Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
24-02-2020
Zaaknummer
18/2525 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2017 heeft het Uwv beslist dat appellante vanaf 29 mei 2017 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Blijkens hun rapporten waren de verzekeringsartsen ermee bekend dat de behandelaars bij appellante de diagnose fibromyalgie hadden gesteld. Het enkele feit dat de verzekeringsartsen in hun rapportages niet zijn uitgegaan van deze diagnose maar van de diagnose somatoforme pijnstoornis, in combinatie met een PTSS en een depressie grotendeels in remissie, betekent niet dat de beoordeling onzorgvuldig is geweest of de medische beperkingen van appellante zijn miskend. Er bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de medische beperkingen zoals verwoord in de FML van 20 januari 2017. Uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen zoals verwoord in de FML van 20 januari 2017, zijn de in bezwaar aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2525 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 26 april 2018, 17/4974 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 februari 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van Deuzen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020. Namens appellante is verschenen mr. Van Deuzen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als thuishulp A bij [BV 1] ( [BV 1] ) voor gemiddeld 14,34 uur per week en als schoonmaakster bij [BV 2] ( [BV 2] ) voor gemiddeld 13,23 uur per week. Op 28 september 2012 is appellante uitgevallen voor haar werkzaamheden in verband met klachten aan het bewegingsapparaat. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op basis van dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 15 augustus 2014 beslist dat appellante met ingang van 26 september 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Appellante heeft zich per 17 december 2014, vanuit een situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, opnieuw ziek gemeld. In verband met deze melding is appellante door een verzekeringsarts onderzocht. Dit onderzoek heeft geleid tot het besluit van 18 februari 2015, waarbij appellante met ingang van 17 december 2014 alsnog een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend. Zowel [BV 1] als [BV 2] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij beslissing op bezwaar van 5 oktober 2015 heeft het Uwv deze bezwaren gegrond verklaard in die zin dat de eerste ziektedag wordt gesteld op 5 januari 2015, zijnde de datum waarop appellante een revalidatietraject bij Heliomare is gestart. De rechtbank Noord-Holland heeft bij uitspraak van 8 juni 2016 (nr. 15/4737) het beroep van Victoria tegen de beslissing op bezwaar van 5 oktober 2015 ongegrond verklaard.

1.3.

In het kader van een verzekeringsgeneeskundig heronderzoek heeft appellante op 20 januari 2017 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van eveneens 20 januari 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 13,23%. Bij besluit van 28 maart 2017 heeft het Uwv beslist dat appellante vanaf 29 mei 2017 (twee maanden en één dag na de datum van de beschikking) geen recht meer heeft op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 20,47%. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 19 oktober 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 20 oktober 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onvoldoende grond gezien voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de verzekeringsartsen voldoende toereikend en inzichtelijk hebben gemotiveerd waarom in het geval van appellante ten tijde in geding geen verdergaande beperkingen dienen te worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in zijn aanvullende rapportage naar aanleiding van de beroepsgronden en de rapportage van drs. E. Wierda, arts-acupuncturist, van 21 februari 2018, ingegaan op de argumenten dat onvoldoende rekening zou zijn gehouden met de klachten voortkomend uit fibromyalgie. Naar het oordeel van de rechtbank houdt ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stand.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat het Uwv de bij haar aanwezige fysieke en psychische beperkingen heeft onderschat en dat zij niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten. Appellante heeft erop gewezen dat haar klachten (groten)deels voortkomen uit de ziekte fibromyalgie en dat de verzekeringsartsen van het Uwv deze ziekte en de daaruit voortvloeiende beperkingen hebben miskend. Alhoewel de ziekte fibromyalgie door de WHO als ziekte is erkend stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat dit geen zelfstandige ziekte-entiteit is. Daarmee geeft hij te kennen volstrekt onvoldoende op de hoogte te zijn van deze ziekte en haar verschijningsvormen. Ter toelichting heeft appellante in hoger beroep algemene informatie over de ziekte fibromyalgie in geding gebracht. Appellante heeft voorts nogmaals gewezen op het door haar in beroep overgelegde rapport van drs. Wierda, waaruit volgens haar blijkt van meer en andere gebreken dan uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt. Ten slotte heeft appellante de Raad verzocht om haar in aanmerking te brengen voor vergoeding van de door het bestreden besluit geleden schade.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 23 augustus 2018 toegelicht dat de term ‘geen zelfstandige ziekte-entiteit’ is gebezigd om aan te geven dat als een pathofysiologisch mechanisme niet bekend is, nooit het geheel of de kans op comorbide aspecten uit het oog mag worden verloren. Daarvan bleek bij appellante inderdaad sprake. Nergens is vermeld dat de claim van appellante is verworpen alleen omdat fibromyalgie geen ziekte-entiteit zou zijn. Omdat er evenwel rond de terminologie inmiddels een geweldige discussie is ontstaan zal voortaan de term ‘geen zelfstandige ziekte-entiteit’ worden vervangen door ‘ziekte’. Daarom is onder ‘diagnose’ nu ‘fibromyalgie’ opgenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft evenwel in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen grond gezien om aan te nemen dat de vastgestelde belastbaarheid de werkelijke zou overschrijden.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 29 mei 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35%. Partijen verschillen er niet meer over van mening dat bij appellante sprake is van de diagnose fibromyalgie en dat de hieruit voortvloeiende beperkingen een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte zijn. Het gaat in dit geding om de vraag of het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en of de medische beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld.

4.3.1.

Het oordeel van de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest wordt onderschreven. De verzekeringsartsen hebben dossierstudie verricht, appellante op het spreekuur gezien en haar lichamelijk en psychisch onderzocht. Bovendien hebben zij alle op dat moment beschikbare medische informatie van de behandelaars van appellante bij hun beoordeling betrokken. Op basis van deze gegevens hebben zij geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een somatoforme pijnstoornis, een PTSS en een depressie grotendeels in remissie. De verzekeringsartsen hebben op basis van alle beschikbare gegevens beperkingen aangenomen in alle rubrieken van de FML.

4.3.2.

Blijkens hun rapporten waren de verzekeringsartsen ermee bekend dat de behandelaars van Heliomare bij appellante de diagnose fibromyalgie hadden gesteld. Het enkele feit dat de verzekeringsartsen in hun rapportages niet zijn uitgegaan van deze diagnose maar van de diagnose somatoforme pijnstoornis, in combinatie met een PTSS en een depressie grotendeels in remissie, betekent niet dat de beoordeling onzorgvuldig is geweest of de medische beperkingen van appellante zijn miskend. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij een goed beeld hadden van de medische situatie van appellante en de daaruit voortvloeiende (objectiveerbare) medische beperkingen.

4.4.

Er bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de medische beperkingen zoals verwoord in de FML van 20 januari 2017. De verzekeringsartsen hebben toereikend en inzichtelijk gemotiveerd waarom er in het geval van appellante ten tijde in geding geen verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor een ander oordeel. De in beroep door appellante overgelegde brief van drs. Wierda is niet gebaseerd op een medisch onderzoek van appellante en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 2 maart 2018 voldoende toegelicht waarom die brief niet leidt tot een wijziging van de FML. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische informatie in geding gebracht welke twijfel doet rijzen aan de juistheid van de door het Uwv aangenomen medische beperkingen.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen zoals verwoord in de FML van 20 januari 2017, zijn de in bezwaar aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt. Daaruit vloeit voort dat appellante per 29 mei 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat het Uwv de WIA-uitkering terecht met ingang van die datum heeft beëindigd.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is er geen plaats voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) E.D. de Jong