21 1760 AW
Datum uitspraak: 21 juli 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 april 2021, 19/2852 (aangevallen uitspraak)
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)
Namens appellant heeft mr. P. Bots, werkzaam bij CNV Connectief, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bots. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Sanders en [naam] .
OVERWEGINGEN
1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.
1.2.
Appellant was sinds 1 januari 2001 in dienst bij het ministerie van Justitie en Veiligheid, [Dienst] , in de functie van [functie] , laatstelijk in de [naam inrichting] ( [naam inrichting] ) [regio] , locatie [locatie] .
1.3.
Bij besluit van 14 juli 2017 heeft de minister appellant de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd wegens plichtsverzuim. Appellant is verweten dat hij zich na 1 oktober 2016 herhaaldelijk niet heeft gehouden aan de afgesproken aanvangstijd van 07:30 uur, ook niet nadat hij hierop is gewezen. Daarnaast is appellant verweten dat hij niet het contractueel vastgelegde aantal uren van 27 per week werkt. Vastgesteld is dat appellant vanaf 1 oktober 2016 80 uur te weinig heeft gewerkt. Bij besluit van 1 december 2017 is het tegen het besluit van 14 juli 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen geen beroep ingesteld.
1.4.
In een memo van 10 oktober 2017 is appellant meegedeeld dat bij het uitdraaien/controleren van het toegangsregistratiesysteem IOLAN is geconstateerd dat appellant het te laat komen in hetzelfde patroon heeft voortgezet. Appellant is gemiddeld een kwartier te laat op het werk. Tevens is door verschillende leidinggevenden fysiek waargenomen dat appellant herhaaldelijk te laat komt. Uit een verslag van het personeelsgesprek van 22 december 2017 blijkt dat appellant ook tijdens dit gesprek is aangesproken op het te laat komen.
1.5.
Bij besluit van 8 maart 2018 heeft de minister bepaald dat appellant, voor de duur van een onderzoek naar zijn de geregistreerde aanwezigheid, verlof en eventuele ziekteperioden in de periode van juli 2017 tot en met februari 2018, vanwege vermoedelijk (zeer ernstig) plichtsverzuim de toegang wordt ontzegd tot de [naam inrichting] .
1.6.
Na het voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt en nadat appellant zijn zienswijze daarop heeft gegeven, heeft de minister bij besluit van 24 mei 2018 aan appellant met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant zich herhaaldelijk niet heeft gehouden aan de afgesproken werk-, aanvangs- en eindtijden. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.7.
Appellant heeft voorts in juli 2018 bezwaar gemaakt tegen de in de salarisspecificatie van juni 2018 opgenomen eindafrekening van zijn verlofuren.
1.8.
Bij besluit van 27 maart 2019 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren tegen het besluit van 24 mei 2018 en de eindafrekening van zijn verlofuren ongegrond verklaard. Daarbij is het verloftegoed gewijzigd van 34,5 naar 35 uren en is bepaald dat appellant nog recht heeft op een nabetaling van 0,5 uur verlof.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de minister gegevens uit IOLAN heeft mogen gebruiken om vast te stellen of sprake is van ongeoorloofde afwezigheid van appellant. Daarbij verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de Raad van 6 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6039. Volgens de rechtbank blijkt uit de memo van 10 oktober 2018 dat de minister zich niet alleen op gegevens van IOLAN heeft gebaseerd. Gelet op de brief van 7 juli 2017 wist appellant dat regelmatig zou worden vastgesteld of hij zich hield aan de vastgestelde aanvangs- en eindtijd. Uit de door appellant overgelegde foto’s kan niet worden afgeleid of deze daadwerkelijk door appellant op de aangegeven tijdstippen en dagen zijn genomen. Bovendien zijn de foto’s buiten genomen op tijdstippen dat appellant al binnen de [naam inrichting] had moeten zijn. De door appellant overgelegde e-mails zien volgens de rechtbank op een andere periode en daaruit blijkt niet dat met appellant andere werk-, aanvangs- en eindtijden waren afgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een ernstig plichtsverzuim, waarbij de straf van ontslag niet onevenredig is. Daarbij weegt zwaar dat aan appellant al eerder een berisping is opgelegd. Appellant heeft volgens de rechtbank voldoende tijd gehad om zijn gedrag aan te passen en een heersende cultuur ontslaat mensen niet van hun eigen verantwoordelijkheid om zich als goed ambtenaar te gedragen. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister heeft mogen uitgaan van het verlof zoals dat vermeld staat in het overzicht van 2017. Het lag op de weg van appellant dit verlof in te trekken of
naar aanleiding van zijn saldo op 2 maart 2018 te melden dat dit niet klopte. Dat heeft hij niet gedaan. Voor een kostenvergoeding in bezwaar ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat niet is gebleken van een aan de minister te wijten onrechtmatigheid.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling wat hij aan zijn beroep bij de rechtbank ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende behandeld. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt hier het volgende aan toe.
