GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
BESCHIKKING van 23 juni 2004 van de vijfde kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, op het beklag met rekestnummer R04/001/12 Sv van
M. A,
E. A,
M. A,
H. A,
klagers,
allen voor deze aangelegenheid woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigden:
mr. G.P. Hamer
Postbus 51143
1007 EC Amsterdam
en
mr. M. Kaouass
Hoogte Kadijk 51
1018 BE Amsterdam
1. Het beklag
Het klaagschrift met bijlagen is op 24 december 2003 ter griffie van het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om W, brigadier van politie regio Amsterdam-Amstelland, en Q, agent van politie regio Amsterdam Amstelland, alsmede het regiokorps Amsterdam-Amstelland niet te vervolgen ter zake van doodslag, zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend, dood door schuld en/of enig ander strafbaar feit in verband met het schietincident dat op 6 augustus 2003 te Amsterdam heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan de zoon/broer van klagers, A, is overleden.
2. Het verslag van de hoofdadvocaat-generaal
In zijn verslag van 18 maart 2004 heeft de hoofdadvocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.
3. De stukken betreffende het beklag
Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennis genomen van het ambtsbericht met bijlage van de hoofdofficier van justitie te Amsterdam van 5 maart 2004, van de processen-verbaal die op deze zaak betrekking hebben en van de volgende door mr. Hamer aan het hof gezonden stukken:
- een brief van 12 mei 2004, met een reactie op het ambtsbericht van de hoofdadvocaat-generaal;
- een brief van 12 mei 2004 met als bijlage een brief van gelijke datum aan de advocaat-generaal, inhoudende verzoek tot oproeping van getuigen en deskundigen alsmede verzoek tot overlegging van stukken;
- een brief van 17 mei 2004 met als bijlage de brief van gelijke datum aan de advocaat-generaal, inhoudende verzoek tot oproeping van een deskundige;
- een akte van 18 mei 2004, inhoudende verzoek tot openbare behandeling van de zaak;
- een conclusie naar aanleiding van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Amsterdam van 21 mei 2004.
Het hof heeft eveneens kennis genomen van een zogeheten 3D-animatie, en van een video-opname van de 'plaats delict' die is vervaardigd op 6 augustus 2003.
Klagers en hun gemachtigden hebben op 12 mei 2004 gebruik gemaakt van de gelegenheid dit beeldmateriaal te bezichtigen.
Op 24 mei 2004 is de gemachtigde van W eveneens in de gelegenheid gesteld het beeldmateriaal te bezichtigen, en hiervan heeft hij gebruik gemaakt. Klagers en hun gemachtigden hebben evenals W en zijn gemachtigde kennis kunnen nemen van de processen-verbaal die op de zaak betrekking hebben, alsmede van de ambtsberichten van de officier van justitie en de advocaat-generaal.
4. De behandeling in raadkamer
Klagers zijn op 26 mei 2004 in de gelegenheid gesteld hun beklag toe te lichten. M. A (vader van A) en M. A (broer van A) zijn in raadkamer verschenen en in aanwezigheid van een tolk gehoord. Zij zijn bijgestaan door hun gemachtigden, beiden advocaat te Amsterdam. Klagers hebben het beklag toegelicht en gehandhaafd.
Mr. Hamer heeft zijn pleitnotities overgelegd, alsmede een akte omtrent openbaarheid van de zitting en een kopie van een gedeelte van het rapport "Uit voorzorg ter hand?" van het Politie Instituut Openbare orde en Veiligheid van oktober 1997.
Mr. Hamer heeft in raadkamer aan het hof verzocht de behandeling van de klacht ter openbare terechtzitting te doen plaatsvinden. De hoofdadvocaat-generaal heeft het hof verzocht het verzoek af te wijzen. Het hof heeft aan het verzoek om de zaak ter openbare terechtzitting te doen behandelen geen gehoor gegeven.
