32. De aangevoerde gronden over natuur hebben betrekking op gebiedsbescherming op grond van de Wnb, soortenbescherming op grond van de Wnb, bescherming van houtopstanden op grond van de Wnb en gemeentelijke regelgeving, het stiltegebied "Weide Oude Rijstrangen" en het Gelders Natuurnetwerk.
33. In het rapport van EcoNatura is onder het kopje "werkwijze" toegelicht dat onderzoek is gedaan naar de ecologische effecten van het tracé, waarbij "een landschapsecologische benadering [wordt] toegepast met daarbinnen een wegen-ecologische benadering (afgeleid van de discipline road ecology) met oog op duurzaam behoud en versterking van planten- en dierpopulaties." EcoNatura noemt haar eigen aanpak holistisch en die van de minister technocratisch.
34. De minister heeft op basis van de Trajectnota/MER geconcludeerd dat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat het tracébesluit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Daarom heeft hij het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) laten maken.
35. Meerdere appellanten hebben aangevoerd dat het PAS in strijd is met de Wnb, zoals die moet worden uitgelegd in het licht van de Habitatrichtlijn (nr. 1992/43/EEG) en de rechtspraak daarover van het Hof van Justitie. Volgens hen mocht de minister het besluit van 24 februari 2017 daarom niet mede baseren op de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt.
36. De minister wilde voorkomen dat hierdoor de behandeling van de beroepen verdere vertraging zou oplopen en heeft daarom het "Deelrapport ecologie: Aanvullende passende beoordeling & compensatieopgave stikstofdepositie" van 22 januari 2019 laten maken (hierna: Deelrapport gebiedsbescherming (2019)). Het doel hiervan is de ecologische gevolgen van de toename van stikstofdepositie op beschermde gebieden als gevolg van het tracé te beoordelen zonder daarbij het PAS te betrekken.
37. Meerdere appellanten betogen dat ook het wijzigingsbesluit niet voldoet aan de Wnb.
38. Het relevante wettelijk kader voor de bescherming van Natura 2000-gebieden is weergegeven in de bijlage.
39. Strijdbaar Angeren en anderen hebben ter zitting de beroepsgronden over het in kaart brengen van habitattypen en de meervleermuis en het vleermuisprotocol ingetrokken.
40. [ appellant sub 1], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 11], [appellant sub 13], [appellant sub 12], [appellant sub 18], [appellant sub 16], [appellante sub 26], [appellant sub 22], [appellant sub 24], [appellant sub 32], [appellante sub 33], [appellant sub 34], [appellant sub 35], [appellant sub 36], [appellante sub 39], en [appellanten sub 43] hebben beroepsgronden naar voren gebracht over de gevolgen van het tracé voor Natura 2000-gebieden. Naar het oordeel van de Afdeling kunnen deze beroepsgronden echter niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten, omdat artikel 8:69a van de Awb daaraan in de weg zou staan. Daarom zal de Afdeling deze beroepsgronden niet inhoudelijk bespreken. Dit wordt hierna verder toegelicht.
99.3.
Verder heeft de inwerkingtreding van de Wnb geen verandering gebracht voor hetgeen de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312. In de Auswirkungsstudie mocht daarom worden uitgegaan van het Duitse beoordelingskader.
Conclusie gebiedsbescherming
100. Samengevat heeft de Afdeling de volgende gebreken vastgesteld in de bestreden besluiten.
Het tracébesluit is gebrekkig omdat:
a. a) ontoereikend is gemotiveerd dat de verwachte voordelen van de faunapassage en de amfibietunnel voor de kamsalamander vaststaan (overweging 58.5);
b) het is gebaseerd op de passende beoordeling van het PAS, terwijl daaruit niet de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden die in het PAS zijn opgenomen niet zullen worden aangetast (overweging 62.1-62.2).
Het wijzigingsbesluit is gebrekkig omdat:
c) het is gebaseerd op de 3 km-afstandsgrens in artikel 2.12, eerste lid, (oud) van het Besluit natuurbescherming, terwijl die bepaling onverbindend is (overweging 68.2-68.3);
d) ontoereikend is gemotiveerd dat, ondanks het hanteren van een 5 km-rekengrens in de stikstofberekeningen, uit het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies kunnen worden verkregen die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van het tracébesluit voor de betrokken Natura 2000-gebieden kunnen wegnemen (overweging 69.4-69.5).
101. [appellant sub 25] betoogt dat in het tracébesluit niet is vermeld hoe wordt omgegaan met de Flora- en faunawet. Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat niet of nauwelijks gekeken is naar de provinciale verordening. GNMF stelt dat de soortgroep waartoe de bunzing, de wezel en de hermelijn behoren, per 1 maart 2017 een strikte bescherming hebben gekregen in de Omgevingsverordening Gelderland.
101.1. De Afdeling stelt vast dat de Flora- en faunawet is vervangen door de Wnb. In paragraaf 4.1 van het Deelrapport soortenbescherming is beschreven dat als wettelijk kader is uitgegaan van de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en de implementatie daarvan in de Wnb. Het betoog van [appellant sub 25] treft gelet hierop geen doel.
Voor zover Strijdbaar Angeren en anderen en GNMF menen dat de minister de Omgevingsverordening Gelderland heeft miskend, overweegt de Afdeling dat - wat er overigens ook is van de door GNMF vermelde vrijstellingen in de Omgevingsverordening - de minister bij de vaststelling van het tracébesluit niet aan de bepalingen over soortenbescherming in die verordening is gebonden.
102. [appellant sub 18] voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het voorkomen van de kamsalamander en de rugstreeppad in zijn tuin.
102.1. De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgrond buiten de beroepstermijn van het tracébesluit is aangevoerd. Deze beroepsgrond moet daarom buiten bespreking blijven gelet op artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet.
103. De vragen of voor de uitvoering van het tracébesluit een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de minister het tracébesluit niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het tracébesluit in de weg staat.
104. Met een beroep op het Deelrapport soortenbescherming stelt de minister dat soortenbescherming geen beletsel vormt voor de uitvoerbaarheid van het tracébesluit. Gelet op voormeld toetsingskader dient de Afdeling in dit verband de vraag te beantwoorden of van de kant van appellanten zodanige feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht dat moet worden vastgesteld dat ten aanzien van beschermde soorten niet van de juiste gegevens is uitgegaan.
105. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat de effecten van de aanleg en het gebruik van het tracé op de diverse beschermde diersoorten niet goed in beeld zijn gebracht. De verwijzing in het Deelrapport soortenbescherming naar artikel 1 van het tracébesluit en hoofdstuk 3 van de toelichting vinden zij onvoldoende. Er wordt geen inzicht gegeven in het daadwerkelijke ruimtebeslag van het tracé en in de aanleg- en gebruiksfase en de tijdsduur van de aanleg.
105.1. Hoofdstuk 2 van het Deelrapport soortenbescherming bevat een beschrijving van het project. Daarin wordt voor een gedetailleerde beschrijving van het tracé verwezen naar het tracébesluit. Het ruimtebeslag van het tracé in zowel de aanleg- als de gebruiksfase is daarin beschreven, zodat de Afdeling niet inziet waarom daarin onvoldoende inzicht zou bestaan.
105.2. In hoofdstuk 3 van het Deelrapport is onderkend dat de tijdsduur van de aanleg nog niet helemaal bekend is. In het Deelrapport wordt evenwel steeds ingegaan op zowel permanente als tijdelijke effecten. Strijdbaar Angeren en anderen hebben niet geconcretiseerd waarom dit ontoereikend zou zijn voor het beoordelen van de uitvoerbaarheid van het tracébesluit.
106. Strijdbaar Angeren en anderen noemen verder als voorbeeld van een effect van het tracé dat volgens hen onvoldoende inzichtelijk is gemaakt een toename van het aantal aanrijdingen met dieren. Weliswaar is het gevaar van aanrijdingen in paragraaf 3.2 benoemd, maar in de effectbeoordeling komt dit niet aan bod, aldus Strijdbaar Angeren en anderen.
106.1. In het Deelrapport soortenbescherming zijn versnippering en barrièrewerking als gevolg van het tracé beschreven, met name in relatie tot de brug over het Pannerdensch Kanaal. In dit verband is het ontstaan van aanrijdingen genoemd als mogelijk effect. Anders dan Strijdbaar Angeren en anderen stellen, komt dit aspect wel degelijk aan bod bij de effectbeoordeling die voor de verschillende soorten is gemaakt, bijvoorbeeld bij de steenmarter en de bever (paragraaf 4.3.1). In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.
106.2. Verder is van belang dat de minister heeft toegelicht dat met de aanleg van ecopassages, rasters en beplanting langs de weg aanrijdingen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daardoor is volgens de minister geen sprake van overtreding van een van de verbodsbepalingen in de Wnb. De Afdeling ziet in hetgeen Strijdbaar Angeren en anderen hebben aangevoerd geen reden om hieraan te twijfelen. Daarom faalt het betoog voor het overige.
107. Strijdbaar Angeren en anderen stellen daarnaast dat het thema ‘verandering in populatiedynamiek’ ten onrechte niet is beoordeeld. Dit terwijl juist de doorsnijding van leefgebieden voor bepaalde soorten tot veranderingen in populatiedynamiek kan leiden. Dit had beoordeeld moeten worden, aldus Strijdbaar Angeren en anderen.
107.1. De minister heeft toegelicht dat met het tracébesluit geen sprake is van een direct effect op de populatieopbouw of -grootte. Uit het Deelrapport volgt dat andere storende factoren die indirect effect kunnen hebben, zoals ruimtebeslag, verstoring, verdroging, barrièrewerking en stikstofdepositie niet leiden tot significant negatieve effecten, aldus de minister. Er is volgens hem dan ook geen sprake van een verandering in populatiedynamiek als gevolg van de nieuwe weg.
107.2. Strijdbaar Angeren en anderen hebben slechts in algemene zin gesteld dat een verandering van de populatiedynamiek kan ontstaan. Zij hebben dit verder niet geconcretiseerd. Daarom ziet de Afdeling in het betoog geen reden voor het oordeel dat de minister zich in zoverre niet op het Deelrapport mocht baseren. Het betoog faalt.
108. Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat onduidelijk is of het Deelrapport soortenbescherming bij de inventarisatie van de voorkomende soorten in het projectgebied wel uitgaat van de laatste gegevens. Er wordt weinig inzicht gegeven in de manier waarop met gegevens is omgegaan en op welke gegevens welke conclusie nu precies steunt. Ook het gebruik van de "Effectenindicator Natura 2000-gebieden", die niet geschreven is voor soortenbescherming, wordt niet verantwoord, aldus Strijdbaar Angeren en anderen.
108.1. Het Deelrapport soortenbescherming is voorzien van verwijzingen naar (wetenschappelijke) literatuur, die zijn opgesomd in de literatuurlijst (p. 69-82). Verder is in bijlage 1 een verslag opgenomen van de actualisatie van de bronnenstudie en het veldonderzoek door Bureau Waardenburg. Strijdbaar Angeren en anderen hebben in hun betoog niet geconcretiseerd waarom deze informatie niet toereikend zou zijn voor de minister om de uitvoerbaarheid van het tracébesluit te beoordelen.
108.2. Verder stelt de Afdeling vast dat het Deelrapport soortenbescherming naar de "Effectenindicator Natura 2000-gebieden" verwijst als bron voor het potentiële gevaar voor soorten van verstoring door trillingen en verontreiniging (paragrafen 3.3.2 en 3.6). De Afdeling ziet niet in waarom dit nader verantwoord had moeten worden.
109. Strijdbaar Angeren en anderen betogen verder dat verstoringen door trillingen, ruimtebeslag en versnippering onvoldoende in kaart zijn gebracht en dat deze effecten ten onrechte zijn benaderd door het hanteren van algemene grenswaarden. Volgens hen moet namelijk per soort een op de soort en de omgeving afgestemde beoordeling plaatsvinden.
Stichting Milieuvrienden Duiven wijst erop dat het tracé, met name de brug over het Pannerdensch Kanaal, leidt tot versnippering van leefgebieden en als barrière zal werken. Zij vindt het antwoord op haar bezwaren hierover in de zienswijzennota onvoldoende.
109.1. In hoofdstuk 3 van het Deelrapport soortenbescherming zijn de mogelijke effecten van het project op beschermde soorten beschreven. Hierbij is per effect verantwoord van welke inzichten en wetenschappelijke publicaties is uitgegaan.
In paragraaf 3.2 is beschreven op welke wijze het tracé kan leiden tot versnippering en barrièrewerking en wat de effecten daarvan kunnen zijn. In hoofdstuk 4 is vervolgens op basis hiervan beoordeeld wat de verwachte effecten zijn op de soorten die voorkomen in het projectgebied.
109.2. Strijdbaar Angeren en anderen en Stichting Milieuvrienden Duiven hebben niet geconcretiseerd waarom deze werkwijze in dit geval niet toereikend is dan wel waarom het Deelrapport soortenbescherming wat dit betreft niet klopt. Alleen al hierom falen de betogen.
110. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat niet alle soorten lijken te zijn getoetst. Het gaat volgens hen om soorten die waren vrijgesteld onder de Flora- en faunawet en de lichtbeschermde tabel 1-soorten.
110.1. In paragraaf 4.2 van het Deelrapport is beschreven welke op grond van dit kader beschermde soorten voorkomen in het studiegebied. Hierbij wordt verwezen naar bijlage 1 bij het Deelrapport, waarin de resultaten van de inventarisaties van Bureau Waardenburg zijn weergegeven. Strijdbaar Angeren en anderen hebben niet geconcretiseerd welke door de Wnb beschermde soorten in het projectgebied zouden voorkomen die ten onrechte niet zijn betrokken in het Deelrapport soortenbescherming. Voor zover zij erop wijzen dat er verschillen zijn tussen de soorten die waren beschermd op grond van de Flora- en faunawet en die zijn beschermd op grond van de Wnb stelt de Afdeling vast dat dit is onderkend in het Deelrapport soortenbescherming op onder meer p. 19 en verder van het rapport van Bureau Waardenburg. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het tracébesluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
Mitigerende en compenserende maatregelen
111. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat het erop lijkt dat strategisch gebruik is gemaakt van de termen mitigerende en compenserende maatregelen, omdat juist bij de licht beschermde soorten die zich veelal makkelijker aanpassen dan strikt beschermde soorten compensatie minder noodzakelijk moet worden geacht. Sommige voorgestelde mitigerende maatregelen zijn volgens hen feitelijk compenserende maatregelen en moeten onder een ander beoordelingskader worden getoetst.
111.1. In de inleiding van paragraaf 4.4 van het Deelrapport soortenbescherming staat - kort samengevat - dat mitigerende maatregelen ertoe dienen negatieve effecten zoveel als mogelijk te beperken. Is dat niet volledig mogelijk, dan is het aanvragen van een ontheffing nodig. Er zijn dan compenserende maatregelen nodig om het verlies aan natuurwaarden terug te brengen, aldus het Deelrapport. In het vervolg van het Deelrapport is aan de hand van dit uitgangspunt beschreven welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn.
Strijdbaar Angeren en anderen hebben niet geconcretiseerd welke maatregelen in het Deelrapport soortenbescherming onjuist gekwalificeerd zouden zijn. Alleen al hierom faalt het betoog.
112. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat net als in de passende beoordeling in het Deelrapport soortenbescherming ten onrechte de auteurs niet zijn vermeld. Hierdoor is niet duidelijk wat de expertise van de auteurs is, terwijl regelmatig een beroep wordt gedaan op expert judgement.
112.1. In het Deelrapport soortenbescherming zijn de auteurs vermeld in de colofon op de een-na-laatste bladzijde. Het betoog mist feitelijke grondslag.
113. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat de minister ten onrechte concludeert dat de benodigde ontheffingen waarschijnlijk kunnen worden verleend.
Daartoe voeren zij allereerst aan dat volgens het Deelrapport soortenbescherming ontheffingen nodig zijn voor het overtreden van verbodsbepalingen over soortenbescherming in de Wnb. Omdat het hierbij ook gaat om soorten in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, kan alleen ontheffing worden verleend op de gronden die zijn genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wnb. Die gronden zijn volgens Strijdbaar Angeren en anderen niet van toepassing op het tracébesluit.
In de tweede plaats voeren zij aan dat in het Deelrapport soortenbescherming ten onrechte voor geen enkele soort waarvoor een ontheffing nodig is de staat van instandhouding is beoordeeld. Voor soorten in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en vogels is volgens Strijdbaar Angeren en anderen bovendien vereist dat de staat van instandhouding ook op lokaal of regionaal niveau wordt beoordeeld. Dat heeft de minister nagelaten.
113.1. Uit tabel 4-4 in samenhang met tabel 4-1 van het Deelrapport soortenbescherming volgt dat voor zowel soorten die zijn vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn als vogels die zijn vermeld in de Vogelrichtlijn, mogelijk een ontheffing op grond van de Wnb nodig is.
113.2. De Afdeling ziet in wat Strijdbaar Angeren en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat de minister op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het tracébesluit in de weg staat omdat de eventueel benodigde ontheffingen niet kunnen worden verleend. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.
Zoals hiervoor onder 1 is vastgesteld, is volgens de Startnotitie de hoofddoelstelling van het project het verbeteren van de bereikbaarheid en veiligheid over de weg in de regio Arnhem-Nijmegen en is een bijkomende doelstelling het verbeteren van de hoogwaterveiligheid. Gelet hierop kan een ontheffing voor soorten in bijlage IV van de Habitatrichtlijn mogelijk worden verleend op grond van artikel 3.8, vijfde lid, onder b, ten derde, van de Wnb (dwingende reden van groot openbaar belang) en voor vogels die zijn vermeld in de Vogelrichtlijn op grond van artikel 3.3, vierde lid, onder b, ten eerste, van de Wnb (volksgezondheid of de openbare veiligheid). In hoeverre dit daadwerkelijk het geval is, staat nu niet ter beoordeling (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596, onder 21.5).
113.3. Over de beoordeling van de staat van instandhouding overweegt de Afdeling dat in paragraaf 4.3 van het Deelrapport soortenbescherming per soortgroep de effecten zijn beschreven. Daarbij is ook beoordeeld of mogelijk een verbodsbepaling wordt overtreden en of mitigerende maatregelen nodig zijn dan wel een ontheffing moet worden aangevraagd. Voor de soorten waarvoor een ontheffing waarschijnlijk nodig is wordt weliswaar niet ingegaan op de feitelijke staat van instandhouding van de betrokken soort, maar deze enkele omstandigheid leidt niet tot het oordeel dat de minister zich bij de vaststelling van het tracébesluit niet in redelijkheid op het Deelrapport soortenbescherming heeft kunnen baseren. Zoals hiervoor al overwogen komt de vraag of een ontheffing daadwerkelijk kan worden verleend in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Daarbij zal het van de betrokken soort, het effect van het project en de mogelijke maatregelen afhangen of het nodig is om inzicht te hebben in de feitelijke staat van instandhouding.
114. GNMF stelt dat licht dat afkomstig is van de doorgetrokken A15 negatieve gevolgen kan hebben voor beschermde diersoorten. Zo kan de verlichting van auto’s zorgen voor barrièrewerking voor gevoelige soorten als de meervleermuis.
Ter zitting heeft GNMF ook gesteld dat de minister als nieuw beleid heeft dat snelwegen weer zullen worden verlicht. Het is daarom niet uitgesloten dat langs het tracé toch verlichting zal worden geplaatst. Ook heeft GNMF ter zitting gewezen op de fietsvoorzieningen die in het kader van het project worden aangelegd. Fietspaden worden volgens haar in verband met de sociale veiligheid meestal verlicht.
114.1. In het Deelrapport soortenbescherming is verstoring door licht benoemd als mogelijk effect van het tracé. Er staat in paragraaf 3.3.4:
"Er wordt geen wegverlichting aangelegd langs de nieuwe snelweg. Dit is een ontwerpuitgangspunt die het vertrekpunt is voor de effectbepaling. Wel is er sprake van een toename van verlichting als gevolg van de koplampen van het verkeer. Dit is een nieuwe verlichtingsbron die met name gericht is op de weg en wegbermen zelf. Er is dus geen sprake van directe beschijning (illuminatie) van de omgeving. Wel is sprake van zichtbaarheid van de lichtbron als gevolg van uitstraling (luminatie), maar wordt door soorten als minder hinderlijk ervaren.
Verlichting is een aandachtspunt tijdens de uitvoeringsperiode en daarom zal dit aspect meegenomen worden bij de beschrijving van tijdelijke effecten van verlichting tijdens de uitvoering van werkzaamheden."
Volgens de effectbeoordeling is verstoring door licht bij de in het projectgebied aangetroffen soorten met name van belang voor vleermuizen. Het Pannerdensch Kanaal is mogelijk een vliegroute voor de watervleermuis en meervleermuis tijdens de seizoensmigratie. Het kanaal blijft passeerbaar onder de brug. Hoewel er geen wegverlichting wordt aangebracht, dreigt een permanent effect als gevolg van verstoring door verlichting van het wegverkeer (p. 23). Daarnaast is er een mogelijk tijdelijk effect op vleermuizen door het gebruik van verlichting tijdens de werkzaamheden.
Het Deelrapport gaat ervan uit dat de brug over het Pannerdensch Kanaal met een opstaande rand wordt uitgevoerd. Daarom ontstaat geen permanent effect voor vleermuizen. Als tijdens de werkzaamheden het gebruik van verlichting bij vliegroutes en foerageergebieden wordt vermeden of als de werkterreinen worden afgeschermd, dan is er in zoverre ook geen tijdelijk effect te verwachten, aldus het Deelrapport soortenbescherming.
114.2. Artikel 10 van het tracébesluit luidt:
"Om negatieve effecten op de natuur te voorkomen en te voldoen aan de Wet natuurbescherming en regels ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk worden de volgende mitigerende maatregelen getroffen:
1. Voor de uitvoering van de werkzaamheden gelden enkele generieke maatregelen waar bij de effectbeoordeling rekening mee gehouden is.
a. brugontwerp zonder verlichting en met opstaande rand om lichtverstoring door wegverkeer tegen te gaan;
b. afschermen van werkterreinen om verstoring door licht tegen te gaan."
Ingevolge het derde lid, onderdeel c, geldt in aanvulling hierop:
"Tijdens de werkzaamheden aan kunstwerken die ook de functie vervullen als vliegroute en/of nabij foerageergebied van meervleermuizen liggen wordt de functionaliteit behouden door het afschermen van de verlichting van het werkterrein."
114.3. Zoals blijkt uit artikel 10 van het tracébesluit heeft de minister mogelijke verstoring van beschermde diersoorten door verlichting in de besluitvorming betrokken en in het tracébesluit al voorzien in mitigerende maatregelen. GNMF heeft niet aannemelijk gemaakt dat de minister daarbij specifieke soorten of effecten ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.
Voor zover GNMF wijst op een mogelijke verandering van het uitgangspunt dat er geen wegverlichting langs het tracé wordt aangelegd, ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat de minister daar ten tijde van het vaststellen van het tracébesluit al rekening mee had moeten houden. Overigens moet de minister - zoals hij ter zitting ook heeft erkend - als hij in de toekomst toch verlichting langs het tracé wil aanbrengen op dat moment bezien of dat kan leiden tot een overtreding van een verbodsbepaling van de Wnb. Als dat niet kan worden uitgesloten, dan zal de minister op dat moment alsnog een ontheffing moeten aanvragen.
115. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat de toetsing van de gevolgen voor de bever in het Deelrapport soortenbescherming onvolledig is. Volgens hen is deze namelijk gericht op de enkele verstoring van een beverburcht, terwijl met de forse ingrepen in het gebied ook andere permanente effecten voor de bever en voor het leefgebied van de bever verwacht kunnen worden. Anders dan in het Deelrapport staat, is het niet voldoende om als mitigerende maatregel een afstand van 50 m tot een beverburcht aan te houden. Hiermee is volgens Strijdbaar Angeren en anderen namelijk geen afweging gegeven over de staat van instandhouding van de bever.
115.1. In paragraaf 4.3.1 van het Deelrapport soortenbescherming staat dat op ongeveer 150 en 200 m van de brug twee bewoonde beverburchten liggen. Daarnaast bevinden zich op enkele tientallen meters van de brug twee onbewoonde burchten. Volgens het Deelrapport is er naar verwachting geen sprake van verstoring van bevers in de gebruiksfase. Daarvoor wordt onder meer van belang geacht dat bevers snel kunnen wennen aan menselijke activiteiten en de bever de brug onderlangs kan passeren waardoor geen sprake hoeft te zijn van verkeersslachtoffers. In het Deelrapport wordt geconcludeerd dat geen sprake is van permanente aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen en functionaliteit van het leefgebied, aangezien er geen vaste rust- en verblijfplaatsen verloren gaan en er voldoende geschikt leefgebied voorhanden blijft.
Over de tijdelijke effecten staat in het Deelrapport dat wanneer de onbewoonde burchten ten tijde van de werkzaamheden wel bewoond zijn, verstorende effecten in de voorplantingsperiode niet kunnen worden uitgesloten. In dat geval moet betreding van de directe omgeving van de burcht (binnen 50 m) worden voorkomen. In paragraaf 4.2.2 van het Deelrapport zijn voor de bever mogelijke mitigerende maatregelen opgenomen waarmee overtredingen van verbodsbepalingen kunnen worden voorkomen.
115.2. Strijdbaar Angeren en anderen hebben niet onderbouwd waarom, in weerwil van het voorgaande, permanente effecten van het tracé voor de bever zullen ontstaan. Verder ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen redenen om te betwijfelen dat met mitigerende maatregelen kan worden voorkomen dat een verbodsbepaling wordt overtreden. Voor zover Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat met de mitigerende maatregel geen afweging is gegeven over de staat van instandhouding van de bever wijst de Afdeling erop dat alleen als een mitigerende maatregel niet kan voorkomen dat een verbodsbepaling uit de Wnb wordt overtreden, moet worden beoordeeld of een ontheffing kan worden verleend. Pas dan speelt de staat van instandhouding een rol.
116. Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat het Deelrapport soortenbescherming onvoldoende aandacht heeft voor de effecten van de aanleg en het gebruik van het tracé op de otter. Hoewel de otter volgens het Deelrapport wel is waargenomen in het gebied, komt deze volgens Strijdbaar Angeren en anderen ten onrechte niet voor op het overzicht in tabel 7-1 en heeft er geen toetsing aan de staat van instandhouding plaatsgehad.
116.1. In paragraaf 4.2.1 van het Deelrapport soortenbescherming staat dat nabij het tracé twee waarnemingen bekend zijn van de otter. Uit het rapport van Bureau Waardenburg volgt dat deze waarnemingen zijn gedaan in juli en november 2014. Volgens het Deelrapport soortenbescherming zijn in 2016 echter geen sporen aangetroffen. De otter is dan ook niet vermeld in het overzicht van beschermde soorten binnen de tracégrenzen zoals opgenomen in tabel 4-1 en komt ook niet terug in de bespreking van de effectbeschrijving en -beoordeling in paragraaf 4.3.1. Volgens het Deelrapport soortenbescherming in 2016 zijn twee nieuwe otters uitgezet in de Rijnstrangen en in de Ooijpolder. De minister stelt dat met de aanleg van twee duikers aan weerszijden van knooppunt Oudbroeken, waarvan ook de otter gebruik kan maken, rekening wordt gehouden met mogelijke toekomstige vestiging van deze soort in het studiegebied.
116.2. Strijdbaar Angeren en anderen hebben weliswaar gesteld dat onvoldoende aandacht is besteed aan de otter, maar niet onderbouwd dat de aandacht die is gegeven aan de otter in het Deelrapport soortenbescherming in het kader van de uitvoerbaarheid ontoereikend is. Alleen al hierom faalt het betoog.
117. GNMF stelt dat het Deelrapport soortenbescherming ten onrechte voorbijgaat aan de gevolgen van het tracé voor kleine marterachtigen. In het bijzonder wijst de Vereniging daarbij op de bunzing, maar ook voor de wezel en de hermelijn geldt volgens haar een zorgplicht op grond van de Wnb.
117.1. De Afdeling stelt voorop dat ingevolge artikel 3.31 en bijlage 11 van de Regeling natuurbescherming en artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van het Besluit natuurbescherming voor de bunzing, wezel en hermelijn een vrijstelling geldt van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wnb. In zoverre faalt het betoog. Overigens heeft de minister in het kader van de zorgplicht in paragraaf 4.4.1 van het Deelrapport soortenbescherming algemene voorzorgsmaatregelen en in paragraaf 4.4.9 ecopassages en een geleidend raster opgenomen, mede ten behoeve van de kleine marterachtigen.
118. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat voor de vleermuizen onvoldoende onderzoek is verricht. Zij stellen dat niet is uitgesloten dat op bepaalde locaties - bijvoorbeeld De Linge - sprake kan zijn van ernstige verstoringen en/of vernietiging van leefgebieden of vliegroutes.
118.1. In bijlage 1 van het Deelrapport soortenbescherming is verantwoord hoe het projectgebied is onderzocht op de aanwezigheid van (leefgebied van) vleermuizen (paragraaf 2.2.4). In 2015 is in het studiegebied een geschiktheidsbeoordeling uitgevoerd: te amoveren panden zijn beoordeeld op mogelijke functies voor vleermuizen en er zijn potentiële foerageergebieden en vliegroutes geselecteerd. In 2016 zijn 18 locaties bezocht, verspreid over de lengte van het tracé. Het gaat om locaties waar kunstwerken, gebouwen, landschaps- en lijnvormige elementen (dijken, groen en water) aanwezig zijn met een mogelijke functie voor vleermuizen als verblijfplaats, foerageergebied of vliegroute.
118.2. Strijdbaar Angeren en anderen hebben geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de hiervoor weergegeven werkwijze voor de uitvoering van het veldonderzoek. Zij hebben slechts in algemene zin gesteld dat er meer locaties zouden kunnen zijn waar vleermuizen worden verstoord of waar leefgebied wordt vernietigd. De Afdeling acht dit onvoldoende voor het oordeel dat de minister op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb wat betreft vleermuizen aan de uitvoerbaarheid van het tracébesluit in de weg staat.
119. GNMF mist in het tracébesluit de mitigerende en compenserende maatregelen voor de kleine dwergvleermuis, die in het gebied oostelijk van het Pannerdensch Kanaal voorkomt. Onder verwijzing naar de second opinion van EcoNatura stelt zij voorts dat wetenschappelijk bewijs van de effectiviteit van de aanleg van vervangende zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen ontbreekt.
119.1. In paragraaf 4.3.2 en tabel 4-3 van het Deelrapport soortenbescherming is voor vleermuizen die voorkomen in het studiegebied beschreven wat de effecten zijn van het tracé en of mitigerende en/of compenserende maatregelen nodig zijn.
In paragraaf 4.4.3 staat dat ter bescherming van de vliegroutes en het foerageergebied het gebruik van verlichting tijdens de werkzaamheden moet worden gemeden of het werkterrein goed moet worden afgeschermd. In artikel 10, eerste lid, van het tracébesluit is vervolgens bepaald dat werkterreinen moeten worden afgeschermd om verstoring door licht tegen te gaan.
Voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger moet volgens de tabel het verlies van vier zomerverblijfplaatsen worden gecompenseerd. In paragraaf 4.4.3 staat hierover dat deze verblijfplaatsen moeten worden vervangen op een alternatieve locatie, waarbij minimaal vier verblijfplaatsen aanwezig moeten zijn die dezelfde functie kunnen vervullen als de verblijfplaats die verloren gaat. In artikel 11 van het tracébesluit zijn de compenserende maatregelen opgenomen. Deze bepaling bevat geen maatregelen voor vleermuizen.
119.2. De Afdeling stelt vast dat niet is gebleken dat ook de kleine dwergvleermuis door het tracé geraakt wordt. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.
119.3. Voor zover GNMF meent dat de te treffen mitigerende en compenserende maatregelen niet zijn geborgd in het tracébesluit, overweegt de Afdeling dat de mitigerende maatregel voor het beschermen van vliegroutes en foerageergebied is geborgd in artikel 10 van het tracébesluit. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.
119.4. Over de effectiviteit van de zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen stelt de Afdeling vast dat in paragraaf 4.4.3 van het Deelrapport soortenbescherming wordt verwezen naar de Soortenstandaard van de gewone dwergvleermuis. GNMF heeft niet nader onderbouwd waarom de minister desondanks niet van de effectiviteit van de maatregelen heeft mogen uitgaan. Het betoog van GNMF over vleermuizen faalt.
- Steenuil
120. GNMF en Strijdbaar Angeren en anderen wijzen erop dat het tracé leidt tot het verdwijnen van territoria van de steenuil.
GNMF stelt onder verwijzing naar het rapport van EcoNatura dat het effect hiervan nauwelijks te ondervangen is met het plaatsen van nestkasten. Er moet voldoende omliggend jachtgebied zijn van ongeveer 200 m in de omtrek, conform de Soortenstandaard. Omdat dit aspect niet is meegenomen, dreigt volgens GNMF een groot verlies aan territoria en, uiteindelijk, het uitsterven van de regionale populatie.
Strijdbaar Angeren en anderen merken op dat volgens de minister geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de steenuil, omdat nieuwe leefgebieden geschikt worden gemaakt. Zij vinden echter onduidelijk of die gebieden inmiddels zijn ingericht of al bruikbaar zijn.
120.1. De minister stelt mede in reactie op het rapport van EcoNatura dat de maatregelen die voor de steenuil worden genomen zijn gebaseerd op de Soortenstandaard en daarmee bewezen effectief kunnen worden geacht. De maatregelen gaan verder dan alleen het plaatsen van nestkasten. Er wordt ook voorzien in de aanleg van verschillende landschapselementen die de kwaliteit van het leefgebied en de prooibeschikbaarheid moeten verzekeren.
Voor de uitvoering van een deel van de maatregelen is volgens de minister een overeenkomst gesloten met Stichting Landschapsbeheer Gelderland. De stichting heeft via haar vrijwilligersgroepen een goed overzicht van steenuilterritoria en nestkasten in de ruime omgeving. Zij hebben locaties aangedragen waar nestkasten geplaatst kunnen worden rekening houdend met aanwezigheid van geschikt foerageergebied en zonder bestaande territoria te hinderen. Er zijn tot dusver 29 nestkasten geplaatst, die door de vrijwilligersgroepen worden gemonitord en onderhouden. De geplaatste kasten blijken inmiddels al voor een deel door steenuilen bezet te zijn.
Verder stelt de minister dat op basis van de meest actuele onderzoeksgegevens zes steenuilnestplaatsen vernietigd worden. Voor vier daarvan is inmiddels een ontheffing verleend en onherroepelijk geworden, voor de overige twee is een ontheffing in voorbereiding.
120.2. In het Deelrapport soortenbescherming staat over de steenuil - kort samengevat - dat twee nestplaatsen van de steenuil verloren gaan door de sloop van gebouwen en dat ook twaalf territoria van steenuilen deels verloren gaan. Voor elke nestplaats die verloren gaat, moeten twee nieuwe nestplaatsen worden aangeboden. De territoria die deels verloren gaan, kunnen verplaatst worden door op de benodigde afstand twee nieuwe nestkasten te plaatsen. Het territorium beslaat ongeveer een oppervlakte met een straal van 300 m rondom een nestplaats. In goede muizenjaren kan dit beperkt zijn tot 90 m. Op het moment dat een territorium niet verplaatst kan worden, dan is het nodig om een vervangende nestplaats met bijbehorend geschikt leefgebied aan te bieden.
Verder staat er in het Deelrapport dat uit overleg met Landschapsbeheer Gelderland is gebleken dat er in de omgeving voldoende mogelijkheden zijn om nestlocaties met bijbehorend functioneel leefgebied van de steenuil te kunnen compenseren. Door deze maatregelen is er geen sprake van een inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Het is dan ook aannemelijk dat een ontheffing verleend zal worden, aldus het Deelrapport soortenbescherming.
120.3. De Afdeling stelt vast dat het Deelrapport soortenbescherming verwijst naar de "Soortenstandaard Steenuil" (literatuurlijst, p. 71). Gelet op de hiervoor samengevatte passage uit het Deelrapport is bovendien onderkend dat de steenuil een geschikt territorium rondom de nestkast nodig heeft. De Afdeling stelt vast dat GNMF en Strijdbaar Angeren dit niet nader gemotiveerd hebben betwist. De Afdeling ziet dan ook geen reden om te betwijfelen dat in samenspraak met Stichting Landschapsbeheer Gelderland voldoende geschikte alternatieve territoria voor de steenuil kunnen worden gevonden. Daarom bestaat ook geen grond voor het oordeel dat de minister op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb wat betreft de steenuil aan de uitvoerbaarheid van het tracébesluit in de weg staat.
- Buizerd, sperwer en havik
121. GNMF stelt dat op en langs het tracé een tiental roofvogelterritoria ligt. De territoria met nesten van roofvogels als de buizerd, sperwer en havik zijn jaarrond beschermd en daarmee moeilijk te compenseren. Ook hierbij gaat het volgens GNMF niet alleen om de nestplaats, maar ook om het omliggende voedselgebied en veilig vlieggebied. Dit wordt in het Deelrapport soortenbescherming volgens GNMF niet of amper meegewogen. Het belang hiervan is volgens GNMF echter groot omdat vele broedterritoria op het spel staan, naast de sterfte van vogels die op de snelweg zal gaan optreden. De gedachte dat het deelverlies van de roofvogelpopulaties in de regio aanvaardbaar is in verband met populaties elders in Nederland is volgens GNMF niet in overeenstemming met de eisen van de Wnb.
121.1. In het Deelrapport soortenbescherming staat dat het tracé kan leiden tot vernietiging en verstoring van nestplaatsen van de buizerd en verstoring van de havik. Daarom zijn mitigerende maatregelen aanbevolen, waaronder het werken buiten het broedseizoen (paragraaf 4.4.4). Volgens het Deelrapport soortenbescherming zijn compenserende maatregelen voor de buizerd niet nodig, omdat die in staat is om zelfstandig een nieuw nest te bouwen en er voldoende nestgelegenheden in de omgeving aanwezig zijn. Daarom is de gunstige staat van instandhouding van de soort ook niet in het geding. Wel moet een ontheffing worden aangevraagd, zo staat in het Deelrapport soortenbescherming.
121.2. In het Deelrapport soortenbescherming staat dat verstoring van nestplaatsen van buizerd en havik kan worden voorkomen met mitigerende maatregelen. Compensatie van te verwijderen nestplaatsen van de buizerd is volgens het Deelrapport niet nodig vanwege de gunstige omstandigheden voor deze soort in de omgeving. GNMF heeft hiertegen geen concrete bezwaren naar voren gebracht. GNMF heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat ervoor moet worden gevreesd dat de populaties van buizerd en havik in gevaar worden gebracht. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime van de Wnb wat betreft de buizerd en de havik aan de uitvoerbaarheid van het tracébesluit in de weg staat.
- Grutto
122. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat in het Deelrapport soortenbescherming ten onrechte wordt gesteld dat er geen waarnemingen van de grutto zijn en er dus geen weidepopulatie is. Volgens hen wordt in het rapport van Bureau Waardenburg namelijk de aanwezigheid van de grutto gemeld.
