17 7679 AW, 18/2886 AW
Datum uitspraak: 1 november 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
23 oktober 2017, 16/8027 (aangevallen uitspraak)
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam (college)
Namens appellant heeft mr. K. Aantjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Namens het college heeft mr. D.A. Pronk, advocaat, een verweerschrift ingediend, dat door de Raad ten dele als incidenteel hoger beroep is aangemerkt.
Mr. Aantjes heeft tweemaal nadere stukken ingezonden en zijn zienswijze op het incidenteel hoger beroep gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Aantjes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Pronk en mr. D.Y.M. Korthals Altes-Biemans.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellant is van 1 oktober 2011 tot 1 oktober 2013 op basis van een tijdelijke aanstelling werkzaam geweest bij de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) als [functie] .
1.2.
Op 11 september 2013 heeft de echtgenote van appellant hem ziek gemeld wegens pijnklachten aan zijn rechterpols en onderrug als gevolg van een val door een losliggende kabelhaspel op 10 september 2013. Deze val vond plaats op het terrein van de EUR, terwijl appellant na afloop van de werkdag op weg was naar de parkeergarage.
1.3.
Bij brief van 7 juli 2014 heeft appellant het college aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van het ongeval op 10 september 2014. Daarbij is gesteld dat door de aanwezigheid van de kabel een gevaarlijke situatie aanwezig was en dat het college als werkgever en als beheerder van het terrein aansprakelijk is. Het college heeft bij brief van
17 april 2015 aan appellant meegedeeld dat geen aansprakelijkheid wordt erkend omdat, kort weergegeven, appellant zijn stellingen dat sprake was van een gevaarlijke situatie en dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden, onvoldoende heeft onderbouwd.
1.4.
Appellant heeft de rechtbank Rotterdam, sector kanton, verzocht om voor recht te verklaren dat het college aansprakelijk is voor de geleden schade en om het college te veroordelen tot schadevergoeding op grond van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW), artikel 6:174 van het BW, artikel 6:173 van het BW dan wel artikel 6:162 van het BW. Bij vonnis van 13 juli 2016, C/10/485817 heeft de rechtbank deze vorderingen afgewezen. Voor zover de vordering was gebaseerd op aansprakelijkheid van het college in zijn hoedanigheid van werkgever, heeft de rechtbank overwogen dat deze vordering in een bestuursrechtelijke procedure moet worden beoordeeld. Tegen dit vonnis heeft appellant geen hoger beroep ingesteld.
2. Op 8 december 2016 heeft appellant bij de rechtbank een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in de artikelen 8:88, eerste lid, en artikel 8:90, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen. De rechtbank heeft hierbij voorop gesteld dat zij geen aanleiding ziet voor twijfel aan de door appellant geschetste toedracht van het ongeval op 10 september 2013. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072) heeft de rechtbank geoordeeld dat het college niet verplicht is om tot schadevergoeding over te gaan, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat de schade is ontstaan in de uitoefening van de werkzaamheden van appellant. Daarbij is overwogen dat het terrein van de EUR niet alleen voor personeel en studenten toegankelijk is, maar ook voor willekeurige derden. Het terrein is feitelijk toegankelijk voor een ieder, daargelaten of het een openbaar terrein is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat appellant op het moment van de val niet aan het werk was; zijn werkdag was afgelopen en hij was op weg naar zijn auto. Dit betekent volgens de rechtbank dat de schade van appellant niet kan worden geacht te zijn geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, maar is ontstaan tijdens woon-werkverkeer; daartoe strekt de zorgplicht van het college zich niet uit.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant betoogd dat het ongeval wel tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden is geschied, dat het college zijn zorgplicht heeft geschonden en daarom aansprakelijk is voor de door appellant geleden schade.
3.2.