Op diezelfde dag, op een ander tijdstip, is W in de gelegenheid gesteld te reageren op het klaagschrift. Hij is in raadkamer verschenen, bijgestaan door mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Zoetermeer, en hij heeft verzocht het beklag af te wijzen. Mr. Duijvelshoff heeft zijn pleitnotities overgelegd.
Mr. Hamer en mr. Kaouass zijn bij dit verhoor aanwezig geweest. Mr. Hamer heeft verzocht in de gelegenheid te worden gesteld aan W vragen te stellen. Hij heeft daartoe een akte overgelegd. Het hof heeft het verzoek afgewezen.
De hoofdadvocaat-generaal is bij het verhoor van klagers in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft hij geen aanleiding gevonden de conclusie in zijn verslag te herzien.
5. De beoordeling van het beklag
5.1. Klagers zijn nabestaanden van A. Op 6 augustus 2003 even na 19.00 uur werd A dodelijk getroffen door een kogel die was afgeschoten door de brigadier van regiopolitie Amsterdam-Amstelland, W. Dit schietincident vond plaats in het Surinaams-Javaans eethuis "X", gevestigd aan het Mercatorplein in Amsterdam.
Ongeveer een kwartier voor het schietincident vond in genoemd eethuis een kort handgemeen plaats tussen A en een andere klant van het eethuis, H. A heeft daarbij een verwonding onder zijn linkeroog opgelopen. De eigenaresse van het eethuis heeft nog tijdens het handgemeen de politie gealarmeerd. Op het moment dat W en zijn collega Q in reactie op die melding - geüniformeerd - ter plaatse verschenen, had A het eethuis verlaten en was het rustig in het eethuis. Staande naast de tafel waaraan die H en drie andere mannen waren gezeten, hebben W en Q informatie ingewonnen over het handgemeen.
Op een voor hen onverwacht moment is A teruggekeerd naar het eethuis. A heeft zich in het eethuis begeven richting beide politiemannen en het tafeltje waaraan het genoemde gezelschap was gezeten. A had op dat moment een mes in handen, zichtbaar gereed voor - gewelddadig - gebruik. Het mes bleek later een totale lengte van 23,5 cm te hebben.
Na een mondelinge waarschuwing het mes/wapen te laten vallen heeft W een - in zijn woorden - noodweerschot gelost, dat A dodelijk trof. Het technisch onderzoek van schotresten op de kleding van A wijst op een schootsafstand van ongeveer een halve à anderhalve meter.
5.2. Naast onder meer onderzoek door de technische recherche is die avond door politiemensen van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een dertiental burgergetuigen gehoord. Ter plaatse en niet lang na het voorval waren al 7 van hen kort gehoord door medewerkers van de regiopolitie.
De rijksrecherche was diezelfde avond vanaf 21.10 uur ter plaatse aanwezig. De rijksrecherche heeft vanaf 8 augustus 2003 tot en met 27 augustus 2003 bij proces-verbaal 11 getuigenverklaringen opgenomen. Twee getuigen waren nog niet eerder door de regiopolitie gehoord. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft technofysisch onderzoek verricht en er heeft een sectie plaatsgehad op het lichaam van A. Voorts zijn er kort na het voorval video-opnames gemaakt van het interieur van het eethuis. Met behulp van computeranimaties is getracht duidelijkheid te krijgen over de toedracht van het voorval.
Q is op 9 augustus 2003 door de rijksrecherche gehoord en W op 13 en op 20 augustus 2003.