122.1. In paragraaf 2.2.1 van het rapport van Bureau Waardenburg staat dat het voorkomen van de grutto westelijk van het Pannerdensch Kanaal in kaart is gebracht, omdat weidevogels als kernkwaliteit gelden voor het GNN. In paragraaf 3.2.7 van dat rapport staat dat in 2015 de Doornenburgsche Buitenpolder is onderzocht op territoria van de grutto, maar deze zijn niet gevonden in het studiegebied. Buiten het studiegebied zijn op de bekende broedlocaties, ten zuiden van de Linge bij de Broeksestraat, wel grutto’s waargenomen. In de geraadpleegde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna staan geen waarnemingen die wijzen op onbekende of nieuwe territoria in het studiegebied, aldus dat rapport.
Op p. 38 van het Deelrapport soortenbescherming worden deze conclusies herhaald. In paragraaf 6.3.2 van het Deelrapport staat over het voorkomen van de grutto in de Gelderse Poort dat er op het moment van vaststellen van dat rapport geen sprake meer was van een weidevogelpopulatie of weidevogelleefgebied, en de aanleg en ingebruikname van de brug daarom geen invloed heeft op het actuele leefgebied van deze weidevogels.
122.2. Anders dan waar Strijdbaar Angeren en anderen kennelijk van uitgaan, blijkt uit het rapport van Bureau Waardenburg niet dat territoria van de grutto in het studiegebied zijn waargenomen. De Afdeling ziet gelet daarop geen aanleiding voor het oordeel dat de conclusies in het Deelrapport soortenbescherming in zoverre onvolledig of onjuist zijn. Het betoog faalt.
- Andere vogels
123. GNMF betwijfelt ook of voor andere vogels waarvan nestplaatsen moeten worden verwijderd een ontheffing kan worden verleend. Het gaat om de kerkuil, ransuil, huismus, gierzwaluw en ooievaar. GNMF vindt onvoldoende duidelijk in hoeverre met succes nieuwe nestplaatsen kunnen worden aangelegd.
Tot slot is de monitoring van de te realiseren nestplaatsen volgens GNMF ten onrechte niet geregeld in artikel 11 van het tracébesluit.
123.1. In paragraaf 4.4.4 van het Deelrapport soortenbescherming staat welke mitigerende en compenserende maatregelen voor vogels getroffen moeten worden. Net als voor de steenuil geldt voor de kerkuil, ransuil, en de huismus dat uit overleg met Landschapsbeheer Gelderland is gebleken dat er voldoende mogelijkheden zijn om nestlocaties met functioneel leefgebied te kunnen compenseren.
Over de gierzwaluw staat verder dat één nestlocatie verloren gaat, en dat er daarom circa vijf voorzieningen dicht bij elkaar geplaatst moeten worden. Er zijn in de omgeving van Helhoek volgens het Deelrapport andere woningen aanwezig die geschikt gemaakt kunnen worden als nestplaats.
Over de ooievaar staat tot slot dat één nestpaal moet worden verplaatst naar buiten het tracé op een nabije locatie, zodat geen concurrentie met andere territoria ontstaat.
123.2. GNMF heeft niet onderbouwd waarom deze maatregelen niet effectief zouden zijn. De Afdeling stelt vast dat in het Deelrapport is verwezen naar de relevante Soortenstandaarden. Voor zover monitoring nodig zou zijn, kan dat in de ontheffingen worden geregeld. Het betoog geeft dan ook geen reden voor het oordeel dat de minister op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb wat betreft de voornoemde vogelsoorten aan de uitvoerbaarheid van het tracébesluit in de weg staat.
124. GNMF stelt onder verwijzing naar de second opinion van EcoNatura dat in de omgeving van het tracé nog andere vogels voorkomen, zoals de torenvalk en verschillende spechten, die niet voorkomen in het Deelrapport soortenbescherming. Ook zijn er volgens haar meer broedende ooievaarsparen dan waarvan in het Deelrapport wordt uitgegaan. Tot slot stelt zij dat tijdens een ecologische scan op 23 maart 2020 een verblijfplaats voor de kerkuil is aangetroffen in de te slopen stal aan de Helstraat in Zevenaar. Het is volgens haar onduidelijk in hoeverre hiervoor mitigerende of compenserende maatregelen zijn opgenomen.
124.1. Voor zover GNMF stelt dat zij meer vogels of nestlocaties of andere vogelsoorten - al dan niet met jaarrond beschermde nesten - in het gebied heeft aangetroffen dan waarvan is uitgegaan in het Deelrapport soortenbescherming, wijst de Afdeling erop dat het tracébesluit is vastgesteld op 24 februari 2017. Ter beoordeling staat of de minister op die datum op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het tracébesluit in de weg staat. Uit de second opinion van EcoNatura blijkt niet dat de daarin gestelde waarnemingen dateren van vóór 24 februari 2017. De verwijzing naar dat stuk is dan ook onvoldoende voor het oordeel dat het Deelrapport soortenbescherming op dat punt gebrekkig is. Overigens heeft de minister gesteld dat de omstandigheden in het projectgebied altijd kunnen veranderen en dat hij, voor zover nodig, ontheffingen voor andere volgelsoorten zal aanvragen voor de uitvoering van het tracébesluit.
125. Stichting Milieuvrienden Duiven betogen dat de compensatiemaatregelen voor de rugstreeppad onvoldoende zijn voor de instandhouding van de populatie. Er zou volgens hen nog zeker één ecopassage toegevoegd moeten worden.
GNMF stelt dat het tracé een belangrijk leefgebied van de rugstreeppad doorsnijdt. Volgens haar leidt het tracé onherroepelijk tot een totale vernietiging van het leefgebied ten noorden van de A15 en zal ook het gebied tussen de A15 en de Betuweroute voor de rugstreeppad verloren gaan.
Stichting Milieuvrienden Duiven en GNMF wijzen erop dat er bij de aanleg van de Betuweroute faunapassages zijn aangelegd ten behoeve van deze soort, maar door het tracé is uitwisseling in het doorgesneden gebied volgens hen niet meer mogelijk. GNMF stelt dat is gebleken dat tunnels die eerder zijn ingezet ter bevordering van de migratie tussen gebieden als gevolg van de hoge waterstand vollopen, en daarom voor de rugstreeppad ongeschikt zijn.
125.1. Volgens het Deelrapport soortenbescherming heeft het tracé geen permanente negatieve effecten op de rugstreeppad. In paragraaf 4.2.4 van het Deelrapport staat dat bij de poelen bij Kandia de rugstreeppad sporadisch voorkomt. In de poelen binnen de tracégrenzen vindt geen voortplanting plaats van rugstreeppadden, aldus het Deelrapport.
Uit ervaringen bij de aanleg van de Betuweroute blijkt volgens paragraaf 4.3.4 van het Deelrapport wel dat de rugstreeppad tijdens de werkzaamheden het werkterrein kan koloniseren. De rugstreeppad is volgens het Deelrapport een pionierssoort en het voortplantingswater van deze soort bestaat voornamelijk uit zandig terrein met tijdelijke ondiepe wateren in rijsporen en dergelijke. Op het moment dat dergelijke wateren gebruikt worden als voortplantingswater mogen deze in de voortplantingsperiode niet aangetast worden. In paragraaf 4.4.5 van het Deelrapport wordt het gebruik van ingegraven schermen ter plaatse van het werkterrein aanbevolen als mitigerende maatregel. Verder staat er dat rugstreeppadden binnen het werkterrein moeten worden gevangen en verplaatst naar een alternatief leefgebied, waarvoor volgens het Deelrapport een ontheffing aangevraagd moet worden.
125.2. Anders dan Stichting Milieuvrienden Duiven kennelijk veronderstelt, zijn voor de rugstreeppad alleen compenserende maatregelen nodig als de mitigerende maatregelen tijdens de werkzaamheden niet voldoende zijn en rugstreeppadden in het werkgebied verplaatst moeten worden naar nieuw leefgebied. De Afdeling volgt Stichting Milieuvrienden Duiven dan ook niet in haar stelling dat met het oog op de uitvoerbaarheid van het besluit is miskend dat voor de rugstreeppad een extra ecopassage is vereist.
De Afdeling volgt evenmin GNMF in haar stelling dat het tracé leidt tot vernietiging van het leefgebied van de rugstreeppad.
Voor zover GNMF en Stichting Milieuvrienden Duiven met verwijzing naar de tunnels onder de Betuweroute stellen dat ten onrechte niet is voorzien in tunnels voor de rugstreeppad onder de A15, stelt de Afdeling vast dat in het rapport van Bureau Waardenburg staat dat aannemelijk is dat de rugstreeppadden de spoorlijn kruisen via onder meer de tunneltjes onder de spoorlijn. Hoewel in het tracébesluit ter beperking van de barrièrewerking in artikel 10 alleen voor de kamsalamander is voorzien in de aanleg van twee ecopassages op deze locatie, ziet de Afdeling in hetgeen GNMF en Stichting Milieuvrienden Duiven hebben gesteld geen grond om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Overigens heeft de minister ter zitting heeft toegelicht dat het probleem met de ondergelopen amfibieëntunnels onder de Betuweroute bekend is, en daarom voor de A15 een amfibieëntunnel verhoogd wordt aangelegd.
126. [appellant sub 25] stelt dat is begonnen met het verwijderen van een bomenpartij bij Huis Rijswijk in Groessen, waardoor de vogelpopulatie is verstoord. Zo hebben spechten geen broedkasten meer. Ook heeft [appellant sub 25] de steenmarter waargenomen en zitten er salamanders in de sloten rondom het weiland.
126.1. De minister stelt dat in het Deelrapport Ecologie is beoordeeld hoe het tracé met inachtneming van de wettelijke bepalingen over beschermde diersoorten kan worden uitgevoerd. Rond Huis Rijswijk zijn medio maart 2017 werkzaamheden zijn uitgevoerd voor regulier onderhoud en voor de veiligheid van het rijksmonument en de bewoners. Hierbij zijn overhangende of dode zware takken verwijderd, bomen geknot en hagen geknipt. In en nabij Huis Rijswijk zijn in het natuuronderzoek geen sporen van de steenmarter ontdekt, aldus de minister.
126.2. In het Deelrapport soortenbescherming is beschreven hoe het tracé kan worden aangelegd in overeenstemming met de bepalingen over soortenbescherming in deze wet. Hierbij is onder meer ingegaan op (broed)vogels, amfibieën en (grondgebonden) zoogdieren. Uit bijlage 1 van het rapport volgt dat ook in de omgeving van Huis Rijswijk in Groessen veldonderzoek is gedaan. [appellant sub 25] heeft niet geconcretiseerd waarom het veldonderzoek of de daarop gebaseerde conclusies van het Deelrapport soortenbescherming onjuist zijn. Het enkele feit dat hij zelf beschermde soorten heeft waargenomen, is wat dit betreft onvoldoende. Daarom faalt het betoog.
Stichting Milieuvrienden Duiven
127. Stichting Milieuvrienden Duiven betoogt dat het tracébesluit ten onrechte leidt tot de kap van een waardevolle boomstructuur bij de nieuwe aansluiting 40 Duiven/Zevenaar (N810).
127.1. Hoofdstuk 5 van het Deelrapport soortenbescherming gaat voor zover hier relevant over houtopstanden die zijn beschermd door de Wnb . Gelet op bijlage 3 behoren hiertoe ook bomen die nu staan op de plek waar de aansluiting Duiven/Zevenaar is voorzien.
In het Deelrapport staat dat voor elke gekapte boom een nieuwe boom wordt geplant. Het gaat in totaal om 28,3 ha (p. 48). In artikel 11 van het tracébesluit is voorgeschreven dat dit oppervlak aan bomen en beplanting wordt herplant binnen het maatregelvlak "landschappelijke inpassing" of, wanneer dat niet mogelijk is, in de aangewezen zoekgebieden daarbuiten (tabel 10, onderdeel b).
127.2. Stichting Milieuvrienden Duiven heeft niet toegelicht waarom met de in artikel 11 van het tracébesluit voorgeschreven herplant van te kappen beplanting niet kan worden voldaan aan de Wnb of andere regelgeving die bij de uitvoering van het tracébesluit in acht moet worden genomen. Alleen al hierom faalt het betoog.
128. [appellant sub 34] begrijpt niet waarom drie rijen populieren nabij haar woning moeten worden gekapt. De bomen staan namelijk niet allemaal zo dicht bij de A15. Sowieso staat volgens [appellant sub 34] niet duidelijk in het tracébesluit dat de bomen weg moeten. Daarin wordt wel gesproken van opnieuw inplanten, maar onduidelijk is of er wel drie rijen terugkomen. Zij wijst op het belang van de bomen voor haar woon- en leefklimaat.
128.1. De minister stelt dat het vanwege de verbreding van de weg het niet mogelijk is om de rijen populieren zoals ze nu langs de weg staan te handhaven. Er is gekozen voor het aanplanten van nieuwe bomen, omdat de eerste rij langs de weg hoe dan ook geheel moet worden gerooid en de tweede rij grotendeels. De derde rij zou in theorie kunnen worden gehandhaafd. Voor het realiseren van een dubbele rij populieren is echter alleen ruimte door de achterste rij iets noordelijk op te schuiven. Verder stelt de minister dat de nieuwe bomen zorgen voor een rustig beeld met bomen van dezelfde leeftijd. Ook hoeft nieuwe aanplant niet te concurreren met bestaande bomen. In de afweging is volgens de minister ook meegenomen dat de populier een snelgroeiende boomsoort is waardoor snel een volgroeid beeld zal ontstaan. Verder licht de minister toe dat het verwijderen van de stobben van gerooide populieren en de wegwerkzaamheden zelf een negatief effect zouden hebben op populieren die wat betreft het ruimtebeslag eventueel behouden hadden kunnen blijven.
128.2. Uit detailkaart 7 volgt dat de strook grond waarop de populieren staan is aangewezen als "Maatregelvlak verkeersdoeleinden, zone landschappelijke inpassing". Ingevolge artikel 12 van het tracébesluit is hier de maatregel "Doortrekken populierenrijen en droogvallende waterbergingsgebieden" voorzien. Uit het landschapsplan volgt dat hier een dubbele populierenrij zal worden herplant.
128.3. Gelet op de hiervoor weergegeven toelichting heeft de minister naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten om de bestaande populierenrijen niet te behouden en te kiezen voor nieuwe aanplant.
129. [appellant sub 34] stelt ook dat de te kappen populieren door roofvogels worden gebruikt. Voordat de nieuw te planten bomen voldoende gegroeid zijn om het huidige gebruik mogelijk te maken, zijn vele jaren verstreken, aldus [appellant sub 34].
129.1. Gelet op bijlage 1 van het Deelrapport soortenbescherming zijn in de omgeving van [appellant sub 34] nesten van buizerds aangetroffen (p. 38-39 en kaart 7d). Gesteld noch gebleken is echter dat de te kappen populieren bij [appellant sub 34] zelf jaarrond beschermde nesten herbergen. Voor zover moet worden aangenomen dat de bomen behoren tot het leefgebied van buizerds is van belang dat volgens het Deelrapport er voldoende overig leefgebied in de omgeving voorhanden blijft. Daarom bestaat in zoverre geen reden voor het oordeel dat het tracébesluit niet voldoet aan het hiervoor onder 103 weergegeven toetsingskader. Om deze redenen faalt het betoog.
Stiltegebied "Weide Oude Rijnstrangen"
130. Strijdbaar Angeren en anderen, Stichting Milieuvrienden Duiven en GNMF wijzen erop dat het tracé door het stiltegebied "Weide Oude Rijnstrangen" loopt. Volgens Strijdbaar Angeren en anderen is van belang dat het stiltegebied op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder b, van de Wnb als zodanig is aangewezen in de Omgevingsverordening Gelderland. Omdat het tracé zorgt voor een toename van geluid in het gebied, is het tracébesluit volgens Strijdbaar Angeren en anderen in strijd met het "stand still - step forward"-principe van de provincie. Ook GNMF is van mening dat het tracé in strijd is met de Omgevingsverordening. Strijdbaar Angeren en anderen en Stichting Milieuvrienden Duiven vinden dat maatregelen moeten worden getroffen om het stiltegebied te beschermen.
130.1. De Afdeling stelt vast dat de Omgevingsverordening Gelderland geen regels bevat voor de bescherming van stiltegebieden die de minister bij de vaststelling van het tracébesluit in acht moet nemen. De minister is op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb wel verplicht om de gevolgen voor het stiltegebied in zijn belangenafweging te betrekken.
130.2. In hoofdstuk 6 van het Hoofdrapport van het akoestisch onderzoek is ingegaan op de toename van de geluidbelasting in het stiltegebied als gevolgd van het tracé. Er staat:
"In de autonome situatie blijkt het gebied met een geluidbelasting die hoger is dan 40 dB(A) ongeveer 6% groter dan in de huidige situatie.
Na de aanleg van de A15 zou dit oppervlak zonder geluidbeperkende maatregelen toenemen tot ca. 26%. Met tweelaags ZOAB op de A15 neemt dit weer af tot ca. 20%."
De toename van de geluidbelasting kan volgens het rapport alleen worden beperkt door een afscherming over een lengte van ongeveer 3,3 km aan de zuidzijde van de A15 en 1,5 km aan de noordzijde. De kosten en de invloed op het landschap hiervan staan volgens de minister echter niet in verhouding tot de aantasting.
130.3. Het akoestisch onderzoek is met het wijzigingsbesluit bijgewerkt:
"In de autonome situatie blijkt het gebied met een geluidbelasting die hoger is dan 40 dB(A) ongeveer 7% groter dan in de huidige situatie.
Na de aanleg van de A15 zou dit oppervlak zonder geluidbeperkende maatregelen toenemen tot circa 32%. Met tweelaags ZOAB op de A15 neemt dit weer af tot circa 23%."
Deze toename kan alleen worden tegengegaan met dezelfde maatregel als die in het eerdere onderzoek is beschreven. De afweging verandert voor de minister daarom niet.
130.4. De Afdeling is van oordeel dat de minister op basis van de hiervoor weergegeven feiten in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van het beschermen van het landschap en het voorkomen van extra kosten dan aan het voorkomen van een hogere geluidbelasting in het stiltegebied. Daarom falen de betogen.
131. GNMF stelt dat het tracé leidt tot aantasting van de kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk. Dit is alleen toegestaan als er geen alternatieven zijn, maar die zijn er in dit geval wel, namelijk een Regiocombi-alternatief of een tunnel onder het Pannerdensch Kanaal. Verder stelt GNMF dat de minister te weinig gewicht heeft toegekend aan het "nee, tenzij"-principe en de noodzaak van de aantasting onvoldoende heeft gemotiveerd.
In het door GNMF overgelegde rapport van EcoNatura staat verder dat het tracé leidt tot aantasting van meerdere kernkwaliteiten waaraan in het Deelrapport soortenbescherming voorbij is gegaan, waaronder de kernkwaliteit "zeer rijk leefgebied steenuil" voor het gebied Overbetuwe. Daarnaast is volgens haar het deelgebied De Liemers west ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling.
131.1. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) is bepaald dat bij provinciale verordening de gebieden worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen (titel 2.10). Provinciale staten van Gelderland hebben dat gedaan in de Omgevingsverordening Gelderland. Het Natuurnetwerk Nederland is daarin aangeduid als Gelders Natuurnetwerk. Ook voorziet de Omgevingsverordening in bescherming van de aan dit netwerk gerelateerde Gelderse Ontwikkelingszone.
Het Barro bepaalt niet dat de minister bij het vaststellen van een tracébesluit de regels over het Natuurnetwerk Nederland in acht moet nemen. Op bestemmingsplannen die later door gemeenten moeten worden vastgesteld om het tracébesluit in vast te leggen, is het Barro niet van toepassing op grond van artikel 1.2, aanhef en onder b. De minister was bij het vaststellen van het tracébesluit dus niet gebonden aan de regels over het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone in de Omgevingsverordening Gelderland. Dit neemt niet weg dat de minister de gevolgen voor deze gebieden op basis van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb in zijn belangenafweging moest betrekken.
131.2. De minister heeft de gevolgen van het tracé voor het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone beoordeeld in hoofdstuk 6 van het Deelrapport soortenbescherming. Daarin staat in dit verband dat het tracé twee beschermde gebieden doorsnijdt: de Overbetuwe en de Gelderse Poort. De beoordeling richt zich alleen op plekken waar als gevolg van het tracébesluit een bestemmingswijziging binnen het Gelders Natuurnetwerk of de Gelderse Ontwikkelingszone ontstaat en sluit aan bij de beoordeling van de gebieds- en soortenbescherming op grond van de Wnb.
Op deze manier is de minister tot de conclusie gekomen dat vanwege ruimtebeslag een aantasting van de kernkwaliteiten plaatsvindt van gedeelten van het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone binnen zowel de Overbetuwe als de Gelderse Poort. Volgens de minister is deze aantasting te rechtvaardigen omdat het tracé een zwaarwegend maatschappelijk belang dient. De minister zal in totaal 16,1 ha van verschillende beheertypen compenseren in de zoekgebieden Park Lingezegen en Oude Rijnstrangen (in de Gelderse Poort).
131.3. Anders dan GNMF is de Afdeling van oordeel dat de minister voor zijn belangenafweging als uitgangspunt heeft mogen nemen dat alleen voor plekken waar het tracé leidt tot een bestemmingswijziging in het Gelders Natuurnetwerk of de Gelderse Ontwikkelingszone een mogelijke aantasting van de kernkwaliteiten hoeft te worden beoordeeld. GNMF heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de plekken waarvoor het tracé leidt tot een bestemmingswijziging meer of andere kernkwaliteiten aanwezig zijn dan waarvan de minister is uitgegaan. De Afdeling ziet in het betoog van GNMF daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone voldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken. Daarom faalt het betoog.
132. In de toelichting van het tracébesluit staat dat het project voldoet aan de regels over luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer.
Het project past volgens de toelichting binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL). Daarom kan het tracébesluit wat betreft stikstofdioxiden (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) worden vastgesteld op basis van artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer
Verder staat er in de toelichting dat het tracébesluit niet zorgt voor een overschrijding van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM2,5). Daarom kan het tracébesluit volgens de toelichting in zoverre worden vastgesteld op basis van artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer.
133. Voor de beoordeling van de beroepsgronden door de Afdeling betekent dit het volgende. Wat betreft stikstofdioxiden (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) gaat het om de vraag of in hetgeen appellanten hebben aangevoerd grond is gelegen voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het tracébesluit is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met het NSL. Voor zover het tracébesluit berust op het NSL kan een afzonderlijke beoordeling van de gevolgen van het tracébesluit voor de luchtkwaliteit voor de grenswaarden die zijn opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer (artikel 5.16, derde lid, van de Wet milieubeheer) achterwege blijven.
Wat betreft de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM2,5) gaat het om de vraag of de beroepsgronden aanleiding geven voor het oordeel dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat blijkens de monitoringstool het tracé niet leidt tot een overschrijding daarvan.
134. Er zijn beroepsgronden naar voren gebracht over toepasselijke regelgeving, de deugdelijkheid van het NSL zelf, de NSL-melding van het tracébesluit, de kenbaarheid van de resultaten en gehanteerde uitgangspunten. Ten slotte zijn bezwaren naar voren gebracht over luchtkwaliteit ter plaatse van woningen en monitoring.
Toepasselijke regelgeving
135. Stichting Milieuvrienden Duiven stelt dat er volgens de zienswijzennota geen Europese normen voor zwevende deeltjes (PM2,5) zijn vastgesteld maar toch steeds wordt benadrukt dat aan alle wetgeving wordt voldaan. Volgens Stichting Milieuvrienden Duiven worden Europese regels niet nageleefd.
135.1. De Afdeling stelt vast dat de minister heeft gesteld dat wordt voldaan aan de grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM2,5) in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Deze grenswaarde is ontleend aan de Luchtkwaliteitsrichtlijn. Het betoog mist feitelijke grondslag.
Deugdelijkheid van het NSL zelf
136. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat de minister het tracébesluit niet had mogen vaststellen onder verwijzing naar het NSL. Zij stellen dat de doelstelling van het NSL niet overal binnen het toepassingsgebied van het programma is gehaald. Het NSL had volgens Strijdbaar Angeren en anderen moeten bewerkstelligen dat per 1 januari 2015 wordt voldaan aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dat is volgens hen niet het geval. Het toevoegen van nieuwe projecten of het wijzigen daarvan in het NSL moet volgens Strijdbaar Angeren en anderen worden aangemerkt als een schending van artikel 5.12 van de Wet milieubeheer en de Europese luchtkwaliteitsrichtlijnen. Volgens Strijdbaar Angeren en anderen is het NSL uit balans en is daardoor toepassing van artikel 5.16, eerste lid onder d, van de Wet milieubeheer niet aan de orde.
136.1. De Afdeling begrijpt het betoog zo dat volgens Strijdbaar Angeren en anderen het NSL niet of niet langer is gericht op het bereiken van de grenswaarden en daarom niet voldoet aan artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waardoor geen toepassing kon worden gegeven aan artikel 5.16, eerste lid onder d van de Wet milieubeheer. Het enkele feit dat in het toepassingsgebied van het NSL zich op bepaalde plekken overschrijdingen van grenswaarden voordoen, is echter niet voldoende voor het oordeel dat het NSL niet is gericht op het bereiken van de grenswaarden en daarmee in strijd is met artikel 5.12, eerste lid van de Wet milieubeheer. Zoals volgt uit het eerste lid van artikel 5.12 is de reden voor het vaststellen van een programma zoals het NSL juist dat een grenswaarde wordt overschreden of dreigt te worden overschreden. Voor het tracébesluit dat in deze procedure ter beoordeling staat is van belang - zoals hiervoor in de inleiding is toegelicht - of het opnemen van het tracé in het NSL ertoe leidt dat het NSL niet meer kan worden geacht te zijn gericht op het bereiken van de grenswaarden waarvoor het is vastgesteld. Dat zal hierna meer specifiek beoordeeld worden. Het is in ieder geval niet zo dat de minister het tracébesluit niet mocht vaststellen onder verwijzing naar het NSL om de enkele reden dat binnen het toepassingsgebied van het NSL, maar buiten het invloedsgebied van het tracé, grenswaarden worden overschreden. Dit levert ook geen strijd op met de Europese luchtkwaliteitsrichtlijnen, mede omdat Strijdbaar Angeren niet hebben gesteld dat de Europese luchtkwaliteitsrichtlijnen niet juist zijn geïmplementeerd. Daarom faalt het betoog.
137. Strijdbaar Angeren en anderen betogen verder dat in de 8ste NSL-melding van 17 mei 2016 ten onrechte niet is aangegeven wat het effect van het tracé op de luchtkwaliteit is. Dit is volgens hen in strijd met artikel 5.12, twaalfde lid, van de Wet milieubeheer. Zij wijzen erop dat volgens de beantwoording van vraag 5 van het meldingsformulier geen concentratieberekeningen zijn uitgevoerd om aannemelijk te maken dat het nieuwe project per saldo past binnen of in elk geval niet in strijd is met het NSL.
137.1. De minister stelt dat de kenmerken van het tracé zoals het tracébesluit dat mogelijk maakt overeenkomen met de in het NSL opgenomen projectkenmerken, inclusief de NSL-melding van 17 mei 2016. Bij de 8ste NSL-melding zijn geen fysieke wijzigingen doorgevoerd.
Ter zitting heeft de minister gesteld dat de overkapping bij Helhoek geen onderdeel uitmaakt van de 8ste NSL-melding, maar wel van de 9e NSL-melding van 26 april 2017. In het kader van die melding is beoordeeld wat de gevolgen van die wijziging voor de luchtkwaliteit rondom het tracé zijn. Uit de berekeningen die zijn uitgevoerd met de NSL Monitoringstool blijkt volgens de minister dat de jaargemiddelde concentraties zwevende deeltjes en stikstofdioxide zodanig laag zijn dat het aannemelijk is dat het project past binnen of in ieder geval niet in strijd is met het NSL.
137.2. Het project A12/A15 is opgenomen in de 8e NSL melding Infrastructuur en Milieu van 17 mei 2016 als projectnummer 1901. Bij de omschrijving van het project staat:
"Wegverbreding van A15 naar 2x3 rijstroken tussen knooppunt A15/A50 Valburg en knooppunt A15/A325 Ressen. Vanaf knooppunt A15/A325 Ressen wordt een nieuwe 2x2 autosnelweg (verbreding tussen knpt Ressen en aansluiting Bemmel van bestaande 2x1 naar 2x2 met weefstrook) gerealiseerd tot aan de A12. Maximumsnelheid op dit traject is permanent 130 km/u. Er worden 2 nieuwe aansluitingen gerealiseerd: ter hoogte van de N839 bij Bemmel en de N810 tussen Duiven en Zevenaar. De A15 gaat met een brug over het Pannerdensch kanaal en heeft een halfverdiepte ligging die start ter hoogte van de Schraleweidsestraat in de gemeente Duiven (nabij Groessen) en welke doorloopt tot aan de A12.
- Wegverbreding van de A12 naar 2x4 rijstroken tussen aansluiting Westervoort en aansluiting Duiven en vanaf aansluiting Duiven tot aan knooppunt A12/A18 Oud-Dijk een wegverbreding naar 2x3 rijstroken. De bestaande aansluiting Zevenaar wordt gesloten en een nieuwe aansluiting Zevenaar-Oost wordt gerealiseerd. Tussen het nieuwe knooppunt A12/A15 Zevenaar en de nieuwe aansluiting Zevenaar-Oost heeft de zuidbaan 4 rijstroken."
137.3. In de toelichting bij het tracébesluit staat dat bij toetsing aan het NSL is gebleken dat de overkapping van de A15 ter hoogte van Helhoek niet in de projectkenmerken van het NSL is beschreven. De overkapping heeft een lengte van meer dan 100 m en is daarmee modelmatig te beschouwen als een tunnel. Tunnels hebben invloed op de luchtkwaliteit en moeten daarom specifiek worden beschouwd bij het beoordelen van de luchtkwaliteit. Omdat de overkapping niet in de NSL-projectkenmerken is opgenomen, is apart beoordeeld of deze afwijking leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Uit berekeningen blijkt dat de maximale concentratie van stikstofdioxide, fijnstof en ultra fijnstof bij de NSL-toetspunten langs de tunnelmonden ruim onder de grenswaarden blijven, aldus de toelichting bij het tracébesluit.
137.4. Over de stelling van Strijdbaar Angeren en anderen dat bij de 8ste NSL-melding ten onrechte geen concentratieberekeningen zijn overgelegd, overweegt de Afdeling als volgt.
In artikel 5.12, twaalfde lid, van de Wet milieubeheer is voorgeschreven dat "bij de betreffende melding aannemelijk wordt gemaakt dat die gewijzigde, vervangende of nieuwe maatregelen, ontwikkelingen of besluiten per saldo passen binnen of in elk geval niet in strijd zijn met het programma". Zoals de Afdeling in de uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596, heeft overwogen is in dat artikel niet bepaald dat bij de melding concentratieberekeningen moeten worden overgelegd. Volgens het meldingsformulier dat bij de 8ste NSL-melding is gevoegd moet een kwalitatieve onderbouwing worden overgelegd als de vraag of er concentratieberekeningen zijn overgelegd met "nee" wordt beantwoord. Het meldingsformulier verwijst in dit verband naar bijlage 3 bij de 8ste NSL-melding. Daar is wat betreft het project "A15 Doortrekking Ressen - Zevenaar" aangegeven wat de aard van de wijzigingen van het project in het NSL is. Vervolgens is aangegeven dat de wijziging - in dit geval alleen de verschuiving van het realisatiejaar van het project van "2019/2021" naar "2021/2023" - niet zal leiden tot een gewijzigd effect ten opzichte van het NSL. Ook zijn de maximale concentraties luchtverontreinigende stoffen aangegeven voor zowel 2020 als 2030. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat de 8ste NSL-melding in strijd is met de Wet milieubeheer. Het betoog geeft in zoverre dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister het tracébesluit niet op het NSL heeft mogen baseren, waarbij de Afdeling tevens betrekt dat in de toelichting bij het tracébesluit is ingegaan op de overkapping bij Helhoek en deze specifiek is beoordeeld. Daaruit is gebleken dat de maximale concentratie van stikstofdioxide, fijnstof en ultra fijnstof bij de NSL-toetspunten langs de tunnelmonden ruim onder de grenswaarden blijven. Strijdbaar Angeren en anderen hebben de specifieke beoordeling van de overkapping bij Helhoek niet bestreden.
138. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat uit het tracébesluit en de daarbij behorende stukken niet kan worden afgeleid of kan worden voldaan aan de blootstellingsconcentratieverplichting voor zwevende deeltjes (PM2,5) in voorschrift 4.6 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer. Hetzelfde geldt volgens hen voor de vraag of kan worden voldaan aan de richtwaarden voor de vermindering van de blootstelling van de mens aan fijnstof als bedoeld in voorschrift 4.7 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer. Het NSL bevat volgens Strijdbaar Angeren en anderen geen afdoende maatregelen om de blootstellingsconcentratieverplichting of de richtwaarde te waarborgen.
Ter zitting hebben zij hieraan toegevoegd dat de blootstellingsconcentratieverplichting voor zwevende deeltjes (PM2,5) in voorschrift 4.6 van bijlage 2 wel degelijk een grenswaarde is, anders dan de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596.
138.1. In artikel 5.7, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn de volgende definities opgenomen:
- blootstellingsconcentratieverplichting: een op grond van de gemiddelde blootstellingsindex bepaald kwaliteitsniveau met het doel de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens te verminderen, waaraan binnen een bepaalde termijn moet worden voldaan;
- grenswaarde: kwaliteitsniveau met als doel schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu als geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, wanneer het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden;
- richtwaarde: kwaliteitsniveau dat is vastgesteld met het doel om schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu als geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen en dat voor zover mogelijk binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt.
In bijlage 2 van de Wet milieubeheer is bepaald wat voor zwevende deeltjes (PM2,5) de richtwaarde (voorschrift 4.3 voor de jaargemiddelde concentratie), grenswaarde (voorschrift 4.4) en blootstellingsconcentratieverplichting (voorschrift 4.6) zijn.
138.2. In titel 5.2 van de wet zijn voor deze verschillende soorten waarden te onderscheiden verplichtingen opgenomen. Zo voorziet artikel 5.12, eerste lid, in het vaststellen van een programma voor het bereiken van een grenswaarde als die wordt overschreden of dreigt te worden overschreden. In artikel 5.16 is - voor zover hier van belang - de mogelijkheid opgenomen om bij het vaststellen van een besluit zoals een tracébesluit aannemelijk te maken dat grenswaarden niet worden overschreden of dat het besluit past binnen of in ieder geval niet in strijd is met een programma zoals bedoeld in artikel 5.12. Verder is in artikel 5.12a een verplichting opgenomen om maatregelen te treffen als de blootstellingsconcentratieverplichting dreigt te worden overschreden. Deze maatregelen kunnen ook in het NSL-programma worden opgenomen. Ditzelfde geldt voor maatregelen die op grond van artikel 5.17 worden genomen om de richtwaarden te bereiken.
138.3. Gelet op de verschillende definities, waarden en verplichtingen deelt de Afdeling niet het standpunt van Strijdbaar Angeren en anderen dat de blootstellingsconcentratieverplichting in voorschrift 4.6 van bijlage 2 een grenswaarde zou zijn. Uit artikel 5.16, eerste lid, aanhef, en het tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer volgen voor de minister bij het vaststellen van een tracébesluit geen specifieke verplichtingen ten aanzien van de blootstellingsconcentratieverplichting voor zwevende deeltjes (PM2,5). Hetzelfde geldt voor de richtwaarden.
Verder is van belang dat maatregelen die voor deze waarden worden getroffen in het NSL kunnen worden opgenomen, maar dat dit niet verplicht is. Alleen al hierom bestond in zoverre ook geen belemmering voor de minister om het tracébesluit vast te stellen onder verwijzing naar het NSL.
139. [appellant sub 11], [appellant sub 16], [appellant sub 7], [appellant sub 13], [appellant sub 24], [appellant sub 22], [appellant sub 35], [appellant sub 12], [appellante sub 39], [appellant sub 36], [appellant sub 1], [appellante sub 33] en [appellante sub 26] betogen dat de rekenmodellen waarmee het mogelijk is om de luchtkwaliteit te berekenen in de stukken bij tracébesluit ontbreken. Deze modellen zijn volgens hen ook niet raadpleegbaar via de website www.nsl-monitoring.nl. Ook is niet inzichtelijk gemaakt of bij de berekening rekening is gehouden met de best beschikbare technieken en wat de invloed daarvan is op de luchtkwaliteit. Hierdoor zijn de huidige en verwachte concentraties van de uitstoot van stoffen ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt. Nu deze informatie ontbreekt, is volgens appellanten onvoldoende onderbouwd dat er geen maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de grenswaarden.
139.1. Uit artikel 71, eerste lid, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit volgt dat het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht bij wegen plaatsvindt overeenkomstig standaardrekenmethode 1 en 2 zoals beschreven in de RIVM Briefrapporten 2014-0127 en 2014-0109. Uit artikel 77 van de Regeling volgt dat deze methoden ook moeten worden toegepast voor het NSL. De minister was niet verplicht deze bij het tracébesluit te overleggen.
139.2. Voor zover appellanten stellen dat niet inzichtelijk is gemaakt wat de concentraties zijn van stoffen in de buitenlucht is van belang dat in de toelichting van het tracébesluit is verwezen naar de NSL Monitoringstool. Deze is via het internet te raadplegen. Volgens de NSL Monitoringstool ontstaan langs het tracé geen overschrijdingen van de grenswaarden. Appellanten hebben niets aangevoerd dat hieraan doet twijfelen. Alleen al hierom kan het betoog niet slagen.
Gehanteerde uitgangspunten
140. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat het onduidelijk is met welke verkeersaantallen is gerekend in het kader van de 8ste NSL-melding. Volgens hen is onduidelijk of bij de gehanteerde verkeersgegevens is uitgegaan van het heffen van tol en is daarnaast onvoldoende rekening gehouden met het feit dat het heffen van tol een tijdelijke situatie betreft. Dit betekent volgens Strijdbaar Angeren en anderen dat de verkeersgegevens te laag en dus niet representatief zijn.
140.1. Hiervoor onder 21.3 is al overwogen dat de minister bij de vaststelling van het tracébesluit verplicht was om uit te gaan van tolheffing. Verder is van belang dat in de NSL Monitoringstool is vermeld van hoeveel motorvoertuigen voor de verschillende wegvakken is uitgegaan. Alleen al om deze redenen faalt het betoog.
141. [appellant sub 21] stelt dat bij de te nemen maatregelen de uitstoot van CO2 en fijnstof van het verkeer op het snelfietspad een rol moet spelen.
141.1. De minister stelt dat uit de NSL Monitoringstool volgt dat er op de wettelijke beoordelingspunten nergens overschrijdingen optreden van de grenswaarden van de relevante luchtverontreinigende stoffen. Op het dichtst bij de woning van [appellant sub 21] gelegen toetspunt (nummer 15825143) liggen de jaargemiddelde concentraties ruim onder de norm. Gelet op de lage concentraties zullen de emissies van brom- of snorfietsen die gebruik maken van de brug niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit, aldus de minister.
141.2. [appellant sub 21] heeft de toelichting van de minister niet gemotiveerd weersproken. De Afdeling ziet dan ook niet dat de minister het NSL niet had mogen hanteren.
