Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:980

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-11-2021
Datum publicatie
09-11-2021
Zaaknummer
20/275
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Herregistratie van de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen Nemasol en Monam met de werkzame stof metam-natrium. Overgangsrecht art 80, lid 5, Verordening 1107/2009 niet van toepassing. De rechtsgevolgen van de besluiten blijven in stand, omdat ze voldoen aan de eisen in art 29, lid 1, onder e, en art 4, lid 3, van Verordening 1107/2009. De aangevoerde gronden over kennislacunes, blootstelling van omwonenden, en de toepassingsvoorwaarden zoals de afdekeis, bufferzone, hectare-eis, en duurzaam gebruik zijn door verweerder voldoende onderbouwd weerlegd.

Wetsverwijzingen
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 20/275

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 november 2021 in de zaak tussen

Stichting Bollenboos, te Diever, appellante

(gemachtigde: mr. B.N. Kloostra),

en

het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, verweerder

(gemachtigden: mr. D.S.P. Roelands-Fransen en mr. M.G. Nielen).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

Taminco B.V.B.A., gevestigd te Gent, België, en

Certis Europe B.V., gevestigd te Maarssen.

Procesverloop

Bij besluiten van 31 januari 2019 (primaire besluiten) heeft verweerder de toelating van het gewasbeschermingsmiddel Nemasol geherregistreerd en de daarvan afgeleide toelating voor het gewasbeschermingsmiddel Monam verlengd.

Bij besluit van 22 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard en een van de toepassingsvoorwaarden aangepast.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Over een aantal stukken die verweerder verplicht is over te leggen heeft hij meegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 4 mei 2021 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming deels gerechtvaardigd geacht. De andere partijen hebben, voor zover nodig, het College toestemming gegeven om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

Bij brief van 19 april 2021 heeft appellante haar beroepsgronden aangevuld. Op 23 april 2021 heeft zij een notitie van de door haar ingeschakelde deskundige ingezonden.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M.G. Nielen, bijstaan door [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] . Derde-partij Certis Europe B.V. was vertegenwoordigd door [naam 8] .

Overwegingen

1. Nemasol en Monam zijn gewasbeschermingsmiddelen die worden gebruikt als bodemontsmetters. Beide middelen bevatten de werkzame stof metam-natrium. Gewasbeschermingsmiddelen met metam-natrium worden ingezet om aaltjes en schimmels in de grond te bestrijden. De middelen worden geïnjecteerd in de grond, waar de werkzame stof metam-natrium wordt omgezet in gasvormige metabolieten, zoals het zeer giftige en vluchtige methylisothiocyanaat (MITC), waardoor de aaltjes worden vergast.

2. In 2009 zijn Nemasol en Monam in Nederland toegelaten voor toepassingen in de teelt van aardappelen, bloembollen en de vermeerderingsteelt van een groot aantal gewassen. Deze toelatingen waren oorspronkelijk geldig tot 31 december 2014, maar deze vervaldatum heeft verweerder enkele keren opgeschort tot laatstelijk 1 februari 2019.

3. Bij besluit van 28 mei 2014 heeft verweerder als noodmaatregel de toelatingen van Nemasol en Monam geschorst en een tijdelijk verbod op het gebruik van deze middelen uitgevaardigd. Deze noodmaatregel heeft verweerder bij besluit van 19 augustus 2014 omgezet in een aanscherping van de gebruiksvoorschriften. Het College heeft deze besluiten bij uitspraak van 28 januari 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:45) herroepen, omdat niet was voldaan aan de eisen die gelden voor toepassing van een noodmaatregel.

4. Naar aanleiding van deze uitspraak hebben derde-partijen, de houders van de toelatingen van Nemasol en Monam en hierna aangeduid als de toelatinghouders, op 9 februari 2018 bij verweerder aanvragen ingediend voor het wijzigen van de gebruiksvoorwaarden om daarmee extra bescherming voor omwonenden te bieden. Op deze wijzigingsaanvragen heeft verweerder beslist bij besluiten van 23 februari 2018. Daarbij heeft verweerder de gebruiksvoorwaarden van de toelatingen van Nemasol en Monam aangescherpt.