Laatstgenoemde heeft op 13 augustus 2003 over de aanleiding tot het schietincident onder meer verklaard: "Ineens zag ik in mijn rechter ooghoeken een man verschijnen.(...) Ik kon die man niet geheel zien.(...) Ik had meteen oogcontact met die man. In een flits realiseerde ik mij dat dit de man moest zijn die weggelopen was (...). Nog voordat ik goed en wel besefte en überhaupt de gelegenheid had gehad om daar iets over tegen [Q] te zeggen, zag ik dat A als een wilde stier op mij af kwam lopen. Hij rende niet maar liep met een versnelde pas en had daarbij een zeer gespannen lichaam. Ik zag ook dat A daarbij in zijn rechterhand een mes vasthield. Ik zag dat mes op dat moment voor het eerst. Ik zag dat hij zijn rechterarm, licht gebogen, onder spanning, ter hoogte van zijn heup, voor zich hield en dat hij onderhands dat mes vasthield. Hij hield dat mes bij het heft vast en richtte de punt van dat mes naar voren, in mijn richting. Ik herkende dat mes als een soort steakmes. In ieder geval een lang dun mes met een kartelrand. Toen ik dat mes zag was A al in het restaurantgedeelte ter hoogte van enkele tafeltjes en kwam ondertussen, zeer snel, steeds dichterbij. Ik heb A, terwijl hij naderbij kwam niets horen zeggen. Ik realiseerde mij het enorme gevaar dat er op mij afkwam. Hij kwam echt op mij aflopen en ik voelde mij ernstig bedreigd. In een flits ging het door mij heen dat mijn leven in gevaar was omdat die man mij, met dat mes, zou gaan neersteken. (...). Ik kon geen kant meer op. De dreiging was zeer acuut. Mijn reactie was vervolgens ook een getrainde instinctieve reactie, waarbij ik absoluut geen tijd had om verder na te denken. (...) Ik riep met luide stem: "laat vallen dat wapen" of "laat vallen dat mes". Ik riep dat éénmaal. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat ik tijdens dat roepen met mijn gestrekte rechterarm in de richting van A heb gewezen. Ik zag vervolgens dat de man niet op mijn aanroepen reageerde. Hij bleef met dezelfde snelheid en gespannen houding op mij afkomen. Ondertussen was A mij zeer nabij genaderd. Als ik even had geaarzeld, dan was ik er mogelijk niet meer geweest. Ik ben er nu, achteraf gezien, van overtuigd dat hij mij dan zeker had neergestoken. Direct na het roepen pakte ik met mijn linkerhand mijn vuurwapen. (...) Ik duwde direct daarop mijn vuurwapen naar voren en hield het vervolgens met mijn rechterhand ondersteund voor mij. Meteen daarop loste ik een schot. Ik heb nooit meer de tijd gehad om de richtmiddelen van het wapen te gebruiken. Het betrof een specifiek noodweerschot en ik had daarmee maar één bedoeling en dat was om A te stoppen, teneinde mijn leven te redden. Ik heb geen moment daadwerkelijk een bewuste beweging gemaakt om die man op een bepaalde plaats te raken. Ik had daar geen tijd meer voor en schoot zonder verder te richten in de richting van A."
Dat A gewapend met een mes het eethuis is binnengegaan en zonder aarzeling met versnelde pas is doorgelopen richting W, vindt bevestiging in de verklaring van vijf in dezelfde ruimte aanwezige ooggetuigen. Eén van hen heeft als haar mening te kennen gegeven dat W nog andere, minder ingrijpende mogelijkheden, had dan een "noodweer"-schot om het gevaar te keren dat A op basis van de waarneembare omstandigheden leek te vormen. De overige ooggetuigen zijn die mening niet toegedaan.
5.3. De officier van justitie heeft besloten tegen W geen strafvervolging in te stellen ter zake van doodslag of enig ander geweldsdelict, aangezien naar het oordeel van de officier van justitie W een beroep op noodweer toekomt.
5.4. In vervolg op de klacht van de nabestaanden heeft het hof thans te beoordelen of er reden is de strafvervolging van W, Q en de regiopolitie Amsterdam-Amstelland te bevelen.