142. Stichting Milieuvrienden Duiven voert aan dat cumulatieve effecten van de Betuweroute en de A15 op de luchtkwaliteit slechts zijn meegenomen in het ontwerp als de grenswaarde door de A15 in zicht komt. Er is weinig rekening gehouden met heersende windrichtingen. Stichting Milieuvrienden Duiven maakt daar bezwaar tegen en vindt dat cumulatieve effecten altijd moeten worden meegenomen.
[appellant sub 37] betoogt dat de emissies van fijnstof op onjuiste wijze en onvoldoende zijn onderzocht. In dit verband wijst hij erop dat er diesellocomotieven met open kolenwagons over de Betuwelijn rijden en dat de emissies daarvan op onjuiste wijze en onvoldoende zijn betrokken bij het onderzoek.
142.1. Uit de NSL Monitoringstool volgt dat voor zwevende deeltjes rekening wordt gehouden met de achtergrondconcentratie overeenkomstig de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland van het RIVM. In hetgeen Stichting Milieuvrienden Duiven en [appellant sub 37] naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de stelling van de minister dat door rekening te houden met die achtergrondconcentratie alle relevante bronnen, waaronder de Betuweroute, in de berekening zijn betrokken. In zoverre ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat de minister niet had mogen uitgaan van het NSL.
143. [appellant sub 18] en [appellant sub 6] vinden de ontwikkelingen omtrent het aantal verkeersbewegingen op het tracé nog allerminst zeker, waardoor niet gesteld kan worden dat de grenswaarden niet overschreden zullen worden. Zij willen meer inzicht in de maatregelen die worden genomen om de risico’s te beperken.
[appellanten sub 8] vrezen dat er meer verkeer op het tracé zal komen te rijden dan de minister nu heeft berekend. Zij voeren aan dat onvoldoende onderzoek is verricht naar maatregelen die de uitstoot van schadelijke stoffen kunnen beperken, zoals geluidswallen die fijn stof opvangen. Ook [appellant sub 11] vindt dat onvoldoende maatregelen zijn genomen om de uitstoot van fijn stof te verminderen.
143.1. Het tracébesluit - en de daaraan verbonden besluitvorming over het NSL - berust op het verkeersmodel NRM. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat verkeersmodellen noodzakelijkerwijs uit de aard van de zaak altijd een abstractie van de te verwachten werkelijkheid weergeven en dat de validiteit van een model, zoals het NRM, pas wordt aangetast wanneer de uitkomsten te zeer van de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid afwijken. Appellanten hebben hierover geen concrete bezwaren naar voren gebracht. Daarom ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat het NSL na het daarin opnemen van het tracé niet langer is gericht op het behalen van de grenswaarden voor stikstofdioxiden (NO2) en zwevende deeltjes (PM10). Voor zover appellanten vinden dat het tracébesluit maatregelen voor de luchtkwaliteit had moeten bevatten, wijst de Afdeling erop dat in het NSL is vastgelegd welke maatregelen in dit verband getroffen moeten worden.
Omdat er geen reden is om te twijfelen aan de berekende verkeersintensiteiten, geven de betogen ook geen reden voor twijfel aan het standpunt van de minister dat het tracé niet leidt tot het overschrijden van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM2,5). Dit standpunt berust namelijk op hetzelfde verkeersmodel.
Ook hierin ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat de minister zich niet op het NSL mocht baseren.
Luchtkwaliteit ter plaatse van woningen
144. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat noch het tracébesluit, noch de daarbij gevoegde documenten informatie bevatten over de luchtkwaliteit ter plaatse van de woningen van appellanten. Dit is volgens hen in strijd met artikel 6, zesde lid, van het Verdrag van Aarhus.
[appellanten sub 38] maakt zich zorgen over de hoeveelheid stikstofdioxide in zijn woonomgeving. Er wordt in de stukken volgens hem veel geschreven over het Programma Aanpak Stikstof, maar informatie over de gevolgen voor de direct omwonenden is niet te vinden.
144.1. Voor zover Strijdbaar Angeren en anderen en [appellanten sub 38] vinden dat de minister informatie over de luchtkwaliteit bij woningen had moeten verschaffen, wijst de Afdeling erop dat bij het toepassen van de regels over luchtkwaliteit in titel 5.2 van de Wet milieubeheer geldt dat het door berekenen vaststellen van concentraties van relevante stoffen in de buitenlucht bij voor motorvoertuigen bestemde wegen gebeurt op representatieve punten in de nabijheid van de weg. Dit volgt uit artikel 70 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit. Een verplichting om informatie over concentraties bij woningen te verschaffen, was er voor de minister daarom niet.
144.2. Artikel 6, zesde lid, van het Verdrag van Aarhus waarop Strijdbaar Angeren en anderen zich beroepen gaat over de inspraak over een project. In dit geval is daarom het ontwerp-tracébesluit van belang. In paragraaf 4.2 van de toelichting van het ontwerp is uiteengezet waarom de minister van mening is dat het ontwerp-tracé voldoet aan het toepasselijke wettelijke kader voor luchtkwaliteit: het tracé is wat betreft stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) opgenomen in het NSL en wat betreft zwevende deeltjes (PM2,5) volgt uit de NSL Monitoringstool dat de grenswaarde niet wordt overschreden. De precieze berekende waarden voor de concentraties van de relevante stoffen op de hiervoor genoemde punten zijn niet in of bij het ontwerp-tracébesluit vermeld, maar waren wel te vinden in de NSL Monitoringstool waarnaar in de toelichting is verwezen. Daarmee was alle informatie over luchtkwaliteit die relevant is voor de besluitvorming voor het betrokken publiek beschikbaar, zodat is voldaan aan artikel 6, zesde lid, van het Verdrag van Aarhus. Daarom kan in het midden blijven in hoeverre Strijdbaar Angeren en anderen daarop in deze procedure een rechtstreeks beroep kunnen doen.
145. Stichting Milieuvrienden Duiven, [appellant sub 37] en [appellanten sub 38] betogen dat een waarborg voor de monitoring van fijnstof en stikstofdioxide ontbreekt. Stichting Milieuvrienden Duiven pleit voor ten minste één meetpunt langs de weg, zodat een nulmeting kan worden uitgevoerd en er een uitgangspunt is voor het monitoren van mogelijke verslechtering van luchtkwaliteit ter plaatse.
[appellant sub 37] wil dat minimaal een jaar lang de fijnstofproductie op en om zijn woning wordt gemeten. Deze meting dient volgens hem elke vijf jaar te worden herhaald.
[appellanten sub 38] betoogt dat weliswaar een jaarlijkse monitoring voor zwevende deeltjes (PM10) is gewaarborgd, maar die ontbreekt volgens hem voor zwevende deeltjes (PM2,5).
145.1. Artikel 15 van het tracébesluit luidt:
"1. De minister van Infrastructuur en Milieu zal, conform artikel 23 van de Tracéwet, de gevolgen van de ingebruikname van de aangelegde en gewijzigde weg onderzoeken. Het onderzoek richt zich op de milieuaspecten: geluidhinder, luchtkwaliteit en natuur.
2. Indien uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van een overschrijding van normen die gelden voor de in het eerste lid genoemde milieuaspecten, dan wordt via de daarvoor geldende wettelijke beschermingsregimes, zo nodig planmatig, in maatregelen voorzien.
3. Het onderzoek zal aanvangen 1 jaar na ingebruikname van de weg met bijbehorende voorzieningen en uiterlijk binnen 1 jaar na aanvang onderzoek worden afgerond."
145.2. Het tracébesluit verplicht de minister om na de ingebruikname van het tracé de gevolgen daarvan voor de luchtkwaliteit te onderzoeken. De minister was niet verplicht om in het tracébesluit in meer of andere vormen van monitoring te voorzien. Overigens wijst de Afdeling erop dat ook in het kader van het NSL monitoring van de luchtkwaliteit plaatsvindt, zodat in zoverre aan de zorgen van appellanten tegemoet wordt gekomen. Het beroep van appellanten faalt.
Kaderrichtlijn Water: lozen van afstromend hemelwater
146. [appellant sub 1], [appellant sub 7], [appellant sub 11], [appellant sub 13], [appellant sub 12], [appellant sub 16], [appellante sub 26], [appellant sub 22], [appellant sub 24], [appellante sub 33], [appellant sub 35], [appellant sub 36] en [appellante sub 39] wijzen erop dat volgens het Deelrapport waterplan van de weg afstromend hemelwater bij voorkeur op of in de bodem wordt geloosd, maar als dat redelijkerwijs niet mogelijk is kan worden geloosd op een waterlichaam. In paragraaf 4.2 van het Deelrapport is beschreven dat er op diverse plaatsen bij het tracé voorzieningen worden aangebracht voor de afvoer van water naar aanliggende waterlichamen. Appellanten betogen dat de minister onderzoek had moeten doen naar de huidige en de te verwachten chemische en ecologische kwaliteit van deze waterlichamen. Omdat de minister dit heeft nagelaten, kan volgens hen niet worden vastgesteld of het tracébesluit wel voldoet aan de Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327; hierna: KRW)). Appellanten wijzen in dit verband op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 1 juli 2015 (C-461/13).
146.1. De minister stelt zich primair op het standpunt dat deze beroepsrond niet kan slagen, omdat het relativiteitsvereiste daaraan in de weg staat. De Waterwet, waarin de KRW is geïmplementeerd, strekt tot bescherming van de belangen van de ecologische en chemische kwaliteit van het watersysteem en niet ter bescherming van de belangen van appellanten.
De minister stelt zich subsidiair op het standpunt dat in paragraaf 4.2 van het Deelrapport waterplan is geconstateerd dat er geen achteruitgang optreedt van de kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen. De ecologische toestand blijft als gevolg van de in het Deelrapport waterplan beschreven maatregelen onveranderd. Daarnaast worden er ten aanzien van de chemische toestand maatregelen getroffen om de verontreiniging van het watersysteem te voorkomen. Als gevolg hiervan leidt het afstromende regenwater van het tracé niet tot achteruitgang van de toestand van grondwaterlichamen en komt het tijdig bereiken van een goede grondwatertoestand niet in gevaar, aldus de minister.
146.2. Voor het lozen van water afkomstig van rijkswegen en daarbij behorende kunstwerken zoals bruggen zijn op basis van hoofdstuk 6 van de Waterwet regels gesteld in artikel 3.5 van het Besluit lozen buiten inrichtingen. Daaruit volgt - kort samengevat - dat het lozen op of in de bodem is toegestaan en als dat redelijkerwijs niet mogelijk is, mag worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Hierbij geldt de voorwaarde dat verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam moet worden voorkomen dan wel zoveel mogelijk moet worden beperkt (artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit).
Er zijn geen specifieke regels over lozen die de minister bij het vaststellen van het tracébesluit in acht moet nemen. Dit neemt niet weg dat van de minister mag worden verwacht dat hij bij het vaststellen van het tracébesluit over een hoofdweg beoordeelt hoe kan worden voldaan aan de hiervoor bedoelde regels in het Besluit lozen buiten inrichtingen (dit volgt uit artikel 3:2 van de Awb). Voor zover nodig moet de minister daarvoor in het tracébesluit voorzieningen opnemen (op basis van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Tracéwet).
146.3. In paragraaf 4.2 van het Deelrapport waterplan is beschreven hoe in dit geval aan de regels in het Besluit lozen buiten inrichtingen kan worden voldaan. Kort samengevat vindt voor het grootste deel van het tracé infiltratie van afstromend hemelwater plaats in de berm. Een berm van minstens vier meter breed tussen de weg en een watergang en toepassing van ZOAB zorgt volgens het Deelrapport voor voldoende zuivering van het water. Daar waar geen berm is of waar de berm smaller is, wordt een zuiverende voorziening toegepast. Voor grotere oppervlakten, zoals bij de brug over het Pannerdensch Kanaal en de verdiepte ligging bij Groessen, is de zuiverende voorziening opgenomen op de kaarten van het tracébesluit. De conclusie van het Deelrapport water is dat door het treffen van deze maatregelen oppervlaktewateren in de buurt van het tracé niet in kwaliteit achteruit zullen gaan.
146.4. Uit het Deelrapport waterplan volgt dat de minister heeft beoordeeld hoe kan worden voldaan aan het Besluit lozen buiten inrichtingen. Ook bevat het tracébesluit hiervoor de nodige voorzieningen. Appellanten hebben hiertegen geen bezwaren naar voren gebracht. Zij betogen dat de minister onderzoek had moeten doen naar de huidige en de te verwachten chemische en ecologische kwaliteit van waterlichamen, maar naar het oordeel van de Afdeling was dit niet nodig om te bepalen of aan het Besluit lozen buiten inrichtingen kan worden voldaan.
Voor zover appellanten wijzen op de Kaderrichtlijn Water stelt de Afdeling vast dat niet is gesteld dat deze richtlijn niet correct zou zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving, zodat daar verder niet op ingegaan hoeft te worden.
Het betoog faalt. De Afdeling laat verder onbesproken of artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg staat dat het tracébesluit vanwege dit betoog wordt vernietigd.
147. De rijkswegen A12 en A15 zijn, inclusief de verlenging van de A15 met aansluiting op de A12 zoals mogelijk gemaakt in het tracébesluit, vermeld op de geluidplafondkaart in de bijlage van de Regeling geluidplafondkaart milieubeheer. Daarom moet de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de A12 en de A15 worden beoordeeld aan de hand van titel 11.3 van de Wet milieubeheer.
Dit betekent, kort samengevat, het volgende. De minister moet voor de nieuw aan te leggen weg vastleggen wat de toegestane geluidproductie is. Dit doet hij door op referentiepunten verspreid aan weerszijden van de weg geluidproductieplafonds vast te stellen. Die worden uitgedrukt in Lden, een gewogen gemiddelde waarde waarbij rekening wordt gehouden met verschillen in geluidbeleving tijdens dag, avond en nacht. Om de hoogte van het geluidproductieplafond te bepalen, moet de minister een stappenplan volgen (artikel 11.30 van de Wet milieubeheer). Voor nieuwe situaties zonder bestaand geluidproductieplafond is het uitgangspunt dat de geluidbelasting van geluidgevoelige objecten, zoals woningen maximaal 50 dB is. Als er echter geen geluidbeperkende maatregelen in aanmerking komen waarmee aan deze waarde kan worden voldaan, dan mag daarvan worden afgeweken. De minister neemt een geluidbeperkende maatregel, zoals een stiller wegdek of een geluidscherm, niet in aanmerking als deze financieel niet doelmatig is of stuit op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard (artikel 11.29, eerste lid, van de Wet milieubeheer).
Voor het wijzigen van een bestaand geluidproductieplafond moet de minister hetzelfde stappenplan volgen, maar daarbij geldt een ander uitgangspunt: de maximale geluidbelasting van gevoelige objecten, zoals woningen, mag in beginsel niet hoger zijn dan het geval zou zijn bij volledige benutting van het bestaande geluidproductieplafond. Deze waarde wordt hierna ook wel aangeduid als "Lden GPP".
148. Voor provinciale en gemeentelijke wegen die door het tracébesluit worden aangelegd of gewijzigd moet de minister een akoestisch onderzoek uitvoeren op grond van de Wet geluidhinder (artikel 104a van die wet). Ook bij dit onderzoek moet de minister een afweging maken over het treffen van geluidbeperkende maatregelen. Dit kan ertoe leiden dat de minister in het tracébesluit ook zogenoemde "hogere waarden" vaststelt voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van onder meer woningen vanwege de betrokken provinciale of gemeentelijke wegen.
149. De minister heeft bij de voorbereiding van het tracébesluit een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Op basis daarvan heeft hij in het tracébesluit bepaald dat geluidreducerend asfalt wordt gebruikt (artikel 7, eerste lid) en dat diverse geluidafschermende maatregelen worden getroffen (artikel 7, tweede lid). Verder is voorzien in nieuwe en verplaatste referentiepunten en nieuwe en gewijzigde geluidproductieplafonds (artikel 8, eerste lid, en bijlage A). Ook zijn hogere waarden vastgesteld voor provinciale en gemeentelijke wegen (artikel 8, tweede lid).
150. De minister heeft voor het wijzigingsbesluit een nieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd, omdat het nieuwe verkeersmodel NRM 2017 op veel wegvakken hogere verkeersintensiteiten berekent. Het nieuwe akoestisch onderzoek is beschreven in de volgende rapporten:
- het Rapport "Onderliggend Wegennet - Tracébesluit 2019 ViA15 akoestisch onderzoek" van 21 december 2018 (hierna: Rapport onderliggend wegennet);
- het Hoofdrapport (Wet milieubeheer) "Tracébesluit A12/A15 Ressen-Oudbroeken 2019 (ViA15)" van januari 2019 (hierna: Hoofdrapport);
- het Deelrapport Algemeen (Wet milieubeheer) "Tracébesluit A12/A15 Ressen-Oudbroeken 2019 (ViA15)" van januari 2019 (hierna: Deelrapport algemeen);
- het Deelrapport Specifiek (Wet milieubeheer) "Tracébesluit A12/A15 Ressen-Oudbroeken 2019 (ViA15)" van januari 2019 (hierna: Deelrapport specifiek).
Op basis van dit nieuwe onderzoek heeft de minister in het wijzigingsbesluit enkele geluidbeperkende maatregelen gewijzigd (artikel 5, eerste lid). Ook de referentiepunten, geluidproductieplafonds en hogere waarden zijn bijgewerkt (artikel 6, eerste en tweede lid).
151. [appellant sub 29] zet vraagtekens bij de berekeningen in de geluidrapporten. Hij vraagt zich af of deze wel volgens Standaardrekenmethode 2 (hierna: SRM2) zijn uitgevoerd, omdat de uitkomsten van de geluidberekeningen voor de woningen Hazenpad 3 en Hazenpad 3-1 gelijk zijn. Volgens [appellant sub 29] dienen de uitkomsten tussen SRM1 en SRM2 te verschillen wanneer sprake is van bebouwing. Hij wijst erop dat de uitkomsten in de rapporten niet verschillen, terwijl er wel sprake is van bebouwing.
151.1. In hoofdstuk 3 van het Hoofdrapport staat dat het geluidonderzoek is uitgevoerd volgens de SRM2 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (hierna: RMG 2012), bijlage III. In het Deelrapport specifiek staat dat daarbij gebruik is gemaakt van het software pakket Geomilieu, versie 4.3. Dit pakket voldoet volgens het Deelrapport specifiek aan de SRM2 van het RMG 2012, bijlage III. Dit is in overeenstemming met artikel 6.7, eerste en tweede lid en artikel 3.2, eerste lid van het RMG 2012.
151.2. In hetgeen [appellant sub 29] naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen in hoofdstuk 3 van het Hoofdrapport is opgenomen, namelijk dat de geluidbelasting voor de desbetreffende woningen is berekend met SRM2 van het RMG 2012. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit het Deelrapport specifiek naar voren komt dat de uitkomsten voor de woningen Hazenpad 3 en 31 (zoals de andere woning aan het Hazenpad is aangeduid) van elkaar verschillen, anders dan [appellant sub 29] stelt. Zo bedraagt het huidig Lden GPP voor de woning Hazenpad 31 64 dB en voor de woning Hazenpad 3 65 dB. De woning Hazenpad 31 wordt afgeschermd door bebouwing, waardoor de uitkomst iets lager is. De toekomstige geluidbelasting met eindmaatregelen bedraagt voor de woning Hazenpad 31 62 dB en voor de woning Hazenpad 3 63 dB.
Uitgangspunten beoordeling tracé
152. [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 18], [appellant sub 29], Stichting Milieuvrienden Duiven, [appellant sub 34], [appellant sub 36], [appellant sub 37], Strijdbaar Angeren en anderen, en [appellant sub 44] hebben beroepsgronden aangevoerd over de in het geluidmodel/geluidonderzoek gehanteerde uitgangspunten.
153. [appellant sub 3] stelt dat in de geluidberekeningen onvoldoende rekening is gehouden met de slijtage van ZOAB. Er is weliswaar rekening gehouden met een gemiddelde geluidemissie gedurende de levensduur, maar dat acht [appellant sub 3] onvoldoende.
[appellanten sub 14] stellen dat in het geluidonderzoek de lassen in het wegdek - als gevolg van viaduct en brug - ten onrechte niet zijn betrokken in de geluidberekeningen.
Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat ten onrechte is uitgegaan van de gemiddelde geluidreductie van ZOAB.
153.1. In paragraaf 2.5.4 van het Deelrapport algemeen staat dat bij de modellering van de weg rekening wordt gehouden met de totale breedte van de rijbanen en met het aantal rijstroken. Ook situaties met rijstroken die slechts gedurende een deel van het etmaal in gebruik zijn, zoals spits- en bufferstroken worden in het rekenmodel gebracht. Bij de vraag of de weg met geopende of gesloten spits/bufferstrook moet worden gemodelleerd, wordt in beginsel uitgegaan van de situatie die tot de hoogste geluidbelasting op geluidgevoelige objecten leidt, een zogenoemd worstcasescenario.
In paragraaf 2.5.5 staat:
"Modellering brongegevens: wegdekverharding
De wegdekeigenschappen bepalen mede hoeveel geluid de voertuigen op de weg produceren. Daarom wordt bij de modellering van de weg in de verschillende situaties rekening gehouden met het aanwezige of toekomstige wegdek. Voor de berekening van het LDEN,GPP worden de wegdekgegevens gehanteerd zoals vastgelegd in de brongegevens in het geluidregister.
De parameters die de geluidsafstraling van wegdektypen bepalen worden ontleend aan de CROW-publicatie 316 ‘De wegdekcorrectie voor geluid van wegverkeer 2012’, inclusief de aanvullingen daarop die de CROW periodiek publiceert op de Internetsite www.stillerverkeer.nl."
153.2. Uit artikel 1.2 van het RMG 2012, gelezen in samenhang met paragraaf 4 van hoofdstuk 1 van bijlage I, volgt dat voor de onderbouwing van de wegdekcorrectie en de parameters voor de geluidafstraling van wegdektypen, en daarmee ook de voegovergangen, in het akoestisch onderzoek verwezen mag worden naar een algemeen toegankelijke bron. In dit geval zijn de parameters van de wegdekverharding ontleend aan de CROW-publicatie "De wegdekcorrectie voor geluid van wegverkeer 2012" met nr. 316. Deze CROW-publicatie is door een ieder te bestellen bij het CROW en is daarmee algemeen toegankelijk. Blijkens paragraaf 4.4 van bijlage III van het RMG 2012 wordt bij de modellering van de weg ook rekening gehouden met een verouderingscorrectie. Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat bij de modellering van de wegdekverharding onvoldoende rekening is gehouden met de slijtage van stil asfalt.
Uit het Deelrapport algemeen komt naar voren dat voor de modellering van de weg is uitgegaan van een situatie die tot de hoogste geluidbelasting leidt, een zogenoemd worstcasescenario. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat bij de modellering van de wegdekverharding onvoldoende rekening is gehouden met voegovergangen in de weg. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de minister heeft gesteld dat voor alle voegovergangen in het tracé geluidarme voegovergangen in combinatie met tweelaags ZOAB zullen worden toegepast, overeenkomstig algemene richtlijnen van Rijkswaterstaat om daarmee de geluidhinder zoveel mogelijk te beperken. Deze eisen worden aan alle gegadigden als contracteis meegegeven en zijn opgenomen in de Werkwijzer aanleg van Rijkswaterstaat als Technisch Document Geluideisen voegovergangen RTD 1007-3.
154. [appellant sub 6] stelt dat in de geluidonderzoeken geen rekening is gehouden met de geluidoverdracht tussen de woning en de snelweg.
[appellant sub 18] stelt dat in de onderzoeken geen rekening is gehouden met de minimale afstand die overblijft tussen de woning en de snelweg als gevolg van het doortrekken van de A12/A15. Bovendien reflecteert het geluid tegen het bestaande geluidscherm langs de spoorlijn van de Betuweroute. Volgens [appellant sub 18] is niet duidelijk of daarmee rekening is gehouden. En voor zover de minister beweert dat daar wel rekening mee is gehouden, kan hij dat niet nagaan.
Stichting Milieuvrienden Duiven stelt dat weinig rekening is gehouden met heersende windrichtingen en voor zover de minister beweert dat daar wel rekening mee is gehouden, kan zij dat niet nagaan.
[appellant sub 29] zet vraagtekens bij de in de berekeningen gehanteerde uitgangspunten. De afstand tot zijn woning is 104,5 m en wordt in de toekomst 97,5 m. Op het deel van de A12 in de nabijheid van zijn woning - hij woont tegenover de referentiepunten 146.300-146.400 - wordt volgens hem dichtasfaltbeton (DAB) als wegdekverharding aangebracht en geen ZOAB. Het verschil tussen DAB en tweelaags ZOAB bedraagt 5 dB. De geluidbelasting bij zijn woning zal daarom hoger zijn dan nu is berekend, aldus [appellant sub 29].
[appellant sub 34] stelt dat in de geluidonderzoeken van een onjuiste modellering van de huidige A15 is uitgegaan, waarbij wordt gewezen op figuur 5 van bijlage 2 van het geluidonderzoek en stelt dat bij het deel tussen knooppunt Ressen en Bemmel in de huidige situatie geen snelweg ligt, maar een eenbaansweg waarvoor een snelheidslimiet van 80 km per uur geldt.
[appellant sub 44] voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de hoogteligging van de snelweg, waardoor de uitkomst van de geluidberekening hoger zal zijn. Voorts is onvoldoende rekening gehouden met de reflectie van geluid tegen de bestaande geluidschermen. [appellant sub 44] stelt dat alle geluidberekeningen zijn uitgevoerd met behulp van een computermodel en dat de uitkomsten daarvan geen goede weergave zijn van de werkelijkheid.
154.1. In hoofdstuk 3 van het Deelrapport specifiek staat dat als basis voor het akoestisch rekenmodel van de wegen de bronbestanden zijn gebruikt zoals vermeld in tabel 1 in paragraaf 2.2.
In hoofdstuk 2, paragraaf 2.2, van het Deelrapport specifiek is vermeld welke bestanden met uitgangspunten zijn gehanteerd bij het berekenen van de geluidbelasting op de woningen. Zo is voor het bepalen van de wegligging en de weghoogte gebruik gemaakt van het ontwerp van juli 2016 "dwm TB VIA15 A15 A12_3D_20160721 Smalle tunnelbakken.dwg". Voor het bepalen van de ligging van de panden, het bepalen van de adressen en de bestemmingen is gebruik gemaakt van de BAG van februari 2018 en inventarisaties Globespotter/Streetview van het Kadaster.
In paragraaf 2.3 van het Deelrapport specifiek staat dat de modellen zijn geactualiseerd voor het wijzigingsbesluit. Dit betreft onder meer recente hoogtedata uit het Digitaal Topografisch Bestand en de actuele BAG, aangevuld met recente gegevens uit Streetview en StreetSmart.
In paragraaf 2.5 van het Deelrapport algemeen staat dat in het rekenmodel met alle factoren rekening is gehouden die volgens het RMG 2012, bijlage III, van belang zijn. Dat gebeurt aan de hand van de hoofdformule voor de berekening van het equivalente geluidniveau. In die formule wordt rekening gehouden met omstandigheden die de verspreiding van geluid beïnvloeden. Zo wordt onder meer rekening gehouden met de optrektoeslag. Deze is volgens het Deelrapport algemeen alleen van toepassing wanneer binnen 150 m van de ontvanger een met verkeerslichten geregelde kruising ligt, of wanneer binnen 100 m van de ontvanger een situatie aanwezig is die de snelheid van het verkeer sterk beperkt, zoals een verkeersdrempel. Voorts wordt rekening gehouden met de meteocorrectie. De formules voor de verspreiding van het geluid gaan uit van meewind van de bron naar de ontvanger. Wanneer daar geen sprake van is, wordt daarvoor een correctie bepaald. Wanneer de ontvanger op korte afstand van de bron ligt, is deze correctie nul. Verder wordt ook rekening gehouden met schermwerking - het effect van afschermende gebouwen of voorzieningen (geluidschermen of -wallen) - en de absorptiecorrectie bij reflectie.
154.2. Uit artikel 7, tabel 5, van het tracébesluit volgt dat tegenover de woning van [appellant sub 29] op de A12 tweelaags ZOAB wordt aangebracht. In zoverre mist het betoog van [appellant sub 29] feitelijke grondslag.
154.3. In hoofdstuk 1, paragraaf 2 en 3, van bijlage I bij het RMG 2012 zijn vereisten voor de toegepaste rekenmethode vermeld en worden de inhoudelijke gegevens vermeld die in een akoestisch rapport moeten zijn opgenomen. Dit betreffen:
- Indien een rekenmethode is toegepast, vermeldt het rapport alle gegevens die in de berekening zijn ingevoerd en indien het emissieregister of het geluidregister is geraadpleegd, ook de datum waarop dit is gebeurd c.q. het versienummer van het gebruikte bestand.
- Een of meer kaarten en/of tekeningen op een zodanige schaal dat daarmee een duidelijk beeld wordt gegeven van bestaande en/of geprojecteerde (spoor)weggedeelten, industrieterreinen en woningen, andere al dan niet geluidgevoelige gebouwen alsmede geluidgevoelige terreinen dan wel geluidsgevoelige objecten, waarop het akoestisch onderzoek betrekking heeft.
- De waarneempunten.
- De situering, akoestisch relevante dimensies en de aard van de doorgerekende geluidafschermende maatregelen, zowel op oorspronkelijk kaartmateriaal als in de vorm van de geschematiseerde computerinvoer.
- De situering, akoestisch relevante dimensies en de aard van de overige geluidreflecterende en -afschermende objecten of constructies.
- De scheidingslijn(en) tussen akoestisch harde en zachte bodemvlakken, met een aanduiding van de aard van de bodem.
- In akoestisch gecompliceerde situaties maakt een grafische weergave van de bij de (computer-) berekeningen gehanteerde geometrische invoergegevens onderdeel uit van de rapportage.
154.4. In de geluidrapporten staat dat SRM2 is toegepast en in het Deelrapport specifiek zijn de invoergegevens voor het geluidmodel gedetailleerd beschreven.
Bij de geluidrapporten is een groot aantal kaarten en gegevens verstrekt waarbij onder meer op bijlage A bij het Deelrapport specifiek op kaartblad 2 een overzicht van verhardingen, op kaartblad 3 een overzicht van gehanteerde snelheden en op kaartblad 4 een overzicht van de maatregelen is weergegeven. Op kaartblad 5 is schematisch het geluidmodel aangegeven voor de toekomstige situatie met het project. Hierop zijn onder meer de geluidgevoelige objecten, overige bebouwing, rekenpunten, spoor, en dergelijke weergegeven. In het Deelrapport specifiek staat dat als geïnteresseerden meer informatie wensen over de opbouw en de inhoud van het geluidmodel zij contact kunnen opnemen met Rijkswaterstaat. Gelet op de hiervoor weergegeven passages uit het Deelrapport specifiek waarin de gehanteerde bronbestanden staan vermeld en op de bij de geluidrapporten overgelegde kaarten en gegevens, ziet de Afdeling geen aanleiding eraan te twijfelen dat bij het berekenen van de geluidbelasting is uitgegaan van een juiste modellering van de huidige en toekomstige ligging van wegen en dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 29] is uitgegaan van een juiste locatie van de woning ten opzichte van de huidige weg en de toekomstige verbrede weg en van de juiste afstanden tussen de woning van [appellant sub 18] en de weg.
Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minister bij de berekeningen niet heeft mogen uitgaan van de in het akoestisch onderzoek vermelde factoren, zoals onder meer de akoestische effecten die het gevolg zijn van windrichting en reflecties, die de geluidbelasting op de gevel van woningen vanwege het tracé kunnen beïnvloeden. Met hun niet nader geconcretiseerde stellingen hebben [appellant sub 6], [appellant sub 18], Stichting Milieuvrienden Duiven, [appellant sub 34] en [appellant sub 44] niet aannemelijk gemaakt dat deze factoren, ook voor zover SRM2 daarvoor in parameters voorziet, niet op juiste wijze in de uitgevoerde berekeningen zijn betrokken. Hierbij merkt de Afdeling nog op voor zover er onduidelijkheid bestond, appellanten een afspraak hadden kunnen maken met Rijkswaterstaat om nader inzicht te verkrijgen.
154.5. Wat betreft de beroepsgrond van [appellant sub 34] over de modellering van de huidige A15 ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de minister dat voor het bestaande deel van de A15 tussen knooppunt Ressen en Bemmel in de modellen is uitgegaan van het huidige wegprofiel en van een snelheid van 80 km per uur.
155. [appellant sub 37] stelt dat in het geluidmodel van onjuiste uitgangspunten, dan wel onvolledige informatie, is uitgegaan. Zo is de reflectie voor te plaatsen zonnepanelen tussen zijn woning en de A15 ten onrechte niet betrokken bij de berekeningen. Daarvoor is onlangs een vergunning verleend.
Op 15 april 2020 heeft [appellant sub 37] de door AV Consulting B.V. opgestelde memo "geluidsbelasting verbreding A15 en cumulatie" van 10 april 2020 (hierna: AV-memo) overgelegd. Hij betoogt dat een goede ruimtelijke ontwikkeling vraagt dat 10 jaar vooruit wordt gekeken en dat alle toekomstige ontwikkelingen in zijn woonomgeving bij de beoordeling van geluid dienen te worden betrokken, omdat die meer verkeer zullen genereren. In de berekeningen in de AV-memo is daarom rekening gehouden met geplande ruimtelijke ontwikkelingen zoals de ontwikkeling van bedrijventerrein De Grift, de te realiseren Railterminal Gelderland en distributiepark 15. [appellant sub 37] stelt dat daar in de berekeningen in de geluidrapporten ten onrechte geen rekening mee is gehouden.
155.1. De Afdeling stelt vast dat de omgevingsvergunning voor het realiseren van zonnepanelen, waar [appellant sub 37] naar verwijst, dateert van na de vaststelling van het tracébesluit en het wijzigingsbesluit, zodat de minister ten tijde van de vaststelling daarmee geen rekening kon houden.
155.2. In de geluidrapporten is voor het project ViA15 het prognosejaar 2033 gehanteerd. Dit is tien jaar na afronding van de werkzaamheden voor dit project. De verkeersintensiteiten die voor dat jaar zijn voorspeld, zijn in de berekening van de toekomstige geluidbelastingen meegenomen, aldus het Hoofdrapport. In het Deelrapport specifiek staat dat voor de verkeersprognoses is uitgegaan van verrijkte gegevens uit het NRM2017. In deze prognoses is rekening gehouden met omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking, de ruimtelijke spreiding van wonen en werken en de economische ontwikkeling in een gebied.
In paragraaf 3.7 van het Deelrapport specifiek staat dat als sprake is van een onherroepelijk besluit voor het realiseren van nieuwe bebouwing, deze bebouwing is betrokken in het geluidmodel, omdat deze vanwege haar ligging van invloed is op de geluidbelasting in haar omgeving. Het omgevingsmodel met de geluidgevoelige en niet geluidgevoelige objecten is opgebouwd uit de gegevens van de BAG en het bestand Adrescoördinaten Nederland, versie februari 2018. Hierin zijn ook de objecten opgenomen die nog niet zijn gerealiseerd, maar waarvoor wel een bouwvergunning is verleend. Voor het bestemmingsplan Kerkwijk in Didam geldt dat na februari 2018 de verleende bouwvergunningen zijn opgenomen in het BAG. Voor de bebouwing in deze wijk is een actualisatie uitgevoerd met het BAG uit juli 2018.
Op kaartblad 5 van bijlage A bij het Deelrapport specifiek is het geluidmodel schematisch aangegeven voor de toekomstige situatie met het project. Hierop zijn onder meer de geluidgevoelige objecten, overige bebouwing, rekenpunten, spoor, e.d. weergegeven. Geïnteresseerden die meer informatie wensen over de opbouw en inhoud van het akoestisch rekenmodel, kunnen contact opnemen met Rijkswaterstaat, aldus het Deelrapport specifiek. Daarvoor zijn een telefoonnummer en e-mailadres opgenomen.
155.3. De stelling van [appellant sub 37] dat in de geluidberekeningen geen rekening is gehouden met toekomstige ontwikkelingen mist feitelijke grondslag. Uit het voorgaande volgt dat een prognose is gemaakt voor het jaar 2033 en dat de toekomstige ontwikkelingen zijn verdisconteerd in de verschillende scenario’s waarop de prognose van de verkeerscijfers zijn gebaseerd. [appellant sub 37] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die doen twijfelen aan de representativiteit van de in het NRM 2017 gehanteerde uitgangspunten voor toekomstige verkeersontwikkelingen.
156. Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat in de geluidrapporten ter hoogte van Angeren, tussen de aansluitingen Bemmel en Duiven/Zevenaar is gerekend met een maximum snelheid van 120 km per uur, terwijl straks 130 km per uur is toegestaan. Zij wijzen daartoe op paragraaf 2.5.3 van het Deelrapport algemeen.
156.1. In het Deelrapport specifiek staat dat op de boog Bemmel-Arnhem voor de registersituatie niet is uitgegaan van de snelheid zoals blijkt uit de bordplaatsing, maar van de snelheid in het register zoals opgenomen in het register van eind 2016. De snelheden in het register liggen hier lager dan de snelheden overeenkomstig de bordplaatsing. De verschillen ten gevolge van de projectsituatie worden zo worst-case meegenomen.
In de geluidmodellen is voor de toekomstige situatie rekening gehouden met maximumsnelheden zoals weergegeven in tabel 6 in paragraaf 2.8 van het Deelrapport specifiek. Daar staat dat voor de toekomstige situatie voor de aansluiting Bemmel en de aansluiting Duiven/Zevenaar is uitgegaan van 130 km per uur. In het Deelrapport algemeen is beschreven hoe de maximumsnelheid op een wegvak in het akoestisch rekenmodel is vertaald naar de gehanteerde rijsnelheid voor de verschillende categorieën motorvoertuigen. De maximumsnelheden zijn weergegeven op kaartblad 3. Daar waar dynamische snelheden gaan gelden is in de berekeningen de hoogste maximumsnelheid gehanteerd voor het gehele etmaal, aldus het Deelrapport specifiek.
In paragraaf 2.5.3 van het Deelrapport algemeen staat dat voor de berekening van de toekomstige geluidbelastingen na aanleg of wijziging van de weg representatieve rijsnelheden worden gehanteerd die afhankelijk zijn van de toekomstige maximumsnelheid. In de Handleiding Akoestisch Onderzoek Wegverkeer is deze afhankelijkheid aangegeven. Zo wordt bij een maximumsnelheid van 130 km per uur een representatieve snelheid van 121 km per uur ingevoerd voor lichte motorvoertuigen, 100 km per uur voor middelzware motorvoertuigen en 90 km per uur voor zware motorvoertuigen.
156.2. Uit de hiervoor weergegeven passages komt naar voren dat voor de toekomstige situatie is gerekend met een maximumsnelheid van 130 km per uur, zodat de beroepsgrond in zoverre feitelijke grondslag mist. Strijdbaar Angeren en anderen hebben verder geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de manier waarop de voertuigsnelheden zijn gemodelleerd zoals beschreven in paragraaf 2.5.3 van het Deelrapport algemeen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat in de geluidrapporten van een onjuiste modellering van de voertuigsnelheden is uitgegaan.