5. In verband met het aanvankelijk op 31 december 2014 verlopen van de toelatingen van Nemasol en Monam hadden de toelatinghouders eerder al op 25 en 27 juni 2014 aanvragen ingediend voor het herregistreren/verlengen van de toelatingen voor Nemasol en Monam (de aanvragen). De toelatinghouders hebben deze aanvragen naderhand gewijzigd door het aangevraagde gebruik van de middelen te beperken tot de onbedekte teelten van pootaardappel, aardbei (vermenigvuldigingsteelt), bloembollen en -knollen, boomkwekerijgewassen en vaste planten en de aangevraagde toepassingswijze via druppelirrigatie teruggetrokken.

6. Bij het beoordelen van de aanvragen is toepassing gegeven aan de artikelen 35 en 36 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (Verordening 1107/2009). De aanvragen zijn ingediend in meerdere lidstaten. Voor de centrale zone waarin Nederland valt, is België opgetreden als rapporterende lidstaat, die de aanvragen heeft beoordeeld, en waren het Verenigd Koninkrijk en Nederland daarbij betrokken lidstaten.

7. Verweerder heeft op de aanvragen beslist met de primaire besluiten van 31 januari 2019. Verweerder heeft daarbij de toelating voor Nemasol geherregistreerd en die voor Monam verlengd. De toelating van Monam is een zogenaamde afgeleide toelating van die van Nemasol en de aanvraag hiervoor is niet apart beoordeeld, maar volgt de beoordeling van de aanvraag voor Nemasol.

8. Tegen deze besluiten heeft appellante bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder met overneming van het advies van de Adviescommissie voor de bezwaarschiften van het Ctgb (Adviescommissie) de bezwaren ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder één van de door de Adviescommissie aanbevolen aanvullingen op de toepassingsvoorwaarden overgenomen. Aldus mogen de middelen Nemasol en Monam alleen professioneel worden gebruikt door middel van injecteren in de grond in beperkte toepassingsgebieden en onder een groot aantal voorschriften. De volgende toepassingsvoorwaarden zijn hier relevant:

  • -

    Het middel mag slechts eenmaal in een periode van vijf jaar op hetzelfde perceel of perceelgedeelte worden toegepast en slechts in de periode van 1 april tot en met 30 september (gelimiteerde toepassingsperiode);

  • -

    Er mag een maximale oppervlakte van 5 hectare worden behandeld (hectare-eis);

  • -

    Een bufferzone van tenminste 30 meter moet toegepast worden tot de kadastrale grens van woningen en overige verblijfplaatsen waar mensen langere tijd verblijven, zoals scholen, winkels, bedrijven, kantoren en sportterreinen en recreatieterreinen (bufferzone);

  • -

    Om omstanders, omwonenden, vogels, zoogdieren en aquatische organismen te beschermen, moet de bodem direct na toepassing worden afgedekt met gasdichte folie van het type TIF (Totally Impermeable Film) gedurende een periode van tenminste 42 dagen (afdekeis).

9. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft daarop gereageerd in het verweerschrift. Na de uitnodiging voor de zitting heeft appellante bij brief van 19 april 2021 haar beroep alsnog van een toelichting en aanvullende stellingen voorzien. Op 23 april 2021 heeft appellante nog een notitie toegestuurd van de door haar ingeschakelde deskundige [naam 3] . Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 12 mei 2021.

Goede procesorde

10. Hoewel verweerder kan worden toegegeven dat appellante in haar beroepschrift niet duidelijk heeft toegelicht op welke punten het bestreden besluit gebrekkig is, ziet het College daarin geen belemmering om tot een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgronden te komen, nu uit het beroepschrift en de daarop gevolgde stukken wel genoegzaam blijkt op welke punten appellante het met het bestreden besluit niet eens is. Van een situatie waarbij verweerder kort voor de zitting is geconfronteerd met nieuwe gronden of argumenten zonder in de gelegenheid te zijn geweest daarop te reageren is geen sprake geweest.

Overgangsrecht

11.1

Het College ziet zich eerst, voor zover nodig ambtshalve, gesteld voor de vraag of verweerder terecht op grond van het overgangsrechtelijke artikel 80, vijfde lid, aanhef en onder b, van Verordening 1107/2009 het oude recht heeft toegepast.

11.2

Artikel 80, vijfde lid, van Verordening 1107/2009 luidt als volgt:

“Voor aanvragen voor toelatingen van een gewasbeschermingsmiddel:

a) uit hoofde van artikel 4 van Richtlijn 91/414/EEG die in behandeling zijn in de lidstaten of

b) die zullen worden gewijzigd of ingetrokken na de opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG of na goedkeuring overeenkomstig lid 1 van dit artikel,

op 14 juni 2011 wordt een besluit genomen op basis van de voordien geldende nationale wetgeving.