De resultaten van het onderzoek zoals dat tot dusverre heeft plaatsgehad vormen naar 's hofs oordeel een sterke indicatie dat W' aandeel in het schietincident de delictsomschrijving van 'doodslag' vervult. De ernst van een dergelijk delict brengt als uitgangspunt mee dat de desbetreffende strafzaak slechts bij hoge uitzondering wordt geseponeerd, zodat de strafrechter na onderzoek ter openbare terechtzitting heeft te beoordelen of het delict is bewezen en, zo ja, of dit is begaan onder zodanige omstandigheden dat het delict en de dader ervan strafbaar zijn, alsmede - zo dat het geval is - wat voor straf dient te worden opgelegd. Waar het een beroep op noodweer of noodweer-exces aangaat past afzien van strafvervolging alleen indien geen rechtens relevante twijfel kan bestaan over het bevestigende antwoord op de vraag of de strafrechter, indien tot oordelen geroepen, dat beroep zal honoreren. Voorts kan voor strafvervolging, al dan niet in de vorm van een gerechtelijk vooronderzoek, aanleiding zijn indien het resultaat van het opsporingsonderzoek onvoldoende is dan wel - vanwege de wijze waarop dat resultaat is verkregen - niet voldoende valide is om laatstbedoelde vraag te beantwoorden. Noodzakelijk is dan wel dat er voor dat nadere onderzoek aanknopingspunten zijn en dat het onderzoeksresultaat naar verwachting alsnog een solide basis kan vormen voor het antwoord op die vraag.
De procedure ex artikel 12 Sv. zelf biedt rechtens geen kader voor nader justitieel onderzoek. In die procedure is geen ruimte voor het horen van getuigen gericht op het vaststellen van de feiten, en zeker niet (zoals klagers hebben verzocht) in het openbaar. Indien het hof de mogelijkheid en noodzaak van nader onderzoek blijkt staat hem als regel niets anders ten dienste dan een vervolging te bevelen, eventueel met een last tot het vorderen van een gerechtelijk vooronderzoek. Slechts een strafvervolging kan het kader bieden waarbinnen feitenonderzoek dient plaats te vinden, op de openbare terechtzitting of in de beslotenheid van het kabinet van de rechter-commissaris.
5.5. Uiteraard kan het hof niet voorbij gaan aan de bijzondere achtergronden van de voorliggende klacht.
In de eerste plaats betreft het hier een voorval waarbij een overheidsdienaar, W, in de uitoefening van zijn functie het leven heeft genomen van een burger, A. Klagers zien zich daardoor onverhoeds geconfronteerd met het tragische overlijden van hun zoon en broer, en zij hebben er minst genomen recht op te weten hoe het zo ver heeft kunnen komen.
Er is op basis van het thans voorliggende dossier geen enkele aanwijzing dat W erop uit was A te doden. Daarvoor spreekt onder meer dat W als geen ander heeft getracht het leven van A te redden nadat deze zwaar gewond was neergevallen. Desalniettemin staat vast dat W op korte afstand op A heeft geschoten, als gevolg waarvan A ook is overleden. Klagers hebben er terecht op gewezen dat de Staat der Nederlanden daarmee inbreuk heeft gemaakt op het in artikel 2 EVRM verankerde recht op leven. Deze levensberoving kan desondanks gerechtvaardigd zijn indien zij het gevolg is van het gebruik van geweld dat absoluut noodzakelijk was ter verdediging van wie dan ook tegen onrechtmatig - ander - geweld.
Het justitieel onderzoek naar het schietincident en de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgevonden zal zich uit de aard der zaak louter moeten richten op de waarheidsvinding en het zal om die reden hebben te voldoen aan strenge eisen van kwaliteit en objectiviteit. Dit laatste klemt temeer nu W in dienst is van en bij de geweldstoepassing heeft gehandeld uit hoofde van zijn functie bij dezelfde overheid die het justitieel onderzoek naar de toedracht van het schietincident heeft uit te voeren.