Het college heeft zich achter de aangevallen uitspraak gesteld, met uitzondering van de overweging van de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de door appellant geschetste toedracht van het ongeluk. Die toedracht heeft het college in zijn incidenteel hoger beroep bestreden. Ter zitting heeft het college desgevraagd verklaard dat het hier een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep betreft als bedoeld in artikel 8:112 van de Awb.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad moet vaststellen dat partijen over een groot aantal feitelijke en juridische aspecten van de zaak verdeeld zijn. Het college heeft - kort samengevat - betoogd dat de omstandigheden en de oorzaak van de struikeling niet kunnen worden vastgesteld. Appellant heeft niet op de dag van het voorval of kort daarna melding gemaakt van een vermeend gevaarlijke situatie. Fotomateriaal van de situatie ter plaatse is pas tien maanden na het gestelde voorval door appellant ingezonden, tegelijk met de aansprakelijkstelling. Een exacte datering van de foto’s ontbreekt bovendien. De situatie zoals die te zien is op de foto’s is niet als gevaarlijk te kwalificeren; de zorgplicht is dan ook niet geschonden. Ook is het oorzakelijk verband tussen de gestelde lichamelijke schade en de struikeling niet aangetoond. Bovendien is de campus een openbare plaats en is mede daarom - zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld - niet voldaan aan het vereiste dat de gestelde schade is veroorzaakt in de uitoefening van de werkzaamheden. Dit betoog van het college is namens appellant bestreden.
4.2.
De Raad zal veronderstellenderwijs uitgaan van de toedracht en de omstandigheden zoals die door appellant zijn geschetst, ondersteund door het viertal foto’s - volgens appellant daags na het ongeval gemaakt - waarop de situatie ter plaatse te zien is, om vervolgens te bezien of van een schending van de op het college rustende zorgplicht gesproken kan worden.
4.3.
Het beeld dat uit de schets van appellant oprijst is dat hij ongeveer een uur voor zonsondergang, via een voetpad op het door EUR beheerde terrein op weg van zijn kantoor naar de parkeergarage en daarmee nog in de uitoefening van zijn werkzaamheden, gestruikeld is doordat hij met zijn linkervoet is blijven haken achter een kabel die vlakbij een forse houten kabelhaspel van ongeveer 50 centimeter hoog lag. De kabelhaspel lag half op het betegelde voetpad en half op het gras naast het voetpad. De kabel, die door het regenachtige weer slecht zichtbaar was, lag iets boven de grond over een afstand van ongeveer 50 centimeter, waarna de kabel tussen twee tegels in de grond verdween. Op vrijwel diezelfde plaats stak een dikkere donkere buis met een hoogte van ongeveer een meter vrijwel verticaal boven de grond uit. De plek waar het ongeval plaatsvond ligt ongeveer op de hoek van twee brede betegelde voetpaden die verbindingswegen op de campus vormen. De voetpaden waren in goede conditie.
4.4.
Tegen de achtergrond van de geschetste toedracht en omstandigheden overweegt de Raad over een mogelijke schending van de zorgplicht het volgende. Het voetpad waarover appellant zich bewoog was in goede staat en bood meer dan genoeg ruimte om de obstakels - in de vorm van de kabel(haspel) en de oprijzende buis - te vermijden. Deze beide obstakels moeten - ook bij regenachtig weer - voor een wandelaar voldoende zichtbaar zijn geweest om ze tijdig op te merken. Dat zich in de beperkte ruimte daartussen een kabel bevond die wellicht minder goed zichtbaar was leverde naar het oordeel van de Raad niet een zodanige situatie op dat sprake was van gevaarzetting waarvoor het college verantwoordelijk was. Veeleer mocht worden aangenomen dat de beide goed zichtbare obstakels op zichzelf reeds een ongebruikelijk straatbeeld ter plekke opleverden, waardoor bij de (normaal) oplettende voetpadgebruiker extra aandacht en voorzichtigheid zou worden gewekt. Dat het zicht minder goed was door de regen was eerder reden voor verhoogde dan voor verminderde oplettendheid. In de gegeven omstandigheden had het college niet hoeven te waarschuwen voor de kabel(haspel) en heeft het college ook overigens de op hem rustende zorgplicht niet geschonden.
4.5.
De slotsom luidt dat het hoger beroep niet slaagt. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep behoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak komt, zij het op andere gronden dan de rechtbank beslissend heeft geacht, voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.