Uitgangspunten beoordeling onderliggend wegennet
157. [appellant sub 1], [appellant sub 7], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 16], [appellant sub 22], [appellant sub 24], [appellante sub 26], [appellant sub 35], [appellant sub 36] en [appellante sub 39] hebben beroepsgronden aangevoerd tegen het door de minister gehanteerde Rapport onderliggend wegennet. Zij stellen dat daarin voor de N810 ten onrechte is uitgegaan van een bestaande weg, terwijl delen van de N810 worden verlegd. De geluidberekeningen dienen daarom volgens hen op basis van het uitgangspunt van de aanleg van een nieuwe weg te worden uitgevoerd. Daarvoor dienen lagere geluidnormen te worden gehanteerd. Bovendien is volgens hen in de berekeningen ten onrechte geen optrekcorrectie voor optrekkend en afremmend verkeer toegepast, terwijl dit in het geval van een nieuwe weg wel dient te gebeuren, aldus deze appellanten.
157.1. Het tracébesluit voorziet in artikel 3, tabel 3, in een aantal infrastructurele voorzieningen en maatregelen voor en bij de N810. Zo staat in die tabel onder meer:
"Het realiseren van aansluiting 40 Duiven/Zevenaar op de A15, inclusief capaciteitsuitbreiding van de N810 ter hoogte van de aansluiting naar 2x2 rijstroken (inclusief opstelstroken) over een lengte van totaal 900 m; het realiseren van een kruising N810 met fietspad bovenlangs de A25; Het realiseren van een kruising Helhoek/Helstraat onderlangs de N810 en het aanpassen van erftoegangswegen, fietsverbindingen en andere weginfrastructuur ter plaatse van de nieuwe aansluiting 40 Duiven/Zevenaar, de N810 en Helhoek/Helstraat."
157.2. Artikel 8, tweede lid, van het tracébesluit luidt:
"Vanwege de volgens dit tracébesluit aan te leggen en te wijzigen provinciale en gemeentelijke wegen, die van het hoofdwegennet geen onderdeel uitmaken, zijn op grond van artikel 104a van de Wet geluidhinder, 20 hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelastingen vastgesteld, zoals opgenomen in bijlage B."
157.3. In paragraaf 1.1 van het Rapport onderliggend wegennet staat dat vanwege de aanleg van de A15 op diverse locaties het onderliggende wegennet wordt aangepast. Het gaat hierbij om aanpassingen aan het onderliggende wegennet om het verkeer van en naar de rijkswegen goed te verwerken of om nieuw aan te leggen kruisingen van een bestaande weg met de rijksweg. Deze wijzigingen dienen te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de wijzigingen aan de wegvakken en de verandering van de verkeersintensiteit, de geluidbelasting bij geluidgevoelige objecten langs deze wegvakken met 2 dB of meer toeneemt. Er is dan sprake van "reconstructie" in de zin van de Wet geluidhinder.
In het Rapport onderliggend wegennet staat dat uit onderzoek is gebleken dat bij de N810/Arnhemseweg sprake is van een reconstructie als bedoeld in de Wet geluidhinder. Dit betekent dat er sprake is van een fysieke wijziging aan de weg en dat als gevolg van die wijziging en de verwachte groei van het verkeer in de eerste tien jaar na de wijziging sprake is van een toename van de geluidbelasting ten opzichte van de toetswaarde met afgerond 2 dB of meer, aldus het Rapport onderliggend wegennet.
157.4. De Afdeling stelt vast dat uit de resultaten van de berekeningen in bijlage 2d van het Rapport onderliggend wegennet naar voren komt dat bij een aantal woningen de geluidbelasting in de toekomst met 2 dB of meer toeneemt. Dit betekent dat de minister bij de geluidberekeningen voor de N810 terecht is uitgegaan van een reconstructie van een weg als bedoeld in de Wet geluidhinder en niet, zoals appellanten stellen, van de aanleg van een nieuwe weg.
157.5. In paragraaf 3.9 van het Rapport onderliggend wegennet staat dat de optrektoeslag een correctieterm is voor de extra geluidemissie bij het afremmen en optrekken van het verkeer door de aanwezigheid van een kruispunt of een situatie die de gemiddelde snelheid van het verkeer sterk beperkt. De optrektoeslag mag alleen worden toegepast als ten gevolge van deze snelheidsbeperkende maatregel de gemiddelde snelheid van de motorvoertuigen ten minste wordt gehalveerd. De optrektoeslag is alleen van toepassing op middelzware en zware motorvoertuigen. In het RMG 2012 wordt de optrektoeslag onderscheiden in een kruispunt- en een obstakeltoeslag.
Een kruispunttoeslag wordt alleen in rekening gebracht als het gaat om met verkeerslichten geregelde kruispunten. Er zijn kruispunttoeslagen gehanteerd voor de kruispunten van de Hengelderweg, N839 en de N810/Arnhemseweg waarbij sprake is van verkeersregelinstallaties. Daarnaast is op alle rotondes waar de snelheid ten minste wordt gehalveerd een obstakeltoeslag toegepast. De snelheid waarmee op de rotondes in het rekenmodel is gerekend, is 30 km/u. Dit is de minimale snelheid waarmee met het rekenmodel kan worden gerekend, aldus het Rapport onderliggend wegennet.
157.6. In paragraaf 2.5 van het Rapport onderliggend wegennet staat dat de berekeningen voor het bepalen van de geluidbelasting zijn uitgevoerd met SRM2 van het RMG 2012, bijlage III.
Het RMG 2012 voorziet in 2.5 en 2.5.1 van bijlage III in parameters voor een optrektoeslag en een kruispunttoeslag. Gelet op de hiervoor weergegeven passages in het Rapport onderliggend wegennet zijn deze factoren betrokken in de uitgevoerde berekeningen. In zoverre mist de beroepsgrond feitelijke grondslag.
158. [appellant sub 18] en [appellant sub 6] stellen dat de doortrekking van het viaduct aan de Schraleweidsestraat zal leiden tot een klankkast-effect. Dit is ten onrechte niet betrokken in het geluidonderzoek. Zij wensen alsnog onderzoek op dit punt.
158.1. In het Rapport onderliggend wegennet staat dat de ligging van de onderzochte wegen is ontleend aan het wegontwerp van het tracébesluit: Ontwerp ‘dwm TB VIA15 A15 A12_3D_20160721 Smalle tunnelbakken.dwg’ en bijbehorende bestanden d.d. 21 juli 2016. Het door [appellant sub 18] en [appellant sub 6] bedoelde viaduct maakt deel uit van dit ontwerp. Dit betekent dat bij de geluidberekeningen, anders dan [appellant sub 18] en [appellant sub 6] menen, wel degelijk is uitgegaan van het (verlengde) viaduct aan de Schraleweidsestraat.
Zoals de Afdeling hiervoor onder 154.1 en verder heeft overwogen, wordt in het rekenmodel SRM2 rekening gehouden met reflecties van schermen en bebouwing.
Dit betoog mist feitelijke grondslag.
159. Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat een gedeelte van de A15 een nieuwe weg is en maken er bezwaar tegen dat het tracébesluit leidt tot overschrijding van de toetswaarde van 50 dB op 71 woningen. Juist bij een nieuwe weg dient de minister door het treffen van maatregelen ervoor zorg te dragen dat er geen overschrijdingen van toetswaarden zal plaatsvinden, aldus Strijdbaar Angeren en anderen.
159.1. De minister stelt dat de overschrijding van de voorkeurswaarde van 50 dB op 71 woningen niet alleen de woningen langs het nieuwe gedeelte van de A15 betreft, maar de woningen in het gehele onderzoeksgebied. Dit betreft dus ook woningen waarvoor reeds een hogere waarde is toegestaan dan de voorkeurswaarde van 50 dB. Dat neemt niet weg dat er veel aandacht is geweest voor beperking van de geluidhinder en er ook bovendoelmatige maatregelen worden getroffen, zoals een (half)verdiepte ligging en grondwallen met aanvullende geluidschermen.
159.2. De Afdeling wijst erop dat de uitkomsten zijn gebaseerd op het akoestisch onderzoek dat de minister heeft uitgevoerd. Daarin is beoordeeld wat de geluidbelastingen van geluidgevoelige objecten zoals woningen zullen zijn vanwege het verkeer op het tracé en welke geluidbeperkende maatregelen in dat verband moeten worden getroffen. Deze beoordeling is - zoals hiervoor reeds is overwogen - uitgevoerd aan de hand van de voorschriften in titel 11.3 van de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving. De wet kent geen verplichting om daarbij bij een nieuwe weg ervoor zorg te dragen dat er geen overschrijdingen van de toetswaarden worden toegestaan, zoals Strijdbaar Angeren en anderen wensen. Strijdbaar Angeren en anderen hebben geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de wijze waarop de minister de berekeningen en de beoordeling van maatregelen heeft uitgevoerd. In zoverre ziet de Afdeling geen aanleiding de uitkomsten van de berekeningen onjuist en de beoordeling van de maatregelen onredelijk te achten.
Maatregelafweging - algemeen
160. Buurtvereniging Leefbaar Reeth stelt onder verwijzing naar het rapport "Metingen wegverkeerslawaai te Elst/Reethsestraat 9 en Ressen/ Hoeksehofstraat 6, d.d. 13 november 2016 t/m 1 december 2016" van 9 juni 2017 (hierna: rapport Metingen wegverkeerslawaai) dat de resultaten van feitelijke metingen niet overeenkomen met de berekeningen in het geluidrapport en die resultaten nu al hoger zijn dan de geldende voorkeurswaarde. In het geluidrapport staat weliswaar dat het geluidplafond wordt verlaagd van 54 dB naar 52 dB door het toepassen van tweelaags ZOAB, maar zij zetten daar vraagtekens bij. Zij wensen extra maatregelen, zodat de geluidbelasting onder de wettelijke voorkeurswaarde van 50 dB blijft.
160.1. De minister stelt dat het rapport Metingen wegverkeerslawaai geen deel uitmaakt van het tracébesluit. In dit rapport is de cumulatieve geluidbelasting gedurende een willekeurige periode geregistreerd, terwijl voor de berekeningen ten behoeve van het geluidonderzoek voor het tracébesluit in beginsel is uitgegaan van de gemiddelde situatie van uitsluitend de A15 inclusief geluidbeperkende maatregelen. De berekeningen zijn gebaseerd op de hoeveelheid verkeer in de toekomstige situatie, in dit geval het jaar 2033. De gemeten waarde kan daarom niet worden vergeleken met de in de geluidrapporten berekende waarden.
160.2. De Afdeling ziet in hetgeen Buurtvereniging Leefbaar Reeth heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wijze waarop de minister de geluidberekeningen voor de toekomstige situatie heeft uitgevoerd niet correct zijn. Aan de resultaten van feitelijke metingen komt geen beslissende betekenis toe. Hierbij wijst de Afdeling in de eerste plaats erop dat het ten behoeve van een tracébesluit vaststellen van de geluidbelasting door middel van een meting niet mogelijk is, omdat de daarbij te betrekken toekomstige situatie alleen kan worden beoordeeld aan de hand van een geluidmodel. Bovendien moet worden geconstateerd dat die meting geen rekening houdt met de geluidbeperkende maatregelen die zullen worden getroffen. Ook aan de opmerking van Buurtvereniging Leefbaar Reeth dat op een bepaald referentiepunt het "geluidplafond" wordt verlaagd van 54 dB naar 52 dB, gaat de Afdeling voorbij nu Buurtvereniging Leefbaar Reeth heeft nagelaten de locatie te noemen. Nu Buurtvereniging Leefbaar Reeth overigens geen concrete bezwaren tegen de wijze van berekening van de geluidbelasting en de maatregelafweging naar voren gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding om de conclusies in het Deelrapport specifiek ten aanzien van de woningen aan de Reethsestraat onjuist te achten.
161. [appellant sub 12], [appellant sub 16], [appellant sub 22], [appellant sub 32] en [appellant sub 35] stellen dat het wijzigingsbesluit is gebaseerd op nieuw geluidonderzoek. Op basis daarvan worden extra geluidschermen geplaatst, maar bij de clusters 12a, 18 en 22 worden geen (extra) geluidschermen geplaatst, omdat hiervoor te weinig reductiepunten beschikbaar zijn. De reductiepunten die over waren gaan nu verloren. Zij pleiten ervoor die reductiepunten niet verloren te laten gaan, maar alsnog in te zetten voor het plaatsen van geluidschermen ter plaatse van de woningen dichtbij het tracé en indien het plaatsen van een geluidscherm niet mogelijk is, pleiten zij voor het verhogen van de grondwal.
161.1. Uit artikel 31, eerste lid, van het Besluit geluid milieubeheer in samenhang gelezen met artikel 11 van de Regeling geluid milieubeheer komt naar voren dat de reductiepunten worden bepaald aan de hand van bepaalde randvoorwaarden en behoren bij het cluster waar de maatregel voor is bedoeld. Dat betekent dat reductiepunten zijn gekoppeld aan een bepaald cluster.
161.2. De Afdeling stelt vast dat de door appellanten voorgestelde wijze om de maatregelpunten behorend bij een bepaald cluster in te zetten voor een ander cluster niet in overeenstemming is met de systematiek van de Wet milieubeheer, in samenhang gelezen met het Besluit geluid milieubeheer en de Regeling geluid milieubeheer. In zoverre bestaat er geen aanleiding het standpunt van de minister dat voor de clusters 12a, 18 en 22 geen doelmatige aanvullende schermmaatregelen kunnen worden getroffen, onredelijk te achten. Het betoog faalt.
162. [appellant sub 7], [appellant sub 6], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 18], [appellant sub 22], [appellant sub 24], [appellante sub 26], [appellant sub 27], Stichting Milieuvrienden Duiven, [appellant sub 35], [appellant sub 36], [appellant sub 37], Strijdbaar Angeren en anderen en [appellant sub 44] hebben beroepsgronden aangevoerd over de cumulatie van geluid.
163. [appellant sub 6] en [appellant sub 18] stellen dat de cumulatieve en werkelijke geluidwaarden als gevolg van de Betuwelijn in combinatie met de uitvoeringswerkzaamheden van de snelweg A15 en het aanleggen van de brug over het Pannerdensch Kanaal zal leiden tot een onaanvaardbare (piek)geluidbelasting. Zij wensen daarom nader onderzoek.
163.1. In bijlage B1 bij het Hoofdrapport - cumulatieve geluidbelasting bij objecten, die voor onderzoek naar de binnenwaarde in aanmerking komen - is de cumulatie van de verschillende geluidbronnen voor de woningen [locatie 20] en [locatie 22] inzichtelijk gemaakt.
Voor de woning [locatie 20] geldt dat de cumulatieve geluidbelasting, na te treffen maatregelen, 52 dB zal bedragen. De bijdrage van de afzonderlijke geluidbronnen is eveneens inzichtelijk gemaakt:
- de bijdrage van het hoofdwegennet is 52 dB;
- de bijdrage van het onderliggende wegennet (exclusief aftrek ingevolge artikel 110g Wet geluidhinder) is 36 dB;
- de bijdrage van het spoor is 47 dB;
- en de bijdrage van de scheepvaart is 20 dB.
Voor de woning [locatie 22] geldt dat de toekomstige geluidbelasting zonder maatregelen 66 dB bedraagt. De toekomstige geluidbelasting - inclusief te treffen maatregelen - bedraagt 62 dB. De toekomstige cumulatieve geluidbelasting - inclusief te treffen maatregelen - bedraagt eveneens 62 dB. De bijdrage van de afzonderlijke geluidbronnen is ook inzichtelijk gemaakt:
- bijdrage van het hoofdwegennet is 62 dB;
- de bijdrage van het onderliggende wegennet is 40 dB (zonder aftrek);
- de bijdrage van het spoor is 53 dB (omgerekend 49 dB);
- de bijdrage van de scheepvaart is 25 dB.
163.2. Voor zover [appellant sub 6] en [appellant sub 18] stellen dat de cumulatieve geluidbelasting als gevolg van het aanleggen van de A15 en de geluidhinder als gevolg van het aanleggen van de brug over het Pannerdensch Kanaal tot een onaanvaardbare piekbelasting zal leiden, overweegt de Afdeling dat in artikel 15 van de Regeling geluid milieubeheer categorieën zijn aangewezen waar in het geval van cumulatie rekening mee moet worden gehouden. In artikel 15 van de Regeling geluid milieubeheer worden uitvoeringswerkzaamheden zoals het realiseren van een weg en de aanleg van een brug niet aangewezen als geluidbron als bedoeld in artikel 11.30, vijfde lid, van de Wet milieubeheer. Er bestaat dan ook geen grond om de minister gehouden te achten een nader onderzoek te laten doen als door [appellant sub 6] en [appellant sub 18] gewenst.
164. [appellant sub 7], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 22], [appellant sub 24], [appellante sub 26], [appellant sub 35] en [appellant sub 36] stellen dat de gevolgen voor de geluidbelasting vanwege de kruising van het bestaande spoorwegtracé Arnhem-Zevenaar met de nieuwe snelweg A15 ten onrechte niet inzichtelijk zijn gemaakt. Zij wijzen in het licht van de constructie van de tunnel - een onderliggende snelweg in een tunnelbak, voorzien van een deksel waarin zich een opening bevindt - op het geluidversterkende effect van een passerende trein over een tunnelbak. Dit is volgens hen onvoldoende onderzocht.
164.1. Uit het Deelrapport specifiek blijkt dat onderzoek is gedaan naar de cumulatie van geluid in de omgeving Helhoek. Op p. 79 van het Deelrapport specifiek staat dat in de situatie bij het eindpakket er bij vier woningen nog sprake is van overschrijding van de toetswaarde. Bij deze woningen is tevens sprake van overschrijding van de voorkeurswaarde vanwege het spoor. De maximale geluidbelasting vanwege de Betuweroute bedraagt 61 dB. De geluidbelasting vanwege de Betuweroute is bepalend voor de gecumuleerde geluidbelasting van 58 dB. De bijdrage van de A15 van 53 dB is hieraan ondergeschikt. De geluidbelasting vanwege het spoor neemt als gevolg van de aanleg van de A15 iets af. Dit is volgens het Deelrapport specifiek een gevolg van de ophoging van de bakranden en de aanleg van de bak. De maatregelen uit het eindpakket bestaan hier uit de aanleg van tweelaags ZOAB op de A15 en de verhoging van de bakrand met 1 m, aldus het Deelrapport specifiek.
164.2. In hoofdstuk 2, paragraaf 2.9.2, van het Deelrapport specifiek staat dat binnen het onderzoeksgebied de hoofdspoorwegen van Arnhem naar Nijmegen, van Arnhem via Didam naar Doetinchem, van Arnhem via Elst naar Geldermalsen en de Betuweroute liggen. Voor deze hoofdspoorwegen gelden geluidproductieplafonds. De geluidbelastingen die deze hoofdspoorwegen veroorzaken op geluidgevoelige objecten langs de rijksweg zijn berekend aan de hand van gegevens die zijn ontleend aan het geluidregister van de hoofdspoorwegen. In de voor het wegverkeerslawaai gehanteerde geluidmodellen zijn tevens de in het geluidregister spoor opgenomen afschermende voorzieningen opgenomen. De reflectiefactoren van de geluidschermen zijn aan de hand van foto’s opnieuw geïnventariseerd en geactualiseerd.
In hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van het Deelrapport specifiek staat dat als basis voor het akoestisch model de bronbestanden zijn gebruik zoals vermeld in tabel 1, paragraaf 2.2, en dat de spoorwegen zijn gemodelleerd op basis van het geluidregister spoor. Dit betekent dat voor de modellering van het geluid is uitgegaan van het voorliggend ontwerp, te weten een ontwerp met tunnelbak en deksel en een opening tussen het spoortracé en het deksel van de tunnelbak.
164.3. Op grond van het voorgaande stelt de Afdeling vast dat de cumulatie van geluid van de nieuwe A15 en het spoor is onderzocht en inzichtelijk is gemaakt. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van het onderzoek naar de cumulatie van geluid op dit punt. Voor een nader onderzoek ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding.
165. [appellant sub 21] stelt dat dat het geluid van bromfietsen, scooters en snorfietsen op het nog aan te leggen snelfietspad ten onrechte niet is betrokken bij de berekeningen, waardoor de afweging van te nemen bronmaatregelen onvoldoende is.
165.1. Ingevolge artikel 15 van de Regeling geluid milieubeheer worden wegen, spoorwegen, industrieterreinen en luchthavens als categorieën van geluidbronnen als bedoeld in artikel 11.30, vijfde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen. Een fietspad is niet aangewezen. De minister was dan ook niet gehouden om het fietspad te betrekken in het onderzoek naar de cumulatie van geluid. De Afdeling tekent hierbij nog aan dat zij geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de minister dat gezien de afstand tussen de woning van [appellant sub 21] en het fietspad, door de aanwezigheid van een geluidscherm het geluid afkomstig van het fietspad zal wegvallen tegen het geluid van auto’s en vrachtauto’s. Het betoog faalt.
166. [appellant sub 37] stelt dat voor zijn woning ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de cumulatie van geluid. Volgens hem dienen bij de geluidberekeningen alle van invloed zijnde factoren op juiste wijze daarbij te worden betrokken. Volgens [appellant sub 37] zijn in dit geval de groeimogelijkheid van de Betuweroute, de geplaatste windturbines en het nog te realiseren industriegebied De Grift ten onrechte niet betrokken bij de geluidberekeningen.
[appellant sub 37] stelt voorts dat voor zijn woning niet eerder een hogere waarde is vastgesteld. Daarom mag volgens hem bij de voorliggende reconstructie de aftrek ingevolge artikel 110 van de Wet geluidhinder niet worden toegepast.
166.1. Uit bijlage C1 van het Deelrapport specifiek volgt dat de geluidbelasting ter hoogte van de woning van [appellant sub 37] niet zal toenemen. De geluidbelasting bedraagt zowel in de huidige situatie bij volledige benutting van het geluidproductieplafond, als in de toekomstige situatie als gevolg van het tracébesluit - na toepassing van tweelaags ZOAB - 56 dB.
166.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2730, blijkt uit de toelichting bij het per 1 januari 2018 aangepaste artikel 16 van de Regeling geluid milieubeheer dat het niet in overeenstemming was en is met de bedoeling van de Wet milieubeheer om bij een gelijkblijvende geluidbelasting bij volledige benutting van het geldende geluidproductieplafond, onderzoek te doen naar de cumulatie van geluid. Voor bestaande situaties is het doel om een toename van de geluidbelasting bij volledig benutte geluidproductieplafonds te voorkomen. Bij een gelijkblijvende geluidbelasting bij volledige benutting van het geldende geluidproductieplafond is onderzoek naar cumulatie overbodig, aldus die toelichting. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister in de gegeven situatie waarin de geluidbelasting op de woning van [appellant sub 37], na het treffen van de maatregel in de vorm van een tweelaags ZOAB, gelijk blijft, gehouden was een onderzoek naar cumulatie uit te voeren.
Dit betekent dat voor de woning van [appellant sub 37] onderzoek naar de samenloop van geluidhinder vanwege de A15 en het onderliggende wegennet niet was vereist, zodat geen toepassing is gegeven aan de aftrek ingevolge artikel 110g van de Wet geluidhinder.
166.3. Er is voor de woning van [appellant sub 37] aan de [locatie 2] te Elst geen hogere waarde vastgesteld. In zoverre mist de beroepsgrond feitelijke grondslag.
167. Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat de regels voor cumulatie van geluid van verschillende bronnen, artikel 110f, derde en vierde lid, van de Wet geluidhinder en artikel 11.33, zevende lid, van de Wet milieubeheer in samenhang gelezen met artikel 16 van de Regeling geluid milieubeheer, geen recht doen aan de werkelijk ondervonden geluidhinder. De cumulatie van geluid is niet onderzocht, maar wel degelijk aanwezig. Omwonenden ervaren forse geluidhinder, aldus Strijdbaar Angeren.
Stichting Milieuvrienden Duiven stelt dat cumulatieve effecten altijd dienen te worden betrokken bij de beoordeling.
167.1. Op grond van artikel 11.33, zesde lid, Wet milieubeheer dient in het akoestisch onderzoek ter voorbereiding van een besluit tot vaststelling of wijziging van een geluidproductieplafond ook de samenloop van geluidbelasting met andere bronnen te worden onderzocht. In de in artikel 16 van de Regeling geluid milieubeheer bepaalde gevallen kunnen cumulatieberekeningen achterwege blijven. Dit is mogelijk in het geval de toekomstige geluidbelasting onder de voorkeurswaarde van 50 dB blijft of wanneer kan worden voldaan aan het geluidniveau bij volledige benutting van het geldende geluidproductieplafond. Onderzoek naar cumulatie kan ook achterwege blijven als de geluidbelasting vanwege de andere geluidbronnen de voorkeurswaarde van die andere bronnen niet overschrijdt aldus artikel 16, onder c, van de Regeling geluid milieubeheer.
167.2. Het geluidonderzoek en de beoordeling van de resultaten zijn uitgevoerd aan de hand van de voorschriften in titel 11.3 van de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving. De enkele stelling van Strijdbaar Angeren en anderen dat dit geen recht doet aan de werkelijk ondervonden geluidhinder, dan wel dat omwonenden van een situatie van weinig geluidhinder naar een situatie gaan waar zij meer geluidhinder zullen ervaren, is onvoldoende voor het oordeel dat de minister gehouden moet worden om in aanvulling daarop nader onderzoek te doen naar cumulatie.
168. [appellant sub 37] stelt dat na voltooiing van het project en ingebruikname van het tracé minimaal een jaar lang de geluidbelasting op en om zijn woning in het veld dient te worden gemeten. Onder verwijzing naar de lezing "Evaluatie geluideigenschappen hoofdwegennet" van M+P raadgevende ingenieurs stelt [appellant sub 37] dat de geluidreducerende werking van ZOAB na verloop van tijd afneemt en als gevolg van ophopende vervuiling zelfs te verwaarlozen is. Daar komt volgens [appellant sub 37] nog bij dat het betreffende gedeelte van de weg hellend is, zodat de vervuiling zich onder aan de helling ophoopt. Er dient volgens hem daarom elke 5 jaar een meting te worden uitgevoerd om na te gaan wat de geluidsituatie voor omwonenden is. Wanneer er overschrijdingen plaatsvinden, is het volgens hem aangewezen om alsnog beperkende maatregelen te treffen en niet de normen op te rekken.
[appellant sub 27] woont aan het knooppunt Oud-Dijk. Hij acht het niet aannemelijk dat de geluidwaarde op zijn woning aan de [locatie 3] te Didam gelijk zal blijven aan de huidige waarde van 58 dB. Hij eist een onafhankelijke geluidmeting na het realiseren van de weg en wanneer dan blijkt dat de geluidbelasting is toegenomen en de wettelijke geluidnormen worden overschreden, moet hij alsnog aanspraak kunnen maken op geluidwerende maatregelen.
168.1. Uit artikel 15 van het tracébesluit volgt dat een jaar na ingebruikname van de weg er geluidonderzoek zal worden uitgevoerd om te onderzoeken of aan de wettelijke beschermingsregimes kan worden voldaan. Dit onderzoek geldt tevens als monitoring. Indien uit dat onderzoek blijkt dat er overschrijdingen plaatsvinden, dan wordt via de daarvoor geldende wettelijke beschermingsregimes, zo nodig planmatig, in maatregelen voorzien.
Uit artikel 11.22 van de Wet milieubeheer, in samenhang gelezen met artikel 5.3 van het RMG 2012, volgt dat de berekeningen voor de naleving van de geluidproductieplafonds worden uitgevoerd op referentiepunten met de geluidproductieplafonds zoals deze golden op 31 december van het voorafgaande kalenderjaar en dat deze worden uitgevoerd met SRM2.
168.2. De Afdeling stelt vast dat noch de Tracéwet, de Wet milieubeheer, het RMG 2012 noch enige andere wet- of regelgeving voorschrijft om de door appelanten gewenste feitelijke metingen ter plaatse van hun woningen uit te voeren ter naleving van de geluidproductieplafonds. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de minister is gehouden om naast de in het tracébesluit en de wet voorziene controlemogelijkheden de door appellanten gewenste feitelijke metingen uit te voeren. Het betoog faalt.
169. [appellante sub 39] en [appellant sub 1] stellen dat artikel 8, derde lid, van het tracébesluit bepaalt dat met de uitvoering van het project de sanering is afgehandeld voor wegvakken die deel uitmaken van het project A12/A15 Ressen-Oudbroeken, onder meer het wegdek A12 ter hoogte van de woning van [appellante sub 39]. In bijlage A van het geluidrapport is de woning van [appellante sub 39] aangemerkt als saneringsobject Categorie B. Volgens [appellante sub 39] had dit Categorie A moeten zijn. De woning van [appellant sub 1] is ook aangemerkt als saneringsobject. De desbetreffende woningen zijn in 2009 al voor sanering aangemeld, maar er is nog geen saneringsprogramma vastgesteld. Gelet op artikel 8, derde lid, van het tracébesluit vragen appellanten zich af of, en zo ja, wanneer de desbetreffende woningen alsnog worden gesaneerd.
169.1. Artikel 8, derde lid, van het tracébesluit luidt:
"Met de uitvoering van het project is de sanering afgehandeld voor onderstaande wegvakken die deel uitmaken van het project A12/A15 Ressen - Oudbroeken:
a. de A12 tussen aansluiting Duiven (km. 135.8) en km 148.1;
b. de A15 tussen km. 153.1 en de aansluiting Bemmel (km. 165.2);
c. de A18 tussen knooppunt oud-Dijk (km 189.0) en de aansluiting Didam (km. 190.3);
d. de A50 tussen km. 153.0 en km. 155.9;
e. de A325 tussen km. 11.8 en km. 14.1."
169.2. In paragraaf 2.3 van het Hoofdrapport staat dat Categorie A saneringswoningen betreft:
- geluidgevoelige objecten die al onder de (voormalige) Wet geluidhinder voor sanering zijn aangemeld maar waarvoor tot nu toe nog geen saneringsprogramma is vastgesteld, en waarvan de geluidbelasting bij volledige benutting van het geldende geluidproductieplafond hoger dan 60 dB is, of
- Categorie B: geluidgevoelige objecten waarvan de geluidbelasting bij volledige benutting van het geldende geluidproductieplafond boven de maximumwaarde van 65 dB uitkomt.
In het Hoofdrapport staat voorts dat ernaar moet worden gestreefd om de toekomstige geluidbelasting op saneringsobjecten te beperken tot maximaal 60 dB. De doelmatigheid van maatregelen blijft randvoorwaarde voor het bereiken van de streefwaarde, aldus het Hoofdrapport.
169.3. De Afdeling stelt vast dat in het Hoofdrapport de woningen van [appellant sub 1] aan de [locatie 4] en [appellante sub 39] aan de [locatie 5] zijn aangemerkt als Categorie B saneringswoning. Uit het Hoofdrapport volgt dat bij de woning [locatie 4] de huidige geluidbelasting Lden GPP 68 dB bedraagt en 70 dB bij de woning [locatie 5]. Dit betekent dat bij beide geluidgevoelige objecten bij volledige benutting van het geldende geluidproductieplafond de geluidbelasting boven de maximumwaarde van 65 dB uitkomt. De minister heeft de woningen dan ook terecht als Categorie B saneringswoningen aangemerkt.
169.4. Uit artikel 8, derde lid, van het tracébesluit volgt dat met de realisatie van het voorliggende project de sanering voor beide woningen zal worden afgehandeld.
Voor beide woningen is een maatregelafweging gemaakt. Uit de maatregelafweging in paragraaf 6.2.2 van het Deelrapport specifiek komt naar voren dat voor de [locatie 4] alleen bronmaatregelen (toepassing van tweelaags ZOAB) doelmatig zijn. Na toepassing daarvan is nog sprake van drie overschrijdingen van de streefwaarde van 60 dB. Na het toepassen van tweelaags ZOAB resteert op de woning [locatie 4] een geluidbelasting van 66 dB. Dat is een verbetering met 2 dB ten opzichte van de huidige geluidbelasting van 68 dB bij volledige benutting van het geluidproductieplafond.
Uit de maatregelafweging in paragraaf 6.2.3 van het Deelrapport specifiek komt naar voren dat voor de saneringswoningen aan de [locatie 5] toepassing van tweelaags ZOAB en een 230 m lang en 2 m hoog scherm doelmatig zijn. Na deze maatregelen resteert bij drie saneringswoningen een overschrijding van de streefwaarde van 60 dB.
In paragraaf 7.2.7 van het Deelrapport specifiek staat dat ter hoogte van de Nieuwe Steeg aan de noordzijde van de A12 een scherm is voorzien van 320 m lang, waarvan het midden 2 m hoog is en twee segmenten aan de oost- en westzijde een hoogte hebben van 1 m.
Na het treffen van deze maatregelen resteert een geluidbelasting van 65 dB op de woning [locatie 5]. Dit is overeenkomstig de toegestane maximale geluidwaarde en een verbetering van 5 dB ten opzichte van de huidige geluidbelasting van 70 dB bij volledige benutting van het geluidproductieplafond.
169.5. Uit het voorgaande komt naar voren dat de saneringswoningen correct zijn betrokken in het geluidonderzoek en dat er doelmatige maatregelen getroffen zullen worden om de geluidbelasting op de woningen te beperken. Bij beide woningen wordt niet voldaan aan de streefwaarde van 60 dB. Daarom zijn deze woningen opgenomen in het overzicht van geluidgevoelige objecten die voor onderzoek naar de binnenwaarde in aanmerking komen. Na het onherroepelijk worden van het tracébesluit zal nog een onderzoek volgen naar de binnenwaarde in de woning. Indien niet aan de wettelijke normen voor de binnenwaarde kan worden voldaan, zullen, zo heeft de minister medegedeeld, eventueel maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting in de woningen verder te verlagen.
170. [appellant sub 36] acht het onbegrijpelijk dat voor de woning [locatie 6] een strengere toetswaarde geldt dan voor zijn woning aan de [locatie 7], terwijl zijn woning dichter bij de A12 ligt dan de woning aan de [locatie 6].
170.1. Niet in geschil is dat de woning [locatie 6] in het verleden is aangemeld als saneringswoning, maar dat die sanering nooit is afgehandeld. Daarom geldt een strengere toetswaarde. Inmiddels is de woning afgebroken en op hetzelfde perceel op grotere afstand van de A12 herbouwd, maar vanwege de niet afgehandelde sanering is de woning in het akoestisch onderzoek betrokken als saneringswoning.
De woning [locatie 7] van [appellant sub 36] is niet eerder voor sanering aangemeld. Aangezien de geluidbelasting voor deze woning bij volledige benutting van het geldende geluidproductieplafond onder de 65 dB ligt - in dit geval 64 dB en in de toekomstige situatie 61 dB - is de woning niet aan te merken als een saneringsobject. Daarom geldt voor de woning [locatie 7] niet de saneringsstreefwaarde van 60 dB.
170.2. Uit het voorgaande volgt dat de [locatie 6] is aangemerkt als saneringswoning, zodat daarvoor de streefwaarde van 60 dB wordt gehanteerd. Voor de woning Kleine Matenweg bedraagt de huidige geluidbelasting bij volledige benutting van het GPP Lden 64 dB. De toekomstige geluidbelasting bedraagt - na het treffen van maatregelen - bij volledige benutting van het geluidproductieplafond 62 dB. Dit betekent een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. De [locatie 7] is daarom niet als saneringswoning aangemerkt, zodat de wettelijke geldende streefwaarde van 60 dB voor saneringswoningen niet geldt voor de woning [locatie 7].
Overige beroepsgronden van individuele appellanten
171. In de volgende overwegingen komen de beroepsgronden aan de orde die appellanten naar voren hebben gebracht over hun individuele situatie. Hiertoe behoren beroepsgronden over de berekening van de geluidbelasting in hun individuele situatie, maar ook beroepsgronden over hinder: zowel hinder bij de aanleg als bij het gebruik van het tracé. Dan kan het gaan over aantasting van het woon- en leefklimaat, maar ook aantasting van het bedrijfsvoering kan aan de orde zijn. Eveneens worden besproken de beroepsgronden over financiële schade en tegemoetkoming daarin.
172. Hierna worden algemene kaders vermeld die aan de orde zijn bij veel voorkomende beroepsgronden. Te weten beroepsgronden over de berekening van de geluidbelasting en de maatregelenafweging (onder 173), die over hinder tijdens de aanleg van het tracé (onder 174), verslechtering van het woon- en leefklimaat na ingebruikname van het tracé (onder 175) en beroepsgronden over financiële schade en tegemoetkoming daarin (onder 176). Voor zover aan de orde wordt naar deze toetsingskaders verwezen.
173. Hiervoor is onder 147 en 148 het toegepaste (wettelijk) kader voor geluidhinder beschreven. Hetgeen daar is vermeld geldt ook bij de beoordeling van de geluidbelasting en de maatregelafweging in een op een individuele situatie toegespitst geval.
174. Bouwwerkzaamheden en het gebruik van tijdelijke werkterreinen zijn onvermijdelijk bij de realisering van een project als hier aan de orde. De Afdeling stelt voorop dat de gevolgen van werkzaamheden van de aanleg van het project en eventuele maatregelen ter beperking van tijdelijke hinder niet in het tracébesluit zelf hoeven te worden geregeld. Dat neemt niet weg dat op de minister de plicht rust voorafgaand aan de vaststelling van een tracébesluit te onderzoeken op welke wijze de nadelige gevolgen hiervan voor betrokkenen kunnen worden beperkt. De gevolgen van de werkzaamheden dienen wel te worden betrokken bij de belangenafweging omtrent de vaststelling van het tracébesluit.
Zoals de minister heeft opgemerkt is de aannemer bij de uitvoering van die werkzaamheden gebonden aan wettelijke eisen, zoals de normen uit het Bouwbesluit 2012. In hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit 2012 worden bij bouw- en sloopwerkzaamheden eisen gesteld aan de geluid- en trillingniveaus. Zo nodig moeten maatregelen worden getroffen om bouwhinder en schade te voorkomen. Het minimaliseren van het aantal damwanden en funderingspalen en een geluid- en trillingarme uitvoering door damwanden te drukken en funderingspalen te boren of te schroeven, zijn door de minister als maatregelen genoemd. Voor bouwverkeer wordt, zo heeft de minister verklaard, in verband met bereikbaarheid van omwonenden en veiligheid van weggebruikers, van het onderliggend wegennet alleen gebruik gemaakt als dat onvermijdelijk is. Met Rijkswaterstaat zijn daar niet alleen afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder bouwverkeer dan kan worden toegelaten maar ook over de communicatie met direct betrokkenen.
Voor zover wordt aangevoerd dat hinder zal worden ondervonden vanwege de bouwwerkzaamheden zal de Afdeling aan de hand van hetgeen is aangevoerd beoordelen of de minister die hinder in redelijkheid niet onaanvaardbaar heeft mogen achten en daarom daaraan minder gewicht heeft mogen toekennen dan aan de belangen die zijn gemoeid met het realiseren van het tracé.
