Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:400

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
16/948
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling, Couperen paarden, tentoonstellings- en keuringsverbod, artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren, vrij verkeer van diensten, gerechtvaardigde beperking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/111
M en R 2017/27
TvS&R 2017, afl. 1, p. 15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/948

11351

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2016 in de zaak tussen

Koninklijke Vereniging “Het Nederlandse Trekpaard en De Haflinger”, te Rosmalen, appellante

(gemachtigde: mr. A.I. Cambier),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A. Luschen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd ter voorkoming van herhaling van overtreding van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep. Verweerder heeft ingestemd met het verzoek van appellante.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend

Appellante heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2016. Partijen zijn verschenen, vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Voor verweerder zijn tevens verschenen

P.L.F. Boers en S.M. Beelen. Voor appellante is tevens verschenen [naam 1] .

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellante organiseert onder andere keuringen en tentoonstellingen van trekpaarden en Haflingers.

1.2

Op 25 juni 2016 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle uitgevoerd tijdens de ‘Zeeuwse dag van het Paard’. Het rapport van bevindingen dateert van 6 juli 2016. De toezichthouders hebben voor zover van belang het volgende geconstateerd:

“Vooraf aan deze inspectie ontvingen wij de benodigde informatie waaronder een catalogus inzake de 47e Zeeuwse dag van het paard. De keuring op de ZEEUWSE DAG VAN HET PAARD wordt georganiseerd door de K.V.T.H. Afdeling Zeeland.

(…)

Wij zagen dat meerdere aan de keuringen deelnemende paarden een gecoupeerde staart hadden.

Ook zagen wij bij aanvang van het middagprogramma, het concour enkelspan trekpaarden, dat meerdere deelnemende paarden een gecoupeerde staart hadden. (…)

(…)

Van de deelnemende paarden aan de keuringen en het concour hebben wij foto’s gemaakt. Op deze foto’s is zichtbaar welke genummerde paarden een gecoupeerde staart hebben. Tevens is zichtbaar welke voor de genummerde wagen aangespannen paarden een gecoupeerde staart hebben.

(…)”

Voorts hebben de toezichthouders, zoals blijkt uit het rapport van bevindingen van 26 juli 2016, het volgende geconstateerd:

“Dit rapport van bevindingen is opgesteld naar aanleiding van de controle tijdens “De dag van het Zeeuwse paard” op 25-06-2016 en de inspectie (…) in het kader van Welzijn algemeen (…)

Tijdens de controle is de chip van het paard Cylia (…) uitgelezen, (…). Het paard is gecoupeerd.

(…)

Verder wordt ons een kopie overhandigd van de verklaring m.b.t. het couperen van Cylia (…). Volgens de verklaring is het couperen in Frankrijk bij dierenarts [naam 2] gebeurd op ??/06/07.

(…)

Opmerking (…):

(…)

Cylia is in Frankrijk gecoupeerd, ik heb daar een verklaring van en die zal ik jullie tonen. (…)

Ik laat mijn paarden zonder medische noodzaak couperen. Ik vind een paard zonder staart mooier. We hebben een legale weg gevonden om dit te doen.

Ik rij zelf met mijn auto en paardentrailer naar Frankrijk. De ingreep gebeurd door de dierenarts in Frankrijk.

(…)”

1.3

Bij brief van 29 juli 2016 heeft verweerder aan appellante een schriftelijke waarschuwing gegeven. Volgens verweerder zijn op 25 juni 2016 paarden toegelaten tot de keuring die gecoupeerd zijn zonder dat daarvoor een medische noodzaak bestond. Daarmee staat volgens verweerder vast dat de Afdeling Zeeland van appellante artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren heeft overtreden. Gelet op deze overtreding wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven.

1.4

Op 18, 19 en 20 augustus 2016 hebben toezichthouders van de NVWA controles uitgevoerd tijdens de door appellante georganiseerde 59e Nationale Tentoonstelling 2016 voor Trekpaarden en Haflingers. Het rapport van bevindingen dateert van 5 september 2016. De toezichthouders hebben voor zover van belang het volgende geconstateerd:

“Wij zagen dat meerdere aan de keuringen deelnemende paarden een gecoupeerde staart hadden.