Na dit besluit is deze verordening van toepassing.”

11.3

Hoewel er mogelijk enige twijfel kan bestaan over de exacte uitleg van deze bepaling van overgangsrecht, staat naar het oordeel van het College buiten twijfel dat uit deze bepaling volgt dat vanaf 14 juni 2011 het oude recht hoogstens nog van toepassing is op het eerstvolgende besluit over een aanvraag om toelating van een gewasbeschermingsmiddel, maar dat voor volgende besluiten in elk geval Verordening 1107/2009 geldt. Zoals het College hiervoor heeft vastgesteld, zijn de toelatingen voor Nemasol en Monam na 14 juni 2011 op aanvragen van de toelatinghouders gewijzigd bij besluiten van 23 februari 2018. Op besluiten die na deze wijzigingsbesluiten zijn genomen is Verordening 1107/2009 van toepassing. Dat betekent dat op de herregistratie/verlengingsbesluiten van 31 januari 2019 en het bestreden besluit Verordening 1107/2009 van toepassing is.

11.4

Verweerder heeft dus ten onrechte op grond van artikel 80, vijfde lid, aanhef en onder b, van Verordening 1107/2009 het tot 14 juni 2011 geldende recht aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd in plaats van Verordening 1107/2009. Hierdoor berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is om die reden gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

12. Het College beoordeelt vervolgens op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, nu verweerder zich subsidiair op het standpunt heeft gesteld dat het bestreden besluit niet in strijd is met de in Verordening 1107/2009 gestelde eisen, die zijn te vinden in artikel 29 in combinatie met artikel 4 van Verordening 1107/2009, en meer specifiek in artikel 29, eerste lid, onder e, dat vereist dat het gewasbeschermingsmiddelmiddel op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis voldoet aan de eisen van artikel 4, derde lid.

13. Artikel artikel 4, derde lid, van Verordening 1107/2009 luidt als volgt:

“Een gewasbeschermingsmiddel dat resulteert uit de toepassing volgens goede gewasbeschermingspraktijken en rekening houdend met realistische gebruiksomstandigheden, voldoet aan de volgende eisen:

a) het is voldoende doeltreffend;

b) het heeft geen onmiddellijk of uitgesteld schadelijk effect op de gezondheid van de mens, met inbegrip van kwetsbare groepen, of op die van dieren, rechtstreeks of via drinkwater (met inachtneming van stoffen die voortkomen uit waterbehandeling), levensmiddelen, diervoeder of lucht, noch gevolgen op de werkplek of andere indirecte effecten, rekening houdend met bekende cumulatieve en synergistische effecten waar er door de Autoriteit aanvaarde wetenschappelijke methoden om dergelijke effecten te evalueren beschikbaar zijn, noch op grondwater;

c) geen onaanvaardbare effecten hebben op planten of plantaardige producten;

d) het veroorzaakt geen onnodig lijden of pijn bij te bestrijden gewervelde dieren;

e) het heeft geen onaanvaardbare effecten op het milieu, met name rekening houdend met de volgende aspecten waar er door de Autoriteit aanvaarde wetenschappelijke methoden om dergelijke effecten te evalueren beschikbaar zijn:

i) het gedrag en de verspreiding ervan in het milieu, met name de verontreiniging van oppervlaktewateren, met inbegrip van estuariene en kustwateren, grondwater, lucht en bodem, rekening houdende met ver van de plaats van gebruik gelegen locaties na verplaatsing over grote afstand in het milieu;

ii) de gevolgen ervan voor niet-doelsoorten, ook voor het gedrag van deze soorten;

iii) de gevolgen ervan voor de biodiversiteit en het ecosysteem.”