Aantasting woon- en leefklimaat na ingebruikname
175. Het tracébesluit zal voor een aantal appellanten tot een verandering van woonomgeving leiden. De Afdeling beoordeelt in het kader van de belangenafweging of de minister de geconstateerde aantasting in redelijkheid niet onaanvaardbaar heeft kunnen achten. Daarbij wordt uitgegaan van de hinderaspecten zoals die door de minister zijn vastgesteld, tenzij beroepsgronden daartegen leiden tot een ander uitgangspunt. Dit geldt onder meer voor vaststellingen op het gebied van geluid en luchtkwaliteit. In het algemeen wordt daarbij ervan uitgegaan dat indien voor die milieuaspecten aan de wettelijke normen wordt voldaan er geen gezondheidsschade te verwachten is. Wat betreft de beoordeling van die gevolgen wijst de Afdeling er ook nog op dat dat de minister in paragraaf 5.10 van de Trajectnota/MER een gezondheidseffectscreening heeft uitgevoerd aan de hand van de zogenoemde GES-methode. Dit is een methodiek met een signalerende en screenende functie waarbij mogelijke gezondheidskundige knelpunten binnen een bepaald gebied inzichtelijk kunnen worden gemaakt. Deze effecten zijn beoordeeld op basis van de effecten van geluidbelasting, luchtkwaliteit en externe veiligheidsrisico’s. In de Trajectnota/MER staat dat de effecten ook cumulatief zijn beschouwd en dat uit de GES-analyse naar voren komt dat over het algemeen de milieugezondheidssituatie nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van de autonome ontwikkeling.
Voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, zal de Afdeling beoordelen of de minister de aantasting van het woon- en leefklimaat in redelijkheid niet onaanvaardbaar heeft mogen achten en daarom daaraan minder gewicht heeft mogen toekennen dan aan de belangen die zijn gemoeid met het realiseren van het tracé.
Schade waaronder waardevermindering woningen
176. Voor zover schade, waaronder waardevermindering van onroerend goed aan de orde is, is artikel 22, eerste lid van de Tracéwet van belang. Hierin is bepaald - kort weergegeven - dat als iemand ten gevolge van een tracébesluit schade lijdt of zal lijden en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven de minister hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekent. Ten tijde van de vaststelling van het tracébesluit was in dit verband ook de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 van belang. De Afdeling wijst erop dat een aanvraag kan worden ingediend bij de minister vanaf het moment dat het tracébesluit is vastgesteld. De minister heeft ter zitting medegedeeld dat er een schadeloket wordt ingesteld om de betrokkenen meer duidelijkheid te bieden.
De Afdeling staat, als de beroepsgronden daarvoor aanleiding geven, voor de vraag of de minister in de concrete situatie van de betrokken appellant in redelijkheid heeft kunnen volstaan met verwijzing naar de schadevergoedingsregeling als hiervoor is beschreven dan wel een andere beslissing had moeten nemen, zoals het aanwijzen van een woning om te worden gesloopt.
177. Hierna worden de overige beroepsgronden per appellant behandeld in de volgorde van de detailkaarten behorende bij het tracébesluit. Waar meerdere appellanten dezelfde beroepsgrond naar voren hebben gebracht wordt deze besproken bij de detailkaart waar de meeste van hen wonen of hun bedrijf hebben.
178. [appellant sub 37] stelt in zijn reactie op het wijzigingsbesluit dat het vreemd is dat zijn woning niet voorkomt op de lijst met adressen waar maatregelen noodzakelijk zijn. [appellant sub 37] voert aan de hand van een geluidmeting aan dat de geluidhinder op zijn woning eind 2015 tot begin 2016 al hoog was, 65 dB Lden en 57 dB Lnight, terwijl er nog geen windmolens waren geplaatst.
178.1. De woning van [appellant sub 37] aan de [locatie 2] ligt aan de noordzijde van het bestaande tracé van de A15. Tussen de woning en de A15 ligt het spoor van de Betuweroute. Aan weerszijden van het spoor staan geluidschermen.
178.2. Uit bijlage C1 van het Deelrapport specifiek komt naar voren dat de geluidbelasting op de woning [locatie 2] in de huidige situatie bij volledige benutting van het geluidproductieplafond 56 dB bedraagt. De toekomstige geluidbelasting - zonder aanvullende maatregelen - zal 58 dB bedragen, een overschrijding van 2 dB. Na toepassing van tweelaags ZOAB zal de geluidbelasting 56 dB bedragen. Dit betekent dat de geluidbelasting op de woning van [appellant sub 37] - bij volledige benutting van het geluidproductieplafond - niet zal toenemen als gevolg van het tracébesluit. In hetgeen [appellant sub 37] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van deze bevindingen. Gelet hierop heeft de minister zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak ontbreekt om naast toepassing van tweelaags ZOAB nog meer maatregelen te treffen.
179. [appellant sub 34] zet vraagtekens bij de uitkomsten van de geluidberekeningen. De uitkomst voor een 60 m verder weg gelegen woning aan [locatie 8] te Bemmel verschilt maar 1 dB van de berekening voor haar woning aan [locatie 9], terwijl de waarde cumulatief even hoog is. Voorts stelt zij dat de geluidhinder nog hoger zal zijn als gevolg van reflectie vanwege het in het tracébesluit voorziene geluidscherm van 260 m lang en 8 m hoog aan de zuidzijde van de weg. Zij wijst erop dat aan de noordzijde van de A15 waar haar woning zich bevindt, alleen tweelaags ZOAB wordt toegepast, maar dat verder geen maatregelen worden getroffen. Zij wenst meer maatregelen, omdat haar woning in 1780 is gebouwd en dus geluidgevoelig is.
179.1. In paragraaf 5.4.3.2 van het Deelrapport specifiek staat dat cluster 4 het gebied omvat aan de noordzijde van De Plak in Bemmel. In de bestaande situatie zijn geen geluidbeperkende voorzieningen aanwezig en voor het gehele cluster is tweelaags ZOAB doelmatig.
179.2. De afstand tussen de woning van [appellant sub 34] en het gewijzigde tracé van de A15 bedraagt ongeveer 150 m. Tussen het perceel en het tracé ligt de spoorlijn van de Betuweroute.
Uit bijlage C1 van het Deelrapport specifiek - de resultaten van de berekeningen - komt naar voren dat de toekomstige geluidbelasting zonder aanvullende maatregelen op de woning [locatie 9] 55 dB bedraagt, maar met toepassing van doelmatige bronmaatregelen bedraagt de geluidbelasting 52 dB. Voor de woning [locatie 8] is berekend dat de toekomstige geluidbelasting zonder aanvullende maatregelen 54 dB bedraagt. Met bronmaatregelen bedraagt deze 52 dB en inclusief eindmaatregelen bedraagt de geluidbelasting 51 dB.
Voorts komt uit het Deelrapport naar voren dat er geen budget is voor aanvullende afschermende maatregelen.
Uit bijlage B1 van het Hoofdrapport komt naar voren dat de toekomstige cumulatieve geluidbelasting op de oostgevel van de woning [locatie 9] inclusief te treffen maatregelen 55 dB bedraagt. Op de woning [locatie 8] bedraagt de toekomstige cumulatieve geluidbelasting op de zuidgevel inclusief te treffen maatregelen 58 dB. Uit deze bijlage komt ook naar voren dat voor de woning [locatie 8] de bijdrage van het spoor 55 dB bedraagt en de bijdrage van het onderliggende wegennet 56 dB. Voor de woning [locatie 9] bedraagt de bijdrage van het onderliggend wegennet 42 dB en de bijdrage van het spoor 56 dB.
Uit het voorgaande volgt dat de cumulatieve geluidbelasting op de woningen [locatie 9] en [locatie 8] niet even hoog is zoals [appellant sub 34] meent, maar verschilt.
179.3. De Afdeling wijst erop dat de uitkomsten in het Deelrapport specifiek zijn gebaseerd op het akoestisch onderzoek dat de minister heeft uitgevoerd. Daarin is beoordeeld wat de geluidbelasting van geluidgevoelige objecten zoals woningen zal zijn vanwege het verkeer op het tracé en welke geluidbeperkende maatregelen in dat verband moeten worden getroffen. Deze beoordeling is uitgevoerd aan de hand van de voorschriften in titel 11.3 van de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving. [appellant sub 34] heeft geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de wijze waarop de minister de berekeningen en de beoordeling van maatregelen heeft uitgevoerd. In zoverre bestaat er geen aanleiding de uitkomsten van de berekeningen onjuist te achten en de beoordeling van de maatregelen onredelijk.
180. [appellant sub 34] vreest slaapproblemen als gevolg van een toename van geluidhinder. Zij wijst op Duits onderzoek dat heeft uitgewezen dat kinderen die in de nabijheid van snelwegen wonen slaapproblemen hebben. [appellant sub 34] vreest daarnaast ook gezondheidsproblemen als gevolg van verslechtering van de luchtkwaliteit. Het wonen langs een snelweg is volgens [appellant sub 34] vergelijkbaar met het roken van 17 sigaretten per dag en de invloed van een snelweg op de gezondheid reikt tot een afstand van wel 1000 m.
[appellant sub 34] stelt dat het doortrekken van de A15 tot een waardedaling en mogelijk onverkoopbaarheid van haar woning zal leiden. [appellant sub 34] vreest daarnaast nog schade in de vorm van inkomstenderving, extra schoonmaakkosten en diefstal. [appellant sub 34] geeft paardrijdlessen en stelt dat zij tijdens de lessen nu al slecht verstaanbaar is door voorbijrijdende treinen. Dit zal als gevolg van het tracébesluit verergeren en zij vreest dat leerlingen hierdoor zullen afhaken. Daarnaast zullen door een toename van verkeer en de bomenkap haar muren sneller vuil worden, hetgeen weer tot extra schoonmaakkosten leidt. Het tracébesluit zal volgens haar ook tot een toename van diefstallen leiden, omdat de doorgetrokken A15 een makkelijke ontsnappingsroute zal bieden.
180.1. Niet in geschil is dat het tracébesluit voor [appellant sub 34] tot een verandering van haar woonomgeving zal leiden waardoor zij meer hinder kan ervaren dan nu het geval is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister echter in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de belangen die zijn gemoeid met het realiseren van het tracé dan aan het belang van [appellant sub 34] bij het behoud van de bestaande situatie. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat gezien hetgeen in deze uitspraak over de aspecten luchtkwaliteit en geluid is overwogen geen grond bestaat voor het oordeel dat niet wordt voldaan aan de in dat verband geldende wettelijke normen. Als aan deze normen wordt voldaan wordt in het algemeen ervan uitgegaan dat er geen gezondheidsschade zal zijn. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat de minister ervan heeft kunnen uitgaan dat het tracébesluit niet tot onaanvaardbare schadelijke gevolgen voor de gezondheid zal leiden. Daarbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat de minister in paragraaf 5.10 van de Trajectnota/MER een gezondheidseffectscreening heeft uitgevoerd aan de hand van de zogenoemde GES-methode. Dit is een methodiek met een signalerende en screenende functie waarbij mogelijke gezondheidskundige knelpunten binnen een bepaald gebied inzichtelijk kunnen worden gemaakt. Deze effecten zijn beoordeeld op basis van de effecten van geluidbelasting, luchtkwaliteit en externe veiligheidsrisico’s. Over de cumulatieve effecten staat in de Trajectnota/MER dat uit de GES-analyse naar voren komt dat over het algemeen de milieugezondheidssituatie nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van de autonome ontwikkeling, dit is de situatie zoals die zou zijn zonder aanleg van de ViA15. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister vanwege het verslechterde woon- en leefklimaat van [appellant sub 34] het tracébesluit niet had mogen vaststellen.
Voor zover [appellant sub 34] stelt dat het tracébesluit tot een waardedaling van haar woning zal leiden, dan wel dat zij schade zal ondervinden in de vorm van inkomstenderving, schoonmaakkosten en diefstal, komt de Afdeling tot eenzelfde conclusie. [appellant sub 34] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die waardedaling en schade dusdanig zullen zijn dat de minister niet in redelijkheid naar de nadeelcompensatieregeling heeft kunnen verwijzen.
181. [appellanten sub 38] woont aan [locatie 10] te Angeren. De afstand tussen de woning en de in het tracébesluit voorziene A15 bedraagt ongeveer 280 m. Zij stelt dat het wonen op een afstand van enkele honderden meters tot ongeveer 1000 m van een snelweg nadelig is voor de gezondheid door verslechtering van de luchtkwaliteit en een toename van geluidhinder. Volgens [appellanten sub 38] is in 2013 een onderzoek in het Britse medische tijdschrift The Lancet gepubliceerd waaruit blijkt dat zich al nadelige gezondheidseffecten kunnen voordoen bij waarden onder de 15 microgram fijnstof per kubieke meter, terwijl de jaargemiddelde Nederlandse grenswaarde voor fijnstof 40 microgram per kubieke meter bedraagt. En zo zou ze nog meer publicaties kunnen noemen waaruit naar voren komt dat de kans op COPD, hartklachten en zelfs dementie toeneemt door het wonen in de buurt van een snelweg, aldus [appellanten sub 38]. Ook de uitstoot van stikstofdioxide heeft schadelijke effecten op de gezondheid. [appellanten sub 38] vult aan dat de WHO in 2009 een rapport heeft gepubliceerd waarin de gevolgen staan beschreven van een hoger geluidniveau tijdens de slaap.
[appellanten sub 38] stelt daarnaast dat zij nu ruim uitzicht heeft en dat de aanleg van de A15 en het realiseren van een brug over het Pannderdensch Kanaal tot aantasting van haar uitzicht leiden. Al deze genoemde aspecten zullen tot een vermindering van het woongenot en tot waardevermindering van de woning leiden. [appellanten sub 38] verwacht dan ook dat alles wordt gedaan om klachten te verminderen en het verlies te compenseren.
181.1. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer bepaalt op welke wijze de luchtkwaliteit moet worden betrokken bij een besluit. De minister heeft in dit geval deze bepalingen toegepast. De wettelijke luchtkwaliteitseisen in de Wet milieubeheer zijn gesteld met het oog op de bescherming van de gezondheid van de mens, zodat dit aspect niet afzonderlijk behoeft te worden beoordeeld. Dat in verschillende publicaties andere normen worden geadviseerd, doet hier niet aan af, omdat titel 5.2 van de Wet milieubeheer voor het tracébesluit het exclusieve toetsingskader vormt voor de luchtkwaliteit.
181.2. Op detailkaart 6, die deel uitmaakt van het tracébesluit, volgt dat aan de zijde van de woning van [appellanten sub 38] een maatregelvlak ‘verkeersdoeleinden, zone waterhuishouding’ en een maatregelvlak ‘verkeersdoeleinden, zone landschappelijke inpassing’ zijn geprojecteerd.
In artikel 12, tabel 11, staat als specifieke inpassingsmaatregel opgenomen, "markeren van de aanlanding van de brug met boombeplanting, aan de westzijde tussen km 168.8 en aan de oostzijde tussen km 171.5 en 173.4."
Dit betekent dat het tracébesluit voorziet in inpassingsmaatregelen in de vorm van boombeplanting.
181.3. Niet in geschil is dat het tracébesluit voor [appellanten sub 38] tot een verandering van woonomgeving en aantasting van het uitzicht zal leiden waardoor zij meer hinder kan ervaren dan nu het geval is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de belangen die zijn gemoeid met het realiseren van het tracé dan aan het belang van [appellanten sub 38] bij het behoud van de bestaande situatie. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat gezien hetgeen in deze uitspraak over de aspecten luchtkwaliteit en geluid is overwogen geen grond bestaat voor het oordeel dat niet wordt voldaan aan de in dat verband geldende wettelijke normen. Als aan deze normen wordt voldaan wordt in het algemeen ervan uitgegaan dat er geen gezondheidsschade zal zijn. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat de minister ervan heeft kunnen uitgaan het tracébesluit niet tot onaanvaardbare schadelijke gevolgen voor de gezondheid zal leiden. Daarbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat de minister in paragraaf 5.10 van de Trajectnota/MER een gezondheidseffectscreening heeft uitgevoerd aan de hand van de zogenoemde GES-methode. Dit is een methodiek met een signalerende en screenende functie waarbij mogelijke gezondheidskundige knelpunten binnen een bepaald gebied inzichtelijk kunnen worden gemaakt. Deze effecten zijn beoordeeld op basis van de effecten van geluidbelasting, luchtkwaliteit en externe veiligheidsrisico’s.
Voor zover [appellanten sub 38] vreest voor aantasting van haar uitzicht wijst de Afdeling erop dat ter hoogte van de woning van [appellanten sub 38] een landschappelijke inpassing met boombeplanting zal plaatsvinden om de opgaande brug zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken. Ook in zoverre acht de Afdeling het standpunt van de minister dat geen sprake is van onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat niet onredelijk.
181.4. Niet uitgesloten is dat het tracébesluit tot een waardedaling van de woning van [appellanten sub 38] zal leiden. [appellanten sub 38] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat die waardedaling dusdanig zal zijn dat de minister niet in redelijkheid naar de nadeelcompensatieregeling heeft kunnen verwijzen.
182. [appellanten sub 38] vreest hinder als gevolg van de uitvoeringswerkzaamheden. Zo vreest zij geluidhinder en wenst daarom maatregelen die de geluidhinder tijdens de werkzaamheden beperken. Daarnaast vreest zij voor de bereikbaarheid van haar woning. De toegangsweg aan ’t Veld is de enige toegangsweg tot haar woning en die zal gebruikt worden als toegangsweg en uitvalsweg voor het bouwverkeer. Zij wenst maatregelen omtrent de bereikbaarheid van haar woning, zoals een tijdelijke toegangsweg voor de bewoners van ‘t Veld.
182.1. De door [appellanten sub 38] genoemde hinderaspecten als gevolg van de bouwwerkzaamheden, zoals verkeershinder door bouwverkeer, het afzetten van wegen en tijdelijke geluidhinder, zijn uitvoeringsaspecten. De aannemer is bij de uitvoering gebonden aan geldende wet- en regelgeving.
In de toelichting bij het tracébesluit staat dat uitvoering van het tracébesluit onder meer tijdelijke geluidhinder, overlast van bouwverkeer en een verminderde bereikbaarheid tot gevolg kan hebben. Deze hinder moet zoveel mogelijk worden beperkt en daarom zullen tijdens de realisatie diverse maatregelen worden getroffen om de hinder voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken. Zo zal onder meer bij de keuze van de in te zetten techniek zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de invloed daarvan op het woon- en leefmilieu en zal actief worden gecommuniceerd met omwonenden. Er kunnen maatregelen worden getroffen zoals een tijdelijke afsluiting van rijstroken, rijbanen en op- en afritten en plaatsing van (tijdelijke) verkeersmaatregelen. Bij de keuze van de verschillende maatregelen worden de belangen van weggebruikers betrokken, aldus de toelichting bij het tracébesluit.
Uit het voorgaande volgt dat de minister de wijze waarop de nadelige gevolgen voor [appellanten sub 38] tijdens de uitvoeringswerkzaamheden kunnen worden beperkt, heeft betrokken bij de belangenafweging. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat daarbij het uitgangspunt van de minister is dat de woning van [appellanten sub 38] bereikbaar blijft.
183. [appellanten sub 8] wonen aan de [locatie 11] te Angeren op een afstand van 250 m van de Betuweroute waar de spoorlijn ondergronds gaat. De nieuw aan te leggen A15 kruist de spoorlijn bovenlangs waarna de A15 zijn weg vervolgt aan de noordzijde van de Betuweroute.
[appellanten sub 8] vrezen aantasting van hun woon- en leefklimaat en negatieve effecten op hun gezondheid als gevolg van lucht- en grondwatervervuiling, horizonvervuiling en geluidhinder. In het besluit en de bijbehorende rapporten wordt uitgegaan van gemiddelde waarden. Zij vrezen dat de feitelijke waarden hoger zullen zijn. Zij vinden dat er onvoldoende onderzoek is verricht naar maatregelen die emissies op voorhand kunnen beperken, zoals geluidwallen die fijnstof opvangen. Zij stellen dat naast fijnstof dat per wind wordt verspreid er vervuiling van het grondwater zal ontstaan als gevolg van het afwateren van regenwater dat fijnstof bevat. Zij hebben een fruitgaard en vrezen aantasting van bomen en fruit als gevolg van vervuiling van lucht en grondwater.
De aanleg van een brug tast de omgeving en de beleving aan. Er zullen weliswaar fruitbomen worden geplant om het zicht op de brug te ontnemen, maar fruitbomen groeien niet zo hoog als de brug. Bovendien zullen de bomen tot overlast van ongedierte leiden die weer ziektes kunnen veroorzaken aan de fruitgaard van [appellanten sub 8].
Dit alles leidt volgens hen tot vermindering van de ge- en verbruikswaarde van hun woning en tot waardedaling van hun woning, aldus [appellanten sub 8].
183.1. Artikel 10 van de Tracéwet luidt:
"1. Het tracébesluit bevat ten minste:
a. een beschrijving van de te treffen maatregelen, de inpassing van die maatregelen en de te realiseren ligging in het terrein, waaronder begrepen de maatregelen, bedoeld in artikel 11.35 van de Wet milieubeheer;
b. een beschrijving van de treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk, voor zover die voorzieningen rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het werk;
183.2. De minister heeft zich bij de vaststelling van het tracébesluit onder meer gebaseerd op geluidonderzoek, geohydrologisch onderzoek en het Deelrapport Waterplan. Daaruit komt naar voren dat aan de wettelijke normen daarvoor kan worden voldaan. [appellanten sub 8] hebben geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de wijze waarop de minister de onderzoeken heeft laten uitvoeren en de beoordeling van de maatregelen heeft uitgevoerd. In zoverre ziet de Afdeling geen aanleiding de uitkomsten van de onderzoeken en uitkomsten onjuist te achten. Het project is opgenomen in het NSL en ter plaatse van het tracé kan aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit worden voldaan.
Uit de in het Deelrapport specifiek uitgevoerde geluidberekeningen volgt dat de geluidbelasting Lden GPP in de huidige situatie bij volledige benutting van het geluidproductieplafond ter plaatse van de woning [locatie 11] minder dan 50 dB bedraagt. De toekomstige geluidbelasting zonder het treffen van maatregelen bedraagt 55 dB. Het tracébesluit voorziet in artikel 7 ter hoogte van de woning van [appellanten sub 8] in toepassing van tweelaags ZOAB en het realiseren van een geluidscherm van 630 m lang en 2 m hoog. Door toepassing van deze maatregelen bedraagt de toekomstige geluidbelasting op de woning [locatie 11] - bij volledige benutting van het geluidproductieplafond - 49 dB, zodat aan de wettelijke voorkeurswaarde van 50 dB kan worden voldaan. Voorts voorziet artikel 9 van het tracébesluit in te treffen waterhuishoudingsmaatregelen.
[appellanten sub 8] hebben geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die eraan doen twijfelen dat het tracébesluit voldoende maatregelen bevat gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk, zodat de Afdeling uitgaat van deze gegevens.
183.3. Voor zover [appellanten sub 8] vrezen dat de feitelijke waarden uiteindelijk hoger zullen zijn, bevat het tracébesluit in artikel 15 op grond van artikel 23 van de Tracéwet een opleveringstoets. Artikel 15 luidt:
"1. De minister van Infrastructuur en Milieu zal, conform artikel 23 van de Tracéwet, de gevolgen van de ingebruikname van de aangelegde en gewijzigde weg onderzoeken. Het onderzoek richt zich op de milieuaspecten: geluidhinder, luchtkwaliteit en natuur.
2. Indien uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van een overschrijding van normen die gelden voor de in het eerste lid genoemde milieuaspecten, dan wordt via de daarvoor geldende wettelijke beschermingsregimes, zo nodig planmatig, in maatregelen voorzien.
3. Het onderzoek zal aanvangen 1 jaar na ingebruikname van de weg met bijbehorende voorzieningen en uiterlijk binnen 1 jaar na aanvang onderzoek worden afgerond."
Dit betekent dat een jaar na ingebruikname onderzoek zal worden uitgevoerd naar geluidhinder, luchtkwaliteit en natuur om te onderzoeken of aan de wettelijke beschermingsregimes kan worden voldaan. Indien daaruit naar voren komt dat er overschrijdingen plaatsvinden, dan wordt via de daarvoor geldende wettelijke beschermingsregimes, zo nodig planmatig, in maatregelen voorzien.
183.4. De woning van [appellanten sub 8] ligt ter hoogte van km 169.400 op een afstand van ongeveer 250 m van het tracé en wordt afgeschermd door bebouwing. Uit tabel 11 van artikel 12 van het tracébesluit volgt dat tussen km 168.8 - km 169.6 een specifieke inpassingsmaatregel in de vorm van boombeplanting zal plaatsvinden. Daarvoor worden in het landschapsplan notenbomen en geen fruitbomen geadviseerd.
Het tracébesluit voorziet niet in een landschapsmaatregel met fruitbomen, zodat [appellanten sub 8] in zoverre van een onjuiste veronderstelling uitgaan. De vrees dat door aanplant van fruitbomen hun fruitbomen zouden kunnen worden aangetast, is dan ook ongegrond.
Niet uitgesloten is dat het tracébesluit tot een aantasting van het woon- en leefklimaat en een aantasting van het uitzicht zal leiden. Naar het oordeel Afdeling heeft de minister in redelijkheid een zwaarder belang kunnen toekennen aan de belangen die zijn gemoeid met het realiseren van het tracé dan aan het belang van [appellanten sub 8] bij behoud van de bestaande situatie. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat hiervoor is overwogen over de aspecten geluid, bodem, waterkwaliteit en luchtkwaliteit dat aan de wettelijke eisen wordt voldaan en dat het tracébesluit in een specifieke inpassingsmaatregel voorziet.
Voor zover [appellanten sub 8] menen dat het tracébesluit tot waardevermindering van hun woning zal leiden, dan wel tot schade aan hun gewassen, is het niet aannemelijk dat die waardedeling en schade dusdanig zullen zijn dat de minister niet in redelijkheid naar de nadeelcompensatieregeling heeft kunnen verwijzen.
184. [appellanten sub 8] vrezen langdurige hinder tijdens de bouwwerkzaamheden als gevolg van bouwverkeer, het afzetten van wegen, geluid en stof. Dit vraagt extra schoonmaak van woningen, vensters, schilderwerk en auto’s. Zij vrezen schade, scheuren en verzakkingen aan de woning als gevolg van de bouwwerkzaamheden.
184.1. De door [appellanten sub 8] genoemde hinderaspecten als gevolg van de bouwwerkzaamheden, zoals verkeershinder als gevolg van bouwverkeer, het afzetten van wegen, tijdelijke geluid- en stofhinder, betreffen uitvoeringsaspecten. De aannemer is bij de uitvoering gehouden aan geldende wet- en regelgeving.
In de toelichting bij het tracébesluit staat dat uitvoering van het tracébesluit onder meer tijdelijke geluidhinder, overlast van bouwverkeer en een verminderde bereikbaarheid tot gevolg kan hebben. Deze hinder moet zoveel mogelijk worden beperkt en daarom zullen tijdens de realisatie diverse maatregelen worden getroffen om de hinder voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken. Zo zal onder meer bij de keuze van de in te zetten techniek zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de invloed daarvan op het woon- en leefmilieu en zal actief worden gecommuniceerd met omwonenden.
184.2. Uit het voorgaande volgt dat de minister de wijze waarop de nadelige gevolgen voor [appellanten sub 8] gedurende de uitvoeringswerkzaamheden kunnen worden beperkt, heeft betrokken bij de belangenafweging. Gelet op de afstand van ruim 250 m tot het tracé en de omstandigheid dat de woning deels is afgeschermd door andere woningen acht de Afdeling niet aannemelijk dat die hinder onaanvaardbaar zal zijn.
Voor zover [appellanten sub 8] nadelige gevolgen ondervinden in de vorm van schade aan hun woning of aan hun fruitgaard die kan worden toegerekend aan de hierboven gestelde hinder, kunnen zij op grond van artikel 22, eerste lid van de Tracéwet in samenhang gelezen met artikel 18 van het tracébesluit, een verzoek tot nadeelcompensatie indienen.
185. [appellant sub 21] woont aan de [locatie 12] te Angeren op ongeveer 100 m afstand van de locatie waar de Betuweroute ondergronds gaat. [appellant sub 21] betoogt onder verwijzing naar paragraaf 7.2.8 en 7.2.9 van de zienwijzennota dat in het tracébesluit gemotoriseerd verkeer op de dijk binnendijks wordt afgevoerd, terwijl dit eerst buitendijks zou zijn. Hierdoor is er geen mogelijkheid geweest om hierover een zienswijze naar voren te brengen, terwijl dit volgens hem een veel grotere belasting is op de leefomgeving van omwonenden en de geluidbelasting ten gevolge van die wijziging had moeten worden onderzocht.
[appellant sub 21] stelt onder verwijzing naar paragraaf 4.13.6 en 7.2.7 van de zienwijzennota dat weliswaar extra landschappelijke inpassingen zijn toegezegd, maar dat deze geen onderdeel uitmaken van het tracébesluit. Hierdoor bestaat de kans dat deze niet worden gerealiseerd, omdat andere partijen dit moeten gaan invullen. De landschappelijke inpassing is in zoverre niet gewaarborgd.
[appellant sub 21] stelt onder verwijzing naar paragraaf 5.2.9 van de zienswijzennota dat hij geen antwoord krijgt op de vraag waar de verantwoordelijkheid voor het hele project ligt. Volgens hem is de minister eindverantwoordelijk voor de uitvoering van het project en niet de aannemer.
185.1. In paragraaf 7.2.8 van de zienswijzennota staat: "Participanten vragen zich af waarom de gemeente een buitendijkse verbinding voor de recreatieve fietsverbinding verkiest boven een binnendijkse". De minister antwoordde: "In de uitwerking van de bestuurlijke afspraken heeft de gemeente Lingewaard besloten om het ontwerp van het ontwerp-tracébesluit te handhaven. Er is onvoldoende draagvlak binnen de gemeente om het gemotoriseerd verkeer van de Rijndijk te weren; daarmee blijft de Rijndijk een verbinding voor alle verkeer. Deze ligt binnendijks."
In paragraaf 7.2.8. van de zienswijzenota staat dat de Rijndijk, binnendijks, een verbinding blijft voor alle verkeer.
185.2. De Afdeling stelt aan de hand van de detailkaarten bij het ontwerp-tracébesluit en het tracébesluit vast dat de wegverbinding Rijndijk in het tracébesluit niet is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp-tracébesluit. De beroepsgrond dat de afvoer van het gemotoriseerd verkeer ter plaatse zou zijn gewijzigd mist in zoverre feitelijke grondslag.
De gronden ten westen van de Lodderhoeksestraat en tussen de Rijndijk en de Lodderhoeksestraat zijn aangewezen als ‘maatregelvlak verkeersdoeleinden, zone landschappelijke inpassing’ en artikel 12, tabel 11, voorziet in locatiespecifieke inpassingsmaatregelen ter plaatse van die aanduiding. In het landschapsplan wordt tussen de Lodderhoeksestraat en de Rijndijk de aanplant van notenbomen geadviseerd en ten westen van de Lodderhoeksestraat de aanplant van bosplantsoen met inheemse soorten.
Dit betekent dat deze landschappelijke inpassing en boombeplanting, anders dan [appellant sub 21] meent, is gewaarborgd in het tracébesluit.
Voor zover [appellant sub 21] stelt dat onduidelijk is wie verantwoordelijk is, wijst de Afdeling erop dat de minister voor de aanleg van het tracé verantwoordelijk is. In geval van eventuele schade kan [appellant sub 21] bij de minister terecht.
186. [appellant sub 31] woont aan de [locatie 13] te Angeren en stelt dat onduidelijk is wat de precieze ruimtelijke impact van de brug over het Panmnerdensch Kanaal zal zijn op zijn het woon- en leefklimaat. In het bijzonder wat betreft geluidhinder, de effecten op de luchtkwaliteit en de inpassing in het landschap.
186.1. De Afdeling stelt vast dat bij het tracébesluit gebruik is gemaakt van een overzichtskaart en detailkaarten. De bij het tracébesluit behorende detailkaarten hebben een schaal van 1:2500. Op detailkaart 7 staat de positie van de brug en staat aangegeven dat aan de zijde van de woning van [appellant sub 31] een geluidscherm van 2 m hoog is voorzien. Hiermee is naar het oordeel van de Afdeling de positionering van de brug over het Pannerdensch Kanaal voldoende inzichtelijk gemaakt.
186.2. De Afdeling stelt voorts vast dat het tracébesluit en het wijzigingsbesluit voorzien in referentiepunten met geluidproductieplafonds langs de brug.
Uit de in het Deelrapport specifiek uitgevoerde geluidberekeningen volgt dat de geluidbelasting Lden GPP in de huidige situatie bij volledige benutting van het geluidproductieplafond ter plaatse van de woning [locatie 13] minder dan 50 dB bedraagt. De toekomstige geluidbelasting zonder het treffen van maatregelen bedraagt 57 dB. Het tracébesluit voorziet in artikel 7 ter hoogte van de woning van [appellant sub 31] in de toepassing van tweelaags ZOAB en het realiseren van een geluidscherm van 630 lang en 2 m hoog. Door toepassing van deze maatregelen bedraagt de toekomstige geluidbelasting op de woning [locatie 13] - bij volledige benutting van het geluidproductieplafond - 49 dB, zodat aan de wettelijke voorkeurswaarde van 50 dB kan worden voldaan.
Nu [appellant sub 31] geen concrete bezwaren naar voren heeft gebracht tegen het geluidonderzoek en de beoordeling van de maatregelen heeft uitgevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om niet van de resultaten van dat onderzoek uit te gaan.
186.3. Niet uitgesloten is dat het tracébesluit tot een aantasting van het woon- en leefklimaat en een aantasting van het uitzicht voor [appellant sub 31] zal leiden. Naar het oordeel Afdeling heeft de minister in redelijkheid een zwaarder belang kunnen toekennen aan de belangen die zijn gemoeid met het realiseren van het tracé dan aan het belang van [appellant sub 31] bij behoud van de bestaande situatie. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat hiervoor over de aspecten luchtkwaliteit en geluid is overwogen dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten en dat ter hoogte van de woning van [appellant sub 31] aandacht wordt besteed aan een landschappelijke inpassing van de brug met boombeplanting en afscherming om de opgaande brug zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken.
187. [appelanten sub 20] wonen aan de [locatie 14] te Angeren op een afstand van ongeveer 100 m vanaf de nieuwe A15. Zij stellen dat aan de zijde van hun woning een geluidscherm van 250 m lang, maar slechts 1 m hoog wordt gerealiseerd, waardoor de geluidbelasting bij hun woning onacceptabel hoog zal zijn. De voorkeurswaarde wordt dan zeker niet gehaald. Zij stellen dat daarom bij de vaststelling van het tracébesluit reeds verder onderzoek had moeten worden gedaan naar de haalbaarheid van de binnenwaarden en er hadden nu reeds geluidwerende maatregelen moeten worden getroffen om geluidhinder te voorkomen. Deze maatregelen ontbreken in het tracébesluit. Dit klemt temeer, omdat zij als gevolg van de Betuwelijn al geluidhinder ondervinden, zodat sprake is van cumulatieve geluidhinder.
187.1. In bijlage C1 van het Deelrapport specififiek zijn de uitkomsten van de geluidberekeningen opgenomen. Daaruit volgt dat de huidige geluidbelasting ter plaatse van de woning [locatie 14] Lden GPP minder dan 50 dB bedraagt. De toekomstige geluidbelasting bedraagt - na het treffen van maatregelen - 56 dB. Aangezien de geluidbelasting met meer dan 6 dB toeneemt, is ook onderzoek naar cumulatie uitgevoerd. Die uitkomsten daarvan zijn weergegeven in bijlage B1 bij het Hoofdrapport. In die bijlage is de bijdrage per geluidbron inzichtelijk gemaakt. De bijdrage van het hoofdwegennet bedraagt 56 dB en van het onderliggend wegennet 59 dB. De toekomstige cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appelanten sub 20] zal - na het treffen van maatregelen - 61 dB bedragen.
De woning [locatie 14] is opgenomen in bijlage A1 "overzicht van geluidgevoelige objecten die voor onderzoek naar de binnenwaarde in aanmerking komen vanwege het hoofdwegennet" bij het Hoofdrapport.
187.2. Uit het voorgaande volgt dat de woning [locatie 14] voor onderzoek naar de binnenwaarde in aanmerking komt. Uit artikel 11.38, eerste lid, van de Wet milieubeheer volgt dat het onderzoek naar de binnenwaarde los staat van het tracébesluit waarbij de geluidproductieplafonds zijn vastgesteld. In het tweede lid is bepaald dat binnen een termijn van twee jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden, de geluidbelasting binnen de geluidgevoelige ruimten van het desbetreffende geluidgevoelige object moet worden teruggebracht tot een waarde die ten minste 3 dB is gelegen onder de binnenwaarde. Omdat het onderzoek naar de binnenwaarde los staat van het tracébesluit was de minister bij de vaststelling van het tracébesluit niet verplicht onderzoek te doen naar de haalbaarheid van een aanvaardbare binnenwaarde.
188. [appelanten sub 20] stellen dat de keuze voor een brug in plaats van een tunnel tot aantasting van hun uitzicht en een aantasting van het landschap zal leiden.
188.1. Niet uitgesloten is dat de keuze voor een brug tot aantasting van het uitzicht van [appelanten sub 20] zal leiden. Naar het oordeel Afdeling heeft de minister in redelijkheid een zwaarder belang kunnen toekennen aan de belangen die zijn gemoeid met het realiseren van het tracé dan aan het belang van [appelanten sub 20] bij behoud van de bestaande situatie.
Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat dat ter hoogte van de woning van [appelanten sub 20] aandacht besteed wordt aan een landschappelijke inpassing van de brug met boombeplanting en afscherming om de opgaande brug zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken
189. [appellante sub 40] is gevestigd op het perceel [locatie 15] te Angeren en zij stelt dat de minister bij de keuze voor de locatie van de brug over haar terrein en over het Pannerdensch Kanaal onvoldoende rekening heeft gehouden met haar bedrijfsbelangen. Uit de stukken blijkt niet dat de mogelijkheid van ontwijken van het terrein van [appellante sub 40], of het minder belastend aanleggen over het terrein, zelfs maar is overwogen, aldus [appellante sub 40].
[appellante sub 40] stelt dat ten onrechte niet in overweging is genomen om de weg een aantal meter richting het zuiden of het noorden te verleggen, of een tunnel aan te leggen in plaats van een brug. Dit zou de werkprocessen minder verstoren en minder schade opleveren voor [appellante sub 40] en het landschap. [appellante sub 40] wijst erop dat destijds voor het spoor van de Betuweroute voor een tunnel is gekozen en dat de keuze voor een brug alle overwegingen en het geïnvesteerde kapitaal van destijds, teniet doet. Deze kapitaalvernietiging maakt volgens [appellante sub 40] ten onrechte geen deel uit van de gemaakte afweging van de voor- en nadelen van tunnel of brug.
[appellante sub 40] stelt dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat het tracé over haar terrein is voorzien en dit ook al het geval was met de aanleg van de Betuwelijn. Dit betekent dat de [appellante sub 40] twee keer binnen een korte periode wordt geconfronteerd met een ingrijpende planologische en fysieke ingreep op haar bedrijfsterrein.
189.1. De minister stelt dat voor deze locatie is gekozen, omdat een ligging aan de zuidzijde van de Betuweroute en het fabrieksterrein bezwaarlijk is voor de bewoners van het buurtschap Boerenhoek en de effecten op de natuur. Wanneer de A15 ten noorden van het tasveld zou worden geprojecteerd, betekent dit een verschuiving van minimaal 200 m. Dit heeft volgens de minister een onvolledige bundeling en aanzienlijk hogere bouwkosten tot gevolg. Er is bewust gekozen voor een bundeling van weg en Betuweroute, zodat het landschap niet twee keer wordt aangetast. De minister stelt dat voor het Doortrekkingsalternatief A15 Noord is gekozen, omdat hij in de belangenafweging het maatschappelijk belang inzake doelmatige besteding van gelden, het beperken van ruimtebeslag op de particuliere omgeving en het mitigeren van omgevingseffecten heeft laten prevaleren boven het belang van [appellante sub 40].