Ook zagen wij dat tijdens de dressuurwedstrijd trekpaarden, dat een van de deelnemende paarden een gecoupeerde staart had.

(…)”

1.5

Bij brief van 6 september 2016 heeft verweerder aan appellante het voornemen kenbaar gemaakt een last onder dwangsom op te leggen ter voorkoming van herhaling van overtreding van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren. Deze last zal tevens gelden voor alle afdelingen van appellante. Vastgesteld is dat appellante en haar afdeling Zeeland tijdens de evenementen op 25 juni 2016 en 18,19 en 20 augustus 2016 een groot aantal paarden met gecoupeerde staarten tot de keuring toelieten. Uit nader onderzoek is gebleken dat van een aantal paarden de staart gecoupeerd is in het buitenland zonder dat daarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestond. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren.

1.6

Tegen dit voornemen heeft appellante een zienswijze ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd ter voorkoming van herhaling van overtreding van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren. Deze last geldt tevens voor alle afdelingen van appellante. De last houdt in dat appellante, inclusief haar afdelingen, niet nogmaals een overtreding van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren mag begaan. Indien appellante of haar afdelingen wederom een of meer paarden waarbij een verboden lichamelijke ingreep is verricht, toelaat tot een tentoonstelling en/of keuring, verbeurt appellante een dwangsom van € 15.000,- per keuring/tentoonstelling met een maximum van € 75.000,-.

3. De Gezondheids- en welzijnswet dieren (Gwwd) luidde tot 1 juli 2014 voor zover van belang als volgt:

“Afdeling 2. Lichamelijke ingrepen bij dieren

Artikel 40

1. Het is verboden een of meer lichamelijke ingrepen bij een dier te verrichten, waarbij een deel of delen van het lichaam wordt of worden verwijderd of beschadigd.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op:

(…)

b. ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;

(…).

Artikel 41

1. Het is verboden deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden met dieren waarbij een bij artikel 40 verboden ingreep is verricht.

2. Het is verboden dieren waarbij een bij artikel 40 verboden ingreep is verricht, tot een tentoonstelling, keuring of wedstrijd toe te laten.

3. Het ten verkoop in voorraad hebben, ten verkoop aanbieden, verkopen en kopen van dieren waarbij een bij artikel 40 verboden ingreep is verricht, is verboden.”

De Wet dieren luidt voor zover van belang als volgt:

“Artikel 1.1 Begripsbepalingen

(…)

- lichamelijke ingreep: ingreep bij een dier, waarbij de natuurlijke samenhang van levende weefsels wordt verbroken, met inbegrip van het afnemen van bloed en het geven van injecties, en met uitzondering van het doden van een dier;

(…)

Artikel 1.3. Intrinsieke waarde

1. De intrinsieke waarde van het dier wordt erkend.

2. Onder erkenning van de intrinsieke waarde als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. Bij het stellen van regels bij of krachtens deze wet, en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, wordt ten volle rekening gehouden met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd.

3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt tot de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven in elk geval gerekend dat dieren zijn gevrijwaard van:

a. dorst, honger en onjuiste voeding;

b. fysiek en fysiologisch ongerief;

c. pijn, verwonding en ziektes;

d. angst en chronische stress;

e. beperking van hun natuurlijk gedrag;

voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd

Artikel 2.8. Diergeneeskundige handelingen

1. Het is verboden:

a. lichamelijke ingrepen te verrichten;

(…)

2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van:

a. lichamelijke ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;

(…)

Artikel 2.16. Vertoning dieren

(…)

4. Het is verboden dieren waarbij een bij artikel 2.8 verboden lichamelijke ingreep is verricht, tot een tentoonstelling of keuring toe te laten.”

4.1

Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat appellante artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren heeft overtreden en derhalve bevoegd was terzake handhavend op te treden. Het College overweegt daartoe als volgt.

4.2

Het College stelt vast dat appellante niet betwist dat zij gecoupeerde paarden heeft toegelaten tot een door haar georganiseerde tentoonstelling en keuring. Ook niet in geschil is dat het couperen van paarden zonder dat daarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat een verboden lichamelijke ingreep is als bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.8, eerste lid, onder a, van de Wet dieren.

