Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:GHAMS:2017:1448

Gerechtshof Amsterdam
18-04-2017
25-04-2017
200.185.629/01
Civiel recht
Hoger beroep

Appartementsrecht. Tussen de verschillende appartementseigenaren bestaat een veelheid aan financiële geschillen. Wie is de rechtmatige voorzitter? Gebondenheid eiser aan de financiële besluiten van de vergadering van eigenaars die niet tijdig op de juiste wijze zijn aangevochten, ook al heeft hij ervoor gekozen bij de vergaderingen niet aanwezig te zijn. Anderzijds zijn besluiten die eiser bij afwezigheid van alle andere leden heeft genomen in een op niet reglementaire wijze bijeengeroepen vergadering niet te beschouwen als besluiten van de vergadering van eigenaars, mede gelet op het feit dat aan eiser bekend was dat de andere leden de rechtmatigheid van de vergadering niet accepteerden en de gerechtelijke procedure al liep. Het enkele feit dat eiser niet van tevoren toestemming heeft gevraagd aan de vergadering van eigenaars voor de reparatie van de gemeenschappelijke delen in zijn appartement is onvoldoende grond om zijn vordering tot vergoeding van de gemaakte kosten af te wijzen. Inlichtingencomparitie gelast over die kosten. Geen grond voor de geformuleerde vordering tot betaling jegens de individuele leden van de VvE, dus die wordt afgewezen. Voor de reconventionele vordering van de VvE heeft de vergadering geen toestemming gegeven, dus niet-ontvankelijkheid VvE daarin. Het aanspannen van de procedure door eiser is geen onrechtmatige daad jegens het lid dat de verkoop van zijn appartement daardoor bemoeilijkt zag, dus afwijzing gevorderde schadevergoeding.

Artikelen: 5:131 BW, artikel 41 lid 4 Modelreglement 2006, 38 lid 4 Modelreglement 2006, 2:14 BW, 6:2 BW, 6:212 BW, 5:113 lid 5 BW, ^;162 BW

Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.185.629/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 3100588 CV EXPL 14-15139

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 april 2017

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. R.J.B. Baarspul te Amsterdam,

tegen

1 VERENIGING VAN EIGENAARS [adres] TE [plaats] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geïntimeerde sub 2], wonend te [woonplaats 2] ,

3. [geïntimeerde sub 3], wonend te [woonplaats 2] ,

4. [geïntimeerde sub 4], wonend te [woonplaats 2] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. E.J.H. van Lith te Almere.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] , de VvE, [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] genoemd. Alle geïntimeerden gezamenlijk worden de VvE c.s. genoemd en de laatste drie geïntimeerden gezamenlijk [geïntimeerden]

[appellant] is bij dagvaarding van 13 november 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2015, gewezen tussen hem als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en de VvE c.s. als gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens inhoudende voorwaardelijke eiswijziging, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte uitlating producties tevens inbreng producties zijdens [appellant] ;

- antwoordakte uitlating producties zijdens de VvE c.s.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [appellant] , zoals in hoger beroep gewijzigd, zal toewijzen en de vorderingen van de VvE c.s. zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

De VvE c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing, uitvoerbaar bij voorraad, over de proceskosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.27 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen.

2.1

In grief 1 en in de toelichting op grief 2 heeft [appellant] bezwaren aangevoerd tegen die feitenvaststelling. Hij meent dat onder 1.6 de broer van [geïntimeerde sub 2] ten onrechte als diens rechtsvoorganger is aangeduid. Die klacht snijdt geen hout, omdat de broer de rechtsvoorganger van [geïntimeerde sub 2] is in diens hoedanigheid van appartementseigenaar. Voorts voert [appellant] aan dat onder 1.7 de brief van 22 juli 2013 ten onrechte een brief van de VvE is genoemd. Dit bezwaar is terecht: de brief is geschreven door [geïntimeerde sub 3] namens [geïntimeerde sub 2] als woordvoerder van de VvE, maar dat maakt het nog geen brief van de VvE. Ten slotte stelt [appellant] dat onder 1.22 ten onrechte is vermeld dat uit de notulen van de vergadering van 1 april 2014 zou blijken dat een nieuwe vergadering is uitgeroepen op 17 juni 2014. Dit bezwaar wordt verworpen. De kantonrechter heeft slechts de inhoud van de e-mail van 14 april 2014 geparafraseerd.