14. Appellante voert in haar beroepschrift aan dat de toelating van Nemasol ten onrechte is geherregistreerd en de de afgeleide toelating van Monam ten onrechte is verlengd, omdat de toelatingen niet zijn gebaseerd op studies over toepassing en verspreiding van de middelen in Nederland en uit de bij de heroverweging betrokken studies niet blijkt dat de gevaren voor mens en milieu in een ander daglicht zijn komen te staan. Er zijn geen nieuwe studies en inzichten die zijn gebaseerd op onderzoek onder Nederlandse condities. Verweerder heeft de toelating van Nemasol en Monam ook na de heroverweging onvoldoende onderbouwd wat betreft de risico’s op schadelijke effecten van deze middelen op omwonenden en het milieu. Appellante wijst er daarbij op dat de Franse en Britse autoriteiten het gebruik van metamhoudende middelen inmiddels hebben verboden, omdat verspreiding en gevolgen voor de menselijke gezondheid onvoldoende vaststaan. De toelatingen zijn volgens appellante in strijd met het voorzorgsbeginsel en de artikelen 4 en 29 van Verordening 1107/2009. Appellante heeft deze beroepsgronden nader toegelicht in haar brief van 19 april 2021.

15. Alvorens de afzonderlijke beroepsgronden te bespreken, stelt het College vast dat de door appellante in beroep naar voren gebrachte gronden en argumenten in grote mate een herhaling zijn van wat appellante in bezwaar al naar voren heeft gebracht tegen de primaire besluiten. Hierop heeft verweerder in het bestreden besluit, het verweerschrift, en in zijn reactie op de aanvulling van de gronden, al uitvoerig gereageerd. Appellante gaat, afgezien van enkele hieronder nader te bespreken punten, niet nader in op verweerders reactie. Dat betekent dat zij het College weinig concrete aanknopingspunten verschaft bij de toetsing van het bestreden besluit.

Kennislacunes

16.1

Appellante wijst op de schadelijke effecten van metam-natrium en MITC op omwonenden, niet-doelwitorganismen, vogels, zoogdieren en in het water levende dieren en op het advies van de European Food Safety Authority uit 2011 (EFSA 2011), waarin is geconstateerd dat er onvoldoende gegevens zijn om de verspreiding van MITC over lange afstanden en de mate waarin omwonenden worden blootgesteld te kunnen beoordelen. Appellante heeft in bezwaar een rapport overgelegd van de door haar ingeschakelde deskundige [naam 3] van 11 november 2019, waarin is geconcludeerd dat blootstelling niet is uitgesloten en dat de door verweerder aangehaalde studies geen uitsluitsel geven over verspreiding van MITC door de lucht. Appellante wijst er op dat de werkzame stof metam is goedgekeurd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 359/2012 van de Commissie van 25 april 2012 tot goedkeuring van de werkzame stof metam overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (Uitvoeringsverordening 395/2012), maar dat aan deze goedkeuring voorwaarden en beperkingen zijn verbonden. Zo moet er bij de herbeoordeling van een toelating voor gewasbeschermingsmiddel met de werkzame stof metam bijzonder aandacht worden besteed aan de bescherming van onder meer omstanders en omwonenden, grondwater en niet-doelwitsoorten en moet de aanvrager bevestigende informatie indienen over transport van MITC over lange afstanden door de lucht en aanverwante milieurisico’s en over mogelijke verontreiniging van oppervlaktewater. Appellante stelt dat voor het beoordelen van de mate waarin omwonenden worden blootgesteld nog steeds essentiële gegevens ontbreken. Ook de kennislacunes wat betreft de risico’s voor vogels en bodemorganismen zijn volgens appellante nog steeds niet aangevuld.

Appellante wijst daarbij op de beslissingen van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk om metam houdende middelen te verbieden. In het licht van het voorzorgsbeginsel en de eisen van artikel 4, derde lid, van Verordening 1107/2009 had verweerder zich nader moeten buigen over de lacunes in het uitgevoerde onderzoek. Ook stelt appellante dat onderzoek naar de effecten van toepassing van een combinatie van middelen ontbreekt.