Waar het betreft overheidsgeweld met dodelijke afloop heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens bovendien reeds meermalen tot uitdrukking gebracht dat uit artikel 2 EVRM tevens eisen voortvloeien waaraan het onderzoek naar een schending van die bepaling moet beantwoorden. Zo heeft de overheid op eigen initiatief en zo snel mogelijk over te gaan tot een effectief, objectief en voortvarend onderzoek naar de dood van het slachtoffer van overheidsgeweld en dient dit onderzoek te worden uitgevoerd door en onder verantwoordelijkheid van functionarissen die onafhankelijk zijn van degene(n) die het overheidsgeweld heeft of hebben uitgeoefend. Die onafhankelijkheid kan in praktische zin ontbreken indien de conclusies uit het justitieel onderzoek te zeer leunen op gegevens die afkomstig zijn van bij het overheidsgeweld direct betrokkenen.
Naar 's hofs oordeel komt een opsporingsonderzoek dat is gericht op de toedracht van letaal overheidsgeweld door een instelling als de rijksrecherche in voldoende mate tegemoet aan de eis dat onderzoeksfunctionarissen die het recherchewerk feitelijk verrichten onafhankelijk zijn van de bij het overheidsgeweld betrokkenen. Voorts acht het hof de officier van justitie voldoende onafhankelijk en gekwalificeerd om aan de hand van de resultaten van het onder diens verantwoordelijkheid uitgevoerde onderzoek naar objectieve maatstaven te beoordelen of tot vervolging moet worden overgegaan. Behoudens voor de (onderzoeks)rechter, is in de onderhavige kwestie voor andere dan genoemde functionarissen in beginsel geen taak weggelegd.
In verband hiermee kwalificeert het hof dan ook als zeer ongelukkig de uitlatingen van de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, gedaan binnen een week na het schietincident ten overstaan van journalisten van een landelijk dagblad, met als inhoud onder meer: "De agent in kwestie valt niets te verwijten" en "Hij heeft gedaan wat hij moest doen". Deze uitlatingen behelsden conclusies die in hoge mate vooruit liepen op de mogelijke resultaten van het justitieel onderzoek dat op dat moment nog volop gaande was. Hoezeer deze uitlatingen ook waren bedoeld om een stem te geven aan de onrust binnen de regiopolitie die het gevolg was van de - naar nu reeds valt vast te stellen in elk geval gedeeltelijk - onterechte en ongegronde verwijten die het korps en in het bijzonder W publiekelijk werden gemaakt, zij deden bij klagers begrijpelijkerwijze de gedachte postvatten dat van enig objectief, effectief en onafhankelijk onderzoek naar de omstandigheden van het overlijden van hun zoon en broer geen enkele sprake zou zijn. Daarbij komt zoals al vermeld dat aanvankelijk een substantieel deel van het onderzoek naar het schietincident feitelijk is verricht door medewerkers van de regiopolitie zelf, die derhalve rechtstreeks ressorteren onder het gezag van bedoelde korpschef.
5.6. In de tweede plaats moet worden beseft dat politiemensen als W en Q hun werk ten behoeve van de Nederlandse samenleving hebben te verrichten onder nu en dan uiterst moeilijke omstandigheden, waarbij gevaar voor eigen leven op onverwachte momenten kan toeslaan. Waar burgers dat gevaar in het algemeen mogen vermijden wordt van de politie verwacht dat zij gevaarlijke situaties tegemoet treedt. Waar burgers kunnen volstaan met een enkele melding bij de politie van onrust en/of geweld, dient de politie in reactie hierop ter plaatse te gaan. Met behulp van training en bewapening is het bedoelde gevaar slechts tot op zekere hoogte in te dammen.
Indien noodzakelijk heeft de politieman als ieder burger het recht zich te verdedigen tegen een - zoals dat heet - ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Anders dan de gemiddelde burger zullen politiemensen zich echter veelvuldig gesteld zien voor situaties waarin zij in aanraking kunnen komen met tegen hen gericht geweld, zonder dat nauwkeurig valt te voorspellen wanneer dat het geval zal zijn. Indien het gevaar zich daadwerkelijk aandient is er bovendien in de regel vrijwel geen tijd de omvang van dat gevaar te onderkennen en te besluiten hoe daarop adequaat kan worden gereageerd.