2.2

Nu de feitenvaststelling voor het overige niet is bestreden, strekken die feiten, met inachtneming van het voorgaande, ook het hof tot uitgangspunt. Die feiten zijn, samengevat en waar nodig aangevuld met feiten die in hoger beroep als gesteld en niet (voldoende) weersproken zijn komen vast te staan, de volgende.

a. Het pand [adres] is in vier appartementen gesplitst. [appellant] is eigenaar van het appartement (bedrijfsruimte) op de begane grond, dat door hem wordt verhuurd. [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] zijn eigenaar geweest van de bovengelegen woonappartementen.

b. De splitsingsakte van 30 juni 1994 verklaart van toepassing het Modelreglement 1992 (hierna: het Modelreglement). In de splitsingsakte is vermeld dat het aandeel in de gemeenschap van het appartementsrecht van [appellant] 85/300 is, dat dat van de appartementsrechten van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] telkens 62/300 is en dat van het appartementsrecht van [geïntimeerde sub 2] het aandeel in de gemeenschap 91/300 is.

c. Op 27 mei 2005 heeft een vergadering van de VvE plaatsgevonden, waarin onder meer aan de orde was het funderingsherstel aan een mandelige muur van het gebouw. Na besluitvorming daarover is het funderingsherstel gedeeltelijk voor rekening van de VvE uitgevoerd.

d. Daarna hebben enige tijd geen vergaderingen plaatsgevonden.

e. Bij brief van 28 december 2007 heeft [appellant] de VvE bericht dat hij stopt met het betalen van de VvE bijdrage.

f. Op 8 januari 2013 is [geïntimeerde sub 2] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel

als bestuurder van de VvE met ingang van 1 juli 2012. Voordien was zijn broer

en rechtsvoorganger [B] voorzitter.

g. Bij brief van 22 juli 2013 heeft [geïntimeerde sub 3] namens [geïntimeerde sub 2] in diens hoedanigheid van woordvoerder van de VvE [appellant] bericht dat op 16 juli 2013

een vergadering had plaatsgevonden en hem uitgenodigd voor een volgende

vergadering op 30 juli 2013, waar besluitvorming over de uitvoering van werkzaamheden aan het dak en de zolderverdieping zou moeten plaatsvinden. Die werkzaamheden zijn naderhand (geheel of gedeeltelijk) voor rekening van de VvE uitgevoerd.

h. Op 22 oktober 2013 heeft een vergadering plaatsgevonden, waar onder meer is gesproken over het (met terugwerkende kracht alsnog) toepassen van de in de splitsingsakte voor de servicekosten en het watergeld vermelde verdeelsleutel (overeenkomstig de aandelen in de gemeenschap in plaats van een gelijk deel voor alle appartementen). In de notulen is vermeld dat is besloten dat [appellant] zijn boekhouder zou vragen om een prijsopgaaf voor het “intikken” van de mutaties over de afgelopen jaren en dat de andere eigenaars zouden kijken naar alternatieven, waarna twee weken later per e-mail zou worden besloten langs welke weg er verder gegaan zou worden. Verder vermelden de notulen dat is besloten op 10 december 2013 de volgende vergadering te houden.

i. Per e-mail van 5 november 2013 heeft [geïntimeerde sub 2] de andere leden laten weten dat hij de voorkeur eraan geeft nogmaals in een vergadering erover te spreken alvorens een definitieve beslissing te nemen over het opstellen van jaarrekeningen. Hij spreekt de voorkeur uit voor een onafhankelijk extern bureau.

j. Per e-mail van 6 november 2013 heeft [appellant] gereageerd met de mededeling dat opnieuw vergaderen niet zinvol is, omdat al een besluit is genomen.

k. In opdracht van [appellant] heeft administratiekantoor [X] de jaarstukken over de jaren 2003 - 2013 opgemaakt.

l. Per e-mail van 9 december 2013 heeft [appellant] de andere leden laten weten dat het voor hem geen zin had om de vergadering van 10 december 2013 te bezoeken bij gebrek aan inzicht in de financiën over de afgelopen jaren. Hij verzocht de andere leden nog een aantal punten te bespreken, waaronder de samenstelling van het bestuur.

m. Blijkens de notulen van de vergadering van 10 december 2013 is toen besloten VVE Commitment de opdracht te geven de jaarstukken over een periode van tien jaar opnieuw in kaart te brengen. VVE Commitment werd om te beginnen voor een jaar aangesteld als externe administrateur. Verder is besloten dat [geïntimeerde sub 2] voorzitter bleef. Als datum voor de volgende vergadering is vermeld 21 januari (2014) te 9.30 uur.

n. Voorafgaand aan die vergadering heeft [geïntimeerde sub 2] [appellant] een groot

aantal ingescande financiële stukken vanaf 2003 tot en met 2013 doen

toekomen alsmede Excel documenten ter zake.

