Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:CRVB:2021:1801

Centrale Raad van Beroep
22-07-2021
29-07-2021
20/2898 AW
Ambtenarenrecht
Hoger beroep

Besluitvorming. Vergoeding kosten advocaat voor de afwikkeling van het dienstverband. Vaststellingsovereenkomst.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

20 2898 AW

Datum uitspraak: 22 juli 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

10 juli 2020, 19/469 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Coevorden, Hardenberg en omstreken / De Nieuwe Veste (stichting)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Zuidema hoger beroep ingesteld.

Namens de stichting heeft mr. C.F.J. Haket-Adriaansen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft een aanvang genomen op 11 maart 2021 en is in overleg met partijen geschorst.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek op de zitting is, via een beeldverbinding met partijen, voortgezet op 11 juni 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Zuidema. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Haket-Adriaansen, A.H. Tump en W. Berends.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

2.1.

Voor een uitgebreide weergave van de voorgeschiedenis en de achtergrond van deze zaak verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier daarom met het volgende.

2.2.

Appellant was sinds 1 augustus 2000 bij de stichting aangesteld in vaste dienst als [functie] . Op basis van de vaststellingsovereenkomst (vso) die appellant en de stichting op 2 mei 2018 hebben gesloten, heeft de stichting bij besluit van 8 mei 2018 appellant per 1 oktober 2018 eervol ontslag verleend.

2.3.

Bij e-mail van 18 juli 2018 heeft appellant de stichting verzocht om de kosten van de advocaat die hij voor de afwikkeling van het dienstverband heeft ingeschakeld, te vergoeden. Bij brief van 2 oktober 2018 heeft appellant dit verzoek herhaald.

2.4.

Bij besluiten van 8 oktober 2018 en 31 oktober 2018 heeft de gemachtigde van de stichting aan appellant gemotiveerd meegedeeld dat de stichting niet bereid is deze kosten te vergoeden.

2.5.

Op 30 januari 2019 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet of niet tijdig nemen van een besluit op zijn in 2.3 genoemde verzoek.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de stichting met de besluiten van 8 oktober 2018 en 31 oktober 2018 wel al heeft beslist op het verzoek van appellant. Dat de stichting niet of niet tijdig een besluit heeft genomen, is daarom niet juist.

4.1.

Met het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak wil appellant bereiken dat de stichting de kosten van de advocaat die hij voor de afwikkeling van het dienstverband heeft ingeschakeld, vergoedt.

4.2.

Op verzoek van de Raad heeft appellant bij brief van 29 maart 2021 zijn standpunt over de bestreden besluitvorming kenbaar gemaakt. Bij brief van 22 april 2021 heeft de stichting zijn reactie hierop gegeven. Met instemming van partijen en uit proceseconomische overwegingen zal de Raad de bestreden besluitvorming inhoudelijk beoordelen.

5. De Raad oordeelt als volgt.

De besluitvorming

5.1.

De Raad overweegt allereerst, en net als de rechtbank, dat de e-mails van 8 oktober 2018 en 31 oktober 2018 gelet op de inhoud en de strekking ervan (gezamenlijk) moeten worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep tegen het niet of niet tijdig nemen van een besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard. De stichting heeft immers wel (tijdig) een besluit genomen.

De gevraagde vergoeding van de kosten van de advocaat

5.2.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de stichting de kosten van de inschakeling van een advocaat moet vergoeden, omdat hij die kosten moest maken om de stichting tot volledige en correcte uitvoering van de vso te bewegen.

5.3.

De Raad is het niet eens met dit standpunt van appellant. De stichting hoeft de kosten van de advocaat die appellant voor de afwikkeling van het dienstverband heeft ingeschakeld, niet te vergoeden.

5.4.

Appellant en de stichting zijn gebonden aan een vso, die in de ambtenaarrechtelijke rechtsverhouding tussen hen aangemerkt moet worden als een nadere regeling van de uitoefening van de ontslagbevoegdheid van de stichting. Bij de uitleg van de vso komt het niet slechts aan op de letterlijke bewoordingen van de overeenkomst, maar ook op de zin die appellant en de stichting in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op dat wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De Raad heeft dit al vaker overwogen.1

5.5.

In onderdeel 9 van de vso hebben appellant en de stichting met het oog op de afwikkeling van het ontslag van appellant afgesproken dat hij recht heeft op vergoeding van de gemaakte kosten voor rechtsbijstand en dat de facturen van Advocatenkantoor Mariska Harbers en Advocatenkantoor Van Rossum gezamenlijk worden vergoed tot een maximumbedrag van

€ 4.700,- exclusief btw.

5.6.

Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat appellant en de stichting het erover eens zijn dat de stichting de afspraken uit onderdeel 9 van de vso is nagekomen. Alleen al hierom kan de gevraagde kostenvergoeding niet op dit onderdeel van de vso worden gebaseerd. Verder is van belang dat appellant en de stichting in onderdeel 17 van de vso hebben afgesproken om elkaar over en weer finale kwijting te verlenen voor alle aanspraken die voortvloeien uit onder andere de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de aanstelling volgens de vso wordt beëindigd. Hiermee hebben appellant en de stichting ook voor wat betreft de kosten van rechtsbijstand die appellant heeft gemaakt, een punt gezet achter de afwikkeling van het dienstverband.

5.7.

De Raad overweegt ten slotte nog dat er geen geschreven of ongeschreven rechtsregel is die de stichting verplicht om de kosten van de advocaat die appellant voor de afwikkeling van het dienstverband heeft ingeschakeld, te vergoeden. Voor een vergoeding op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ziet de Raad geen grond nu de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht al een - in de rechtspraak verder uitgewerkte - regeling kennen voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en toepassing van artikel 6:96 van het BW zich daarmee niet verdraagt.

5.8.

Uit 5.1 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5.9.

Uit 5.2 tot en met 5.7 volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ook niet slaagt. Dit beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 22 april 2021 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2021.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) B.H.B. Verheul

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 mei 2008 die te vinden is op www.rechtspraak.nl onder het kenmerk ECLI:NL:CRVB:2008:BD2813.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.