16.2

In het bestreden besluit, het verweerschrift en zijn reactie op het aanvullende beroepschrift is verweerder uitgebreid ingegaan op de door appellante al in bezwaar aangevoerde stellingen over het ontbreken van voldoende gegevens over de verspreiding van MITC over lange afstanden en de in verband hiermee bij de goedkeuring van de werkzame stof metam bij Uitvoeringsverordening 359/2012 gesignaleerde kennislacunes. In Uitvoeringsverordening 359/2012 is in verband met de in EFSA 2011 geconstateerde kennislacunes aan de aanvragers van de goedkeuring van de werkzame stof metam opgedragen bevestigende informatie te leveren over het transport over lange afstanden door de lucht en de mogelijke verontreiniging van het oppervlaktewater. Verweerder heeft gesteld dat deze bevestigende informatie is geleverd en dat na beoordeling ervan de goedkeuring van metam ongewijzigd in stand is gelaten. Daarnaast heeft verweerder uiteengezet dat de studies uit EFSA 2011, waarop appellante haar standpunt over kennislacunes heeft gebaseerd, niet geschikt zijn voor de risicobeoordeling van omwonenden, omdat die betrekking hebben op de verspreiding over lange afstanden waarmee de blootstelling van water en bodem is berekend.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder het standpunt van appellante dat er nog steeds sprake zou zijn van een kennislacune wat betreft gegevens over de verspreiding van MITC over lange afstanden al in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd verworpen en heeft appellante daartegen in beroep niets meer aangevoerd dat aanleiding geeft om verweerder op dit punt niet te volgen. Dit geldt ook voor de door appellante gestelde gebreken aan het onderzoek waarop de toelatingen zijn gebaseerd.

16.3

In het bestreden besluit is verweerder ingegaan op het door appellante aangevoerde punt dat het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk het gebruik van metam houdende middelen hebben verboden. Verweerder heeft beargumenteerd uiteengezet dat de redenen voor het verbod in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk niet relevant zijn voor de toelatingen van Nemasol en Monam in Nederland. Naar het oordeel van het College heeft verweerder hiermee voldoende gemotiveerd dat de standpunten van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk niet afdoen aan het bestreden besluit.

16.4

In het bestreden besluit is verweerder ook ingegaan op het door appellante in bezwaar al aangevoerde punt dat geen onderzoek is gedaan naar de effecten van gecombineerde toepassing van verschillende gewasbeschermingsmiddelen. Verweerder heeft hierover gesteld dat het inzetten van een combinatie van middelen op basis van metam-natrium en dazomet, de enige middelen waarbij MITC wordt gevormd, niet mogelijk is, omdat dazomet niet is toegelaten. Ook op dit punt volgt het College het standpunt van verweerder.

Toepassingsvoorwaarden

17.1

Appellante stelt dat er onvoldoende bewijs is dat met het afdekken met folie in combinatie met een bufferzone van 30 meter de risico’s van blootstelling zijn ondervangen, omdat daaraan maar één enkele veldstudie ten grondslag ligt, die niet onder Nederlandse weers- en klimaatomstandigheden is uitgevoerd. Daarmee is volgens appellante onvoldoende zeker of het reductiepercentage van 80, waarmee verweerder heeft gerekend, met afdekken onder veldomstandigheden wel bereikt wordt. Er is te weinig onderzoek verricht onder praktijkomstandigheden en daardoor zijn weersomstandigheden als harde wind, waardoor de stof over grotere afstanden verplaatst kan worden en het afdekfolie los kan raken, niet meegenomen.

17.2

Volgens appellante beschermt de bufferzone omwonenden en gebruikers van aanliggende voorzieningen onvoldoende. Zo heeft verweerder heeft bij het bepalen van de bufferzone geen aandacht besteed aan het feit dat omwonenden niet alleen bij hun woning, maar ook op wegen en openbare plaatsen worden blootgesteld en daardoor extra risico lopen.

Appellante stelt tevens dat het voorschrift voor een bufferzone van meer dan enkele tientallen meters niet handhaafbaar is.

17.3

Verder stelt appellante dat ook onvoldoende onderbouwd is of de hectare-eis voldoende effectief is om omwonenden te beschermen, nu verweerder zich daarbij heeft gebaseerd op een enkele laboratoriumproef, die volgens appellante de conclusie van verweerder dat 80% van de emissies wordt tegengehouden niet kan dragen. Verweerder heeft daarbij onvoldoende aandacht besteed aan het feit dat de middelen voor grootschalige bloementeelt zijn toegelaten en de extra risico’s en gevaren voor omwonenden die daardoor ontstaan. Ook ligt aan de hectare-eis volgens appellante onvoldoende onderzoek ten grondslag wat betreft de nadelige gevolgen voor planten en dieren.