o. [appellant] heeft de andere leden van de VvE laten weten dat hij niet aanwezig zou zijn op de vergadering van 21 januari 2014. De vergadering heeft wel doorgang gevonden. Blijkens de notulen daarvan zijn de door VVE Commitment volgens de verdeelsleutel van de splitsingsakte opgemaakte jaarrekeningen over de jaren 2003-2013 ter vergadering goedgekeurd. Besloten is om tegoeden en tekorten te verrekenen over de voorafgaande vijf jaar. VVE Commitment zou dit verwerken in de jaarstukken van 2014. De overeenkomst met VVE Commitment is door de voorzitter ondertekend en mee geparafeerd door de aanwezige leden.

p. Op 25 januari 2014 zijnde notulen en bijbehorende stukken per e-mail aan [appellant]

toegezonden.

q. Per e-mail van 28 januari 2014 heeft [appellant] de andere leden laten weten dat hij de administratie inmiddels had uitbesteed conform de bedoeling van de vergadering (van 22 oktober 2013) en zich niet gebonden achtte aan de besluiten van 21 januari 2014. Verder meldde [appellant] dat hij funderingsherstel heeft laten uitvoeren en opdracht heeft gegeven voor herstel van het dak (van een uitbouw op de begane grond). Per e-mail van 4 april 2014 heeft [appellant] opgegeven dat de totale kosten van een en ander € 11.559,96 bedragen. Het aandeel van de overige appartementseigenaren daarin becijfert hij op € 8.268,10.

r. Per e-mail van 7 april 2014 heeft [geïntimeerde sub 2] [appellant] bericht dat de VvE niet verantwoordelijk is voor zijn beslissingen op persoonlijke titel en het vermoeden uitgesproken dat de herstelde schade was veroorzaakt door een aldaar aanwezige wietplantage, waarvoor de VvE niet verantwoordelijk is. [appellant] heeft dat laatste per e-mail van dezelfde dag ontkend.

s. Per e-mail van 9 april 2014 heeft [appellant] de overige leden verzocht een vergadering uit te schrijven die uiterlijk op 8 mei 2014 moest plaatsvinden, bij gebreke waarvan de oproep als een oproep tot vergadering op 6 mei 2014 moest worden aangemerkt.

t. Bij brieven van 11 april 2014 heeft [appellant] de overige leden bericht dat de administratie door [X] was verwerkt en op basis daarvan aanspraak gemaakt op betaling door de andere leden aan de VvE van respectievelijk € 3.654,20, € 3.794,20 en € 9.222,41. Daarnaast heeft hij aanspraak gemaakt op betaling door de VvE aan hem van € 17.605.13 aan recent voorgefinancierde kosten.

u. Per e-mail van 14 april 2014 heeft [geïntimeerde sub 2] op de e-mail van 9 april 2014 gereageerd, onder meer met de mededeling dat reeds een vergadering was uitgeroepen voor 17 juni 2014, zoals zou blijken uit de notulen van de laatste vergadering (van 1 april 2014).

v. Per e-mail van 14 april 2014 heeft [appellant] in reactie daarop aan [geïntimeerde sub 2] , met kopie aan de overige leden, laten weten dat hij de onder u. vermelde e-mail opvatte als een afwijzing van zijn verzoek een vergadering uit te schrijven en dat hij “bij deze” een vergadering uitschreef voor 6 mei 2014 met zichzelf als voorzitter. Hij verwees daarbij naar het bepaalde in artikel 33 lid 3 en 4 (kennelijk: van het Modelreglement).

w. [geïntimeerde sub 2] heeft daarop laten weten dat hij vasthield aan de gekozen vergaderdatum van 17 juni 2014, dat het jaarverslag over het voorafgaande jaar en de begroting van het lopende jaar al waren goedgekeurd en dat hij niet meer zou reageren op voorstellen tot het houden van vergaderingen op eigen initiatief van [appellant] . In antwoord daarop heeft [appellant] bericht dat het [geïntimeerde sub 2] vrijstond al dan niet te verschijnen (op 6 mei 2014).

x. Blijkens door [appellant] overgelegde notulen van 6 mei 2014 is alleen hijzelf

toen verschenen. Per e-mail van 6 mei 2014 heeft [appellant] vervolgens opnieuw een oproep gedaan voor een vergadering op 22 mei 2014 (in Almere), waarin hij zichzelf als voorzitter aanduidt, onder verwijzing naar artikel 38 lid 6 (kennelijk: van het Modelreglement).

