1.2.
Bij besluit van 22 juli 2016 heeft de korpschef aan appellante meegedeeld dat haar, vanwege het per 1 juli 2014 geldende Dienstautobeleid politie, niet langer een dienstauto ter beschikking wordt gesteld. Gelet op de Tijdelijke regeling overgangsbeleid bij het niet langer de beschikking mogen hebben van een dienstauto voor zakelijk gebruik
(Stcrt. 2016, nr. 25036; Tijdelijke regeling overgangsbeleid) moet appellante de haar ter beschikking gestelde dienstauto binnen drie maanden na bekendmaking van het besluit inleveren. De korpschef heeft het bezwaar daartegen bij besluit van 22 december 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat er, gelet op de in het Dienstautobeleid politie en het Vaststellingbesluit permanente terbeschikkingstelling dienstauto’s (Stcrt. 2016, nr. 25037; Vaststellingsbesluit) opgenomen criteria, geen aanleiding is voor het permanent ter beschikking stellen van een dienstauto. Tijdens piketdiensten wordt aan appellante een dienstauto ter beschikking gesteld. Daarnaast komen per jaar ongeveer tien noodoproepen voor, waarbij appellante vanuit huis de dienstauto en de spullen in [plaats] op moet halen, om vervolgens naar de desbetreffende locatie te gaan. Voor de overige inzet geldt dat appellante met een dienstauto vanuit [plaats] vertrekt, haar plaats van tewerkstelling. Volgens de korpschef vergt het niet meer permanent kunnen beschikken over een dienstauto weliswaar aanpassing en gewenning van appellante, maar levert het geen onoverkomelijke problemen op die maken dat appellante haar werkzaamheden niet meer kan verrichten. Ook het aantal kilometers voor dienstreizen, in combinatie met de overige wegingscriteria, levert volgens de korpschef geen reden op voor terbeschikkingstelling van een dienstauto.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de korpschef voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de toepasselijke wegingscriteria in de beoordeling zijn betrokken. Volgens de rechtbank heeft appellante geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die tot een andere uitkomst zouden moeten leiden. Het door appellante gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel en het fair play-beginsel slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat appellante de korpschef op
14 november 2016 in gebreke heeft gesteld in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Uitgaande van die ingebrekestelling had de korpschef uiterlijk op
28 november 2016 een besluit moeten nemen. De korpschef heeft dit op 22 december 2016 gedaan, op welk moment de termijn van 42 dagen, genoemd in artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nog niet was verstreken. Daarmee was 22 december 2016 de laatste dag waarover de dwangsom was verschuldigd. De korpschef moest “gelet op artikel 4:18 van de Awb” binnen twee weken na 22 december 2016 de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom vaststellen. Volgens de rechtbank was de korpschef, anders dan appellante heeft aangevoerd, niet verplicht om dit al bij het bestreden besluit te doen.
3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.
3.1.1.
Artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke regeling overgangsbeleid bepaalt dat op grond van het Dienstautobeleid politie en de op basis daarvan vastgestelde uitvoeringsregeling wordt bepaald welke medewerker in aanmerking komt voor een dienstauto. Het tweede lid bepaalt dat indien een medewerker op grond van het gestelde in het eerste lid niet langer in aanmerking komt voor een dienstauto, deze de dienstauto dient in te leveren.
3.1.2.
In artikel 4, eerste lid, van de Tijdelijke regeling overgangsbeleid is bepaald dat de medewerker de dienstauto uiterlijk 3 maanden nadat deze het besluit tot het beëindigen van het gebruik kenbaar is gemaakt dient in te leveren op nog nader te bepalen wijze.
3.1.3.
Artikel 5, eerste lid, van de Tijdelijke regeling overgangsbeleid bepaalt dat afwijking van de regeling in bijzondere individuele gevallen mogelijk is voor zover strikte toepassing gelet op het belang van de medewerker zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3.1.4.
Artikel 5, eerste lid, van de Tijdelijke regeling overgangsbeleid bepaalt dat afwijking van de regeling in bijzondere individuele gevallen mogelijk is voor zover strikte toepassing gelet op het belang van de medewerker zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3.1.5.