4.3.
Appellant heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:680, aangevoerd dat de minister zich voor het vaststellen van plichtsverzuim niet uitsluitend mag baseren op gegevens uit IOLAN. Deze beroepsgrond slaagt reeds niet, omdat appellant, onder meer ter zitting, zelf heeft erkend dat hij zich in de periode in geding, die loopt van juli 2017 tot en met februari 2018, niet heeft gehouden aan de vastgestelde werk-, aanvangs- en eindtijden.
4.4.
De beroepsgrond van appellant dat hij zich in de periode hier in geding door medische beperkingen niet heeft kunnen houden aan de vastgestelde werk-, aanvangs- en eindtijden slaagt evenmin, omdat deze grond, zoals appellant ter zitting ook heeft erkend, door hem niet is onderbouwd.
4.5.
Appellant heeft verder betoogd, dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is, omdat sprake is van een cultuur waarbij het in de praktijk is toegestaan om flexibel met de werktijden om te gaan en dat dit ook blijkt uit de overgelegde verklaring van een collega. Met die praktijk is bij de oplegging van de straf ten onrechte geen rekening gehouden, aldus appellant. Dit betoog slaagt niet. Nog afgezien dat de minister – onweersproken – heeft verklaard dat deze collega reeds vóór de periode hier in geding is ontslagen, geldt dat in ieder geval met de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping van 14 juli 2017 duidelijk is dat van een dergelijke praktijk geen sprake (meer) is. Ook na de schriftelijke berisping is appellant bij herhaling aangesproken op het niet naleven van de werk-, aanvangs- en eindtijden. Bovendien heeft appellant een eigen verantwoordelijkheid om zich overeenkomstig de geldende regels voor werktijden te gedragen.
4.6.
De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat de minister bij de eindafrekening van de verlofuren van appellant heeft mogen uitgaan van het, op het overzicht van 2017 vermelde, aantal verlofuren van -7,5. De Raad onderschrijft deze overwegingen volledig en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of gemotiveerd waarom de rechtbank op dit punt tot een ander oordeel had moeten komen.
4.7.
De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een vergoeding van de kosten in bezwaar, slaagt. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de uit salarisspecificatie van juni 2018 blijkende eindafrekening van zijn verlofuren. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de minister een herberekening gemaakt van de resterende verlofuren. Als gevolg hiervan heeft de minister bij het bestreden besluit het verloftegoed gewijzigd van 34,5 naar 35 uren en bepaald dat appellant nog recht heeft op een nabetaling van 0,5 uur verlof. Daarmee zijn de rechtsgevolgen gewijzigd en is sprake van het herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid zoals bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.8.
Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van de kosten in bezwaar en voor het overige voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de (proces)kosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.082,- in bezwaar (één punt voor het indienen van het bezwaarschrift en één punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar, met een waarde per punt van € 541,- en een wegingsfactor 1), op € 1.518,- in beroep (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen op de zitting bij de rechtbank, met een waarde per punt van € 759,-, wegingsfactor 1) en op € 1.518,- in hoger beroep (één punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-, wegingsfactor 1) voor verleende rechtsbijstand. Hiermee bedragen de voor vergoeding in aanmerking komende (proces)kosten (in bezwaar, beroep en hoger beroep) in totaal € 4.118,-.