4.3

Volgens appellante volgt uit de uitspraak van het College van 26 juni 2002 (ECLI:NL:CBB:2002:AE4672) dat het verbod van het destijds vigerend artikel 40 van de Gwwd, thans artikel 2.8 van de Wet dieren, niet van toepassing is op ingrepen die hebben plaatsgevonden in EU-lidstaten waar dat is toegestaan. De Wet dieren heeft geen andere of ruimere strekking dan de Gwwd, zijn voorganger, maar beoogt een samenbundeling van reeds bestaande regelgeving. Hieruit volgt dat wat het College in 2002 heeft overwogen ten aanzien van de artikelen 40 en 41 van de Gwwd onverkort heeft te gelden ten aanzien van de artikelen 2.8 en 2.16 van de Wet dieren. De werkingssfeer van deze bepalingen beperkt zich dan ook tot Nederland en tot handelingen die binnen de Nederlandse rechtsmacht zijn verricht.

4.4

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de opgelegde last niet in strijd is met de uitspraak van het College van 26 juni 2002. In deze uitspraak heeft het College volgens verweerder geoordeeld dat de reikwijdte van het tentoonstellingsverbod van artikel 41 van de Gwwd wordt bepaald door de werkingssfeer van het in artikel 40 van de Gwwd bepaalde verbod. Deze bepalingen zijn thans verdisconteerd in de artikelen 2.8 en 2.16 van de Wet dieren. Het verschil tussen voornoemde bepalingen van de Gwwd en de Wet dieren is de (ruimere) reikwijdte die voorzien is in de Wet dieren. Uit de definitie van ‘lichamelijke ingreep’ uit artikel 1.1 van de Wet dieren valt niet af te leiden dat het verbod op het plegen van een lichamelijke ingreep bij het paard slechts ziet op in Nederland verrichte gedragingen. Ook de artikel 2.8 en 2.16 van de Wet dieren kennen volgens verweerder geen territoriale beperking. Met een onjuiste interpretatie van de uitspraak van het College rechtvaardigt en stimuleert appellante het ontduiken van het ‘coupeerverbod’ door paardenhouders.

4.5

Het College overweegt als volgt. Over artikel 2.8 van de Wet dieren overweegt de wetgever in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 389, nr. 3, p. 47 en 48) het volgende:

“In het voorgestelde artikel 2.8, eerste lid, onderdeel 1, is het nee-tenzij beginsel geformuleerd. Het is de continuering van het vigerende verbod in de GWWD. Lichamelijke ingrepen zijn in beginsel gewettigd indien daartoe diergeneeskundige noodzaak bestaat. Het behoort tot de diergezondheid dat zieke dieren de nodige zorg krijgen, gericht op hun genezing. Hiertoe kunnen bijvoorbeeld operaties en het toedienen van diergeneesmiddelen door middel van injectie noodzakelijk zijn.

Andere ingrepen dienen in beginsel te worden vermeden (…) Ook het couperen van staarten en het vijlen van tanden zijn voorbeelden van bedoelde onwenselijke ingrepen.

(…)

Ter ondersteuning van de handhaving van artikel 2.8, eerste lid, onderdeel a, wordt voorgesteld een verbod op te nemen op het tentoonstellen, verhandelen, deelnemen aan wedstrijden en toelaten tot wedstrijden van dieren waarop een ingreep is verricht die niet is toegestaan. Dit verbod is een continuering van artikel 41 van de GWWD. Omdat het dikwijls niet mogelijk zal zijn iemand op heterdaad te betrappen op het verrichten van een verboden ingreep en om de daadwerkelijke vraag naar het verrichten van illegale ingrepen tegen te gaan, bevatten de artikelen 2.15, vijfde en zesde lid en 2.16, derde en vierde lid, een verbod om dieren die een illegale ingreep hebben ondergaan te laten meedoen aan evenementen als wedstrijden. Voorts is het verkopen en kopen van dieren die een verboden ingreep hebben ondergaan verboden (artikel 2.7, derde lid). Er zij op gewezen dat de verboden van dit artikel tevens van toepassing zijn wanneer bij een dier in een ander land dan Nederland een op grond van artikel 2.8 illegale ingreep is verricht, mits de verrichte ingreep in het desbetreffende land ook verboden is. De verboden van dit artikel zijn evenwel niet van toepassing ingeval het een ingreep betreft die in een andere EU lidstaat is verricht en naar het recht van die lidstaat is toegestaan. Anders zou er strijd zijn met het gemeenschapsrecht. Dit blijkt uit een uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven van 26 juni 2002 (NJB 2002, nr. 11) waarin uitleg is gegeven aan de reikwijdte van het thans geldende artikel 41 GWWD.”

Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever met artikel 2.8 van de Wet dieren heeft beoogd het voorheen geldende verbod van artikel 40 van de Gwwd te continueren. Hieruit volgt dat het verbod van artikel 2.8 van de Wet dieren, zoals het College ook heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 juni 2002 (ECLI:NL:CBB:2002:AE4672), slechts betrekking heeft op lichamelijke ingrepen die binnen de Nederlandse rechtsmacht zijn verricht.

4.6

Het College stelt vast dat het in artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren genoemde tentoonstellings- en keuringsverbod verwijst naar de in artikel 2.8, eerste lid, onder a, van de Wet dieren genoemde verboden lichamelijke ingrepen. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting strekt het verbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren tot ondersteuning van de handhaving van artikel 2.8, eerste lid, onder a, van de Wet dieren. De wetgever heeft in de Memorie van Toelichting verder nog opgemerkt dat de verboden van artikel 2.16 van de Wet dieren ook van toepassing zijn wanneer bij een dier in een ander land dan Nederland een op grond van artikel 2.8 van de Wet dieren illegale ingreep is verricht, mits de verrichte ingreep in het desbetreffende land ook verboden is. Hieruit leidt het College af dat de wetgever met de verwijzing naar artikel 2.8 van de Wet dieren niet heeft bedoeld om ook het tentoonstellings- en keuringsverbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren te beperken tot dieren waarbij de verboden lichamelijke ingrepen binnen de Nederlandse rechtsmacht zijn verricht, maar juist om aan dit verbod een zo wijd mogelijk toepassingsbereik te geven.

In het licht hiervan overweegt het College dat de wetgever met zijn verwijzing in de Memorie van Toelichting naar de uitzondering op grond van het gemeenschapsrecht voor dieren die een ingreep hebben ondergaan die in een andere EU-lidstaat is verricht en die naar het recht van die lidstaat is toegestaan, niet kan hebben bedoeld aan artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren een strekking te geven die de mogelijkheid creëert het verbod te ontduiken. Ook aan de uitspraak van het College van 26 juni 2002 waaraan in de Memorie van Toelichting wordt gerefereerd kan een dergelijke uitleg niet worden toegekend. De uitleg die appellante aan artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren geeft, inhoudende dat verweerder niet bevoegd is handhavend op te treden tegen het toelaten tot een keuring of tentoonstelling van paarden die zijn gecoupeerd in Frankrijk, waar deze ingreep niet is verboden, kan derhalve niet worden aanvaard voor zover het gaat om paarden waarvan duidelijk is dat zij enkel met het doel de verbodsbepaling van artikel 2.8, eerste lid, onder a, van de Wet dieren te ontduiken naar Frankrijk zijn gebracht om daar aan de door deze laatste bepaling in Nederland verboden lichamelijke ingreep te worden onderworpen.

4.7

Het voorgaande is niet in strijd met het EU-recht. Hiertoe overweegt het College als volgt.

Appellante betoogt dat verweerder het verbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren niet kan inroepen om te verhinderen dat paarden die zijn gecoupeerd in een land waar dit niet is verboden (zoals Frankrijk) worden toegelaten tot een keuring of een tentoonstelling in Nederland, omdat dat zou leiden tot een niet gerechtvaardigde beperking van het vrij verkeer van diensten in de zin van artikel 56 VWEU. Het Hof van Justitie van de EU (Hof) heeft na de uitspraak van het College van 26 juni 2002 geen andere uitleg gegeven aan de begrippen dwingende redenen van algemeen belang en openbare orde zoals bedoeld in de punten 40 en 41 van de considerans van de Dienstenrichtlijn waaruit kan worden afgeleid dat dit nu anders zou zijn.