Op grond van artikel 3 van het Dienstautobeleid politie kan de korpschef bepalen dat aan een ambtenaar een dienstauto ter beschikking wordt gesteld voor permanent gebruik als dit in verband met de uitoefening van de functie noodzakelijk wordt geacht. Human Resources Management (HRM) en Facility Management (FM) adviseren structureel vooraf het bevoegd gezag aan de hand van wegingscriteria. Bij de afweging om een dienstauto toe te wijzen wordt altijd de doelmatigheid betrokken. Relevante factoren, zoals de frequentie en mate van gebruik, de onvoorspelbaarheid van inzet of oproep, het tijdsaspect en het kostenaspect spelen hierbij een belangrijke rol. Een dienstauto kan voor permanent gebruik worden toegewezen als dit in verband met de te maken dienstreizen om bedrijfseconomische redenen structureel verantwoord is.
3.1.6.
Op grond van artikel 4, eerste lid, van het Dienstautobeleid politie worden wat betreft het ter beschikking stellen van een dienstauto voor permanent gebruik de volgende groepen ambtenaren onderscheiden:
a. (…).
b. Ambtenaren die vanwege hun functie, dan wel in verband met tijdelijk opgedragen werkzaamheden, permanent over een dienstauto beschikken voor zowel dienstreizen als woon-werkverkeer.
Op grond van het tweede lid van dit artikel kan op voordracht van een politiechef of een directeur door de korpschef aan een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid, onder, b een dienstauto worden toegewezen. FM en HRM adviseren de korpschef vooraf aan de hand van de wegingscriteria.
3.1.7.
Het Vaststellingbesluit bevat nadere beleidsregels wat betreft de toewijzingsprocedure en de criteria voor toewijzing van een dienstauto voor permanent gebruik. In onderdeel 1b van het Vaststellingsbesluit is vermeld dat bedrijfseconomische afweging de enige reden is om een dienstauto toe te wijzen. Ter onderbouwing daarvan dienen meerdere criteria gewogen te worden, waarbij de jaarlijkse kilometrage zwaarwegend is. Er moet een juiste afweging worden gemaakt tussen nut en noodzaak, waarbij het uitgangspunt is dat de dienstreizen worden gemaakt tegen zo laag mogelijke integrale kosten (reis- en arbeidskosten). Bij de toewijzing van een dienstauto wordt ten minste overwogen:
- het aantal kilometers voor dienstreizen in combinatie met de uit te voeren werkzaamheden op jaarbasis, met een ondergrens van 20.000 km;
- de frequentie van gebruik;
- de onvoorspelbaarheid van inzet of oproep;
- de beschikbaarheid/bereikbaarheid;
- de efficiency en effectiviteit van de inzet;
- de doelmatigheid t.o.v. het openbaar vervoer;
- de consistentie in relatie tot toekenningen aan andere medewerkers in vergelijkbare situaties.
3.1.8.
In onderdeel 1c van het Vaststellingsbesluit is vermeld dat het aanvraagproces begint met een dialoog over nut en noodzaak van een permanente dienstauto tussen medewerker en leidinggevende. Bovengenoemde overwegingen vormen het kader waarbinnen deze dialoog plaatsvindt. Wanneer beide partijen tot de conclusie komen dat het verstrekken van een permanente dienstauto de meest wenselijke situatie is, dan wordt het verzoek voor een dienstauto door de leidinggevende van de aanvrager doorgeleid naar het Hoofd Bedrijfsvoering van de eenheid of dienst. Dit betreft individuele aanvragen, wat inhoudt dat er niet één aanvraag kan worden ingediend voor een groep medewerkers tegelijk. Het Hoofd Bedrijfsvoering maakt een eerste beoordeling van de aanvragen op basis van een volledig ingevuld aanvraagformulier. Verder is vermeld dat als het Hoofd Bedrijfsvoering op grond van diens toetsing van mening is dat de aanvraag moet worden afgewezen, de betrokken medewerker dit door het bevoegd gezag bij besluit wordt medegedeeld. Indien het Hoofd Bedrijfsvoering zich kan vinden in de aanvraag, draagt deze er zorg voor dat deze als voordracht met de daarbij behorende formulieren wordt ingediend bij het secretariaat van de Adviescommissie voer- en vaartuigen adviescommissie.
