins zijn eisers op geen enkele wijze deugdelijk in de gelegenheid gesteld om van hun voorkeursrecht gebruik te maken en het perceel in kwestie op de in de akte aangegeven wijze te kopen.
24. Nu gedaagde tot verkoop van het betreffende perceel is overgegaan zonder eisers in de gelegenheid te stellen om op de in de akte beschreven wijze van hun voorkeursrecht gebruik te maken, is gedaagde de contractuele boete van f 300.000,00 verschuldigd, derhalve € 136.134,06.
25. De akte is hierover volstrekt helder (pag. 5):
(…)
26. Eisers vorderen in deze dan ook dat gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hiervoor beschreven contractuele boete ad € 136.134,06.
27. Gelet op al hetgeen hiervoor aan de orde is gekomen, moge duidelijk zijn dat gedaagde zich niet heeft gehouden aan de door hem uit de notariële akte van 3 april 2001 voortvloeiende verplichtingen en daarmee dus tekort is geschoten in de nakoming van deze op hem rustende verplichtingen.
28. Nu gedaagde tekort is geschoten in de nakoming van de middels de akte overeengekomen verplichtingen, is gedaagde gehouden om de schade die eisers dientengevolge lijden te vergoeden.
29. Daarbij zij vermeld dat de handelwijze van gedaagde in deze tevens is aan te merken als onrechtmatig, nu deze handelwijze een inbreuk oplevert op het aan eisers toekomende voorkeursrecht. Door de wijze van handelen van gedaagde zijn eisers immers belemmerd in de uitoefening van dit voorkeursrecht, zelfs in die mate dat zij daar helemaal geen gebruik van hebben kunnen maken.
30. Ook op die grond is gedaagde dan ook gehouden om de schade die eisers lijden als gevolg van de handelwijze van gedaagde in deze, meer in het bijzonder door tot verkoop over te gaan in strijd met het aan eisers toekomende voorkeursrecht, te vergoeden.
31. Dat eisers schade lijden als gevolg van de tekortkoming in de nakoming, c.q.
de handelwijze van gedaagde, is evident. (…)