Dierenwelzijn valt volgens appellante niet onder de begrippen dwingende redenen van algemeen belang en openbare orde, althans het couperen van de staart van een paard is geen duidelijk geval van een handeling waarbij het welzijn van het paard en zijn integriteit wordt geschaad en die moet worden beschouwd als een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. De staart van een trekpaard heeft als zodanig geen functie, is onhygiënisch, trekt juist insecten aan en kan de oorzaak zijn van infecties. Couperen van de staart is eenmalig en wordt door een dierenarts pijnloos en onder verdoving uitgevoerd. Couperen tast niet de kwaliteit van het leven van het paard aan. Het niet uitsluiten van gecoupeerde paarden op evenementen draagt niet bij aan het in stand houden van couperen. Het keuren van een paard staat geheel los van het al dan niet gecoupeerd zijn van de staart. Het doel van het tentoonstellingsverbod wordt niet bereikt en schiet zijn doel voorbij omdat de paarden waar het om gaat al zijn gecoupeerd. Het verbod is een onevenredig middel om het doel te bereiken. Verweerder zal zich dienen te richten tot de houders van paarden die het couperen (laten) uitvoeren. Met dit verbod worden bovendien ook niet gecoupeerde paarden getroffen. Het effectueren van het verbod leidt er immers toe dat appellante geen evenementen meer zal kunnen organiseren, aldus appellante.

4.8

Dit betoog van appellante moet worden verworpen.

4.9

Tussen partijen is niet in geschil dat het tentoonstellings- en keuringsverbod een beperking inhoudt van het vrij verkeer van diensten. Het vrij verkeer van diensten mag volgens vaste jurisprudentie van het Hof echter worden beperkt indien die beperking een met het Verdrag verenigbaar legitiem doel nastreeft en haar rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang. De beperking moet voorts geschikt zijn ter bereiking van het ermee beoogde doel en mag niet verder gaan dan met het oog daarop noodzakelijk is (zaak C-76/90, Säger, van 24 juli 1991, ECLI:EU:C:1991:331, punt 15; en recent zaak C-98/14, Berlington Hungary, van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:386, punt 54 e.v.). Deze rechtspraak van het Hof is ook neergelegd in artikel 16 van de Dienstenrichtlijn. Bovendien kan een lidstaat, volgens vaste jurisprudentie van het Hof, er een gerechtvaardigd belang bij hebben te verhinderen dat de onderdanen van die lidstaat de krachtens het Verdrag geschapen mogelijkheden misbruiken om zich te onttrekken aan de werkingssfeer van hun nationale wetgeving (zaak 33/74, van Binsbergen, van 3 december 1974, ECLI:EU:C:1974:131, punt 13; zaak C-115/78, Knoors, van 7 februari 1979, ECLI:EU:C:1979:31, punt 25; en recent zaak C-475/12, UPC DTH, van 30 april 2014, ECLI:EU:C:2014:285, punt 76).

4.10

Zoals het Hof heeft overwogen is de bescherming van het dierenwelzijn een legitiem doel van algemeen belang waarvan het belang met name tot uitdrukking is gekomen in de vaststelling door de lidstaten van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren (PB 1997, C 340, blz. 110) (zaak C-219/07, NRDL, van 19 juni 2008, ECLI:EU:C:2008:353). Ook de Dienstenrichtlijn noemt, in de punten 40 en 41 van de considerans, dierenwelzijn als dwingende reden van algemeen belang en vallend onder het begrip openbare orde.

