202407680/1/R2 en 202407680/2/R2.
Datum uitspraak: 14 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in Valkenswaard,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 december 2024 in zaak nr. 24/3829 en 24/3830 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.
Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2024 heeft het college [verzoeker], onder oplegging van een dwangsom, gelast om voor 1 augustus 2024 de exploitatie van de accommodatie aan de [locatie] in Valkenswaard als seksinrichting te beëindigen en beëindigd te houden, en om die accommodatie zodanig uit te baten dat wordt voldaan aan de bij besluit van 27 augustus 2019 verleende omgevingsvergunning voor het exploiteren van een Bed & Breakfast (hierna: B&B).
Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 28 mei 2024 in stand gelaten.
Bij uitspraak van 5 december 2024 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 februari 2025, waar [verzoeker] en [persoon], bijgestaan door mr. P.W.H. Stassen, advocaat in Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door G.M. van Gerven, zijn verschenen.
Overwegingen
Onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Inleiding
2. [verzoeker] is eigenaar van het perceel [locatie] in Valkenswaard. Op het perceel exploiteert hij B&B "[naam B&B]".
In het bestemmingsplan "Buitengebied" is aan het perceel de bestemming "Wonen" toegekend. Dat bestemmingsplan maakt op grond van artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Valkenswaard, als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet.
In artikel 22.4.3, aanhef en onder a, sub 3, van de planregels is bepaald dat tot een strijdig gebruik met de bestemming "Wonen" in elk geval wordt gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken voor seksinrichtingen.
In artikel 1.85 van de planregels is bepaald dat in deze regels wordt verstaan onder seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
3. Aan het perceel is niet de aanduiding "bed en breakfast" toegekend. Met de omgevingsvergunning van 27 augustus 2019 is aan [verzoeker] ontheffing verleend voor het realiseren en uitbaten van een B&B. In de aanvraag voor de omgevingsvergunning en de bijbehorende stukken is niets gemeld over het realiseren van een accommodatie, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht.
Op 14 september 2023 is er een controle uitgevoerd op locatie. Daarbij zijn er verschillende seksuele attributen aangetroffen, waaronder een rad (haspel) in de tuin, waar gebruikers van de accommodatie aan vastgebonden kunnen worden. Tijdens de controle heeft [verzoeker] verklaard dat de accommodatie kan worden geboekt met inbegrip van het gebruiken van de aangetroffen seksuele attributen. Ook is er geconstateerd dat [verzoeker] geen nachtregister bijhoudt, dan wel dat deze niet is gedeeld met de gemeente.
Op 7 mei 2024 is een online controle uitgevoerd om te kijken in welk opzicht de B&B voorkomt in online vermeldingen en omschrijvingen op websites en sociale media. Er is onder meer geconstateerd dat op de website veel informatie is te vinden over de mogelijkheden en de attributen die in de B&B aanwezig zijn. Ook zijn er huisregels opgesteld. Deze huisregels zijn met name gericht op de seksuele handelingen.
Op basis van deze controles stelt het college zich op het standpunt dat [verzoeker] in strijd met het omgevingsplan handelt door een seksinrichting te exploiteren zonder een daarvoor vereiste omgevingsvergunning. Dit is volgens het college in strijd met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Ook handelt [verzoeker] volgens het college in strijd met de voorschriften uit de omgevingsvergunning, omdat hij geen nachtregister bijhoudt en deze dus ook niet heeft gedeeld met de gemeente. Dit is volgens het college in strijd met artikel 5.5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
Op 21 mei 2024 heeft een zienswijzengesprek plaatsgevonden. Daarbij is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om zijn mening over het standpunt van het college kenbaar te maken.
Met het primaire besluit van 28 mei 2024 heeft het college [verzoeker] gelast de overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden.
In het primaire besluit zijn in dat verband herstelmaatregelen genoemd. Allereerst is vermeld dat [verzoeker] de exploitatie van een seksinrichting moet beëindigen en beëindigd moet houden, met dien verstande dat gestopt moet worden met het bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was faciliteren van BDSM- en/of SM-handelingen binnen de B&B, omdat deze handelingen worden aangemerkt als seksuele handelingen. Ook mag [verzoeker] niet bedrijfsmatig seksuele handelingen (laten) verrichten, (laten) aanbieden of (laten) plaatsvinden in de B&B. In het primaire besluit staat verder dat [verzoeker] vermeldingen en omschrijvingen op zijn eigen en andere websites en sociale media, waaruit blijkt dat de B&B kan gebruikt worden als een seksinrichting, moet verwijderen en verwijderd moet houden. Ook moet [verzoeker] alle attributen in de B&B voor het bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was faciliteren van seksuele handelingen, verwijderen en verwijderd houden. Verder is als herstelmaatregel vermeldt dat [verzoeker] zich bij het uitbaten van de B&B moet houden aan de voorschriften in de verleende omgevingsvergunning.
Indien [verzoeker] op 1 augustus 2024, niet helemaal, of niet op tijd aan de lastgeving heeft voldaan, dan verbeurt hij een dwangsom van € 7.500,- ineens, zo staat in het primaire besluit. Deze last is in bezwaar in stand gebleven.