3.1.9.
In onderdeel 1d van het Vaststellingsbesluit is vermeld dat de adviescommissie tot taak heeft alle voordrachten voor dienstauto’s te toetsen en daarover een integraal advies uit te brengen. Een voordracht voor toewijzing van een dienstauto wordt vanuit verschillende disciplines getoetst. Eerdere uitkomsten van voordrachten voor een dienstauto dienen als richtinggevende input voor toekomstige aanvragen van dienstauto’s. Daarmee wordt gestuurd op een eenduidige advisering en besluitvorming omtrent voordrachten. Om een integraal advies uit te kunnen brengen maken ook de diensten HRM en Financiën van het PDC deel uit van de adviescommissie. Daarnaast maakt onder meer de beleidsadviseur VV (directie FM) deel uit van de adviescommissie.
3.2.
De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat haar permanent een dienstauto ter beschikking had moeten worden gesteld op basis van de in onderdeel 1b van het Vaststellingsbesluit genoemde criteria onvoorspelbaarheid van inzet of oproep, beschikbaarheid/bereikbaarheid, en efficiency en effectiviteit van de inzet. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de korpschef voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de toepasselijke wegingscriteria in de beoordeling zijn betrokken. Niet kan worden geconcludeerd dat de korpschef niet in redelijkheid tot de gemaakte, onder 1.2 weergegeven, afweging heeft kunnen komen. Naar aanleiding van de namens appellante in hoger beroep gedane verwijzing naar het zogeheten golden hour heeft de korpschef onweersproken gesteld dat van appellante niet wordt verwacht dat zij na een oproep binnen een uur op locatie is. In eerste instantie wordt inzet gevraagd van de desbetreffende regionale eenheid. De inzet van de landelijke eenheid, waartoe appellante behoort, volgt in een later stadium.
3.5.
Appellante heeft verder naar voren gebracht dat, indien ervan moet worden uitgegaan dat zij niet in aanmerking komt voor een dienstauto op grond van het Vaststellingsbesluit, het bestreden besluit geen stand kan houden, omdat de Tijdelijke regeling overgangsbeleid onredelijk is te achten. Daarbij heeft zij erop gewezen dat zij genoodzaakt is geweest om een eigen auto aan te schaffen, aangezien zij haar plaats van tewerkstelling niet goed met het openbaar vervoer kan bereiken. Dit heeft hoge kosten meegebracht. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat de Tijdelijke regeling overgangsbeleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Op grond van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie bestaat ten behoeve van woon-werkverkeer aanspraak op een volledige kostenvergoeding voor kosten van openbaar vervoer dan wel een tegemoetkoming van € 0,18 per kilometer bij gebruik van de eigen auto, met een maximum van 120 kilometer per enkele reis. Daarnaast is voorzien in een overgangstermijn van drie maanden. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de Tijdelijke regeling overgangsbeleid met instemming van het Centraal Georganiseerd Overleg Politie tot stand is gekomen.
3.8.
Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef niet verplicht was bij het bestreden besluit een beslissing te nemen over het opleggen van een dwangsom. Volgens appellante had de korpschef de besluitvorming zoveel als mogelijk moeten afronden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op het bepaalde in artikel 4:18, eerste lid, van de Awb, geen verplichting bestond om bij het bestreden besluit een dwangsombeschikking te geven. Daarbij wordt verwezen naar de uitspraken van 3 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1936, en 25 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:912. Bij besluit van 15 januari 2018 heeft de korpschef aan appellante een dwangsom toegekend van € 550,- wegens het uitblijven van het bestreden besluit. Bij besluit van 5 februari 2019 heeft de korpschef aan appellante een bedrag van € 10,46 aan wettelijke rente vergoed wegens de vertraging in de uitbetaling van de dwangsom. Namens appellante is ter zitting te kennen gegeven dat deze besluiten niet worden betwist.