De minister stelt dat [appellante sub 40] inderdaad geconfronteerd is met twee opeenvolgende infrastructurele projecten, beide met een eigen projectdoelstelling. Voor de Betuweroute was een reconstructie nodig, waarvoor [appellante sub 40] schadeloos is gesteld en die de continuïteit van het bedrijf niet in gevaar heeft gebracht.
189.2. Wat betreft de precieze plek van de brug ziet de Afdeling geen reden om te twijfelen aan de toelichting van de minister dat zowel een verplaatsing naar het noorden als naar het zuiden zou leiden tot de aantasting van de belangen van omwonenden en natuur respectievelijk tot aanzienlijk hogere bouwkosten.
Voor zover [appellante sub 40] vindt dat de minister had moeten voorzien in een tunnel in plaats van een brug wijst de Afdeling op hetgeen hiervoor onder 29.2 is overwogen: een tunnel is substantieel duurder en de minister heeft, gelet op alle betrokken belangen, in redelijkheid kunnen kiezen voor een brug.
De Afdeling ziet in hetgeen [appellante sub 40] heeft aangevoerd dan ook geen reden voor het oordeel dat de minister, bij afweging van alle betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor een brug over het Pannerdensch Kanaal op de plek zoals voorzien in het tracébesluit.
190. [appellante sub 40] stelt dat de vermelding van de aanwezigheid van [appellante sub 40] ten onrechte ontbreekt in het tracébesluit en de onderliggende documenten. Zij wordt niet als zodanig vermeld in het onderzoek naar externe veiligheid, het verkeersonderzoek, de geluidrapporten, de rapportages ecologie, het landschapsplan en het waterplan. [appellante sub 40] stelt dat daarnaast ook de gevolgen van de bedrijvigheid van [appellante sub 40] voor het wegverkeer op de brug ten onvoldoende zijn betrokken bij de onderzoeken. De effecten van het neerslaan of overwaaien van condenswolken en gassen uit de 30 m hoge fabriekspijp op de weg, zijn ten onrechte niet onderzocht, terwijl weggebruikers daarvan kunnen schrikken. De minister stelt in de zienswijzennota weliswaar dat deze effecten zijn onderzocht, maar dit betreft alleen een bureaustudie die in geen enkel opzicht de realiteit heeft benaderd. De genoemde conclusies stroken niet met de werkelijkheid, aldus [appellante sub 40].
190.1. De Afdeling stelt met de minister vast dat een (steen)fabriek niet een geluidgevoelig object is als bedoeld in artikel 11.1 van de Wet milieubeheer, zodat hier geen bescherming aan toekomt. Dit betekent dat de minister niet gehouden was [appellante sub 40] in het geluidonderzoek te betrekken.
[appellante sub 40] stelt weliswaar dat zij ten onrechte niet wordt vermeld in het landschapsplan en de onderzoeken naar verkeersveiligheid en het Deelrapport waterplan, maar de Afdeling ziet met de minister geen redenen op grond waarvan [appellante sub 40] in die onderzoeken specifiek had moeten worden betrokken. [appellante sub 40] heeft ook geen concrete omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de Afdeling moet oordelen dat de minister hiertoe gehouden was.
Niet in geschil is dat Erbrink Stacks onderzoek heeft uitgevoerd naar de zichtbaarheid en de gevolgen van de rookpluim. Uit dit onderzoek komt naar voren dat het neerslaan van stof- of condenswolken niet tot zichthinder voor het verkeer zal leiden. [appellante sub 40] stelt weliswaar dat het een bureaustudie betreft en de uitkomst niet overeenkomt met de werkelijkheid, maar heeft geen concrete argumenten naar voren gebracht die doen twijfelen aan de uitkomsten van dit onderzoek.
Voor zover [appellante sub 40] meent dat zij had moeten worden betrokken in het Deelrapport externe veiligheid, van 15 februari 2017, stelt de Afdeling vast dat ook in dit verband geen concrete omstandigheden naar voren zijn gebracht die tot die conclusie nopen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellante sub 40] niet is aan te merken als risicovolbedrijf, zoals een LPG-tankstation, ammoniakkoelinstallatie of opslagplaats voor gevaarlijke stoffen. Evenmin is [appellante sub 40] aan te merken als een zogenoemde BRZO-inrichting.
191. [appellante sub 40] stelt dat zich een pyrietvervuiling op haar terrein bevindt. Daarop mag niet zonder bijzondere en kostbare maatregelen worden gebouwd. Ter plaatse mag ook geen grondwater worden opgepompt. Dit betekent volgens [appellante sub 40] dat de bouw niet eenvoudigweg ter invulling van de aannemer kan worden overgelaten. In het tracébesluit had hierover een voorwaarde moeten worden opgenomen, aldus [appellante sub 40].
191.1. De vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, vormen als zodanig geen onderwerp van het tracébesluit, zodat deze nu niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de minister het tracébesluit niet had mogen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van dit tracébesluit in de weg staat.
191.2. Gezien de toelichting bij het tracébesluit stelt de Afdeling vast dat van bodemverontreiniging verdachte locaties zijn vastgesteld. Deze zijn onder meer verdacht omdat in het verleden met een bodemonderzoek al verontreiniging is aangetoond. Het bedrijfsterrein van [appellante sub 40] is één van die verdachte locaties. Op een deel van het terrein moeten pijlers worden gebouwd voor de brug. De locatie van [appellante sub 40] is als verdacht aangemerkt en er heeft een risicobeoordeling plaatsgevonden. De minister acht de pyrietvervuiling niet van dien aard dat het tracébesluit niet uitvoerbaar is.
[appellante sub 40] heeft geen concrete bezwaren aangevoerd tegen de bevindingen waarop het standpunt van de minister is gebaseerd. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreinigingen aan de uitvoerbaarheid van het tracébesluit in de weg staan.
192. [appellante sub 40] stelt dat ten tijde van het tracébesluit onvoldoende inzichtelijk was wat de gevolgen voor haar bedrijfsvoering zullen zijn. Zij betoogt in dat kader dat onvoldoende duidelijk is of door de minister rekening is gehouden met de trillingsgevoeligheid van de constructie van de oven en de rails van de fabriek. De oven is namelijk gevoelig voor trillingen en de constructie verdraagt geen verzakking. Iedere verzakking die als gevolg van de trilling door aanlegwerkzaamheden ontstaat, brengt volgens [appellante sub 40] aanzienlijke schade met zich in de vorm van warmtelekken, reparatie en volledige stagnatie van de bedrijfsvoering, omdat de hele constructie na verzakking opnieuw moet worden aangelegd. Voorts vreest zij schade, omdat het tracébesluit haar beperkt in haar bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden en als gevolg van de brug over het terrein zullen kleidepots moeten worden verlegd, de volledige bedrijfsvoering moeten worden aangepast en zullen routes moeten worden aangepast waardoor extra kosten per vervoersrit ontstaan. Verder vreest zij stagnatieschade en waardedaling van het bedrijf, de grond en de gebouwen.
[appellante sub 40] vreest hinder tijdens de aanleg van het tracé. In het tracébesluit is een reservering van 20 m werkterrein aan weerszijden van de brug opgenomen tot letterlijk tegen het fabrieksgebouw aan. Op deze strook bevinden zich bedrijfsonderdelen die onmisbaar zijn. Daarover is ten onrechte op voorhand niet nagedacht. Dit betekent een fors ruimtebeslag op het terrein van [appellante sub 40]. Dit heeft ook gevolgen voor de bereikbaarheid. Zij wenst daarom zodanige aanpassing van de werkstrook op het terrein van [appellante sub 40] dat de bedrijfsvoering niet wordt aangetast.
Blijkens het tracébesluit mag een aannemer bepalen hoe de situatie wordt gerealiseerd. Dit is volgens [appellante sub 40] in strijd met de rechtszekerheid. [appellante sub 40] stelt dat standpunten, onderzoeken en nadere inzichten van de minister van na de vaststellingsbesluiten, duiden op onzorgvuldige besluitvorming.
[appellante sub 40] verzoekt de Afdeling om een onafhankelijke deskundige te benoemen om de door steenfabriek genoemde effecten van de aanwezigheid van [appellante sub 40] te onderzoeken. Ook en temeer, omdat zij meent dat niet van haar kan worden gevraagd om alle nieuwe stukken die ten grondslag zijn gelegd aan het wijzigingsbesluit inhoudelijk te beoordelen en te weerleggen, aldus [appellante sub 40].
192.1. De door [appellante sub 40] genoemde hinderaspecten als gevolg van de bouwwerkzaamheden en het gebruik van het werkterrein betreffen uitvoeringsaspecten. De aannemer is bij de uitvoering gebonden aan geldende wet- en regelgeving.
Bij de beoordeling van de vraag of de minister het tracébesluit in redelijkheid heeft kunnen vaststellen, dient onder meer te worden betrokken of de minister heeft onderzocht welke schade kan optreden en of deze zodanig is dat het voorkomen daarvan zwaarder moet wegen dan het belang dat is gediend met het tracébesluit. Bij de beoordeling van de vraag of de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid het tracébesluit kon vaststellen, dient voorts te worden betrokken dat ten aanzien van mogelijk optredende schade als gevolg van het tracébesluit in ieder geval dient vast te staan dat er een regeling is voor de afhandeling van deze schade en welke regeling dat is.
In de toelichting bij het tracébesluit staat dat de bouw- en aanlegfase tijdelijke hinder voor de omgeving tot gevolg heeft. Mogelijke vormen van hinder zijn verminderde bereikbaarheid, trillinghinder en overlast van bouwverkeer. Deze hinder is betrokken bij de belangenafweging en is aan de orde in de besluitvorming over de vergunningen van het tracébesluit. Er zijn volgens de toelichting een aantal hinderbeperkende maatregelen aan de orde. Zo moet het materieel dat bij de bouw en aanleg zal worden ingezet, voldoen aan de daaraan gestelde eisen in het kader van EU-richtlijnen en dient voor de uitvoeringsmethode voor de aanleg van de brug over het Pannerdensch Kanaal een trillingsarme funderingsoplossing te worden gehanteerd vanwege nabije ligging van de boortunnel van de Betuwespoorlijn.
192.2. Artikel 4, zesde lid, van het tracébesluit luidt:
"Uitvoeringsmethode aanleg brug over het Pannerdensch Kanaal met een trillingsarme funderingsoplossing vanwege nabije ligging boortunnel Betuwespoorlijn."
192.3. Voor zover [appellante sub 40] stelt dat niet alle aspecten met het oog op de gevolgen van de uitvoeringswerkzaamheden ten tijde van de vaststellingsbesluiten inzichtelijk waren, stelt de Afdeling vast dat [appellante sub 40] en de minister naar onweersproken is gesteld al sinds 2012 met elkaar in overleg zijn, op 17 december 2019 een intentieovereenkomst hebben gesloten en een samenwerkingsovereenkomst in voorbereiding hebben die naar verwachting nog voor de zomer 2020 zou kunnen worden afgerond. Tegen deze achtergrond ziet de Afdeling geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de minister een adequaat beeld heeft gekregen van het bedrijfsproces en mogelijke risico’s ten aanzien van trillingen en verontreiniging.
Uit artikel 4, zesde lid, van het tracébesluit en de toelichting op dat besluit komt naar voren dat de minister zich bewust was van mogelijke hinder en schade als gevolg van de uitvoeringswerkzaamheden en dat maatregelen zullen worden getroffen om die zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel te beperken. In zoverre heeft de minister de door [appellante sub 40] genoemde hinderaspecten zoals hinder voor de bedrijfsvoering, verkeershinder vanwege bouwverkeer en trillinghinder inzichtelijk gemaakt en betrokken bij de belangenafweging. Aan de hand van diverse inventarisaties heeft de minister ten tijde van het tracébesluit geconcludeerd dat de uitvoeringswerkzaamheden niet tot onaanvaardbare hinder, dan wel schade zal leiden. Met hetgeen [appellante sub 40] heeft gesteld, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de minister zich ten tijde van het vaststellen van het tracébesluit niet in redelijkheid op dit standpunt kon stellen. Er is in zoverre dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister van het bestreden besluit had moeten afzien.
Dat de minister na het tracébesluit naar aanleiding van overleg met [appellante sub 40] nader heeft bezien of en hoe de hinder en/of mogelijke constructieve schade als gevolg van uitvoeringswerkzaamheden verdergaand beperkt kon worden, maakt, anders dan [appellante sub 40] kennelijk meent, niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel dat de belangenafweging onzorgvuldig was. De Afdeling ziet evenmin dat de minister in strijd met de rechtszekerheid zou handelen als hij de aannemer enige vrijheid geeft met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden.
Bij het voorgaande neemt de Afdeling in aanmerking dat tussen partijen inmiddels een grote mate van overeenstemming is bereikt, dat de kleidepots al zijn verplaatst en dat de minister daarvoor heeft betaald. De Afdeling wijst in de gegeven omstandigheden het verzoek om een onafhankelijke deskundige in te schakelen af.
193. [appellant sub 3] woont aan [locatie 16] te Groessen en stelt dat de geluidhinder ter plaatse van zijn woning feitelijk hoger is dan is berekend, omdat de cumulatie van geluid - in dit geval de geluidbelasting van de Betuwelijn - niet in de berekeningen is betrokken.
193.1. In het Deelrapport specifiek staat in bijlage C1 dat in de huidige situatie voor de woning [locatie 16] het Lden GPP minder dan 50 dB bedraagt. De toekomstige geluidbelasting - als gevolg van het tracébesluit - bedraagt zonder toepassing van geluidmaatregelen 61 dB. Na toepassing van maatregelen - in dit geval een grondwal van 2 m hoog en daarbovenop een geluidscherm van 1 m hoog en 250 m lang en toepassing van tweelaags ZOAB - bedraagt de geluidbelasting 57 dB.
In bijlage B1 bij het Hoofdrapport is de bijdrage per geluidbron inzichtelijk gemaakt. De bijdrage van het hoofdwegennet bedraagt 57 dB, van het onderliggende wegennet 35 dB en van het spoor 51 dB. Dit betekent dat de bijdrage van het hoofdwegennet met 57 dB maatgevend is. De cumulatieve geluidbelasting inclusief maatregelen bedraagt volgens bijlage B1 bij het Hoofdrapport 58 dB.
193.2. Uit de geluidrapporten komt naar voren dat de cumulatie van geluid, ook het geluid als gevolg van de spoorlijn van de Betuweroute, is betrokken bij de geluidberekeningen voor de woning [locatie 16]. De stelling van [appellant sub 3] dat de cumulatie van geluid niet in de berekeningen is betrokken, mist feitelijke grondslag.
194. [appellant sub 3] stelt dat de minister in de zienswijzennota in het kader van de calamiteitentoerit niet duidelijk is over wat wordt bedoeld met reguliere dagen bij rampenbestrijding. [appellant sub 3] vreest dan ook voor zijn veiligheid als bij ernstige calamiteiten op de toekomstige A15 de hulpverlenings- en rampenbestrijdingsorganisaties uit de reguliere dienst worden gehaald, terwijl de wettelijke aanrijdtijden voor deze dienst nu al niet worden gehaald.
194.1. In paragraaf 3.5 van toelichting bij het tracébesluit staat dat afstemming heeft plaatsgevonden over de veiligheid van het wegontwerp van de A12/A15 tussen Rijkswaterstaat, de hulpdiensten zoals brandweer, ambulance en politie, vertegenwoordigd door de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) en de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG). Deze afstemming is specifiek gericht op de veiligheid van weggebruikers in geval van incidenten/calamiteiten en de bereikbaarheid voor hulpdiensten en het kunnen functioneren daarvan.
Tevens is een aantal maatregelen beschreven die de bereikbaarheid van de Betuweroute voor hulpdiensten waarborgen na realisatie van de doortrekking van de A15 die grotendeels parallel aan de Betuweroute loopt. Bestaande parallel liggende en kruisende openbare infrastructuur wordt gehandhaafd. Op twee locaties komen twee gemeentelijke wegen hierdoor te ver van de Betuweroute af te liggen. Dit gaat om ’t Veld tussen de Kampsestraat en de N838 in Lingewaard om Den Oldenhoek tussen de Rijswijksestraat en de Kandiadijk in Duiven. De openbare functie van deze wegen wordt overgenomen door een nieuwe gemeentelijke weg langs de A15. De huidige wegen worden met enkele aanpassingen onttrokken aan het overige verkeer en zijn dan alleen toegankelijk voor hulpdiensten dan wel als onderhoudsweg voor de Betuweroute. In het calamiteiten-/onderhoudspad tussen Kampsestraat en N838 wordt ter hoogte van de Kampsestraat een keerlus aangebracht, aldus de toelichting bij het tracébesluit.
In paragraaf 7.2 van het Deelrapport externe veiligheid staat dat de doortrekking van de A15 een lokale barrièrewerking heeft. Voorbeelden hiervan zijn de aanrijdroutes voor de hulpdiensten naar de Betuweroute. Daarom heeft de Veiligheidsregio een aantal mogelijk te treffen maatregelen geadviseerd ter verbetering van de bereikbaarheid. Een van die maatregelen betreft de calamiteitentoerit nabij de Schraleweidsestraat, om zo het veiligheidsniveau van de Betuweroute te behouden. Volgens het advies van de Veiligheidsregio - bijlage 8 bij het Deelrapport externe veiligheid - is het uitgangspunt dat het huidige veiligheidsniveau van de Betuweroute minimaal gehandhaafd blijft, zodat kan worden voldaan aan de geldende prestatie-eisen en veilig repressief kan worden opgetreden bij een calamiteit.
In het Deelrapport externe veiligheid staat ook dat het voor het redden van personen en het blussen van eventuele secundaire branden belangrijk is dat de bebouwde gebieden in de omgeving van de rijksweg bereikbaar zijn voor hulpdiensten. In algemene zin wordt aangenomen dat deze gebieden voldoende bereikbaar zijn voor hulpdiensten.
194.2. Uit de hiervoor weergegeven passages uit de toelichting bij het tracébesluit en het Deelrapport externe veiligheid blijkt dat onderzoek is gedaan naar de bereikbaarheid van de omgeving van de A15 voor de hulpdiensten. Daaruit komt naar voren dat door een aantal maatregelen te treffen - zoals het realiseren van de calamiteitentoerit nabij de Schraleweidsestraat - het veiligheidsniveau van de Betuweroute kan worden behouden en dat de bebouwde gebieden in de omgeving van de rijksweg bereikbaar zijn voor hulpdiensten. [appellant sub 3] heeft geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die de Afdeling doen twijfelen aan de juistheid van deze conclusies.
Voor zover [appellant sub 3] vreest voor zijn veiligheid bij een ernstige calamiteit, omdat de hulpverleningsdiensten dan uit de reguliere diensten worden gehaald, betreft dit een extreme situatie. In het Deelrapport externe veiligheid staat dat in een volgende fase door de wegbeheerder daarvoor nog een calamiteitenplan wordt opgesteld.
195. [appellant sub 3] vreest trillinghinder als gevolg van de aanleg van de A15. Hij stelt dat de minister bij de beoordeling van trillinghinder van een onjuiste ligging van zijn woning is uitgegaan. De minister heeft ten onrechte de gevolgen van trilling voor deze woning niet onderzocht, terwijl de fundering van de woning niet bestand is tegen trillinghinder en uit geohydrologisch onderzoek naar voren komt dat zettingen van de bodem mogelijk zijn als gevolg van de aanleg van de A15.
195.1. Artikel 1, tweede lid, onder e en f, van het tracébesluit luidt:
"e. Tussen kilometer 173.92 en kilometer 175.45 wordt de A15 verdiept op maximaal 6 meter onder maaiveld in een open bakconstructie aangelegd, met uitzondering van het gedeelte tussen kilometer 175.16 en kilometer 175.30, waarbij de A15 verdiept in een gesloten bakconstructie wordt aangelegd.
f. Tussen kilometer 175.45 en kilomeer 177.2 wordt de A15 half verdiept (circa 3 meter onder maaiveld) aangelegd. Hierna sluit de A15 aan op het nieuwe knooppunt A15-A12 Oudbroeken."
195.2. De door [appellant sub 3] genoemde trillinghinder als gevolg van de aanleg van de A15 is een uitvoeringsaspect. In de toelichting bij het tracébesluit staat daarover onder meer dat tijdens de realisatie diverse maatregelen worden getroffen om de hinder voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken. Zo staat in paragraaf 3.9, dat als gevolg van de uitvoering mogelijk trillinghinder kan worden ondervonden en dat deze hinder zoveel mogelijk moet worden beperkt. Bij de keuze van de in te zetten techniek wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de invloed daarvan op het woon- en leefmilieu en tijdens de uitvoeringsfase wordt actief gecommuniceerd met omwonenden.
In paragraaf 8.2 van de toelichting bij het tracébesluit staat dat zetting zich kan voordoen bij de (half)verdiepte ligging van de A15, in het bijzonder tijdens de aanlegfase waarbij grondwaterbemaling aan de orde kan zijn om de (half)verdiepte ligging te realiseren.
Om inzicht te geven in de mogelijke grondwaterstand en de omgevingseffecten daarvan die tijdens de uitvoering kunnen optreden bij een verdiepte of halfverdiepte aanleg van de A15 in beton nabij Groessen en Duiven-Zevenaar is door Arcadis geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn weergegeven in het rapport Geohydrologisch onderzoek doortrekking A15, van 4 november 2014 (hierna: Geohydrologisch onderzoek).
Uit het Geohydrologisch onderzoek blijkt dat risico op zetting aanwezig is, afhankelijk van de uitvoeringsmethode. Het risico beperkt zich tot de directe omgeving van het tracé, tot maximaal ongeveer 600 m.
195.3. De woning van [appellant sub 3] ligt ter hoogte van km 173.000 en de verdiepte ligging wordt aangelegd tussen km 173.92 en km 177.2. Dit volgt uit artikel 1, tweede lid, onder e en f, van het tracébesluit. Dit betekent dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 3] en het begin van de verdiepte ligging ongeveer 920 m bedraagt. Dit is 300 m buiten de risicocontour van 600 m tot het tracé waar het mogelijk risico op zetting zich kan voordoen.
195.4. Uit het voorgaande volgt dat de minister de wijze waarop de nadelige gevolgen voor [appellant sub 3] gedurende de uitvoeringswerkzaamheden kunnen worden beperkt, heeft betrokken bij de belangenafweging. De minister heeft zich - mede gelet op de afstand tussen de woning van [appellant sub 3] en de verdiepte ligging van de A15 - naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de trillinghinder gedurende de uitvoeringswerkzaamheden niet onaanvaardbaar zal zijn en dat geen zettingschade te verwachten valt.
Voor zover [appellant sub 3] nadelige gevolgen ondervindt in de vorm van schade, betreft dit schade die kan worden toegerekend aan de hierboven gestelde hinder. [appellant sub 3] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat deze schade zodanig zal zijn dat de minister ten aanzien van een vergoeding daarvan niet met een verwijzing naar de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 heeft kunnen volstaan.
196. [appellanten sub 14] wonen aan de [locatie 17] te Groessen op een afstand van ongeveer 120 m ten noorden van het nieuwe tracé van de A15 en stellen dat bij de aanleg van de Betuwelijn een geluidscherm is gerealiseerd om de geluidhinder op hun woning te beperken. Op basis van het vertrouwensbeginsel menen zij dat ook nu een geluidscherm geplaatst moet worden. De reductie van stil asfalt staat volgens hen in schril contrast met de reductie van de schermmaatregelen verderop, temeer omdat de toekomstige geluidbelasting op hun woning - inclusief maatregelen - 59 dB zal bedragen.
196.1. Uit bijlage C bij het Deelrapport specifiek komt naar voren dat het tracébesluit - zonder maatregelen - tot een geluidbelasting van 62 dB op de woning van [appellanten sub 14] zal leiden. Geluidonderzoek heeft uitgewezen dat het aanbrengen van tweelaags ZOAB tot een reductie van 3 dB zal leiden, waardoor de toekomstige geluidbelasting 59 dB zal bedragen. Dit is weliswaar hoog, maar dit blijft nog onder de toegestane maximale waarde van 65 dB.
De woning [locatie 17] maakt deel uit van cluster 12a in het Deelrapport specifiek. Voor dit cluster kunnen geen doelmatige aanvullende schermmaatregelen worden getroffen.
196.2. [appellanten sub 14] hebben geen concrete bezwaren naar voren heeft gebracht tegen de wijze waarop de berekeningen en de beoordeling van maatregelen zijn uitgevoerd. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding de minister niet te volgen wat betreft de geluidberekening en de maatregelafweging.
196.3. Zoals hiervoor onder 29.3 is overwogen, is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat degene die er een beroep op doet aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.
Dat ten tijde van de aanleg van de Betuweroute een geluidscherm is gerealiseerd ter hoogte van de woning van [appellanten sub 14] is niet aan te merken als een dergelijke toezegging, andere uitlating of gedraging van de overheid.
Reeds hierom faalt het betoog over het vertrouwensbeginsel.
197. [appellant sub 5] woont en exploiteert een agrarisch bedrijf aan [locatie 18] te Groessen. [appellant sub 5] wenst geluidbeperkende maatregelen in de directe omgeving van zijn woning.
197.1. In artikel 7, tabel 6, van het tracébesluit is gewaarborgd dat ter hoogte van Den Oldenhoek een geluidwal met een hoogte van 2 m waarop een geluidscherm met een hoogte van 1 m wordt geplaatst tussen km 172.937 en km 173.187.
Uit bijlage C1 van het Deelrapport specifiek volgt dat de huidige geluidbelasting Lden GPP ter plaatse van de woning [locatie 18] minder dan 50 dB bedraagt. De toekomstige geluidbelasting bedraagt zonder het treffen van maatregelen 61 dB. De toekomstige geluidbelasting bedraagt na het treffen van bovengenoemde maatregelen bij volledige benutting van het geluidproductieplafond 57 dB.
197.2. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 5] geen concrete bezwaren naar voren heeft gebracht tegen de wijze waarop de minister de berekeningen en de beoordeling van maatregelen heeft uitgevoerd. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding de minister niet te volgen wat betreft de geluidberekening en de maatregelafweging.
198. [appellant sub 5] exploiteert een akkerbouwbedrijf en exploiteerde voor 2016 ook een wormenkwekerij. [appellant sub 5] stelt dat op basis van gegevens uit de literatuur en op basis van metingen een indicatie aanwezig is dat als gevolg van het project ViA15 de voormalige locatie van de buitenkweekbakken van zijn wormenkwekerij niet meer geschikt is voor het uitoefenen van een wormenkwekerij. Hij vreest dan ook dat hij zijn wormenkwekerij niet kan hervatten vanwege een toename van zwaar verkeer op de A15 als gevolg van het tracébesluit.
[appellant sub 5] stelt dat hij een aanzienlijk deel van zijn huiskavel zal moeten afstaan, mede met het oog op het realiseren van een aarden wal langs het tracé. Het is nog steeds onduidelijk hoeveel grond hiermee verloren zal gaan. Ook is onduidelijk of er alternatieven zijn die minder grond in beslag nemen. [appellant sub 5] stelt dat hij zoveel grond moet afstaan dat de bewerking van de resterende perceelsgedeelten door landbouwmachines nagenoeg onmogelijk wordt gemaakt. De waardevermindering is daardoor meer dan de waarde van de grond die hij moet afstaan. De onzekerheid over de bruikbaarheid van de percelen en hoeveel bruikbare landbouwgrond verloren gaat, leidt tot rechtsonzekerheid.
198.1. In het "Trillingonderzoek trillingen Wormenkwekerij ViA15", van 14 april 2017, uitgevoerd door Royal HaskoningDHV (hierna: Trillingonderzoek Wormenkwekerij) staat dat de kwekerij in 2016 niet meer in bedrijf was en de buitenkweekbakken niet aanwezig waren. De kweker heeft aangegeven de kwekerij mogelijk weer op te starten. De vrees voor trilling betreft de buitenkweekbakken en de gevreesde schade bestaat eruit dat de wormen onder invloed van trillingen boven de humus in de kweekbakken uitkomen en dientengevolge uitdrogen. Uit het onderzoek volgt dat de prognose voor het zwaar verkeer maximaal Vmax=0,09-0,16 bedraagt. Er zijn nulmetingen verricht ter hoogte van de voormalige buitenkweekbakken. De trillingen als gevolg van de passage van een trein liggen tussen de 4-10 Hz. De hoogst geregistreerde waarde bedraagt Vmax=0,19. Hiermee is de verwachting van de hoogste maximale waarden van de ViA15 (Vmax=0,16) in ieder geval niet hoger dan de hoogste gemeten waarde als gevolg van passages van treinen in de huidige situatie. Volgens het Trillingonderzoek Wormenkwekerij is mitigatie mogelijk door de afstand tussen een toekomstige buitenkweekbak en de rijbaan te vergroten. Het advies luidt dan ook om de afstand tussen een (toekomstige) buitenkweekbak en de rand van de A15 te vergroten. De minimale afstand waarbij naar verwachting geen effect zal optreden bedraagt ongeveer 100 m, aldus het Trillingonderzoek Wormenkwekerij.
198.2. [appellant sub 5] heeft geen concrete feiten en bezwaren naar voren gebracht tegen het Trillingonderzoek Wormenkwekerij. De Afdeling ziet dan ook geen reden om eraan te twijfelen dat de verwachte trillinghinder vergelijkbaar is met de huidige trillinghinder en dat om het risico op effecten uit te sluiten het mogelijk is om een toekomstige buitenkweekbak op een afstand van 100 m vanaf de rand van de A15 de plaatsen, waardoor bij een eventuele hervatting van de wormenkwekerij negatieve gevolgen op de buitenkweekbakken kunnen worden voorkomen. Deze beroepsgrond faalt.
198.3. Niet in geschil is dat het ruimtebeslag op het eigendom van [appellant sub 5] 1,46 ha bedraagt van zijn - over drie percelen verdeelde - totaal van ongeveer 6,63 ha. De minister heeft onweersproken gesteld dat daarover op minnelijke wijze overeenstemming is bereikt en dat daarbij ook de consequenties van de bedrijfsvoering zijn betrokken. Ook in zoverre ziet de Afdeling geen reden het besluit onrechtmatig te achten.
199. [appellant sub 5] vreest schade aan zijn woonhuis en de bebouwing op zijn perceel door trilling en bronbemaling als gevolg van de aanleg van het tracé. Hij wenst duidelijkheid over een nulmeting.
199.1. In de toelichting bij het tracébesluit is paragraaf 3.9 "Maatregelen tijdens de bouw- en aanlegfase" opgenomen. Daar staat onder meer dat als gevolg van de uitvoering mogelijk trillinghinder kan worden ondervonden en dat deze hinder zoveel mogelijk moet worden beperkt. Bij de keuze van de in te zetten techniek zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de invloed daarvan op het woon- en leefmilieu en tijdens de uitvoeringsfase zal actief worden gecommuniceerd met omwonenden.
199.2. Uit het voorgaande volgt dat de minister de wijze waarop de nadelige gevolgen voor [appellant sub 5] gedurende de uitvoeringswerkzaamheden kunnen worden beperkt, heeft betrokken bij de belangenafweging. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om eraan te twijfelen dat de uitvoeringswerkzaamheden niet tot onaanvaardbare hinder zullen leiden.
200. [appellant sub 44] woont aan de [locatie 19] te Groessen op een afstand van ongeveer 450 m ten noordwesten van het nieuwe tracé van de A15. [appellant sub 44] stelt dat ten onrechte geluidschermen ontbreken op de brug over het Pannerdensch Kanaal. Hij wenst schermen van minimaal 3 m hoogte tot aan de Schraleweidsestraat. Daarnaast is het geluid van de Betuweroute ten onrechte niet betrokken bij de geluidberekeningen voor zijn woning.
200.1. Uit bijlage C1 van het Deelrapport specifiek komt naar voren dat in de huidige situatie bij volledige benutting van het geluidproductieplafond de geluidbelasting Lden GPP op de woning van [appellant sub 44] minder dan 50 dB bedraagt. Zonder maatregelen leidt het tracébesluit tot een geluidbelasting van 53 dB, een toename met 3 dB. Geluidonderzoek heeft uitgewezen dat het aanbrengen van tweelaags ZOAB tot een reductie leidt van 3 dB bij de woning, waardoor de toekomstige geluidbelasting voldoet aan de voorkeurswaarde van 50 dB. In het geluidonderzoek is de Betuweroute betrokken.
200.2. In hetgeen [appellant sub 44] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de hiervoor vermelde bevindingen van het geluidonderzoek. Daarom bestaat geen reden voor het oordeel dat de minister gehouden was om extra maatregelen te treffen. Gelet op artikel 11.33, zevende lid, onderdeel c, van de Wet milieubeheer en artikel 16, onder a, van de Regeling geluid milieubeheer heeft de minister zich ook terecht op het standpunt gesteld dat onderzoek naar samenloop van geluid in dit geval achterwege kon blijven.
201. [appellant sub 44] vreest waardedaling van zijn woning en stelt dat hij een verzoek tot nadeelcompensatie zal indienen, zodra het tracébesluit onherroepelijk is.
201.1. Voor zover [appellant sub 44] vreest voor waardedaling van zijn woning stelt de Afdeling vast dat hij geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aannemelijk maken dat die waardedaling dusdanig is dat de minister niet in redelijkheid met een verwijzing naar de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 heeft kunnen volstaan.
Indien [appellant sub 44] meent dat hij schade zal lijden in de vorm van waardedaling van zijn woning als gevolg van dit tracébesluit, kan hij ingevolge artikel 18, vierde lid van het tracébesluit een verzoek om schadevergoeding indienen.
Detailkaart 9 bij het tracébesluit (Groessen)
202. [appellant sub 1], [appellant sub 7], [appellant sub 11], [appellant sub 13], [appellant sub 12], [appellant sub 16], [appellante sub 26], [appellant sub 22], [appellant sub 24], [appellante sub 33], [appellant sub 35], [appellant sub 36], en [appellante sub 39] vrezen hydrologische schade en verzakkingen aan gebouwen als gevolg van de uitvoeringswerkzaamheden. Zij stellen dat ten tijde van het tracébesluit onvoldoende inzichtelijk was wat de gevolgen voor hun woningen zullen zijn. Zij betogen in dat kader dat uit het tracébesluit volgt dat gevolgen zich kunnen voordoen tot een afstand van 600 m vanaf het punt van wateronttrekking. Uit paragraaf 4.9.24 van de zienswijzennota kan worden geconcludeerd dat nog steeds geen adequaat onderzoek is uitgevoerd, zodat onvoldoende duidelijk is wat de gevolgen zullen zijn van bemaling en wateronttrekking in een gebied rond het tracé. Voorts vrezen zij trillinghinder en schade aan hun woningen als gevolg van de aanleg van de verdiepte ligging van de A15. Zij stellen dat nadere onderzoeken naar de hydrologische gevolgen en trillinghinder als gevolg van de uitvoeringswerkzaamheden deel hadden moeten uitmaken van het tracébesluit.
Zij stellen dat onduidelijk is wie aansprakelijk is bij schade, de aannemer of de minister. In het licht van deze vraag stellen zij dat het tracébesluit ten onrechte niet voorziet in onderzoeken die als referentiekader voor de werkzaamheden, dus ook voor mogelijke schadebepaling dienen te gelden.
202.1. De minister heeft zich bij de vaststelling van het tracébesluit voor de beoordeling van de effecten tijdens de realisatie onder meer gebaseerd op de Trajectnota/MER, het Geohydrologisch onderzoek Doortrekking A15 van 4 november 2014 (hierna: Geohydrologisch onderzoek) en het Deelrapport waterplan.
In paragraaf 4.6 van het Deelrapport waterplan staat dat in afstemming met de betrokken overheden en waterschappen, daarbij ondersteund door Deltares, gezamenlijk is bepaald wat de (maximale) effecten mogen zijn van zetting en wateronttrekkingen. De belangrijkste risico’s zijn in beeld gebracht en dit heeft geleid tot de plaatsing van extra peilbuizen in de omgeving van de verdiepte ligging en een inventarisatie van de omgeving van onder meer de funderingen om een goede meting van de nulsituatie te kunnen verkrijgen.
In de toelichting bij het tracébesluit staat dat de bouw- en aanlegfase tijdelijke hinder voor de omgeving tot gevolg heeft. Mogelijke vormen van hinder zijn trillinghinder, hinder van bouwverkeer en tijdelijke grondwateronttrekking. Deze hinder is betrokken bij de belangenafweging en is aan de orde in de besluitvorming over de vergunningen van het tracébesluit. Dat neemt niet weg dat een aantal hinderbeperkende maatregelen zullen worden getroffen. Zo zal bij de keuze van de in te zetten techniek zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de invloed daarvan op het woon- en leefmilieu, moet het materieel dat bij de bouw en aanleg zal worden ingezet voldoen aan de daaraan gestelde eisen in EU-richtlijnen en zal worden gekozen voor een uitvoeringsmethode voor de aanleg van de (half)verdiepte ligging met beperkte beïnvloeding van de grondwaterstand om omgevingsschade te voorkomen dan wel te beperken en zal tijdens de uitvoeringsfase actief worden gecommuniceerd met omwonenden.
202.2. Voor zover appellanten stellen dat alle aspecten met het oog op de gevolgen van uitvoeringswerkzaamheden ten tijde van de vaststelling van het tracébesluit inzichtelijk moesten zijn, stelt de Afdeling vast dat in de Trajectnota/MER, het Geohydrologisch onderzoek en het Deelrapport Waterplan op basis van een worstcasescenario onderzoek is uitgevoerd naar de gevolgen van de uitvoeringswerkzaamheden, uitgaande van een werkwijze met wateronttrekking en bronbemalingen. In zoverre heeft de minister de door appellanten genoemde hinderaspecten, zoals trillinghinder en hydrologische gevolgen voor de omgeving, naar het oordeel van de Afdeling inzichtelijk gemaakt. Aan de hand van de voornoemde rapporten heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het risico van dergelijke gevolgen alleen zou spelen tijdens de aanlegfase. Voorts heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de in de rapporten geadviseerde maatregelen, de in de toelichting genoemde maatregelen en de in het tracébesluit gewaarborgde maatregel afdoende zijn en tijdig getroffen kunnen worden ter voorkoming van negatieve effecten op de grondwaterstand of schade aan woningen en de risico’s van zetting en schades als beheersbaar aangemerkt. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben gesteld geen reden om te twijfelen aan de resultaten van de rapporten waarop de minister zich heeft gebaseerd. Gelet op de resultaten van die rapporten kan niet worden gezegd dat de minister zich ten tijde van het vaststellen van het tracébesluit niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de uitvoeringswerkzaamheden niet tot onaanvaardbare trillinghinder en schade en verzakking aan gebouwen zal leiden.
Na de vaststelling van het tracébesluit zijn strengere eisen gesteld door het waterschap Rijn en IJssel op basis van ervaring met het verleggen van leidingen voorafgaand aan de aanleg van de A15. Omdat de Afdeling het besluit beoordeelt naar de datum waarop het is genomen, kan daaraan door haar geen beslissende betekenis worden toegekend. Dat de minister aan de hand van die eisen heeft bezien of en hoe de trillinghinder en/of mogelijke constructieve schade als gevolg van de uitvoeringswerkzaamheden verder beperkt kon worden, maakt dan ook niet dat het tracébesluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel de belangenafweging onzorgvuldig was. De Afdeling merkt nog wel op dat die nadere afweging volgens de minister ertoe heeft geleid dat is besloten de halfverdiepte ligging en de geheel verdiepte ligging van de A15 zonder bemaling en daarmee zonder grondwaterstandsdaling uit te voeren.