De aangevallen uitspraak
4. [verzoeker] kan zich niet verenigen met de opgelegde en in bezwaar gehandhaafde last onder dwangsom om het met het geldende bestemmingsplan en verleende omgevingsvergunning strijdige gebruik van een B&B als seksinrichting te staken en gestaakt te houden. Hij heeft beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, dat beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 december 2024 heeft de rechtbank - kort weergegeven - geoordeeld dat het college de last onder dwangsom mocht opleggen, omdat sprake is van een overtreding vanwege het met het geldende bestemmingsplan en verleende omgevingsvergunning strijdige gebruik van de B&B als seksinrichting.
Hoger beroep
5. [verzoeker] heeft bij de Afdeling hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Ook heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter hecht eraan op te merken dat in deze zaak niet de levensstijl van [verzoeker] aan de orde is. Met de door hem geëxploiteerde, thematische B&B heeft hij nuttige invulling willen geven aan het betrokken pand. Dat mag, zolang het gebruik van het pand in overeenstemming is met de regels van de verleende omgevingsvergunning en het bestemmingplan. En daar gaat deze zaak over. In hoger beroep wordt aan de hand van wat is aangevoerd beoordeeld of de rechtbank tot het oordeel heeft mogen komen dat het college de last onder dwangsom mocht opleggen, omdat sprake is van met het geldende bestemmingsplan en de verleende omgevingsvergunning strijdig gebruik.
6. Het college heeft desverzocht bij brief van 9 januari 2025 aangegeven dat hij bereid is de begunstigingstermijn op te schorten tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling.
Beoordeling hoger beroep
7. [verzoeker] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college heeft onderschreven dat [verzoeker], in strijd met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, een seksinrichting exploiteert zonder een daarvoor vereiste omgevingsvergunning. Volgens [verzoeker] is bij de B&B namelijk geen sprake van een seksinrichting.
Hiertoe voert [verzoeker] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de B&B mocht aanmerken als een "voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte". De B&B is volgens [verzoeker] overduidelijk een private ruimte.
Verder voert [verzoeker] aan dat er ook geen sprake is van de exploitatie van een seksinrichting voor het bedrijfsmatig verrichten van seksuele handelingen.
7.1. De voorzieningenrechter overweegt dat in de aangevallen uitspraak, onder 5.2, voldoende op het betoog over de "voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte" is ingegaan. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat een private ruimte ook als een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte kan worden aangemerkt. Daarbij is ook verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 15 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6983, waarin een woning als seksinrichting is aangemerkt. In die zaak was de definitie van het begrip seksinrichting gelijkluidend als in de voorliggende zaak.
Het betoog slaagt niet.
7.2. De rechtbank heeft onder 6.2 van de aangevallen uitspraak overwogen dat het college zich, onder verwijzing naar de controlerapporten van de controle op 14 september 2023 en de online controle op 7 mei 2024, op het standpunt mocht stellen dat sprake is van de exploitatie van een seksinrichting, omdat in de B&B van [verzoeker] bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht. Aan de hand van foto’s op de website van de B&B en uit foto’s in het dossier heeft het college kunnen vaststellen dat zich in de B&B een groot aantal BDSM-attributen bevindt. Uit de huisregels en verklaringen van [verzoeker] blijkt dat deze attributen bedoeld zijn voor de gasten van de B&B. Dat gasten de attributen veelvuldig gebruiken voor seksuele handelingen blijkt mede uit het controlerapport van 7 mei 2024, waarin reviews van gasten van de B&B zijn opgenomen.
De exploitatie van de B&B is bovendien bedrijfsmatig. Vast staat dat [verzoeker] geld verdient aan het verhuren van de B&B. In de verklaring van [verzoeker] dat hij veel minder boekingen zal hebben als de attributen worden verwijderd, heeft het college aanwijzing mogen zien dat de aanwezigheid van deze attributen ook deel uitmaakt van de aantrekkelijkheid en verhuurbaarheid van de B&B.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de rechtbank het juist heeft gezien. Het college mocht zich op het standpunt stellen dat [verzoeker] met zijn B&B bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was een accommodatie faciliteert en attributen ter beschikking stelt om seksuele handelingen te verrichten. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat er in dit geval sprake is van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden.
Het betoog slaagt niet.
8. [verzoeker] betoogt ook nog dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college heeft onderschreven dat [verzoeker] in strijd handelt met artikel 5.5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, omdat hij geen nachtregister bijhoudt.
8.1. De rechtbank heeft onder 7.2 van de aangevallen uitspraak het college terecht gevolgd in het standpunt dat [verzoeker] geen nachtregister heeft bijgehouden, en [verzoeker] heeft dat toen ook niet betwist. Dat [verzoeker] inmiddels wel een nachtregister bijhoudt, maakt niet dat het college de last niet heeft kunnen opleggen. De stelling dat de overtreding inmiddels is beëindigd, verplicht het college niet om de opgelegde last onder dwangsom in te trekken. Daarbij is in dit geval nog van belang dat de last onder dwangsom hoofdzakelijk betrekking heeft op het gebruik van de B&B en het niet bijhouden van het nachtregister maar een beperkt deel is van de last. De rechtbank heeft hierbij bovendien terecht in aanmerking genomen dat de last ook is gericht op het beëindigd houden van de overtreding.
De voorzieningenrechter overweegt, gelet op het vorenstaande, dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat er in dit geval sprake is van een overtreding van 5.5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft, met een begunstigingstermijn van twee weken na deze uitspraak.
10. Nu op het hoger beroep is beslist, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek van [verzoeker] om een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, af te wijzen.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. Ramrattansing
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2025
408