y. Op 16 mei 2014 heeft [appellant] de inleidende dagvaarding doen betekenen.

z. Blijkens door [appellant] overgelegde notulen van 22 mei 2014 is hij ook bij die gelegenheid als enige verschenen en is onder meer het voorstel in stemming gebracht om hem aan te stellen als voorzitter van de VvE. Dit voorstel is met een stem voor en geen stem tegen aangenomen. Hetzelfde geldt voor de goedkeuring van de door [X] opgestelde jaarverslagen 2003-2012 en aanverwante onderwerpen.

aa. [geïntimeerde sub 2] heeft zijn appartement op 14 maart 2014 verkocht en op 8 augustus

2014 geleverd aan [C] , die op 3 oktober 2014 bij meerderheidsbesluit ook

tot opvolgend voorzitter tevens enig bestuurslid van de VvE is benoemd.

bb. Bij brief van 26 augustus 2014 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde sub 2] [appellant]

aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van het feit dat de

geplande levering op 13 juni 2014 geen doorgang had kunnen vinden.

cc. Inmiddels hebben ook [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] hun appartement verkocht en geleverd aan anderen.

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft [appellant] van de VvE betaling gevorderd van € 20.477,75, verhoogd met rente en buitengerechtelijke kosten. Deze hoofdsom bestaat voor € 611,47 uit de vordering die [appellant] blijkens de door [X] vervaardigde jaarstukken per 1 januari 2014 had op de VvE en voor het overige uit (het aandeel van de VvE in) kosten die [appellant] aan de VvE heeft voorgeschoten. Daarnaast heeft [appellant] van [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] betaling gevorderd van respectievelijk € 14.176,01, € 8.572,22 en € 8.462,22, verhoogd met rente en buitengerechtelijke kosten. Deze bedragen zijn de bedragen die [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] blijkens voornoemde jaarstukken per 1 januari 2014 schuldig zijn aan de VvE. [appellant] vordert van hen deze bedragen tot een maximum van in totaal € 20.477,75. Daarnaast heeft [appellant] verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerde sub 2] geen bestuurder is geworden van de VvE en dat zijn bestuursbesluiten geen rechtskracht hebben, alsmede een gebod aan [geïntimeerde sub 2] om zich als bestuurder te laten uitschrijven. De VvE c.s. hebben deze vordering weersproken en van hun kant gevorderd betaling van de maandelijkse bijdrage door [appellant] vanaf januari 2009, een verbod aan [appellant] om zich uit te geven voor bestuurslid van de VvE, alsmede vergoeding van de schade die [geïntimeerde sub 2] heeft geleden als gevolg van het feit dat in verband met het uitbrengen van de inleidende dagvaarding de overdracht van zijn appartementsrecht is vertraagd en [geïntimeerde sub 2] als zekerheid een bankgarantie heeft moeten stellen.

3.2

De kantonrechter heeft de vorderingen in conventie afgewezen, die in reconventie toegewezen en [appellant] in de gedingkosten veroordeeld.

3.3

Tegen die beslissingen en de overwegingen waarop zij berusten komt [appellant] in hoger beroep op met negen grieven. In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis aangevuld met een vordering tot verklaring voor recht dat de op 21 januari 2014 goedgekeurde jaarrekeningen nietig zijn en, voor het geval die eis zou worden afgewezen, met een subsidiaire vordering tot vergoeding van zijn schade als bedoeld in artikel 38 lid 4 van het Modelreglement.

3.4

Grief I heeft betrekking op het voorzitterschap van [geïntimeerde sub 2] van de VvE, dat door [appellant] wordt betwist op de grond dat er geen rechtsgeldig besluit is aan te wijzen waarbij [geïntimeerde sub 2] tot bestuurder van de VvE is gekozen. Deze grief faalt. Op de vergadering van 10 december 2013 is, kennelijk op initiatief van [appellant] , die zelf had aangekondigd niet te zullen verschijnen, gesproken over de samenstelling van het bestuur en is besloten dat [geïntimeerde sub 2] voorzitter bleef. Zo het voorzitterschap van [geïntimeerde sub 2] vóór 10 december 2013 al niet op een geldig besluit berustte, dan was dat hoe dan ook wel het geval vanaf die datum, nu [appellant] het besluit van 10 december 2013 niet op rechtsgeldige wijze heeft aangevochten en dat besluit derhalve onaantastbaar is geworden. Grief I faalt. De met betrekking tot het voorzitterschap gevorderde verklaring voor recht en het gevorderde bevel zijn terecht door de kantonrechter afgewezen.

