Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:247

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-06-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
18/2840
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, zesde lid, Msw (knelgevallenregeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/231 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2840

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2019 in de zaak tussen

[naam] en [naam] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. G. Kranendonk),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. S.J.E. Loontjes).

Procesverloop

Op 28 maart 2018 heeft appellante een melding gedaan dat door dierziekte haar melkproductie in 2015 lager was dan gebruikelijk (de melding).

Met een brief van 29 juni 2018 heeft verweerder deze melding “afgewezen”. Het daartegen gerichte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 17 oktober 2018 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en op 26 april 2019 nadere stukken ingezonden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) voor appellante het fosfaatrecht vastgesteld op 7.334 kg.

2.1

Appellante heeft aangevoerd dat zij in 2015 door dierziekte (acute en chronische pensverzuring) een lagere melkproductie had. In 2014 was de gemiddelde jaarproductie per koe 8.699 kg, in 2015 daalde deze tot 7.942 kg en in 2018 was de melkproductie weer gestegen naar 9.953 kg. Zij stelt dat de in 2013 ingezette groei in 2015 is gestagneerd als gevolg van de dierziekte. Haar fosfaatrecht is dientengevolge minimaal 5% lager door dierziekte (de 5%-drempel), zodat haar fosfaatrecht op grond van artikel 23, zesde lid, van de Msw moet worden verhoogd.

2.2

Verweerder erkent dat appellante in 2015 door dierziekte een lagere melkproductie realiseerde. Hij heeft daarom gerekend met de (niet door de dierziekte beïnvloede) gemiddelde melkproductie in 2014, maar dat brengt appellante niet over de 5%-drempel.

3. Het gaat bij de toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw om een besliscomponent die verweerder in zijn beslissing op bezwaar behoort te betrekken (zie de uitspraak van 14 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:429). Bij besluit van 3 januari 2018 heeft verweerder het op het bedrijf van appellante rustende fosfaatrecht vastgesteld. Verweerders voorlichting heeft de indruk gewekt dat appellante geen actie behoefde te nemen tegen de vaststelling van he fosfaatrecht en in de plaats daarvan een melding bijzondere omstandigheden moest doen. De melding vormt een bezwaarschrift tegen dat besluit. De overschrijding van de bezwaartermijn is daarom verschoonbaar. Verweerder had het bezwaar moeten opvatten als gericht tegen het besluit van 3 januari 2018 en dat besluit moeten heroverwegen. Materieel heeft verweerder dat ook gedaan.

4. Voor het antwoord of de 5%-drempel wordt overschreden, moet een vergelijking plaatsvinden tussen het toegekende fosfaatrecht (de uitkomst van het besluit van 3 januari 2018) en de situatie zoals deze zou zijn geweest zonder de dierziekte. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of verweerder rekening moet houden met de doorzetting van eerder ingezette groei van de melkproductie in 2015. De bewijslast dat (en tot welke hoeveelheid) zodanige groei zich daadwerkelijk zou hebben voorgedaan, rust op appellante. Omdat de melkproductie van nogal wat factoren, waaronder toevallige, afhankelijk is, heeft een voorspelling van groei tot op zekere hoogte een speculatief karakter en moet de bewijskracht van het door appellante bijgebrachte bewijs relatief sterk zijn: het moet overtuigend de (in 2015) verwachte groei aantonen. Het door appellante daartoe aangebrachte bewijs schiet daarvoor tekort. Dat bestaat immers uit niet meer dan twee (ver uiteen liggende) gemiddelde melkjaarproductiecijfers. Ter zitting heeft zij aangegeven dat zij over niet meer dan dit bewijsmateriaal kan beschikken.

6. Het beroep is reeds daarom ongegrond.

7. Het College ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. F. Willems als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2019.

w.g. R.C. Stam w.g. F. Willems