Bij gebreke van een gemeenschappelijke regel onder het EU-recht zijn de lidstaten in beginsel vrij om de beleidsdoelstellingen op het gebied van het dierenwelzijn te bepalen en het gewenste beschermingsniveau binnen de nationale rechtsorde nauwkeurig te omlijnen (zaak C-131/93, Commissie v. Duitsland (zoetwaterkreeften), van 13 juli 1994, ECLI:EU:C:1994:290, punten 15 en 16; zie ook zaak C-98/14, Berlington Hungary, van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:386, punt 56). De Nederlandse wetgever heeft bepaald dat het couperen van de staart van een paard moet worden beschouwd als een verboden lichamelijke ingreep in de zin van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet dieren. Hij heeft het dienstig geacht dit verbod te ondersteunen met een verbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren om dieren toe te laten tot keuringen en tentoonstellingen. Daarmee heeft de wetgever naar het oordeel van het College geen onredelijke invulling gegeven aan de hem toekomende beoordelingsruimte. Wat appellante betoogt over de zeer geringe mate waarin het couperen van de staart van een paard het welzijn van een paard beperkt, wat daar ook van zij, kan hieraan niet afdoen. Omdat, zoals verweerder opmerkt, het keuren en tentoonstellen van gecoupeerde paarden leidt tot profilering van deze dieren, wat tot gevolg kan hebben dat ook andere eigenaren van paarden hun dieren willen laten couperen, is het verbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren een geschikt middel om het coupeerverbod te ondersteunen. Het verbod gaat niet verder dan hetgeen noodzakelijk is, omdat het verbod enkel het tentoonstellen of keuren van paarden verbiedt die een verboden lichamelijke ingreep hebben ondergaan. Voor zover appellante zich beroept op de uitspraak van het College van 26 juni 2002, waar het College oordeelde dat het tentoonstellingsverbod niet noodzakelijk was met het oog op het welzijn of de gezondheid van dieren die rechtmatig zijn gecoupeerd, aangezien de ingreep bij deze dieren reeds had plaatsgevonden, oordeelt het College dat uit deze uitspraak, noch uit het EU-recht, een verplichting voortvloeit voor verweerder om een dier dat uitsluitend met de bedoeling het verbod van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet dieren te ontduiken, met gebruikmaking van het vrij verkeer wordt overgebracht naar een andere EU-lidstaat waar dit verbod niet geldt, zoals bijvoorbeeld Frankrijk, om daar te worden onderworpen aan een in Nederland verboden lichamelijke ingreep, gelijk te stellen aan een dier dat aantoonbaar een band heeft met een andere EU-lidstaat en aldaar rechtmatig en niet in strijd met enig verbod is gecoupeerd.

4.11

Uit het controlerapport van de NVWA van 25 juni 2016 en uit hetgeen door partijen ter zitting is verklaard, volgt dat sommige eigenaren dan wel houders van paarden die hun dieren in Nederland laten keuren of tentoonstellen, hun paarden naar Frankrijk brengen met als enig doel om de paarden daar te laten couperen teneinde zich te onttrekken aan de nationale wetgeving, terwijl daarvoor geen medische noodzaak is. Bij de door verweerder op de keuringen van appellante aangetroffen paarden, is, gelet op de verklaringen van de houders en eigenaren, naar het oordeel van het College gebruik gemaakt van een dergelijke gelegenheidsconstructie.

4.12

Gelet op wat hiervoor is overwogen staat naar het oordeel van het College vast dat de overtreding van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren is begaan, en dat verweerder bevoegd was daar tegen op te treden. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van handhavend optreden is naar het oordeel van het College geen sprake.

5. Gezien de onduidelijkheid die is ontstaan door de uitleg die mede door verweerder is gegeven aan de eerdergenoemde uitspraak van het College uit 2002, en rekening houdend met de eigenaren van paarden die op basis van die uitleg hun paarden in Frankrijk hebben laten couperen, ziet het College aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen voor zover het strekt tot het verbieden van het tot de keuring en tentoonstelling toelaten van paarden die reeds zijn gecoupeerd vóór 1 december 2016, de datum van de zitting bij het College. Zoals het College in zijn eerdergenoemde uitspraak van 26 juni 2002 heeft overwogen, is een dergelijk verbod niet noodzakelijk met het oog op het welzijn of gezondheid van deze dieren, aangezien de ingreep bij deze dieren reeds heeft plaatsgevonden. Het College ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het bestreden besluit aan te vullen in die zin dat de last ziet op het ingevolge artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren toelaten en tentoonstellen van paarden die op en na 1 december 2016, zonder medische noodzaak, zijn gecoupeerd. Naar het oordeel van het College kan een dergelijk verbod door appellante worden gecontroleerd en door verweerder worden gehandhaafd nu, naar appellante ter zitting heeft verklaard en verweerder niet heeft bestreden, veterinaire handelingen, waaronder het couperen van de staart, dienen te worden vastgelegd in het paspoort van het dier, hetgeen eveneens geldt voor de verblijfplaats en het land van herkomst van het dier. Het College laat het bestreden besluit voor het overige in stand.

6. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op het tot tentoonstellingen en keuringen toelaten van paarden die voor 1 december 2016 zijn gecoupeerd;

  • -

    bepaalt dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, mr. E.R. Eggeraat en mr. H.J.S. Albers, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2016.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. M.S. van den Berg