3.5

In de toelichting op grief I heeft [appellant] verder nog aangevoerd dat hij in het geheel niet is gekend in het besluit tot inschakeling van een advocaat om verweer te voeren in de onderhavige procedure en zelfs een eis in reconventie in te stellen. Hij meent dat aan dat besluit, als dat al zou zijn genomen, fundamentele totstandkomingsgebreken kleven die maken dat besluit nietig is. In de toelichting op de grieven VI en VII, die zien op de vorderingen van de VvE in oorspronkelijke reconventie tot veroordeling van [appellant] tot betaling van de achterstallige maandelijkse bijdrage en tot het aan hem opleggen van een verbod om zich uit te geven als voorzitter van de VvE, heeft [appellant] voorts specifiek op grond van artikel 42 lid 4 van het Modelreglement een beroep gedaan op het ontbreken van een (rechtsgeldig) besluit van de vergadering van eigenaars tot machtiging van het bestuur tot het instellen van een eis in reconventie.

3.6

De VvE c.s. hebben dit betoog van [appellant] weersproken en aangevoerd dat het bestuur op grond van artikel 41 lid 4 van het Modelreglement geen machtiging behoeft van de vergadering van eigenaars voor het voeren van verweer, terwijl dat reglement zich niet uitlaat over de noodzaak van een machtiging voor het instellen van een eis in reconventie. Bovendien is de machtiging namens de vergadering steeds wel aanwezig geweest, aangezien drie van de vier eigenaren aan hun advocaat tevens namens de VvE opdracht hebben gegeven in rechte op te treden. De VvE c.s. wijzen erop dat in de versie 2006 van het Modelreglement is bepaald dat het bestuur voor het voeren van incassoprocedures geen machtiging behoeft.

3.7

De feitelijke gang van zaken in eerste aanleg laat geen andere conclusie toe dan dat [geïntimeerde sub 2] als bestuurder van de VvE namens de VvE opdracht heeft gegeven verweer te voeren tegen de vorderingen van [appellant] . Op grond van artikel 41 lid 4 van het Modelreglement had hij daarvoor geen machtiging nodig van de vergadering van eigenaars. Onder het voeren van verweer valt echter niet het instellen van een eis in reconventie. Het instellen van een dergelijke eis valt onder het instellen van rechtsvorderingen, waarvoor een machtiging is voorgeschreven. De omstandigheid dat de VvE door [appellant] al in rechte was betrokken maakt dat niet anders. Het voeren van verweer tegen een vordering kan immers geacht worden per definitie in het belang te zijn van de VvE (als geheel), maar dat geldt niet voor het zelf instellen van een vordering. De - buiten vergadering gegeven - toestemming van drie van de vier leden van de VvE voor het instellen van de reconventionele eis kan niet in de plaats komen van een besluit van de vergadering van eigenaars. De desbetreffende reconventionele vorderingen (betaling achterstallige bijdrage, verbod tot het zich uitgeven als bestuurder) zijn derhalve onbevoegdelijk namens de VvE ingesteld, zodat de grieven VI en VII slagen, het bestreden vonnis in zoverre geen stand kan houden en de VvE alsnog niet ontvankelijk moet worden verklaard in die vorderingen.

3.8

De vordering tot betaling van € 611,47 die [appellant] heeft gebaseerd op de door [X] vervaardigde jaarstukken, is door de kantonrechter afgewezen op grond van een overweging die erop neerkomt dat [appellant] is gebonden aan het besluit van de vergadering van eigenaars van 21 januari 2014 om de door VVE Commitment opgemaakte jaarrekeningen over de jaren 2003-2013 goed te keuren, tegoeden en tekorten slechts te verrekenen over de voorafgaande vijf jaar en VVE Commitment opdracht te geven dit te verwerken in de jaarstukken van 2014. De kantonrechter heeft voorts overwogen dat [appellant] geen aanspraken kan ontlenen aan de jaarstukken die door [X] zijn opgemaakt, omdat daartoe geen opdracht is gegeven door de vergadering van eigenaars, en evenmin aan de besluiten die zijn genomen in de vergadering van 22 mei 2014, omdat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat [appellant] aldus de overige leden van de VvE buitenspel heeft gezet. Tegen deze redenering zijn de grieven II en III opgeworpen. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.9

[appellant] heeft welbewust ervan afgezien de vergaderingen van 10 december 2013 en 21 januari 2014 te bezoeken. In zoverre is het dus niet onterecht dat de kantonrechter heeft overwogen dat [appellant] zich aan de besluitvorming binnen de VvE heeft onttrokken, ook al is juist dat voorafgaand aan de vergadering van 22 oktober 2013 lange tijd geen reguliere vergaderingen zijn gehouden. De overige leden zijn op de vergaderingen van 10 december 2013 en 21 januari 2014 wel verschenen en hebben uiteindelijk op 21 januari 2014 met de daarvoor vereiste meerderheid van stemmen de genoemde besluiten genomen. Die besluiten zijn door [appellant] niet op de wettelijk voorgeschreven wijze aangevochten, waardoor eventuele gebreken in de wijze waarop de besluiten tot stand zijn gekomen niet meer kunnen afdoen aan de geldigheid van die besluiten, evenmin als de eventuele strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid van de inhoud ervan.

