Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:640

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-11-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
18/2549
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Appellante exploiteert een vleesveehouderij en had het voornemen (deels) om te schakelen naar een melkveehouderij. Volgens verweerder hield appellante op 2 juli 2015 geen melkkoeien en concrete aanwijzingen dat appellante doende was naar een melkveehouderij om te schakelen, ontbreken.

Het College begrijpt het betoog van appellante dat haar omschakelingsplan wordt gehinderd als een beroep op de schending van haar eigendomsrecht. Bewijs dat appellante voor 2 juli 2015 bezig was met de omschakeling naar een melkveehouderij heeft appellante naar het oordeel van het College niet geleverd. Ook ontbreken gegevens over de bedrijfseconomische impact van het fosfaatstelsel op het bedrijf van appellante. Het beroep op artikel 1 van het EP slaagt dan ook niet.

Verweerder heeft met een besluit het bestreden besluit gewijzigd en het eerder vastgestelde fosfaatrecht verlaagd (het wijzigingsbesluit). Het wijzigingsbesluit is een besluit waarover het beroep zich ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede uitstrekt. Verweerder heeft vervolgens in het verweerschrift aangegeven dat de verlaging van het fosfaatrecht in zijn wijzigingsbesluit onjuist is. Gelet daarop is het daartegen gerichte beroep gegrond en vernietigt het College het wijzigingsbesluit. Verweerder wordt veroordeeld in de kosten die appellante voor het beroep heeft moeten maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/534 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2549

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2019 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. A.A. Westers),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Meijerink).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 544 kilogram (kg).

Bij besluit van 6 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met een besluit van 20 september 2018 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd en het fosfaatrecht verlaagd tot 417 kg (het wijzigingsbesluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2019. Voor appellante is verschenen haar maat [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellante exploiteert een vleesveehouderij. Verweerder heeft fosfaatrecht toegekend (alleen) voor het door haar op 2 juli 2015 gehouden jongvee.

2.1

In beroep heeft appellante aangevoerd dat zij het voornemen had (deels) om te schakelen naar een melkveehouderij. Dat plan is door de invoering van het fosfaatrechtenstelsel doorkruist. Zij wil ook fosfaatrecht voor de door haar op 2 juli 2015 gehouden vleeskoeien.

2.2

Volgens verweerder hield appellante op 2 juli 2015 geen melkkoeien en concrete aanwijzingen dat appellante doende was naar een melkveehouderij om te schakelen, ontbreken. Er zijn (ook nu) geen melkleveranties door appellante geregistreerd.

3. Het wijzigingsbesluit is een besluit waarover het beroep zich ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat de verlaging van het fosfaatrecht in zijn wijzigingsbesluit onjuist is. Daarom is het daartegen gerichte beroep gegrond en zal het College het wijzigingsbesluit vernietigen.

4.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. Het begrip “melkvee” is, voor zover van belang, gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, sub 1, van de Msw als melk- en kalfkoeien die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden. Volwassen vleesvee valt buiten die definitie.

4.2

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast niet het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

5.1

Het College begrijpt het betoog van appellante dat haar omschakelingsplan wordt gehinderd als een beroep op de schending van haar eigendomsrecht. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel haar raakt. Daarbij heeft te gelden dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht als een buitensporige last kan worden aangemerkt.

5.2

Op appellante rust de plicht om voldoende te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit blijkt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Zij heeft volstaan met het, niet verder geconcretiseerde betoog dat het fosfaatrechtstelsel haar plan om (deels) om te schakelen naar een melkveehouderij belemmert. Bewijs dat zij voor 2 juli 2015 bezig was met de omschakeling naar een melkveehouderij, heeft appellante niet geleverd. Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij dat bewijs ook niet kan leveren. Ook ontbreken gegevens over de bedrijfseconomische impact van het fosfaatstelsel op het bedrijf van appellante. Daarom faalt deze beroepsgrond.

6. Het beroep tegen het wijzigingsbesluit is gegrond en het College zal dat besluit vernietigen. Die vernietiging maakt de wijziging van het bestreden besluit ongedaan, zodat appellante opnieuw beschikt over 544 kg fosfaatrecht. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.

7. Het College ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die appellante voor het beroep heeft moeten maken en begroot op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht die kosten voor de aan appellante verleende rechtsbijstand op € 1.024,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 512,- per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het wijzigingsbesluit gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.024,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht van € 338,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2019.

w.g. R.C. Stam w.g. J.M. Baars