17.4

Wat betreft de afdekeis heeft verweerder in het bestreden besluit uiteengezet dat hij bij de beoordeling van de blootstelling van omwonenden wegens het ontbreken van een specifiek model voor gasvormige middelen gebruik heeft gemaakt van concrete meetgegevens uit een aantal studies. In deze studies is volgens verweerder aangetoond dat door afdekking van de grond met TIF-folie de emissie van MITC naar lucht met meer dan 80% wordt teruggebracht. Bij de risicobeoordeling heeft verweerder gerekend met een reductiefactor van 80%, waarmee volgens hem een aanvaardbare blootstelling bereikt wordt. Dit percentage zal bij gebruik van het voorgeschreven TIF-folie, dat volledig ondoordringbaar is, in de praktijk hoger zijn dan het percentage waarmee is gerekend in de risicobeoordeling.

17.5

Het College acht het niet onaanvaardbaar dat verweerder van genoemde concrete meetgegevens is uitgegaan, omdat – naar appellante ook niet heeft betwist - een specifiek model voor gasvormige middelen ontbreekt. Het College ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder uit deze meetgegevens niet de conclusie mocht trekken dat de risico’s van genoemde blootstelling met de genoemde reductiefactor van 80% tot een acceptabel niveau wordt teruggebracht Verweerder heeft deze reductiefactor gebaseerd op meerdere laboratorium- en veldonderzoeken, waarbij het niet volledig ondoordringbare VIF-folie werd gebruikt en onder die omstandigheden het percentage van 80 vastgesteld. Over de stelling dat met mogelijk losraken van afdekfolie geen rekening is gehouden is op de zitting namens een van de toelatinghouders gesteld dat er in de praktijk geen problemen zijn met het vast blijven zitten van de afdekfolie.

17.6

Verweerder heeft ook een bufferzone van 30 meter voorgeschreven. Deze afstand heeft verweerder afgeleid uit een aantal kasstudies met gegevens over de verspreiding van MITC nadat het is vrijgekomen uit de kas. Op grond van deze studies stelt verweerder dat voorbij de bufferzone, in combinatie met de andere voorgeschreven maatregelen, geen sprake is van onacceptabele blootstelling voor omwonenden.

17.7

Het College is van oordeel dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat de bufferzone in combinatie met de andere toepassingsvoorwaarden waaronder het gebruik van gasdicht folie van het type TIF voldoende waarborgen biedt dat de risico’s binnen aanvaardbare grenzen blijven. Niet is gebleken dat verweerder door het beargumenteerd en gemotiveerd stellen van deze toepassingsvoorwaarden onvoldoende aandacht heeft besteed aan de bescherming van omwonenden.

17.8

Over de hectare-eis heeft verweerder in het bestreden besluit uiteengezet dat door het stellen van de hectare-eis de behandeling van een perceel van meer dan 5 hectare weliswaar meer tijd in beslag zal nemen, maar dat daardoor de veilige grenswaarde niet wordt overschreden, omdat per keer maar 5 hectare mag worden behandeld, waardoor per keer een kleinere hoeveelheid middel wordt gebruikt dan nodig zou zijn bij de behandeling van één groot areaal in een keer.

17.9

Naar het oordeel van het College heeft verweerder het standpunt van appellante voldoende weerlegd. Dat geldt ook voor het standpunt van appellante dat geen onderzoek is gedaan naar de nadelige gevolgen voor planten en dieren. Niet valt in te zien dat verweerder in dit geval niet heeft mogen volstaan met te verwijzen naar de door de Rapporterende lidstaat België uitgevoerde beoordeling. Het College merkt daarbij op dat de Rapporterende lidstaat ook de risico’s op vervuiling van oppervlaktewater als gevolg van drainage en afstroming onderzocht heeft en dat van de zijde van appellante een onderbouwing ontbreekt waarom verweerder zich niet op de resultaten van dit onderzoek zou mogen baseren.

17.10

Het College is van oordeel dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat de aan de toelatingen ten grondslag gelegde studies ook bruikbaar zijn in de Nederlandse situatie. Verweerder stelt dat in het door hem overgenomen advies van de Adviescommissie erop gewezen is dat uit de in bezwaar aan appellante nagezonden studie blijkt dat de veldmetingen gedaan zijn onder condities die redelijk vergelijkbaar zijn met Nederland. Daarbij heeft de Adviescommissie opgemerkt dat de door appellante in bezwaar ingebrachte opinie van de deskundige [naam 3] van 11 november 2019 niet gaat over de nagezonden studie, maar ziet op andere studies waarbij geen afdekking is toegepast. Verder wijst verweerder op een studie uit 2017 die laat zien dat TIF-folie ook bij andere klimaatomstandigheden een emissiereductie van meer dan 80% geeft. Het College ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze stellingen van verweerder. Mede gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van het College voldoende gemotiveerd dat met de combinatie van toepassingsvoorwaarden het risico voor omwonenden voldoende beperkt is.