3.10

[appellant] heeft in de toelichting op grief II uitgebreid uiteengezet waarom hij niet wilde verschijnen op eerdergenoemde vergaderingen. Hij was het naar zijn zeggen niet eens met de door de anderen, op voorstel van [geïntimeerde sub 2] , voorgestelde marsroute en vond dat die in strijd was met hetgeen in de vergadering van 22 oktober 2013 was afgesproken en had voorafgaand aan de vergadering in december 2013 de door hem gevraagde financiële stukken nog niet ontvangen, zodat overleg volgens hem zinloos zou zijn.

In de vergadering van 22 oktober 2013 was echter nog geen definitief besluit genomen over de manier waarop de jaarstukken over de periode 2003 - 2013 zouden worden opgesteld, dus de tegenzin van [appellant] om daarover in de vergadering in december 2013 met de overige leden van de VvE te overleggen was niet terecht. Voorts had [appellant] in januari 2014 al geruime tijd de beschikking over de gevraagde stukken, zodat hij op basis daarvan zijn inhoudelijke standpunt had kunnen bepalen en in de vergadering van 21 januari 2014 naar voren had kunnen brengen. Al met al kan niet worden gezegd dat het feit dat de overige leden in de vergaderingen in december 2013 en januari 2014 de besluitvorming zonder [appellant] hebben voltooid, strijdig is met een dermate fundamenteel beginsel dat [appellant] in redelijkheid niet aan de toen genomen besluiten kan worden gehouden.

3.11

Evenmin slaagt het argument van [appellant] dat het besluit van de vergadering van eigenaars om de tegoeden en tekorten slechts over de afgelopen vijf jaar te verrekenen strijdig zou zijn met de splitsingsakte. In die splitsingsakte is weliswaar bepaald voor welk deel iedere appartementseigenaar moet bijdragen de gemeenschappelijke kosten, maar die bepaling ontneemt de vergadering niet de bevoegdheid te besluiten af te zien van verrekening van bijdragen die meer dan vijf jaar geleden in afwijking van die verdeelsleutel te veel of te weinig zijn betaald. De vordering tot verklaring voor recht dat het desbetreffende besluit nietig is, is derhalve niet toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de schadevergoeding op grond van artikel 38 lid 4 van het Modelreglement. Toewijzing van laatstgenoemde vordering zou immers feitelijk erop neerkomen dat [appellant] zich toch zou onttrekken aan de financiële besluiten van 21 januari 2014.

3.12

In april 2014 waren de hiervoor genoemde besluiten van 21 januari 2014 al onaantastbaar geworden. De vergaderingen van 6 mei 2014 en 22 mei 2014 waren klaarblijkelijk bedoeld om alsnog een besluit van een andere strekking te bewerkstelligen. De vergadering van 6 mei 2014 is door [appellant] in overeenstemming met het bepaalde in artikel 33 lid 4 van het Modelreglement bijeengeroepen. De oproeping voor de vergadering van 22 mei 2014 is echter niet rechtsgeldig geschied, omdat ook een vergadering die op grond van het bepaalde in artikel 38 lid 6 van het Modelreglement plaatsvindt, in beginsel door het bestuur moet worden bijeengeroepen. Een verzoek aan het bestuur ( [geïntimeerde sub 2] ) om binnen een maand na 6 mei 2014 een nieuwe vergadering op grond van artikel 38 lid 6 van het Modelreglement bijeen te roepen heeft [appellant] echter niet gedaan. In plaats daarvan heeft hij eigenmachtig een vergadering belegd, die in afwijking van de gewoonte ook niet plaatsvond in Amsterdam, waar het pand zich bevindt en de overige leden woonden, maar in zijn eigen woonplaats. Het verzuim op de juiste wijze om een nadere vergadering te vragen klemt temeer waar [appellant] wist dat de overige leden de door hem bijeengeroepen vergadering als ongeldig beschouwden en daar niet wensten te verschijnen en bovendien [appellant] de inleidende dagvaarding, die betrekking had op dezelfde financiële kwesties, al had laten uitbrengen. Onder deze omstandigheden kan hetgeen zich op 22 mei 2014 in Almere heeft afgespeeld in redelijkheid niet als een vergadering van de VvE worden beschouwd en de door [appellant] genomen besluiten niet als besluiten van de vergadering van eigenaars. Voor zover daarover anders zou kunnen worden geoordeeld geldt in ieder geval dat het beroep van [appellant] op die besluiten onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De grieven II en III falen derhalve.