W is in de voorliggende zaak samen met zijn collega naar een plaats gegaan waar het tot onrust en geweld was gekomen. De rust leek weergekeerd toen zij ter plekke arriveerden, maar op een voor hen onverwacht moment heeft zich een (mede) voor hen zeer gevaarlijke situatie voorgedaan die niet door hen was voorzien en die zij ook niet hoefden te voorzien. Aan het ontstaan daarvan waren W en Q in elk geval geenszins debet. W heeft - huiselijk gezegd - bepaald niet gevraagd om hetgeen hij naar zijn inschatting vervolgens heeft moeten doen.
Deze overwegingen dienen bij de beoordeling van de klacht in ogenschouw te worden genomen, aangezien zij rechtstreeks raken aan de vraag naar de rechtvaardiging en de mate van verwijtbaarheid van het - in beginsel - strafbare feit van de levensberoving.
Het voorgaande neemt niet weg dat een politieman als W ook in een situatie waarin hij zijns ondanks verzeild is geraakt als eenieder heeft te handelen binnen de grenzen van het recht. Hij zal dus op een ernstige dreiging proportioneel moeten reageren ten opzichte van degene van wie die dreiging afkomstig is en hij zal indien mogelijk zijn toevlucht moeten zoeken tot andere wegen om die dreiging tegen te gaan dan het uiterste middel waarnaar in dit schietincident is gegrepen.
5.7. Kernvragen zijn in deze zaak die naar de eventuele alternatieven die W open stonden en die naar de kwaliteit van het onderzoek dat was gericht op het vaststellen van de toedracht van het schietincident.
Wat betreft dat laatste acht het hof het ongewenst dat ervoor is gekozen W pas een week na het incident hierover te ondervragen.
Voorts is het hof opgevallen dat dertien burgergetuigen diezelfde avond nog zijn verhoord door politiemensen van het regiokorps Amsterdam-Amstelland die op één na allen werkzaam zijn in hetzelfde politiedistrict als waarin ook W en Q werkzaam zijn. Ook al zouden die verhoren op zichzelf met integere intenties en op objectieve wijze hebben plaatsgehad, louter het gegeven dat de verhorende ambtenaren directe collega's zijn van de politieman die het fatale schot heeft gelost maakt al dat de getuigen al dan niet bewust in hun verklaringen kunnen worden beïnvloed. Dit kan nog eens te meer zijn versterkt doordat de verbalisanten tijdens het verhoor - mogelijk - waren geüniformeerd. Het dossier verschaft op dit punt geen duidelijkheid. Naar huidige psychologische inzichten vormt de eerste verklaring van integere ooggetuigen, afgelegd kort na het voorval waaromtrent zij verklaren, in het onderzoek naar de toedracht hun meest valide verklaring en die eerste verklaring heeft onontkoombaar zijn weerslag op hetgeen getuigen nadien nog verklaren over hetzelfde voorval. Het is dan ook van essentieel belang dat die verklaringen worden afgelegd in het kader van een zo onafhankelijk en objectief mogelijk onderzoek. Daaraan voldoet het verhoor door directe collega's niet. Deze gang van zaken acht het hof dan ook niet naar behoren. Aan dit oordeel doet niet af dat de rijksrecherche naar het oordeel van de hoofdadvocaat-generaal "de verantwoordelijkheid voor dit onderzoek heeft genomen", aangezien het niet de rijksrecherche is die heeft te oordelen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuigen. Het gevolg van dit manco is dat het hof bij zijn beoordeling van de gegrondheid van de klacht uiterst behoedzaam gebruik zal moeten maken van de resultaten van die verhoren.
