21 12 AW
Datum uitspraak: 8 oktober 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
9 december 2020, 20/191 (aangevallen uitspraak)
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De AP heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2021. Appellant was via beeldbellen aanwezig. De AP heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. C.A.M.J. van Hameren en mr. Ö. Sehirli.
OVERWEGINGEN
1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 zijn bekendgemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.
1.2.
Bij besluit van 20 juli 2017 heeft de AP appellant met ingang van 1 augustus 2017 aangesteld in tijdelijke dienst, met een proeftijd tot uiterlijk 1 augustus 2019. Daarbij is aan appellant meegedeeld dat na afloop van de proeftijd de tijdelijke aanstelling bij voldoende functioneren wordt omgezet in een vast dienstverband. Na een reorganisatie is appellant met ingang van 1 februari 2018 geplaatst op de functie van [naam functie], waarvan de werkzaamheden onder andere bestaan uit het behandelen van klachten, handhavingsverzoeken en meldingen van datalekken.
1.3.
Op 18 april 2018 heeft een voortgangsgesprek met appellant plaatsgevonden. De conclusie van het gesprek is dat de prestaties (nog) niet volledig overeenkomen met de afspraken en verwachtingen, waardoor op onderdelen verbetering nodig is. Op 9 januari 2019 heeft een tweede voortgangsgesprek met appellant plaatsgevonden. Naar aanleiding van het functioneren van appellant bij de afdoening klachten is appellant op 18 maart 2019 ontheven van het behandelen van klachten en handhavingsverzoeken. Op 29 april 2019 is met appellant een functioneringsgesprek gevoerd, waarbij aan appellant is meegedeeld dat hem aansluitend aan het van rechtswege aflopen van zijn tijdelijke aanstelling geen vaste aanstelling zal worden verleend.
1.4.
Na daartoe een voornemen aan appellant kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft de AP bij besluit van 17 juli 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 december 2019 (bestreden besluit), aan appellant aansluitend aan het van rechtswege aflopen van zijn tijdelijke aanstelling met ingang van 1 augustus 2019 geen vaste aanstelling verleend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN6920) is de toetsing van een besluit tot het niet voortzetten van een tijdelijk dienstverband na afloop van de proeftijd terughoudend. Deze toetsing is in beginsel beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de betrokken ambtenaar niet aan de door het bestuursorgaan redelijkerwijs te stellen eisen en/of verwachtingen heeft voldaan. Het bestuursorgaan hoeft niet aannemelijk te maken dat de ambtenaar blijk heeft gegeven van een ongeschiktheid die het ontslag van een in vaste dienst aangestelde ambtenaar zou kunnen rechtvaardigen.
4.2.
Appellant betoogt dat tot 3 mei 2019 geen sprake is geweest van open of constructieve terugkoppeling over zijn functioneren. Dit betoog slaagt niet. Uit het verslag van het eerste voortgangsgesprek op 18 april 2018, dat door appellant is geaccordeerd, en het door appellant bij e-mailbericht van 20 april 2018 verzonden voorstel voor het verslag blijkt dat appellant duidelijker, meer (juridisch) onderbouwde e-mailberichten aan leidinggevenden dient te sturen en in gesprekken meer als [functie] dient over te komen. Voorts blijkt uit het e-mailbericht van 8 januari 2019 dat de uitgaande correspondentie van appellant nog aandacht verdient en deze eerst voorgelegd dient te worden. Uit de verslagen van het tweede voortgangsgesprek op 9 januari 2019 en van het gesprek op 18 maart 2019 blijkt dat appellant de kwaliteit van zijn juridische analyses dient te verbeteren en meer de rol van toezichthouder dan die van dienstverlener dient aan te nemen. Hierbij is uitdrukkelijk besproken dat hij pas opnieuw nieuwe medewerkers kan gaan inwerken, wanneer appellant zijn werkzaamheden zelfstandig en goed uitvoert. Appellant was, anders dan hij stelt, dus ruim vóór 3 mei 2019 op de hoogte van de kritiek op zijn functioneren en hoe hij zijn functioneren kon verbeteren.
4.3.
Voorts betoogt appellant dat zijn bezwaar had moeten worden aangemerkt als mede gericht tegen de vastgestelde beoordeling van 29 april 2019. Ook dit betoog slaagt niet. Nog daargelaten dat het verslag van 29 april 2019 geen formele beoordeling is, maar een weergave van wat is besproken tijdens het functioneringsgesprek van die datum, berust dit op voldoende gronden. Uit de gespreksverslagen, e-mailberichten en memo’s komt als algemeen beeld naar voren dat de juridische analyse en communicatie van appellant van onvoldoende niveau zijn en dat hij zich bij herhaling niet heeft gehouden aan de geldende werkafspraken. Hoewel uit het e-mailbericht van 20 maart 2019 en de memo van de coördinator handhavingsverzoeken van 17 april 2019 blijkt dat appellant terecht opmerkt dat hij niet twee maar één ingebrekestelling als zodanig niet heeft herkend, is niet doorslaggevend of elk feit juist is vastgesteld of geduid; het gaat om het totale beeld.
4.4.
Ook de stelling van appellant dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat de AP zonder nadere onderbouwing het advies van de bezwaaradviescommissie heeft overgenomen, slaagt niet. Ingevolge de artikelen 7:14 en 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan voor de motivering van een beslissing op het bezwaar volstaan met een verwijzing naar het advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Dat appellant zich niet kan vinden in die motivering maakt niet dat het bestuursorgaan naar die motivering niet mag verwijzen.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.