3.13

Grief IV betreft de vergoeding die [appellant] heeft gevorderd ten bedrage van € 19.866,28 wegens door hem voorgeschoten kosten, welke vordering is gespecificeerd in de producties 59 en 60 bij de inleidende dagvaarding. Voor het overgrote deel heeft dit bedrag betrekking op de herstelwerkzaamheden die [appellant] heeft laten uitvoeren (zie hiervoor onder 2.2 sub q.) en voor klein deel op door [appellant] betaalde advocaatkosten ten bedrage van € 2.983,30. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen omdat de kosten niet berusten op door de VvE gegeven opdrachten en [appellant] de overige leden geen gelegenheid heeft gegeven voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden te beoordelen in hoeverre deze kosten voor rekening van de VvE zouden moeten komen.

3.14

In de toelichting op de grief heeft [appellant] aangevoerd dat de overige leden wel degelijk op de hoogte zijn geweest van de werkzaamheden die [appellant] diende uit te voeren. Ook heeft hij betoogd dat sommige van de uitgevoerde werkzaamheden het gevolg waren van lekkage vanuit het appartement van [geïntimeerde sub 3] . Al in 2005 wist de VvE, aldus [appellant] , dat de fundering in haar geheel moest worden hersteld, maar om geld te besparen is toen alleen de fundering linksvoor aangepakt. Het herstel van het dak en het funderingsherstel betreffen gemeenschappelijke kosten. [appellant] stelt met spoed te hebben gehandeld om grotere schade te voorkomen. De kwaliteit van het werk staat vast en de werkzaamheden zijn ten goede van de VvE gekomen. [appellant] betwist dat door de aanwezigheid van de wietplantage schade is veroorzaakt en beroept zich onder andere op ongerechtvaardigde verrijking.

3.15

Ondanks het feit dat aan de door [appellant] betaalde nota’s geen opdracht van de VvE ten grondslag ligt kan [appellant] onder omstandigheden aanspraak maken op een vergoeding daarvoor, namelijk voor zover de VvE door de verrichte werkzaamheden is verrijkt en vergoeding daarvan redelijk is.

3.16

Het hof heeft behoefte aan een nadere toelichting van partijen omtrent de vraag welke werkzaamheden nu precies zijn verricht, waarom die werkzaamheden noodzakelijk waren, of er een verband bestaat met de aanwezigheid van de wietplantage, wat de kosten van de werkzaamheden zijn geweest en in welke mate de VvE door die werkzaamheden is gebaat. [appellant] kan zich tevens uitlaten over het betoog van de VvE c.s. dat er een verwevenheid bestaat tussen hem en de door hem ingeschakelde bedrijven en hij dient de gemaakte advocaatkosten toe te lichten. De mogelijkheid bestaat dat het hof om een of meer van de hiervoor opgeworpen vragen te beantwoorden deskundige voorlichting behoeft. Ook daarover wenst het hof met partijen te spreken.

3.17

Het hof zal met het oog op het voorgaande een comparitie van partijen gelasten. Ter comparitie zal tevens worden bezien of een minnelijke regeling van dit deel van het geschil mogelijk is.

3.18

Voorafgaand aan de comparitie kan thans reeds worden vastgesteld dat de vordering van [appellant] jegens [geïntimeerden] niet voor toewijzing vatbaar is. [appellant] vordert van [geïntimeerden] de bedragen waarvan hij meent dat zij die aan de VvE verschuldigd zijn. Deze mening is gebaseerd op de door [X] opgemaakte jaarstukken alsmede op een verrekening van tekorten over een langere periode dan vijf jaar terug, waarover hiervoor reeds is overwogen dat [appellant] is gebonden aan de op 21 januari 2014 genomen andersluidende besluiten. Bovendien bestaat voor het innen door [appellant] van (vermeende) vorderingen van de VvE geen grond. Uit de door [appellant] gegeven toelichting op de vorderingen en de hoogte van de van elk van de overige leden gevorderde bedragen blijkt dat [appellant] niet heeft beoogd zijn vorderingen op hen te baseren op het bepaalde in artikel 5:113 lid 5 BW. De vorderingen van [appellant] , voor zover gericht tegen [geïntimeerden] moeten dus worden afgewezen, met zijn veroordeling in de door [geïntimeerden] in eerste aanleg in conventie en in hoger beroep tot nu toe gemaakte kosten, die worden begroot op de helft van de totale kosten van de VvE c.s. Het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen zal dan ook worden vernietigd. Ter comparitie zullen alleen [appellant] en de VvE behoeven te verschijnen. De verdere beoordeling van grief IV wordt aangehouden, evenals die van grief V, die betrekking heeft op de kostenveroordeling in conventie in eerste aanleg.