Wat betreft de alternatieven die W tot zijn beschikking had verklaren de ooggetuigen, op één na, globaal beschouwd dat W niets anders restte dan te doen wat hij heeft gedaan. Mede gelet op de hiervoor besproken gebrekkige wijze waarop de verklaringen van de ooggetuigen aanvankelijk zijn vergaard, stelt het hof voorop dat met het horen van deze ooggetuigen, die - dat zij benadrukt - de lezing van W onderschrijven, het onderzoek naar mogelijke alternatieven voor het schieten op A nog niet is afgerond. Los van hetgeen door getuigen wordt verklaard zal moeten worden kennisgenomen van objectieve gegevens als de omvang en de inrichting van het eethuis, de exacte plaats waar direct betrokkenen zich bevonden en de tijd die W was vergund zich de dreiging te realiseren en daarnaar te handelen. Aan de hand van deze objectieve gegevens kan vervolgens de juistheid van hetgeen W en getuigen verklaren worden getoetst, en kan - zo veel mogelijk - compensatie worden gevonden voor de wijze waarop de getuigen aanvankelijk zijn verhoord. De eerder genoemde video-opname en 3D-animatie zijn daarbij inderdaad behulpzaam, maar daarmee zijn de mogelijkheden tot toetsing nog niet uitgeput.
5.8. Het hof acht het noodzakelijk dat onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris, een onafhankelijke functionaris bij uitstek, een reconstructie zal plaatsvinden van het schietincident, zulks met medewerking van W en de ooggetuigen. Hetgeen de ooggetuigen bij die gelegenheid verklaren dient zo nauwkeurig mogelijk te worden vastgelegd. Langs deze weg wordt bereikt dat in het justitieel onderzoek naar het fatale schietincident geen reëel aanknopingspunt voor verdere recherche onbenut is gelaten, en wordt door de interventie van de - onafhankelijke - rechter-commissaris in enige mate compensatie geboden voor het gebrek waaronder het onderzoek in aanvang gebukt ging.
Nu reeds zij opgemerkt dat het hof er ernstig rekening mee houdt dat zal blijken dat in deze zaak het louter handmatig afstoppen van A - een suggestie van één ooggetuige - en het gebruik van "pepperspray", vanwege de niet geringe kans dat deze methodes onder de geschetste omstandigheden ineffectief zouden blijken te zijn, niet kunnen worden aangemerkt als reële alternatieven voor het door W als noodweer betitelde schot. Anderzijds wil het hof aan het onderzoek door de rechter-commissaris geen beperkingen opleggen.
Het hof zal dan ook het vorderen van een gerechtelijk vooronderzoek gelasten. Het is vervolgens aan de officier van justitie om te beoordelen of in de alsdan verkregen onderzoeksresultaten grond kan worden gevonden voor verder nader onderzoek, c.q. dagvaarding ter terechtzitting, dan wel bewilliging moet worden gevraagd voor het doen van een kennisgeving van niet verdere vervolging. Het hof gaat ervan uit dat klagers, als nabestaanden, op de hoogte worden gehouden van de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek en dat zij tijdig worden geïnformeerd over de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie en de motivering ervan.
5.9. Daarnaast strekt de klacht tot de vervolging van Q en de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Voor zover de klacht hiertoe strekt zal zij reeds nu ongegrond worden verklaard. Klagers hebben op geen enkele wijze duidelijk kunnen maken op basis waarvan jegens hen vervolging zou moeten worden ingesteld, en ook ambtshalve heeft het hof geen begin van aanwijzingen kunnen vinden voor strafbaar handelen of nalaten van de zijde van Q en de regiopolitie in het algemeen.
6. De beslissing
Het hof:
gelast de officier van justitie een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen tegen W ter zake van het schietincident waarop de klacht ziet;
verklaart de klacht met betrekking tot Q en de regiopolitie Amsterdam-Amstelland kennelijk ongegrond;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven op 23 juni 2004 door mrs. Van der Reep, vice-president, Aben en Rang, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking staat geen gewoon rechtsmiddel open.