202.3. Voor zover appellanten stellen dat het tracébesluit ten onrechte niet voorziet in onderzoeken die als referentiekader voor de werkzaamheden en voor mogelijke schadebepaling dienen te gelden, gaat het om uitvoeringsaspecten. De aannemer is bij de uitvoering gebonden aan geldende wet- en regelgeving. Deze aspecten hoeven niet in een tracébesluit te worden geregeld. Daarnaast betreft de schadebepaling een aparte procedure, zodat dit in een tracéprocedure niet aan de orde kan komen.
Voor zover appellanten stellen dat onduidelijk is waar zij terecht kunnen in het geval van schade, is de Afdeling van oordeel dat artikel 18 van het tracébesluit in samenhang gelezen met artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet voldoende duidelijkheid biedt. Een aanvraag tot nadeelcompensatie kan worden ingediend bij de minister.
203. [appellant sub 6] is eigenaar van de woning [locatie 20] te Groessen, ter hoogte van km 173.700. De afstand tussen de woning en de toekomstige A15 bedraagt ongeveer 250 m. In het ontwerpbesluit was de verdiepte ligging ter hoogte van zijn woning geprojecteerd, maar die is nu 500 m verschoven, waardoor de geluidsituatie bij zijn woning is verslechterd. [appellant sub 6] wenst daarom een extra geluidscherm om de geluidhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
Voorts verwacht hij dat de uitstoot van fijnstof nadelige gevolgen kan hebben voor zijn gezondheid. De gezondheidsrisico’s voor mensen die in de nabijheid van een snelweg wonen, zijn groot, aldus [appellant sub 6].
Hij vreest waardedaling van zijn woning vanwege geluidhinder als gevolg van het tracébesluit en wenst vergoeding van vermogensschade.
203.1. Uit bijlage C1 van het Deelrapport specifiek volgt dat de huidige geluidbelasting Lden GPP minder dan 50 dB bedraagt. De toekomstige geluidbelasting op de woning [locatie 20] bedraagt bij volledige benutting van het geluidproductieplafond zonder het treffen van maatregelen 57 dB.
In paragraaf 7.2.5 van het Deelrapport specifiek staat dat voor de woningen aan de Kerkakkers en de kern van Groessen vanuit het ViA15 project de toezegging is gedaan om in het tracébesluit te streven naar vergelijkbare of lagere geluidbelastingen dan in het ontwerp-tracébesluit. De geluidbelastingen zijn hier in de toekomstige situatie met het project hoger dan in het ontwerp-tracébesluit, omdat de weg vanwege aanpassingen vanuit de aanvullende bestuursovereenkomst langer op maaiveldhoogte blijft liggen. Met een afschermende voorziening met een lengte van 430 m en een hoogte van 3 m op de wal, ter hoogte van de woningen aan de Kerkakkers 35 en 50, wordt een met het ontwerp-tracébesluit vergelijkbaar geluidniveau bereikt. Kerkakkers 35 komt 1 dB hoger uit en de geluidbelasting bij Kerkakkers 50 wordt 1 dB lager. De maatregel zou over een groot deel meer dan 3 m hoog, bovenop de geluidwal, moeten worden uitgevoerd om ook de verhoging van 1dB bij Kerkakkers 35 weg te nemen. In plaats van een ophoging van het 3 m hoge scherm is in aanvulling op het doelmatige pakket gekozen voor een verlenging van het schermdeel met een hoogte van 3 m. Hiermee wordt voor meer woningen in cluster 12c een geluidreductie behaald dan met een nog verdere ophoging van het 3 m hoge schermdeel, aldus het Deelrapport specifiek.
Het tracébesluit voorziet ter hoogte van Kerkakkers en de kern Groessen in een geluidwal met een hoogte van 2 m waarop een geluidscherm met een hoogte van 3 m wordt geplaatst met een lengte van 430 m tussen km 173.79 en km 174.215 langs de A15.
De toekomstige geluidbelasting bedraagt - na toepassing van tweelaags ZOAB en het plaatsen van bovengenoemde geluidwal met scherm - 52 dB, een reductie van 5 dB ten opzichte van 57 dB. Dit is 2 dB hoger dan de wettelijke voorkeurswaarde. De toekomstige cumulatieve geluidbelasting bedraagt eveneens 52 dB.
[appellant sub 6] heeft geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de berekening van de geluidbelasting en de maatregelenafweging. De Afdeling ziet dan ook geen reden de minister niet te volgen in het standpunt dat een cumulatieve geluidbelasting van 52 dB niet tot een onaanvaardbare situatie voor [appellant sub 6] zal leiden.
203.2. Het tracébesluit zal voor [appellant sub 6] tot een verandering van zijn woonomgeving leiden, maar gelet op de afstand tussen de woning van [appellant sub 6] van ruim 250 m en de ligging van de A15, heeft de minister zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat deze verandering tot een dusdanige onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat zal leiden dat de gezondheid in het geding is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat hiervoor over het aspect luchtkwaliteit is overwogen dat ook in de toekomstige situatie aan de wettelijke grenswaarden kan worden voldaan. Voorts zijn de cumulatieve effecten van een aantal aspecten betrokken in de in de Trajectnota/MER uitgevoerde gezondheidsscreening volgens de GES-methode, uit de resultaten waarvan naar voren komt dat over het algemeen de milieugezondheidssituatie nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van de autonome ontwikkeling.
203.3. Het is niet uitgesloten dat het tracébesluit tot een waardevermindering van de woning van [appellant sub 6] zal leiden. [appellant sub 6] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat deze zodanig zal zijn dat de minister voor een vergoeding van de eventuele schade niet met een verwijzing naar de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 heeft kunnen volstaan.
Het betoog van [appellant sub 6] faalt.
204. [appellant sub 11] woont aan de [locatie 21] te Groessen op ongeveer 125 m vanaf de grens van het tracébesluit en stelt dat de in het tracébesluit voorziene geluidmaatregelen niet toereikend zijn.
204.1. In de toelichting bij het wijzigingsbesluit staat dat voor de woningen aan de Kerkakkers en de kern van Groessen de toezegging is gedaan om te streven naar vergelijkbare of lagere geluidbelastingen zoals opgenomen in het ontwerp-tracébesluit, vanwege het later starten van de verdiepte ligging ten opzichte van de verdiepte ligging zoals opgenomen in het ontwerp-tracébesluit.
Het wijzigingsbesluit voorziet daarom in artikel 5 in een wal van 2 m hoog en een 3 m hoog scherm over een lengte van 430 m.
Uit bijlage C1 van het Deelrapport specifiek volgt dat de toekomstige geluidbelasting zonder aanvullende maatregelen 58 dB zal bedragen. Na het treffen van bronmaatregelen en eindmaatregelen, bedraagt de toekomstige geluidbelasting 50 dB, zodat aan de voorkeurswaarde van 50 dB kan worden voldaan.
204.2. [appellant sub 11] heeft geen concrete bezwaren tegen de wijze van berekenen van de geluidbelasting en de maatregelafweging aangevoerd. De Afdeling ziet dan ook geen reden de minister niet te volgen in het standpunt dat de maatregelen toereikend zijn om aan de geldende voorkeurswaarde van 50 dB te kunnen voldoen.
205. [appellant sub 11] stelt dat het tracébesluit tot ernstige aantasting van zijn woon- en leefklimaat zal leiden, mede door de cumulatie van geluid. Het wonen in het buitengebied is voor hem een bewuste keuze, omdat hij in rust wil wonen en leven. Het is volgens hem bekend dat geluid van een snelweg een negatieve invloed heeft op mensen en met name op kinderen. De uitstoot van schadelijke stoffen als gevolg van het tracébesluit baart [appellant sub 11] zorgen voor de gezondheid. Hij wenst extra maatregelen ter bescherming van de gezondheid.
[appellant sub 11] vreest tevens voor waardevermindering van zijn woning als gevolg van het tracébesluit.
205.1. Het tracébesluit zal voor [appellant sub 11] tot een verandering van zijn woonomgeving leiden. De Afdeling constateert dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 11] - na het treffen van geluidmaatregelen - aan de wettelijke voorkeurswaarde van 50 dB kan worden voldaan. Voorts volgt uit de NSL Monitoringstool dat aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit kan worden voldaan. De cumulatieve effecten van luchtkwaliteit en geluid zijn betrokken in de in de Trajectnota/MER uitgevoerde gezondheidsscreening volgens de GES-methode. Uit de resultaten daarvan komt naar voren dat over het algemeen de milieugezondheidssituatie nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van de autonome ontwikkeling, dit is de situatie die zou ontstaan als de ViA15 niet wordt aangelegd. In hetgeen [appellant sub 11] naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen grond om de bevindingen in deze rapporten voor onjuist te houden. Gelet hierop heeft de minister zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tracébesluit in zoverre voor [appellant sub 11] niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel tot onaanvaardbare schadelijke gevolgen voor de gezondheid.
Het is niet uitgesloten dat het tracébesluit tot een waardevermindering van de woning van [appellant sub 11] zal leiden. [appellant sub 11] heeft echter geen concrete omstandigheden naar voren gebracht aan de hand waarvan moet worden geoordeeld dat deze waardedaling zodanig zal zijn dat de minister voor een vergoeding van eventuele schade niet met een verwijzing naar de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 heeft kunnen volstaan.
Het betoog van [appellant sub 11] faalt.
206. [appellant sub 18] woont aan de [locatie 22] te Groessen. Voor de aanleg van de snelweg A15 dient hij ruim 533 m² van de tuin af te staan en 275 m² van de oprit. De snelweg is op enkele tientallen meters van zijn woning geprojecteerd. Tussen de snelweg en de woning wordt een lage grondwal aangelegd. [appellant sub 18] stelt dat de geluidhinder ter plaatse aanzienlijk toeneemt en dat er weinig akoestische maatregelen worden getroffen waardoor de woon- en leefsituatie aanzienlijk zal verslechteren.
De snelweg A15 komt volgens [appellant sub 18] zo dicht bij de woning te liggen, dat verwacht wordt dat de uitstoot van fijnstof in en rondom de woning tot nadelige gevolgen voor de gezondheid zal leiden. [appellant sub 18] vreest ook voor lichtoverlast door voorbijrijdende auto’s en vrachtwagens. Onduidelijk is op welke wijze de weerkaatsing van licht op het geluidscherm van de Betuweroute als gevolg van langsrijdende auto’s en vrachtwagens zal worden beperkt.
[appellant sub 18] stelt verder dat er ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar het risico van trillingen en schade in en aan de woning. Hij ervaart in de huidige situatie al trillinghinder als gevolg van zware dieseltreinen die over de Betuwelijn rijden. Hij vreest cumulatie van trilling als gevolg van de nieuwe A15. In de zienswijzennota staat dat er geen wettelijke normen zijn waaraan het trillingsniveau veroorzaakt door wegverkeer moet voldoen, maar dat mogelijke hindereffecten van trillingen kunnen optreden in de directe nabijheid van de snelweg als ook bij viaducten en bruggen. Beide situaties zijn volgens [appellant sub 18] aan de orde.
[appellant sub 18] concludeert dat de nadelige gevolgen dusdanig zijn dat geen sprake meer is van een leefbare situatie in en rondom de woning. Volgens hem is uitkoop op basis van volledige schadeloosstelling van de woning met schuren en tuin de enige optie.
206.1. De minister stelt dat op het nieuwe tracé geen wegverlichting wordt aangebracht en dat verlichting van voertuigen wordt afgeschermd door de grondwal die langs de A15 wordt aangelegd. Voor vrees voor weerkaatsing van licht door het geluidscherm van de Betuweroute bestaat volgens de minister geen grond omdat dat het geluidscherm op een afstand van ongeveer 30 m van de rand van de wegverharding van de zuidelijke rijbaan van de A15 en ongeveer 100 m van de woning van [appellant sub 18] staat. De A15 komt parallel te liggen aan het geluidscherm van de Betuweroute, dat is begroeid met planten.
De minister stelt voorts dat trillinghinder alleen optreedt binnen een afstand van 50 m tot de weg in de directe nabijheid van viaducten en bruggen. De minister stelt dat een spoorweg niet vergelijkbaar is met een snelweg wat betreft trillinghinder. De aslast van voertuigen op snelwegen is over het algemeen lager dan de aslast van goederentreinen en de zogenoemde ‘aanstootpunten’ die trillingen kunnen veroorzaken bij een snelweg zijn anders dan bij een spoorweg. Bij een spoorweg zijn aanstootpunten aanwezig in de vorm van ongelijkheden in de overgang tussen spoorstaven en in de wisselstraten. Daarnaast is er de invloed van harde stalen wielen, terwijl auto’s op luchtbanden rijden. Dat geeft minder trilling. Bij een auto(snel)weg kan met name sprake zijn van ‘aanstoting’ bij voegovergangen in kunstwerken of tussen een ligging op een aardebaan en een kunstwerk.
206.2. De woning van [appellant sub 18] ligt ten noorden van het nieuwe tracé van de A15 ter hoogte van km 173.5. De afstand tussen de woning van [appellant sub 18] en de grens van het tracébesluit bedraagt ongeveer 25 m, de afstand tussen de woning en de wegdekverharding van de A15 bedraagt ongeveer 50 m.
206.3. Uit bijlage C1 van het Deelrapport specifiek volgt dat de toekomstige geluidbelasting van de woning van [appellant sub 18] vanwege de A15 zonder aanvullende maatregelen bij volledige benutting van het geluidproductieplafond 66 dB bedraagt. Door toepassing van tweelaags ZOAB en het aanleggen van een grondwal zal de geluidbelasting met 4 dB afnemen naar 62 dB.
In de huidige situatie is er geen snelweg, maar wel een spoorweg op een afstand van ongeveer 130 m vanaf de woning. De toekomstige cumulatieve geluidbelasting bedraagt - inclusief te treffen maatregelen - ook 62 dB. De bijdragen van de afzonderlijke geluidbronnen zijn als volgt:
- het hoofdwegennet: 62 dB
- het onderliggende wegennet: 40 dB (zonder aftrek);
- het spoor: 53 (omgerekend 49 dB);
- scheepvaart: 25 dB.
206.4. De Afdeling stelt vast dat het tracé leidt tot een hogere geluidbelasting van de woning van [appellant sub 18]. De wettelijk toegestane maximale geluidbelasting bij de vaststelling van een geluidproductieplafond - 65 dB - wordt echter niet overschreden. Ook de luchtkwaliteit verslechtert maar de wettelijk vastgesteld grenswaarden worden niet overschreden.
Gelet op hetgeen de minister daarover onweersproken heeft gesteld, staat voor de Afdeling vast dat voor een toename van licht- en trillinghinder niet hoeft te worden gevreesd.
206.5. Op basis van het voorgaande is aannemelijk dat het tracébesluit zal leiden tot een verandering van de woonomgeving van [appellant sub 18]. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dat het tracébesluit voor [appellant sub 18] niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.
Het is niet uitgesloten dat het tracébesluit tot een waardevermindering van de woning van [appellant sub 18] zal leiden. [appellant sub 18] heeft echter geen concrete omstandigheden naar voren gebracht aan de hand waarvan moet worden geoordeeld dat deze waardedaling zodanig zal zijn dat de minister voor een vergoeding van eventuele schade niet met een verwijzing naar de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 heeft kunnen volstaan.
207. [appellanten sub 43] wonen aan de [locatie 23] te Groessen op een afstand van ongeveer 200 m van het nieuwe gedeelte van de A15. Zij stellen dat wonen in het buitengebied voor hen een bewuste keuze is, omdat zij willen wonen en leven in rust en in een gezonde leefomgeving. De cumulatieve geluidseffecten en de uitstoot van schadelijke stoffen als gevolg van het tracébesluit leiden volgens hen tot aantasting van die rust en gezonde leefomgeving. De aanleg van het tracébesluit zal ook tot waardevermindering van de woning leiden, aldus [appellanten sub 43].
207.1. Het tracébesluit zal voor [appellanten sub 43] tot een verandering van hun woonomgeving leiden. Uit de in het Deelrapport specifiek uitgevoerde geluidberekeningen volgt dat de geluidbelasting in de huidige situatie bij volledige benutting van het geluidproductieplafond ter plaatse van de woning [locatie 23] minder dan 50 dB bedraagt. De toekomstige geluidbelasting bedraagt zonder het treffen van maatregelen 57 dB. Door het treffen van het maatregelenpakket, bestaande uit tweelaags ZOAB en een wal van 2 m hoog en een 3 m hoog scherm over een lengte van 430 m - bij volledige benutting van het geluidproductieplafond - zal de toekomstige geluidbelasting 50 dB bedragen. Dit betekent dat aan de geldende voorkeurswaarde kan worden voldaan. Voorts volgt uit de NSL Monitoringstool dat aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit kan worden voldaan. De cumulatieve effecten van luchtkwaliteit en geluid zijn betrokken in de in de Trajectnota/MER uitgevoerde gezondheidsscreening en uit de resultaten daarvan naar voren komt dat over het algemeen de milieugezondheidssituatie nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van de autonome ontwikkeling.
In hetgeen [appellanten sub 43] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond om aan de juistheid van voormelde bevindingen te twijfelen. Gelet hierop heeft de minister zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tracébesluit in zoverre niet tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel tot onaanvaardbare schadelijke gevolgen voor de gezondheid zal leiden.
207.2. Niet uitgesloten is dat het tracébesluit tot een waardedaling van de woning van [appellanten sub 43] zal leiden. [appellanten sub 43] hebben naar het oordeel van de Afdeling echter niet aannemelijk gemaakt dat die waardedaling dusdanig zal zijn dat de minister niet in redelijkheid naar de nadeelcompensatieregeling heeft kunnen verwijzen.
Het betoog van [appellanten sub 43] faalt.
208. [appellant sub 25] woont aan [locatie 24] te Groessen en voert - onder verwijzing naar de resultaten van een door hem uitgevoerde meting - aan dat de geluidbelasting bij zijn woning uitkomt boven de 50 dB, terwijl het projectbureau aangeeft dat deze in de toekomstige situatie lager zal zijn dan 50 dB. Zijn woning is ten onrechte niet betrokken in de geluidrapporten, aldus [appellant sub 25].
208.1. De woning van [appellant sub 25] ligt op een afstand van ongeveer 180 m ten noorden van het nieuwe tracé van de A15 ter hoogte van km 174.300. Ter hoogte van de woning buigt de A15 af richting Helhoek en wordt de A15 verdiept aangelegd in een open bakconstructie.
Het tracébesluit voorziet in artikel 7 in tabel 6 ter hoogte van de woning van [appellant sub 25] in een scherm van 2 m hoog en 160 m lang tussen km 174.215 en km 174.315.
208.2. Bijlage C1 van het Deelrapport specifiek bevat een overzicht van de geluidgevoelige bestemmingen. Uit dat overzicht volgt dat de woning [locatie 24] is betrokken in het geluidonderzoek en dat de toekomstige geluidbelasting zonder aanvullende maatregelen 53 dB zal bedragen. Na het treffen van bronmaatregelen en eindmaatregelen, in dit geval het toepassen van tweelaags ZOAB en het aanbrengen van een scherm van 2 m hoog en 160 m lang, bedraagt de toekomstige geluidbelasting 48 dB en blijft de toekomstige geluidbelasting onder de voorkeurswaarde van 50 dB.
208.3. De Afdeling stelt vast dat, anders dan [appellant sub 25] meent, zijn woning is betrokken in het geluidonderzoek. [appellant sub 25] heeft geen concrete bezwaren over de wijze van berekenen en de maatregelafweging aangevoerd. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich niet daarop mocht baseren. Aan de resultaten van de door [appellant sub 25] zelf uitgevoerde meting komt in dit verband geen beslissende betekenis toe. De toekomstige geluidbelasting als hier aan de orde kan nu immers nog niet worden gemeten, maar alleen worden beoordeeld aan de hand van een rekenmodel.
209. [appellant sub 25] stelt dat twee leden van het gezin astmapatiënt zijn en blijvend lichamelijk letsel zullen oplopen als gevolg van het tracébesluit. Door aanpassing van de ligging van het tracé ten opzichte van het ontwerp, zal de situatie ter plaatse van hun woning zowel wat betreft geluidhinder als luchtkwaliteit verslechteren, aldus [appellant sub 25].
209.1. Het tracébesluit zal voor [appellant sub 25] tot een verandering van zijn woonomgeving leiden. Uit bijlage C1 van het Deelrapport specifiek volgt dat de toekomstige geluidbelasting ter plaatse van de woning [locatie 24] - na het treffen van maatregelen - 48 dB zal bedragen. Hiermee blijft de toekomstige geluidbelasting onder de wettelijke voorkeurswaarde van 50 dB. Voorts volgt uit de NSL Monitoringstool dat aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit kan worden voldaan. De cumulatieve effecten van luchtkwaliteit en geluid zijn betrokken in de in de Trajectnota/MER uitgevoerde GES gezondheidsscreening en uit de resultaten daarvan komt naar voren dat over het algemeen de milieugezondheidssituatie nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van de autonome ontwikkeling.
In hetgeen [appellant sub 25] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen reden om te twijfelen aan deze bevindingen. Gelet hierop heeft de minister zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tracébesluit voor [appellant sub 25] in zoverre niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel tot onaanvaardbare schadelijke gevolgen voor de gezondheid.
210. [appellant sub 25] vreest scheurvorming in zijn woning door daling van de grondwaterstand als gevolg van graaf- en heiwerkzaamheden. Het is volgens hem onduidelijk hoe de minister zal omgaan met de hinder voor omwonenden tijdens de realisatiefase.
[appellant sub 25] stelt voorts dat bij aankoop van de woning in 2008 in reactie op navraag is bevestigd dat de doortrekking van de A15 aan de andere zijde van de Betuwelijn was voorzien. De gemeente heeft volgens hem destijds onjuiste informatie verstrekt, maar het blijkt onmogelijk om de gemeente Duiven aansprakelijk te stellen. Nu het tracé dichter bij zijn woning is geprojecteerd, zal dit tot onverkoopbaarheid en dus tot financiële schade leiden. De totale bouwkosten waren € 530.000,00 en hij stelt dat de prijs reeds is gedaald naar € 429.000,00. Hij vraagt zich af waar hij zijn verlies kan claimen.
210.1. De door [appellant sub 25] genoemde hinderaspecten als gevolg van de bouw- en graafwerkzaamheden, zoals een lage grondwaterstand en schade als gevolg daarvan betreffen uitvoeringsaspecten.
In de toelichting bij het tracébesluit staat dat de bouw- en aanlegfase tijdelijke hinder voor de omgeving tot gevolg heeft. Mogelijke vormen van hinder zijn trillinghinder, hinder van bouwverkeer en tijdelijke grondwateronttrekking. Deze hinder is betrokken bij de belangenafweging en is aan de orde in de besluitvorming over de vergunningen van het tracébesluit. Dat neemt niet weg dat een aantal hinderbeperkende maatregelen zullen worden getroffen. Zo zal bij de keuze van de in te zetten techniek zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de invloed daarvan op het woon- en leefkimaat, moet het materieel dat bij de bouw en aanleg zal worden ingezet voldoen aan de daaraan gestelde eisen in EU-richtlijnen en zal worden gekozen voor een uitvoeringsmethode voor de aanleg van de (half)verdiepte ligging met beperkte beïnvloeding van de grondwaterstand om omgevingsschade te voorkomen dan wel te beperken en zal tijdens de uitvoeringsfase actief worden gecommuniceerd met omwonenden.
210.2. Uit het vorenstaande volgt dat onderzoek is gedaan naar het risico op hinder en mogelijke schade als gevolg van het realiseren van de verdiepte ligging van de A15. [appellant sub 25] heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden betwijfeld dat de geadviseerde maatregelen en de in de toelichting genoemde maatregelen en de in het tracébesluit in artikel 4, zevende lid, geborgde maatregel niet mogelijk zijn of dat deze maatregelen niet afdoende zijn en tijdig getroffen kunnen worden ter voorkoming van onaanvaardbare negatieve effecten op de grondwaterstand of schade aan zijn woning. Overigens heeft de minister medegedeeld dat een werkwijze zal worden gehanteerd zonder bemaling en grondwateronttrekking, zodat dit in zoverre niet tot grondwaterstandsdaling zal leiden.
210.3. Voor zover [appellant sub 25] nadelige gevolgen ondervindt in de vorm van schade, betreft dit mogelijk schade die kan worden toegerekend aan de hierboven gestelde hinder. Voorts is niet uitgesloten dat het tracébesluit tot een waardevermindering van de woning van [appellant sub 25] zal leiden. Hetgeen [appellant sub 25] daarover naar voren heeft gebracht acht de Afdeling niet van dien aard dat de minister daarvoor niet met een verwijzing naar de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 heeft kunnen volstaan.
211. [appellanten sub 17] wonen aan het St Isodorusplein te Groessen en vrezen schade aan hun woning als gevolg van de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. Ter hoogte van de woning van [appellanten sub 17] wordt de A15 in een tunnelbak op 6 m diepte aangelegd. Hiervoor is onttrekking van het grondwater en het nodige boor- en heiwerk noodzakelijk. De verantwoordelijkheid voor deze schade ligt bij de aannemer, maar het is onduidelijk wat er gebeurt wanneer schade ontstaat. Gelet op de ervaringen in Groningen met de aardbevingsschade hebben zij weinig vertrouwen. [appellanten sub 17] willen dat de minister verantwoordelijk blijft. Zij wensen aanscherping van het tracébesluit op dit punt.
211.1. In het Geohydrologisch onderzoek is inzicht gegeven in de mogelijke effecten op de grondwaterstand en de omgevingseffecten daarvan die tijdens de uitvoering kunnen optreden bij een verdiepte of halfverdiepte ligging van de A15 in beton. In de conclusie staat dat het risico op zetting aanwezig is, afhankelijk van de uitvoeringsmethode. Het risico beperkt zich tot de omgeving van het tracé, tot een afstand van ongeveer maximaal 600 m. Het is volgens de conclusie van het Geohydrologisch onderzoek noodzakelijk om nader onderzoek te doen en/of tijdens de uitvoering te monitoren of zetting optreedt.
In paragraaf 4.6 van het Deelrapport waterplan staat dat het risico op schade als gevolg van zetting wordt beheerst door de juiste keuze in uitvoeringswijze in combinatie met nader onderzoek, communicatie met omgeving en partijen en monitoring. Rijkswaterstaat zal in overleg met de betrokken overheden en waterschappen bepalen wat de (maximale) effecten mogen zijn van zettingen en wateronttrekkingen. De belangrijkste risico’s zijn in beeld gebracht en dit heeft geleid tot de plaatsing van onder andere extra peilbuizen in de omgeving van de verdiepte ligging en een inventarisatie van de funderingen in de omgeving. Zo kan een goede meting van de nul-situatie worden uitgevoerd.
211.2. [appellanten sub 17] wonen op een afstand van ongeveer 350 m noordelijk van het nieuwe tracé van de A15 ter hoogte van km 174.800. Ter hoogte van [appellanten sub 17] wordt de A15 verdiept aangelegd in een open bakconstructie.
Uit het bovenstaande volgt dat onderzoek is gedaan naar het risico op schade als gevolg van het realiseren van de verdiepte ligging van de A15. [appellanten sub 17] hebben geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die de Afdeling aanleiding geven om eraan te twijfelen dat de geadviseerde maatregelen, de in de toelichting genoemde maatregelen en de in het tracébesluit geborgde maatregel niet mogelijk zijn of dat deze maatregelen niet afdoende zijn en niet tijdig getroffen kunnen worden ter voorkoming van negatieve effecten of schade aan hun woning. Overigens heeft de minister heeft medegedeeld dat een werkwijze zonder onttrekking van grondwater zal worden gehanteerd.
212. [appellanten sub 17] vrezen aantasting van hun woon- en leefklimaat. Nu wonen zij landelijk met uitzicht op aangrenzende weilanden met vee, maar in de toekomst komt er een snelweg op een afstand van 350 m van hun woning. Deze aantasting kan niet door een vergoeding worden gecompenseerd. Zij wensen daarom zodanige maatregelen dat zij het drukke verkeersgebruik van de weg niet zullen ervaren. Zij vrezen waardedaling van hun woning als gevolg het tracébesluit.
212.1. Ingevolge artikel 1, tweede lid, onder e, van het tracébesluit wordt de A15 ter hoogte van de woning van [appellanten sub 17] verdiept aangelegd in een open-bakconstructie. Artikel 12 van het tracébesluit voorziet van km 172.3 tot km 175.1 - ter hoogte van de woning van [appellanten sub 17] - aan weerszijden van de verdiepte ligging van de A15 in de aanleg van grondwallen met een houtwal en enkele bosschages om zo de weg aan het zicht te onttrekken en een landschappelijke inpassing te waarborgen.
212.2. Het tracébesluit zal voor [appellanten sub 17] tot een verandering van hun woonomgeving leiden. Gelet op de afstand van ruim 350 m tussen de woning van [appellanten sub 17], de verdiepte ligging van de A15 ter hoogte van de woning en de in artikel 12 van het tracébesluit voorziene inpassingsmaatregelen heeft de minister zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat deze verandering tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 17] zal leiden.
212.3. Het is niet uitgesloten dat het tracébesluit tot een waardevermindering van de woning van [appellanten sub 17] zal leiden. Zij hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat deze waardedaling zodanig zal zijn dat de minister daarvoor niet met een verwijzing naar de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 heeft kunnen volstaan.
Het betoog van [appellanten sub 17] faalt.
[appellant sub 28] en anderen
213. [appellant sub 28] en anderen wonen en zijn met de Praktijk voor Gezondheidsbevordering gevestigd aan de [locatie 25] te Groessen en zij vrezen schade aan hun woning en mogelijk ook aan het praktijkgebouw als gevolg van het wegpompen van grondwater en veelvuldig en langdurig zwaar bouwverkeer dat langs hun woning zal rijden. Zij wijzen erop dat de woning rond 1740 is gebouwd en gevoelig is voor verzakkingen en trillingen. Recent heeft de Gasunie voor de aanleg van een grote distributieleiding in de Beerenclaauwstraat grondwater weggepompt en dit heeft tot schade aan de woning geleid. De diepte van die gasleiding was minder dan de inpassingswerkzaamheden van de A15 zullen vergen en de desbetreffende gasleiding moet als gevolg van de aanleg van de A15 weer worden verlegd.
213.1. De woning van [appellant sub 28] en anderen ligt ter hoogte van km 175.090. Uit artikel 1, tweede lid, sub e van het tracébesluit volgt dat op een afstand van 460 van die woning de A15 verdiept op maximaal 6 m onder maaiveld wordt aangelegd.
213.2. De door [appellant sub 28] en anderen genoemde hinderaspecten als gevolg van de bouwwerkzaamheden, zoals verkeershinder als gevolg van bouwverkeer betreffen uitvoeringsaspecten.
In het Geohydrologisch onderzoek is inzicht gegeven in de mogelijke effecten op de grondwaterstand en de omgevingseffecten daarvan die tijdens de uitvoering kunnen optreden bij een verdiepte of halfverdiepte ligging van de A15 in beton.
Uit paragraaf 4.6 van het Deelrapport waterplan van 15 februari 2017 komt naar voren dat extra peilbuizen in de omgeving van de verdiepte ligging zijn geplaatst en dat een inventarisatie van de funderingen in de omgeving is gemaakt, zodat een goede nulmeting kan worden uitgevoerd.
In de toelichting bij het tracébesluit staat dat de uitvoeringswerkzaamheden tot hinder kunnen leiden, maar dat die hinder zoveel mogelijk moet worden beperkt en daarom tijdens de realisatie diverse maatregelen zullen worden getroffen om de hinder voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken.
213.3. Gelet op het voorgaande stelt de Afdeling vast dat onderzoek is gedaan naar het risico op schade als gevolg van de verdiepte ligging van de A15 en dat de minister de wijze waarop de nadelige gevolgen voor [appellant sub 28] en anderen gedurende de uitvoeringswerkzaamheden kunnen worden beperkt, heeft betrokken bij de belangenafweging. [appellant sub 28] en anderen hebben geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de bevindingen van de minister. Gelet op de geadviseerde maatregelen, de in de toelichting genoemde maatregelen en de in artikel 4 van het tracébesluit geborgde maatregelen, de afstand van 460 m tussen de woning van [appellant sub 28] en anderen en de voorziene verdiepte ligging en gelet op de afstand van 600 m tussen de woning en de te verleggen gasleidingen, ziet de Afdeling geen aanleiding eraan te twijfelen dat deze maatregelen afdoende zijn en tijdig getroffen kunnen worden ter voorkoming van schade aan de woning. Overigens heeft de minister medegedeeld dat inmiddels is besloten voor de uitvoering van de verdiepte bakconstructie een werkwijze zonder onttrekking van grondwater te hanteren.
214. [appellant sub 35] woont aan de [locatie 26] te Groessen en stelt dat hij nu al aan de zuidzijde van en direct naast een drukke spoorwegverbinding woont. Hij betoogt dat zijn woning als gevolg van het tracébesluit ook nog eens aan de rand van een open tunnelbak voor het autoverkeer op de A15 zal liggen. Hij vreest zodanige hinder als gevolg van de cumulatie van onder meer geluidhinder, stankhinder en de uitstoot van fijnstof dat geen sprake meer kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in en rond zijn woning. Een goede ruimtelijke ordening is volgens hem meer dan het alleen voldoen aan verschillende (milieu)normen. [appellant sub 35] wenst in overleg te treden met de minister, zodat de minister alsnog tot aankoop of verplaatsing van zijn woning overgaat.
214.1. Uit de in het Deelrapport specifiek uitgevoerde geluidberekeningen volgt dat de geluidbelasting Lden GPP in de huidige situatie bij volledige benutting van het geluidproductieplafond ter plaatse van de woning [locatie 26] minder dan 50 dB bedraagt en dat de toekomstige geluidbelasting door het treffen van bron- en eindmaatregelen - bij volledige benutting van het geluidproductieplafond - 53 dB zal bedragen. In artikel 7, tabel 5, van het tracébesluit staat vermeld dat op de hoofdrijbanen van de A15, links en rechts, ter plaatse tweelaags ZOAB wordt toegepast. In tabel 6 van dat artikel staat vermeld dat tussen km 175.13 en 175.15 een scherm van 1 m hoog langs de verdiepte ligging bij Helhoek wordt geplaatst, en ook tussen km 175.07 en 175.12.
Zonder het treffen van maatregelen zou de geluidbelasting op de woning van [appellant sub 35] 56 dB bedragen.
Er is ook onderzoek uitgevoerd naar de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 35]. Uit bijlage B1 bij het Hoofdrapport komt naar voren dat de bijdrage van het spoor met 59 dB (omgerekend 55 dB) maatgevend is. De toekomstige cumulatieve geluidbelasting zal - met het treffen van de hiervoor genoemde maatregelen - 57 dB bedragen.
214.2. Niet in geschil is dat het tracébesluit voor [appellant sub 35] tot een verandering van zijn woonomgeving zal leiden waardoor hij meer hinder kan ervaren dan nu het geval is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de belangen die zijn gemoeid met het realiseren van het tracé dan aan het belang van [appellant sub 35] bij het behoud van de bestaande situatie. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat wat betreft geluid en luchtkwaliteit wordt voldaan aan de wettelijke vereisten en dat de tunnelbak nabij de woning van een deksel wordt voorzien. De cumulatieve effecten van luchtkwaliteit en geluid zijn betrokken in de in de Trajectnota/MER uitgevoerde gezondheidsscreening volgens de GES-methode. Uit de resultaten daarvan komt naar voren dat over het algemeen de milieugezondheidssituatie nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van de autonome ontwikkeling, dit is de situatie zonder aanleg van de ViA15. De Afdeling is van oordeel dat de minister in de gegeven situatie ervan heeft kunnen uitgaan dat het tracébesluit voor [appellant sub 35] niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van woon- en leefklimaat dan wel tot onaanvaardbare schadelijke gevolgen voor de gezondheid
214.3. Niet uitgesloten is dat het tracébesluit kan leiden tot een vermindering van het woongenot van [appellant sub 35]. De Afdeling acht echter niet aannemelijk gemaakt dat die vermindering dusdanig zal zijn dat de minister tot aankoop van de woning had moeten overgaan.
[appellant sub 7], [appellant sub 13] en [appellant sub 24]
215. [appellant sub 7], [appellant sub 13] en [appellant sub 24] wonen aan de [locatie 27], [locatie 28] en [locatie 29] te Groessen. Zij vrezen aantasting van hun privacy en woongenot als gevolg van een fiets- en wandelpad in de nabijheid van hun woningen. In paragraaf 4.1.2 van de zienswijzennota staat weliswaar dat aan de oostzijde van de halfverdiepte ligging geen apart fietspad of wandelpad is voorzien, maar de minister heeft nagelaten het wandelpad uit het landschapsplan te halen. Het landschapsplan is in strijd met hetgeen de minister aanvoert in de zienswijzennota, aldus [appellant sub 7], [appellant sub 13] en [appellant sub 24].
215.1. De Afdeling stelt gelet op artikel 3 van het tracébesluit en detailkaart 10 bij het tracébesluit vast dat het tracébesluit niet voorziet in het door [appellant sub 7], [appellant sub 13] en [appellant sub 24] bedoelde wandelpad. Het betoog mist feitelijke grondslag en kan daarom niet slagen.
216. [appellant sub 2] exploiteert een melkveehouderij aan de [locatie 30] te Zevenaar. De woning van [appellant sub 2] ligt aan de noordzijde van de A12 en de landbouwgronden liggen ten zuiden daarvan. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met het in het tracébesluit voorziene nieuwe knooppunt Oudbroeken, het vervallen van de huidige aansluiting 29 (Zevenaar/Griethse Poort) en de 500 m verderop gelegen oprit. [appellant sub 2] stelt dat de motivering om deze op- en afrittenweg te laten vervallen ontbreekt, terwijl omwonenden er belang bij hebben dat in elk geval één oprit blijft gehandhaafd. Door het vervallen van beide opritten moet [appellant sub 2] in de toekomstige situatie ongeveer 6 tot 8 km omrijden om de oprit bij de A12 te kunnen bereiken.
[appellant sub 2] stelt dat door het laten vervallen van de aansluitingen het sluipverkeer op de landbouwwegen zal toenemen waardoor de verkeersdruk om en nabij zijn gronden zal toenemen. Dit heeft gevolgen voor de bereikbaarheid van zijn gronden en zal tot belemmering van zijn bedrijfsvoering leiden. Met deze belangen is volgens [appellant sub 2] onvoldoende rekening gehouden. Onder verwijzing naar artikel 10, eerste lid, onder b van de Tracéwet, stelt [appellant sub 2] dat het tracébesluit aanzienlijke gevolgen heeft voor het onderliggende wegennet en de bestaande ontsluitingen van het bedrijf en zijn woning. Het tracébesluit voorziet ten onrechte niet in maatregelen gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van deze nadelige gevolgen, aldus [appellant sub 2].