3.19

Grief VIII bestrijdt de toewijzing van de vordering in oorspronkelijke reconventie van [geïntimeerde sub 2] . [appellant] betwist dat hij, zoals [geïntimeerde sub 2] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, een onzinnige procedure zou hebben aangespannen. Voorts doet [appellant] een beroep op eigen schuld en betwist hij de gestelde schade.

3.20

De kantonrechter heeft niet gemotiveerd op welke grond [appellant] jegens [geïntimeerde sub 2] aansprakelijk is voor de door deze geleden schade. De vordering van [geïntimeerde sub 2] is kennelijk gebaseerd op onrechtmatige daad. Blijkens de tekst van de conclusie van repliek in reconventie lijkt [geïntimeerde sub 2] het standpunt in te nemen dat met de integrale afwijzing van de vorderingen van [appellant] zijn recht op schadevergoeding is gegeven. Dat is onjuist. Voor het aannemen van een onrechtmatige daad is meer vereist dan dat een ingestelde in eis in zijn geheel is afgewezen. Minst genomen is vereist dat gesproken kan worden van misbruik van bevoegdheid, bijvoorbeeld omdat de eis lichtzinnig - zoals: tegen beter weten in - is ingesteld. De enkele stelling dat de door [appellant] ingestelde procedure onzinnig is, is onvoldoende. Overigens blijkt al uit het hiervoor overwogene dat het hof de procedure niet onzinnig acht. Grief VIII is terecht voorgedragen en de vordering van [geïntimeerde sub 2] zal alsnog worden afgewezen.

3.21

Blijkens het voorgaande kan geen van de vorderingen van de VvE c.s. in oorspronkelijke reconventie worden toegewezen. Dit betekent dat ook het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen niet in stand kan blijven, ook waar het betreft de proceskosten van dat deel van het geding in eerste aanleg, die door de VvE c.s. moeten worden gedragen. Grief IX, die hierop betrekking heeft, slaagt derhalve.

3.22

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

wijst af de vorderingen van [appellant] , voor zover gericht tegen [geïntimeerden] ;

veroordeelt [appellant] jegens [geïntimeerden] in de kosten van het geding in conventie in eerste aanleg en in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen in eerste aanleg op € 600,= voor salaris gemachtigde en in hoger beroep op € 968,50 aan verschotten en € 815,50 voor salaris;

verklaart de VvE niet-ontvankelijk in de vordering tot betaling van achterstallige maandelijkse bijdrage en in de vordering tot het verbieden aan [appellant] zich uit te geven als voorzitter van de VvE;

wijst af de vordering van [geïntimeerde sub 2] jegens [appellant] tot vergoeding van schade;

veroordeelt de VvE c.s. in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie en begroot die kosten voor zover tot heden aan de zijde van [appellant] gevallen op € 600,= voor salaris gemachtigde;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af de vorderingen van [appellant] tot verklaring voor recht en tot opleggen aan [geïntimeerde sub 2] van een gebod tot uitschrijving;

wijst af de vordering van [appellant] tot schadevergoeding op grond van artikel 38 lid 4 van het Modelreglement;

bepaalt dat [appellant] en de VvE in persoon respectievelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is (door schriftelijke machtiging of anderszins) tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten, tot het hiervoor onder 3.16 omschreven doel zullen verschijnen ten overstaan van mr. J.F. Aalders, daartoe als raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en tijdstip;

verwijst de zaak naar de rol van 2 mei 2017 voor opgave door de beide advocaten van de verhinderdata van alle betrokken personen in de periode van mei tot en met juli 2017;

bepaalt dat partijen, in het geval zij zich ter comparitie willen bedienen van (nog niet in de procedure overgelegde) schriftelijke bewijsstukken, deze uiterlijk twee weken voor de comparitiedatum dienen toe te zenden aan de raadsheer‑commissaris, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan de wederpartij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, D.J. van der Kwaak en J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 april 2017.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.