Duurzaam gebruik

18.1

Appellante stelt dat voor het gebruik van metam duurzame alternatieven bestaan en dat verweerder had moeten onderzoeken welke alternatieven er zijn en die had moeten voorschrijven. Appellante stelt dat verweerder in strijd met artikel 55 van Verordening 1107/2009 niet heeft getoetst aan de algemene beginselen van een geïntegreerde gewasbescherming als bedoeld in artikel 14 van en in bijlage III bij Richtlijn 2009/128/EEG tot vaststelling van een communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (Richtlijn 2009/128). Deze toetsing had volgens appellante moeten leiden tot het stellen van voorwaarden als bedoeld in artikel 31, vierde lid, van Verordening 1107/2009, zoals het geven van voorrang aan niet-chemische bestrijding.

18.2

In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat hij toepassing heeft gegeven aan Richtlijn 2009/128 en dat hij het mogelijk gebruik van duurzame alternatieven expliciet bij zijn beoordeling heeft betrokken, maar dat de door appellante genoemde alternatieven van vruchtwisseling, inundatie en teelt van resistente rassen hun beperkingen hebben. Zo heeft verweerder in het bestreden besluit uiteengezet dat het planten van Afrikaantjes alleen effect heeft op een bepaalde soort aaltjes en over inundatie heeft verweerder op de zitting uiteengezet dat deze methode niet altijd kan worden ingezet omdat dat afhangt van de omstandigheden zoals of het perceel vlak genoeg is om deze methode toe te passen, de grondsoort en de soort teelt. Verweerder wijst erop dat, als er verschillende soorten nematoden aanwezig zijn, alleen een behandeling met metam-natrium effectief is om te kunnen voldoen aan de nulnorm die keuringsdiensten en afnemers hanteren voor specifieke categorieën uitgangsmateriaal. Maar als het mogelijk is, kiezen telers wegens de lagere kosten er doorgaans voor om alternatieve methoden toe te passen. Sinds de invoering van de strenge beperkende voorwaarden in 2014 is het jaarlijkse met metam-natrium behandelde areaal dan ook met meer dan 95% afgenomen.

18.3

Het College stelt voorop dat artikel 31, vierde lid, van Verordening 1107/2009 niet verplicht tot het opnemen van voorschriften over het gebruik overeenkomstig de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming als bedoeld in artikel 14 van en in bijlage III bij Richtlijn 2009/128. Verweerder heeft, anders dan appellante stelt, wel aandacht besteed aan alternatieven voor het gebruik van Nemasol en Monam. Gelet op de de hiervoor weergegeven toelichting van verweerder is het College van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij er in dit geval van heeft kunnen afzien om voorschriften op te nemen over over duurzaam gebruik.

Conclusie

19. Uit het voorgaande volgt dat verweerder naar het oordeel van het College voldoende heeft onderbouwd dat met de combinatie van de opgelegde voorschriften het risico voor mens en dier aanvaardbaar is. Het College is van oordeel dat wat appellante in beroep naar voren heeft gebracht niet leidt tot de conclusie dat de toelatingen van Nemasol en Monam op de door appellante aan de orde gestelde punten niet zouden voldoen aan de eisen van artikel 29 in combinatie met artikel 4 van Verordening 1107/2009 of enig ander artikel van deze verordening. Het College heeft ook geen aanknopingspunten gevonden om tot het oordeel te komen dat het voorzorgsbeginsel is geschonden. Dit leidt tot de conclusie dat de door appellante in beroep aangevoerde gronden niet slagen. Hoewel verweerder ten onrechte het oude recht als toetsingskader heeft gebruikt, volgt uit wat hiervoor is overwogen dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat het bestreden besluit materieel niet voldoet aan de eisen die Verordening 1107/2009 aan de toelating stelt. Het College ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

20. Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit. Het College ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, omdat als verweerder Verordening 1107/2009 aan zijn besluitvorming ten grondslag had gelegd dit niet tot een inhoudelijk ander besluit zou hebben geleid.

21. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. S.C. Stuldreher en mr. D. Brugman,
in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2021.

De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.