216.1. De minister stelt dat in de toekomstige situatie de westelijke en oostelijke aansluitingen 29 vervallen. [appellant sub 2] kan dan gebruik maken van de nieuwe aansluiting Zevenaar-Oost voor beide richtingen. De route om in de nieuwe situatie op de A12 ter hoogte van de Griethse Poort te komen, is richting Arnhem 7 km extra (waarvan 2,6 km op de A12) en richting Duitsland 2 km extra. Voor het landbouwverkeer en het verkeer richting Zevenaar blijft de bestaande route via de Doesburgseweg in stand en heeft het vervallen van de aansluitingen geen nadelige gevolgen.
De minister stelt voorts dat het perceel van [appellant sub 2] een ontsluiting heeft op de Helstraat. Landbouwvoertuigen die via de N810 komen aanrijden kunnen deze weg via de VRI-geregelde kruising Helhoek/Helstraat met een gereguleerde wachttijd verlaten. Het is volgens de minister niet aannemelijk dat de verkeersdrukte op de landbouwwegen nabij de woning van [appellant sub 2] gaat toenemen. Sluiting van de aansluiting A12 Griethse Poort leidt namelijk tot een sterke afname van het verkeer op de wegen daar omheen. Zo zal het verkeer op de Doesburgseweg ter hoogte van de A12 naar verwachting dalen van 30.000 naar 10.000 voertuigen per etmaal.
De minister stelt [appellant sub 2] niet te kunnen volgen in zijn betoog dat onvoldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten voor het onderliggende wegennet en bestaande ontsluitingen van het bedrijf en de woning te beperken. De landbouwpercelen en de woning blijven bereikbaar met dien verstande dat de ontsluiting op de A12 tot meer omrijdbewegingen leidt.
Indien appellanten van mening zijn dat zij schade lijden als gevolg van dit tracébesluit en deze schade behoort redelijkerwijs niet voor hun rekening te blijven, dan kunnen appellanten een verzoek om nadeelcompensatie indienen op grond van de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014, aldus de minister.
216.2. In de toelichting bij het tracébesluit staat dat de verouderde onvolledige aansluitingen A12 Zevenaar-centrum/Griethse poort en Tatelaar komen te vervallen. In plaats daarvan komt er ter hoogte van de Hengelderweg een nieuwe volledige aansluiting Zevenaar-Oost. Daarnaast komt er een nieuwe volledige aansluiting op de A15 ter hoogte van de N810 Zevenaar-Duiven. Het was mogelijk geweest de aansluiting Griethse Poort te handhaven, maar dat is niet wenselijk in combinatie met de door Zevenaar, Montferland en de provincie Gelderland gewenste aansluiting Zevenaar-Oost. Doelstelling is namelijk om de doorstroming op de A12 te bevorderen. Filevorming ontstaat vaak juist bij aansluitingen, omdat dit locaties zijn met veel rijstrookwisselingen. Twee aansluitingen zijn voor een gemeente als Zevenaar in principe voldoende, aldus de toelichting.
In paragraaf 4.3.1 van het Deelrapport verkeer zijn in tabel 11 de etmaalintensiteiten voor de situatie in 2030 in de situatie met het project inzichtelijk gemaakt. Daaruit volgt dat ongeveer 32.000 motorvoertuigen per dag gebruik zullen maken van de nieuwe A15. Mede als gevolg van de verbreding van de bestaande A15 tussen de knooppunten Valburg en Ressen, is daar sprake van een toename van ongeveer 27 procent ten opzichte van de situatie zonder project. Op het onderliggende wegennet daalt over het algemeen de etmaalintensiteit. Op de N810 tussen Duiven en de A15 neemt het verkeer af, omdat de snelste route van/naar Zevenaar in westelijke richting nu via de A12 en de nieuwe A15 loopt, waardoor dit deel van de N810 wordt ontlast. Volgens de in tabel 11 weergegeven verkeersintensiteiten bedraagt het totaal aantal voertuigen in de toekomstige situatie in het jaar 2033 op de Doesburgseweg 10.000. Dit betekent een afname van 69 procent.
216.3. [appellant sub 2] heeft geen argumenten naar voren gebracht die de Afdeling aanleiding geven te betwijfelen dat handhaving van de Griethse Poort in combinatie met de door Zevenaar, Montferland en de provincie Gelderland gewenste aansluiting Zevenaar-Oost vanwege het effect op de doorstroming op de A12 niet wenselijk is.
Voorts stelt de Afdeling vast dat in het Deelrapport verkeer dat de verkeersintensiteiten op het onderliggende wegennet, ook op de Doesburgseweg, inzichtelijk zijn gemaakt. [appellant sub 2] heeft geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de wijze waarop in het Deelrapport verkeer de berekeningen van de verkeersintensiteiten voor het toekomstige jaar op het onderliggende wegennet 2033 zijn uitgevoerd. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich niet op de uitkomsten van het Deelrapport verkeer heeft mogen baseren en ervan kon uitgaan dat het aantal voertuigen op het onderliggende wegennet - zoals de Doesburgseweg - zal afnemen en de gronden van [appellant sub 2] bereikbaar zullen blijven.
Ondanks dat het vervallen van de Griethse Poort voor [appellant sub 2] leidt tot een omweg naar de A12, is de Afdeling van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de minister, na afweging van de belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het niet handhaven van de Griethse Poort. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de minister onweersproken heeft gesteld dat voor het landbouwverkeer de bestaande route via de Doesburgseweg in stand blijft en het vervallen van de aansluitingen geen nadelige gevolgen heeft. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding de minister niet te volgen waar hij stelt dat het perceel van [appellant sub 2] een ontsluiting heeft op de Helstraat en landbouwvoertuigen die via de N810 komen aanrijden deze weg via de VRI-geregelde kruising Helhoek/Helstraat met een gereguleerde wachttijd kunnen verlaten. Omdat sluiting van de aansluiting A12 Griethse Poort tot een sterke afname van het verkeer op de wegen daar omheen zal leiden, ziet de Afdeling niet dat voor een toename van verkeersdrukte op de landbouwwegen nabij de woning van [appellant sub 2] moet worden gevreesd.
217. [appellante sub 33] is gevestigd op het perceel [locatie 31] te Groessen. [appellante sub 33] stelt dat de minister weliswaar deels is tegemoetgekomen aan haar verzoek tot een ontsluiting van haar landbouwpercelen aan de westzijde van de A15, maar de in het tracébesluit voorziene ontsluitingsweg is volgens haar niet ver genoeg doorgetrokken. [appellante sub 33] vreest daarom dat zij niet al haar percelen kan bereiken. Zij wenst dat de ontsluiting van al haar percelen is en blijft gegarandeerd.
217.1. De Afdeling stelt vast dat artikel 3 van het tracébesluit, in samenhang bezien met detailkaarten 9 en 10, voorziet in een perceelsontsluiting aan de westzijde van de A15 tussen km 175.2 en km 175.9. Voor zover [appellante sub 33] vreest voor de bereikbaarheid van haar percelen, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de onweersproken stelling van de minister dat de zogenoemde overhoek die wordt afgesneden van de huiskavel ook wordt aangekocht, waardoor de bezwaren over de ontsluiting zijn opgelost. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat inmiddels overeenstemming is bereikt over een ruil van gronden.
218. Demarol exploiteert een tankstation op de verzorgingsplaats aan de zuidelijke rijbaan van de A12 te Duiven en richt zich in beroep tegen artikel 6 van het tracébesluit waar staat dat dit tankstation moet worden geamoveerd. De minister is volgens Demarol ten onrechte niet ingegaan op haar voorstel om het knooppunt Oudbroeken 200 m oostwaarts te verplaatsen, dan wel om het tankstation naar het westen te verplaatsen. Een soortgelijke verschuiving is wel opgenomen voor verzorgingsplaats Aalburgen. De minister heeft deze voorgestelde mogelijkheden volgens Demarol ten onrechte niet overwogen, maar heeft alleen onderzoek gedaan naar een alternatieve locatie langs het tracé.
Demarol voert aan dat het verwijderen van het tankstation in strijd is met de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen van 22 maart 2004 (Staatscourant 2004, nr. 56). Dit beleid houdt in dat in beginsel langs rijkswegen verzorgingsplaatsen gevestigd moeten zijn met een tussenafstand van 20 km. Verwijdering van dit tankstation betekent dat de tussenafstand 32,6 km wordt. Van dit beleid mag worden afgeweken indien zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen. Volgens de minister is daar in dit geval sprake van, omdat de (verkeers)veiligheid zich tegen onverkorte uitvoering van het beleid verzet. Dit wordt door de minister echter niet onderbouwd, aldus Demarol.
Voorts acht Demarol de door de minister genoemde reden - dat de brancheorganisatie van vervoerders te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen verwijdering van het station - geen bijzondere omstandigheid, omdat het beleid niet alleen ziet op professionele vervoerders maar ook op andere weggebruikers. Gelet op de schade die Demarol zal lijden bij verlies van dit tankstation stelt Demarol dat er alles aan gedaan moet worden om dit tankstation te behouden. Voor zover dit niet mogelijk is, dient het tracébesluit te voorzien in een alternatieve locatie om dit tankstation te kunnen voortzetten, aldus Demarol.
218.1. In de toelichting bij het tracébesluit staat dat de verzorgingsplaats Oudbroeken in de nieuwe situatie niet gehandhaafd kan blijven. Knooppunt Oudbroeken komt grotendeels op de verzorgingsplaats te liggen, waardoor een groot deel van het terrein zijn huidige functie verliest. Het aansluiten van een gewijzigde verzorgingsplaats op het nabijgelegen knooppunt is in de lengte van het A12-tracé niet inpasbaar. Op relatief korte afstand, 8,7 km van deze verzorgingsplaats, ligt de verzorgingsplaats A12 Bergh-Zuid. Er is geen geschikte alternatieve locatie beschikbaar voor het te vervallen brandstofverkooppunt, aldus de toelichting.
218.2. De in het tracébesluit gehanteerde lengte van de weefstroken is gebaseerd op de Nieuwe ontwerprichtlijnen autosnelwegen (hierna: NOA). In de NOA staan de standaardwaarden voor een symmetrisch weefvak. Uit de NOA komt naar voren dat bij een snelheid van 100 km per uur een weefvak van 500 lengte mogelijk is, maar die ruimte is in dit geval - zoals de minister heeft toegelicht - niet beschikbaar. Demarol heeft dit ook niet bestreden. De Afdeling twijfelt dan ook niet eraan dat aan de zuidzijde van de A12 verplaatsing van de verzorgingsplaats niet mogelijk is, zodat amoveren de enige optie is. In zoverre faalt het betoog.
De Afdeling stelt voorts vast dat de minister overeenstemming heeft bereikt met de huurder van het tankstation. Tevens moet worden geconstateerd dat er geen directe privaatrechtelijke rechtsverhouding bestaat tussen de Staat en Demarol. Demarol is immers onderhuurder en de onderhuur zal eind 2020 eindigen. Gelet op deze omstandigheden acht de Afdeling aannemelijk dat de nadelige gevolgen voor Demarol beperkt zullen zijn. De minister heeft zich gelet daarop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij niet gehouden was in een alternatieve locatie voor Demarol te voorzien, maar dat met een schadeloosstelling kan worden volstaan.
219. Hotel Hortensia exploiteert een Campanile hotel-restaurant aan de Hunneveldweg 2A te Zevenaar. Het hotel is gevestigd naast de A12 en ligt aan de afrit 29 Zevenaar. Deze afrit komt te vervallen en Hotel Hortensia stelt dat haar bezoekers voornamelijk passerende verkeersdeelnemers zijn en dat zij voor de bedrijfsvoering afhankelijk is van klanten die via deze afrit komen. Het vervallen daarvan heeft gevolgen voor de bereikbaarheid van het Campanile hotel-restaurant en zal tevens tot een verlies aan omzet leiden en wel zodanig dat de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar komt, omdat passerende verkeerdeelnemers het hotel-restaurant niet meer zullen bezoeken.
De minister stelt weliswaar dat het onderliggend wegennet zal worden aangepast, zodat het hotel goed bereikbaar blijft, maar formele besluiten daartoe ontbreken volgens Hotel Hortensia. De afstand tussen het hotel-restaurant en de nieuwe afrit bedraagt 3 km. Dit betekent dat mensen in de toekomst moeten omrijden.
De minister heeft ingeschat dat de continuïteit van het hotel-restaurant niet in gevaar komt, maar heeft niet inzichtelijk gemaakt waarop deze inschatting is gebaseerd. Hotel Hortensia stelt dat dit soort vraagstukken een deskundigenverslag nodig is om de impact op de bedrijfsvoering en de financiële gevolgen daarvan te kunnen bepalen. Zij wijst daartoe op de uitspraak van 17 maart 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO5659. Zij merkt nog op dat het Campanile hotel Zevenaar is aangewezen op zogenoemde "walk ins", in tegenstelling tot het motel in deze uitspraak.
De minister stelt weliswaar dat Campanile het enige hotel is in de omgeving Zevenaar, maar ook hotel Buitengoed de Panoven en het Guesthouse Zevenaar zijn er gevestigd, aldus Hotel Hortensia. Na het verdwijnen en verplaatsen van de afrit hebben potentiële klanten nog twee reële alternatieven. Op een afstand van ongeveer 4,8 km van Campanile is namelijk aan de afrit Hotel Duiven (Van der Valk) gevestigd en op ongeveer 7,2 km Hotel Gieling. Deze hotels beschikken over zakelijke faciliteiten en liggen nabij een afrit van de A12. De minister kan zonder onderbouwing niet aannemen dat klanten ook zonder afrit 29 nog voor Campanile hotel-restaurant zullen kiezen.
219.1. Bij de beoordeling van de vraag of de minister het tracébesluit in redelijkheid heeft kunnen vaststellen, dient onder meer te worden betrokken of de minister heeft onderzocht welke schade kan optreden en of deze zodanig is dat het voorkomen daarvan zwaarder moet wegen dan het belang dat is gediend met het tracébesluit. Bij de beoordeling van de vraag of de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid het tracébesluit kon vaststellen, dient voorts te worden betrokken dat voor mogelijk optredende schade als gevolg van het tracébesluit in ieder geval dient vast te staan dat er een regeling is voor de afhandeling van deze schade en welke regeling dat is.
219.2. Gezien de ligging van het hotel en het verdwijnen van de aansluiting 29 staat vast dat gasten in de toekomstige situatie moeten omrijden. Hotel Hortensia heeft de stellingen van de minister over de bereikbaarheid en de mogelijkheid dat impulsbezoeken in de nieuwe situatie juist kunnen toenemen, omdat na waarneming van het hotel vanaf de A12 verkeer na ongeveer 2 km de A12 kan verlaten via de aansluiting Zevenaar-Oost, niet gemotiveerd betwist. De minister heeft voorts onweersproken gesteld dat er zowel in Zevenaar als aan de A12 weliswaar andere gelegenheden voor overnachtingen zijn, maar dat die gelegenheden een ander publiek bedienen, dan wel een hogere prijs hanteren en ander zakelijke faciliteiten bieden. Hotel Hortensia heeft evenmin aan de hand van concrete gegevens onderbouwd dat het vervallen van aansluiting 29 op de hoofdrijbaan ernstige gevolgen zal hebben voor haar bedrijfsvoering.
Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de minister in redelijkheid ermee heeft kunnen volstaan om voor eventuele schade te verwijzen naar de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014.
220. [appellant sub 16] is eigenaar van [locatie 32] en [locatie 33] te Didam nabij de A12. In de toekomstige situatie wordt een nieuwe op- en afrit Zevenaar-Oost aangelegd. Hij vreest lichtinval vanwege verkeer dat gebruik maakt van die op- en afritten. Er wordt weliswaar een geluidscherm van 2 m hoog geplaatst, maar gelet op het hoogteverschil van 6,5 m betwijfelt [appellant sub 16] of dit voldoende is om de lichthinder weg te nemen. Ook is niet duidelijk of het geluidscherm al dan niet lichtdoorlatend zal zijn.
220.1. In artikel 7, tweede lid, van het tracébesluit staat dat op de locaties zoals vermeld in tabel 6 geluidafschermende maatregelen worden gerealiseerd. De hoogte van deze maatregelen is bepaald ten opzichte van de buitenste kant van de weg aan de zijde van de schermen. Deze geluidmaatregelen, die, met uitzondering van het scherm ter hoogte van het Rijksmonument Huize Rijswijk, met een absorberende werking worden uitgevoerd, zijn aangeduid op de detailkaarten.
In tabel 6 staat vermeld dat links van de toerit van de A12, oostelijke zijde tussen km 144.932d en km 145.056d, een scherm van 130 m lang en 2 m hoog zal worden gerealiseerd.
Op detailkaart 14 bij het tracébesluit is het scherm in oranje aangeduid als geluidwerende voorziening.
In artikel 12, tweede lid van het tracébesluit staat dat ten behoeve van de landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing de in tabel 11 vermelde locatie specifieke maatregelen binnen het op de detailkaarten aangeduide "Maatregelvlak verkeersdoeleinden, zone landschappelijke inpassing" worden genomen.
In tabel 11 staat de aanleg van populierenrijen langs de noord- en zuidzijde van de A12, tussen km 143.4 en km 145.4 vermeld en ook de inrichting van de nieuwe aansluiting Zevenaar-Oost als schakelpunt tussen komkleigebied en kleinschalig zandlandschap en als koppelstuk van de A12 met het onderliggende wegennet en de stedelijke structuur van Zevenaar, tussen km 144.7 en km 145.2, vermeld. Op kaartblad 14 behorend bij het landschapsplan staan ter hoogte van de woningen van [appellant sub 16] nieuwe bomen ingetekend.
220.2. De Afdeling stelt op grond van het tracébesluit en de daarbij behorende kaarten vast dat het tracébesluit ter hoogte van de woning van [appellant sub 16] voorziet in een geluidscherm van 2 m hoog dat met een absorberende werking wordt uitgevoerd. Dit betekent dat het geen transparant scherm is. Gelet op de afstand van ruim 200 m tussen de oprit en de woningen van [appellant sub 16], de omstandigheid dat deze woningen deels zijn afgeschermd door andere opstallen, het geluidscherm 2 m hoog en niet-transparant wordt uitgevoerd en er langs de A12 ter hoogte van de woningen van [appellant sub 16] bomen zullen worden aangeplant, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het tracébesluit niet tot onaanvaardbare lichthinder voor [appellant sub 16] zal leiden.
221. [appellant sub 27] woont aan de [locatie 3] te Didam en stelt de wijze waarop de verbindingsboog tussen de A18 en de A12 nabij zijn woning is geprojecteerd ter discussie. Het standpunt van de minister was dat op de verbindingsboog een adviessnelheid van 70 km/u geldt, terwijl er op de A18 en A12 een snelheid geldt van 130 km/u. De overgang tussen die snelheden zou te groot zijn en de lus en de krappe bocht zouden niet in het verwachtingspatroon van de weggebruiker zitten. [appellant sub 27] stelt dat een snelheidsverschil van 60 km/u op een relatief kort stuk met een lus en een scherpe bocht groot is.
[appellant sub 27] stelt dat snelheidsverschil inmiddels geen argument meer kan zijn voor het laten vervallen van de huidige verbindingsboog, omdat vanaf maart 2020 de maximum snelheid tussen 6:00 uur en 19:00 uur op snelwegen landelijk is teruggebracht naar 100 km/u. Dit betekent een overgang van 100 km/u naar 70 km/u, dus nog maar een snelheidsverschil van 30 km/u. [appellant sub 27] betwist voorts dat op de huidige verbindingsboog één rijstrook beschikbaar is. Volgens [appellant sub 27] zijn er twee rijstroken beschikbaar op de huidige verbindingsboog.
221.1. De Afdeling stelt vast dat het door [appellant sub 27] bedoelde verkeersbesluit waarbij de maximumsnelheid op autowegen is verlaagd, dateert van na de vaststelling van het tracébesluit, zodat de minister ten tijde van de vaststelling daarvan daarmee geen rekening kon houden. Dit betekent dat de Afdeling daarover geen inhoudelijke uitspraak mag doen.
De minister heeft voor de verbindingsboog A12 gekozen voor een vergroting van de verbindingsboog en de verbindingsweg geschikt te maken voor minimaal 100 km/u, waardoor deze beter aansluit op het verwachtingspatroon van de weggebruiker. Hierdoor ontstaat een flauwere bocht, waarbij er minder afgeremd hoeft te worden. De minister heeft bij die keuze de verkeersveiligheid en een snelle doorstroming doorslaggevend geacht. In hetgeen [appellant sub 27] naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid tot deze keuze heeft kunnen komen.
222. [appellant sub 27] stelt dat de toegestane geluidbelasting op zijn woning op basis van het huidige geluidproductieplafond 58 dB bedraagt. Als gevolg van het tracébesluit wordt dit 59 dB. Dit betekent dat een overschrijding wordt toegestaan. Hij wenst aanvullende maatregelen en een maximale inspanningsverplichting om deze geluidoverschrijding ongedaan te maken.
[appellant sub 27] zet voorts vraagtekens bij de maatregelafweging voor de clusters Landeweer en Kollenburgweg en stelt dat een cijfermatige onderbouwing ontbreekt. Er wordt volgens hem niet vermeld hoeveel maatregelpunten de aanvullende maatregelen de clusters kosten en hoeveel reductiepunten van het beschikbare budget overblijven.
De uitgangspunten voor beide clusters zijn nagenoeg hetzelfde. Het enige verschil is dat bij het cluster Landeweer het effect van de aanvullende maatregel op het gehele cluster in de afweging wordt betrokken en bij het cluster Kollenburgweg niet. Uiteindelijk wordt aan cluster Landeweer niet een scherm toegekend, omdat het effect slechts 1,5 dB is. Afgerond overeenkomstig de afrondingsregel betekent dit een reductie van 2 dB per woning. [appellant sub 27] wijst op de website Bureau Sanering Verkeerslawaai waar onder het kopje doelmatigheid staat: "Bij de bepaling van de reductiepunten tellen alleen de woningen mee waarbij de maatregelen zorgen voor een relevante afname van 2 dB". Nu in dit geval niet is afgerond, twijfelt [appellant sub 27] eraan of bij het bepalen van het aantal reductiepunten voor het cluster Landeweer wel het juiste uitgangspunt is gehanteerd.
222.1. In het Deelrapport specifiek staat voor cluster 25 (Landeweer) dat na realisatie van tweelaags ZOAB nog sprake is van een overschrijding van de toetswaarde bij één woning. Vanwege de ligging van het cluster, in de boog van de A18 naar de A12, is de akoestisch optimale maatregellengte voor een aanvullende maatregel 800 meter. Binnen het beschikbare budget voor aanvullende afschermende maatregelen zijn drie varianten mogelijk, variant A: tweelaags ZOAB als bronmaatregel, variant B: tweelaags ZOAB en een scherm van 800 m lang en 1 m hoog en variant C: tweelaags ZOAB met een scherm van 530 m lang en 2 m hoog. De bronmaatregel, tweelaags ZOAB (variant A), levert een geluidreductie op van 27,2 dB en nog 1 overschrijding. Met een scherm (variant C) bedraagt de reductie 28,7 dB en dan zijn er geen overschrijdingen. De aanleg van een dergelijk omvangrijk scherm voor 1 woning levert ten opzichte van het hele cluster een beperkte extra geluidreductie op van 1,5 dB. Met alleen tweelaags ZOAB als bronmaatregel wordt 95 procent van de reductie bereikt. Wanneer het scherm niet wordt gerealiseerd betekent dit een besparing van 72 procent in de maatregelkosten. De extra kosten van een scherm staan daarmee niet in verhouding tot de daarmee behaalde geluidreductie. Een scherm is voor dit cluster geen doelmatige maatregel, aldus het Deelrapport specifiek.
In het Deelrapport specifiek staat voor cluster 24 (Kollenburgweg) dat na realisatie van het tweelaags ZOAB bij de Kollenburgweg nog sprake is van 1 overschrijding van de toetswaarde met 1 dB. Het tweelaags ZOAB wordt voor dit cluster uitsluitend over de hoofdrijbaan toegepast en heeft een beperkt effect bij de woning. De akoestisch optimale maatregellengte voor tweelaags ZOAB bedraagt 700 m.
De akoestisch optimale maatregellengte voor cluster 24 bedraagt ongeveer 850 m, omdat de maatregel voor volledige afscherming om de toe- en afritten heen moet worden gerealiseerd. De overschrijding doet zich echter slechts voor bij 1 woning, waar vanwege een nieuwe aansluiting de geluidbelasting toeneemt met 3 dB op de verdieping. Bij deze woning kan worden volstaan met een veel beperktere maatregel om te voldoen aan de toetswaarde; een scherm van 130 m lang en 1 m hoog. Met dit scherm wordt echter nog geen 5 dB reductie behaald. Een scherm van 130 m lang en 2 m hoog geeft op de begane grond 6 dB reductie en is hier doelmatig, aldus het Deelrapport specifiek.
In bijlage C1 staat dat de geluidbelasting op de woning [locatie 3] in de huidige situatie 58 dB bedraagt en in de toekomst zal toenemen naar 59 dB. Deze geluidbelasting wordt aanvaardbaar geacht, omdat deze niet hoger is dan de maximale geluidbelasting van 65 dB die voor de rijksweg geldt, aldus het Deelrapport specifiek.
222.2. De Afdeling stelt op grond van hetgeen daarover is vermeld in het Deelrapport specifiek vast dat de situaties van cluster Landeweer en cluster Kollenburg van elkaar verschillen.
In het Deelrapport is de maatregelafweging ook (cijfermatig) inzichtelijk gemaakt. De beroepsgrond van [appellant sub 27] mist in zoverre feitelijke grondslag. Het beroep van [appellant sub 27] op de vermelding op de website Bureau Sanering Verkeerslawaai treft geen doel. Vastgesteld moet worden dat, zoals de minister ook heeft gesteld, de daar bedoelde berekeningswijze van toepassing is in het kader van subsidie-aanvragen van gemeenten voor geluidschermen van het onderliggende wegennet en niet relevant is in het kader van de berekening op grond van het hier toepasselijke hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer.
223. [appellant sub 27] stelt dat in de berekeningen van cumulatie voor de woning [locatie 3] is uitgegaan van rekenpuntnummer 50225 met een Lden GPP van 58 dB. Dit rekenpuntnummer komt volgens [appellant sub 27] echter niet voor in het overzicht met referentiepunten. In het geluidregister komt referentiepunt 50225 voor met een GPP van 59,6 dB (minus correctie van 1,5 dB, dus afgerond). Het referentiepunt 50289 ligt echter het meest parallel aan zijn woning en heeft een GPP van 66,3 dB en ook referentiepunt 50296 heeft een GPP van 68,7 dB. Gelet op deze waarden kan het Lden GPP nooit op 58 dB uitkomen, aldus [appellant sub 27].
223.1. Bij het Deelrapport specifiek zit een bijlage met kaarten waarop de wegdektypes, de ligging van referentiepunten en de inpassingsgrenzen van het project staan aangegeven. Nabij de woning van [appellant sub 27] liggen de referentiepunten 50296, 50295, 50291, 50290 en 50289.
223.2. De Afdeling stelt vast dat een rekenpunt iets anders is dan een referentiepunt. Rekenpunten zijn punten op de woning waarop de geluidberekeningen zijn uitgevoerd en referentiepunten bevinden zich aan weerszijden van de rijksweg. Rekenpunt 50225 ligt in het geluidmodel op de woning van [appellant sub 27] en heeft geen relatie met de ligging of hoogte van de geluidbelasting van referentiepuntnummer 50225 langs de rijksweg. In de hierboven genoemde bijlage zijn de referentiepunten langs de snelweg weergegeven en aan de hand van een volledig benut GPP wordt de geluidbelasting berekend op de rekenpunten op de woning van [appellant sub 27].
Uit bijlage B bij het Deelrapport specifiek komt naar voren dat referentiepunt 50289 is verplaatst en dat op dit referentiepunt het GPP is vastgesteld op 64,5 dB en voor referentiepunt 50296 is het GPP vastgesteld op 69,1 dB. Uit bijlage B1 van het Hoofdrapport volgt dat de huidige geluidbelasting Lden GPP bij volledige benutting van het geluidproductieplafond 58 dB bedraagt en dat toekomstige cumulatieve geluidbelasting - na het treffen van maatregelen 59 dB zal bedragen.
De berekeningen zijn uitgevoerd aan de hand van de voorschriften in titel 11.3 van de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving. [appellant sub 27] heeft geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de wijze waarop de minister de berekeningen heeft uitgevoerd. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding de uitkomsten van de berekeningen voor de cumulatieve geluidbelasting onjuist te achten.
224. [appellant sub 27] heeft bezwaar tegen de doorkijk in de geplande bosbeplanting grenzend aan zijn perceel. Hij wenst dat het bosperceel als aansluitend geheel wordt doorgetrokken tot aan de Ravenstraat. De landerijen van [appellant sub 27] grenzen aan dit gebied en zijn paarden grazen in deze weides. In open gebieden naast snelwegen groeien volgens [appellant sub 27] planten die schadelijk en zelfs dodelijk kunnen zijn voor zijn dieren, zoals St. Jacobskruid. Met dichte bosbeplanting wordt voorkomen dat zaden en pollen van dergelijke planten worden verspreid naar zijn landerijen, zodat schade en kosten beperkt kunnen worden.
[appellant sub 27] wenst inspraak bij het bepalen van de aan te planten boomsoort. [appellant sub 27] eist dat wanneer de aanbesteding is afgerond, direct wordt gestart met de aanplant van het bos om de overlast, zowel tijdens als na de realisatie van de nieuwe snelweg, zoveel mogelijk te beperken. [appellant sub 27] vreest recreatief gebruik van het nieuwe bosperceel. Hij eist dat er in de toekomst geen planologische mogelijkheid wordt geboden om recreatieve activiteiten in het gebied rondom de Landeweer toe te staan.
224.1. Artikel 12, tweede lid, van het tracébesluit voorziet in tabel 11 onder meer als inpassingsmaatregel in het uitbreiden van dichte bospassages rond het knooppunt Oud-Dijk tussen km 147.1 en km 147.8.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Tracéwet bevat een tracébesluit ten minste een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk, voor zover die voorzieningen rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het werk.
In de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2009-2010, 32377, nr. 3, blz. 18) (hierna: MvT) bij dit artikel staat dat in dit artikel de inhoudelijke bepalingen uit artikel 1, eerste lid, onderdelen f en h, en artikel 11 van de Tracéwet (oud) zijn samengevoegd. In artikel 10 staan de eisen die gelden voor een tracébesluit. Onderdeel b is volgens de MvT anders geredigeerd, omdat er onduidelijkheid was in hoeverre de mitigerende maatregelen slechts betrekking konden hebben op maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en ecologische aard, terwijl ook infrastructurele en waterhuishoudkundige maatregelen een mitigerend effect kunnen hebben. De voorgestelde bepaling maakt duidelijk dat het tracébesluit alle mitigerende en compenserende maatregelen kan bevatten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van een werk. Verderop staat in de MvT dat het voorstel om doelvoorschriften op te nemen niet is overgenomen, omdat het werken met doelvoorschriften veeleer thuis hoort bij vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer en in het Activiteitenbesluit milieubeheer en niet goed pas bij ruimtelijke besluitvorming op grond van de Tracéwet. Het tracébesluit bevat volgens de MvT een beschrijving van de voorgenomen maatregel en tevens de mitigerende en compenserende maatregelen zoals de bouw van een geluidscherm waarbij plaats, lengte en hoogte wordt aangegeven, de onderdoorgang voor fauna, de herplanting in kwantitatieve en kwalitatieve zin. Overigens wordt in de huidige praktijk wel gewerkt met bepalingen die voorkomen dat maatregelen bij vaststelling in het beton gegoten zijn, aldus de MvT.
224.2. Uit de MvT bij artikel 10 van de Tracéwet kan worden afgeleid dat de minister verplicht is in het tracébesluit aan te geven welke landschappelijke inpassingsmaatregelen zullen worden getroffen (kwantitatief en kwalitatief), in dit geval bosbeplanting. De minister is niet verplicht om aan te geven uit welke bomen deze beplanting zal bestaan. Overigens staat in het landschapsplan dat de keuze van de boomsoorten zal worden afgestemd op de lokale gebiedskenmerken.
De Afdeling stelt vast dat de strook dichte bosbeplanting die op de kaart staat bij het landschapsplan overeenkomt met de inpassingsmaatregel waarin artikel 12 en tabel 11 van het tracébesluit voorzien. De Afdeling ziet niet betwist de stelling van de minister dat ook in de huidige situatie de bosbeplanting niet is doorgetrokken tot de Ravenstraat, zodat het tracébesluit in zoverre niet tot een ruimtelijke verandering of verslechtering leidt ten opzichte van de huidige situatie.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister in verdergaande dan wel andersoortige beplanting bij de woning van [appellant sub 27] had moeten voorzien. Hierbij wordt aangetekend dat [appellant sub 27] niet heeft betwist dat St. Jacobskruiskruid een algemeen voorkomende inheemse plantensoort is waar geen actieve bestrijding op wordt toegepast en dat deze plant alleen in gedroogde vorm, dus in maaisel, een risico voor vee vormt.
224.3. Voor zover [appellant sub 27] wenst dat er in de toekomst geen planologische mogelijkheid wordt geboden om recreatieve activiteiten in het gebied rondom de Landeweer toe te staan overweegt de Afdeling dat het planologisch gebruik van het toekomstige bosperceel in deze procedure niet voorligt. Dit punt kan daarom in deze procedure niet inhoudelijk aan de orde komen.
Stichting Milieuvrienden Duiven
225. Stichting Milieuvrienden Duiven vreest schade aan funderingen en verplaatsing van het grondwater als gevolg van de toe te passen bouwtechnieken. Stichting Milieuvrienden Duiven wenst daarom dat voor aanvang van de werkzaamheden foto’s worden gemaakt, peilbuizen worden aangebracht en een bodemprofiel wordt gemaakt en dat tijdens de werkzaamheden monitoring zal plaatsvinden. Voorts wenst zij geïnformeerd te blijven tijdens het aanbestedingsproces, zij wenst richtlijnen voor werkverkeer tijdens de aanleg om vernieling en verstoring tot een minimum te beperken. Voorts zijn er tijdelijke effecten als gevolg van de aanleg te verwachten zoals geluidhinder, lichtverstoring, schadelijke trillingen en ruimtebeslag. Stichting Milieuvrienden Duiven wenst een onafhankelijke instantie of persoon die het werk kan stilleggen indien zich calamiteiten voordoen. Stichting Milieuvrienden Duiven stelt ten slotte dat de schade die de minister aan een leefgemeenschap berokkent, gecompenseerd dient te worden.
225.1. De door Stichting Milieuvrienden Duiven gewenste maatregelen ter beperking van tijdelijke hinder gedurende de aanleg- en bouwwerkzaamheden betreffen uitvoeringsaspecten en hoeven niet in het tracébesluit te worden geregeld. Deze aspecten dienen wel in de belangenafweging te worden betrokken.
Uit de toelichting bij het tracébesluit en uit hetgeen de minister heeft gesteld naar aanleiding van het beroep van Stichting Milieuvrienden Duiven komt naar voren dat i) bij de keuze voor de bouwtechnieken rekening wordt gehouden met de invloed daarvan op de omgeving, ii) aanvullende eisen worden gesteld aan geluidproductie van in te zetten bouwmachines en de te gebruiken technieken en het tijdstip waarop die worden ingezet, iii) actief zal worden gecommuniceerd met omwonenden en iv) bij de aanleg van de brug over het Pannerdensch Kanaal wordt gewerkt met een trillingsarme funderingsoplossing. Hieruit volgt dat de gevolgen van de toe te passen machines en bouwtechnieken zijn bezien en dat er maatregelen kunnen worden getroffen en technieken kunnen worden ingezet om de gevolgen daarvan - zoals mogelijke schade aan funderingen, verandering van grondwater - te voorkomen, dan wel te beperken. Er bestaat in zoverre dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de uitvoeringswerkzaamheden tot onaanvaardbare schade en hinder zullen leiden.
Gezondheid en art. 8 EVRM
226. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat de stapeling van milieueffecten als gevolg van het tracé zodanig is dat die leidt tot een aantasting van het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het is volgens hen niet voldoende dat wordt voldaan aan de afzonderlijke wettelijke kaders voor de verschillende milieu-effecten. Door het uitsplitsen van verschillende milieu-effecten worden de hinder en de gezondheidseffecten als geheel gefragmenteerd en gebagatelliseerd, waardoor het complete beeld ontbreekt. Bovendien vinden Strijdbaar Angeren en anderen de wettelijke normen ontoereikend. Zo zijn de luchtkwaliteitsnormen al meer dan tien jaar oud en beveelt de Wereldgezondheidsorganisatie strengere normen aan. Verder wijzen Strijdbaar Angeren en anderen op het rapport "Meewegen van gezondheid in omgevingsbeleid" van de Gezondheidsraad van 20 juli 2016, waaruit volgens hen moet worden afgeleid dat voor relevante omgevingsfactoren als luchtverontreiniging en geluidbelasting de blootstelling van de Nederlandse bevolking onder de huidige wettelijke normen verreweg het meeste bijdraagt aan de ziektelast. De Gezondheidsraad pleit er volgens hen dan ook voor om onder de Omgevingswet te werken met gezondheidskundige advieswaarden die lager liggen dan de thans gehanteerde grenswaarden.
226.1. Artikel 8 van het EVRM luidt:
"1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."
226.2. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kent het EVRM geen uitdrukkelijk recht toe op een schone en stille omgeving, maar kan artikel 8 in het geding zijn indien de overlast van dien aard is dat die de betrokkene in ernstige mate in zijn gezondheid treft of hem belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven (zie bijvoorbeeld EHRM Jugheli tegen Georgië, arrest van 13 juli 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0713JUD003834205, punt 62 en de daar aangehaalde rechtspraak).
226.3. Voor zover Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat een compleet beeld ontbreekt van de gevolgen van het tracé voor het woon- en leefklimaat en de gezondheid van omwonenden wijst de Afdeling op de Trajectnota/MER. Daarin zijn de alternatieven voor het project met elkaar en de autonome situatie vergeleken. Daarbij zijn de cumulatieve effecten van een aantal aspecten - geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid - betrokken in de gezondheidsscreening volgens de GES-methode. Daaruit komt naar voren dat over het algemeen de milieugezondheidssituatie nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Wel treden er verschuivingen op, in de zin dat op bepaalde plekken de hinder van wegverkeer vermindert en op andere plekken toeneemt. In hetgeen Strijdbaar Angeren en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat die effecten niet juist zijn bepaald. Dit volgt ook niet uit het advies van de Gezondheidsraad waarnaar Strijdbaar Angeren en anderen verwijzen. Dit advies is algemeen en beleidsmatig van aard en gaat niet over de situatie die zal ontstaan door het tracébesluit dat in deze procedure ter beoordeling staat. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk dat waar de overlast toeneemt deze zo groot zal zijn dat die de betrokkenen in ernstige mate in hun gezondheid treft of belet in hun woongenot en hun privé- of gezinsleven.
Herhalen en inlassen zienswijzen
227. Voor zover appellanten zich in het beroepschrift voor het overige hebben beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze, overweegt de Afdeling als volgt. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op de zienswijzen. Appellanten hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
Verzoek inschakelen deskundigen
228. Een aantal appellanten heeft de Afdeling verzocht om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Gelet op wat hiervoor in deze uitspraak is overwogen, is dit naar het oordeel van de Afdeling niet nodig.