Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBZWB:2024:7067

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
11-09-2024
30-10-2024
10749508 \ CV EXPL 23-3426 (E)
Goederenrecht
Bodemzaak

Beroep op bevrijdende verjaring gemeentegrond slaagt deels. De kantonrechter heeft met partijen de originele foto’s van 1992 bekeken en ter plaatse vergeleken met de huidige situatie en leidt daaruit af dat de heg op dat moment voldoende vol(wassen), dicht en hoog was om van een ondoordringbare heg te kunnen spreken, over de gehele lengte van de achtertuin. De foto’s van daarna (uit 1999 en 2009) en de huidige situatie laten een vergelijkbaar beeld zien. Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat wat de strook grond ter hoogte van het achterste hegdeel betreft gedurende een aaneensluitende periode van meer dan twintig jaar sprake is geweest van bezit door een ander dan de gemeente. Dat brengt mee dat het beroep op bevrijdende verjaring slaagt, zodat zij inmiddels eigenaar zijn van deze strook grond. Wat betreft het voorste hegdeel (lopend vanaf het kadasterpaaltje aan de voorzijde van de voortuin tot de lantaarnpaal) geldt het volgende. Deze haag is niet ondoordringbaar en is dat ook niet gedurende een aaneensluitende periode van 20 jaar geweest. Daarom is er naar het oordeel van de kantonrechter wat dit hegdeel betreft geen sprake van bevrijdende verjaring, zodat de gemeente eigenaar is gebleven van de strook grond tot het achterste hegdeel.

Rechtspraak.nl
Prg. 2024/323

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: 10749508 \ CV EXPL 23-3426

Vonnis van 11 september 2024

in de zaak van

GEMEENTE ZUNDERT,

te Zundert,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de gemeente Zundert ,

gemachtigde: mr. F. van de Pol,

tegen

1 [naam 1] ,
te [plaats 1]

2. [naam 2],

te [plaats 1] ,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [naam 1] en [naam 2] ,

gemachtigde: mr. D.C.W.J. Verstraten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 december 2023

- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte uitlating in conventie met producties

- het proces-verbaal van de descente van 26 juni 2024

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 juni 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

- de spreekaantekeningen van de gemachtigde van de gemeente Zundert .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Volgens de eigendomsinformatie uit het kadaster en de overige processtukken geldt het volgende:

  • -

    [naam 1] en [naam 2] zijn sinds 15 maart 2016 eigenaar van de percelen kadastraal bekend als [gemeente] , [sectie] , nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] . Op deze percelen bevinden zich een woning en bijbehorende tuin. Deze percelen worden hierna genoemd: de woning met tuin.

  • -

    De gemeente Zundert is eigenaar van de percelen kadastraal bekend als [gemeente] , [sectie] , nummers [nummer 4] en [nummer 5] . Deze percelen van de gemeente grenzen aan voormelde percelen van [naam 1] en [naam 2] . Op deze percelen bevindt zich de openbare weg die bekend staat als [straat] . Deze percelen worden hierna genoemd: de gemeentepercelen.

2.2.

[naam 1] en [naam 2] stellen dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van een deel van de gemeentepercelen, namelijk het deel van de gemeentepercelen dat grenst aan de woning met tuin. Dit deel van de gemeentepercelen wordt hierna genoemd: de strook grond.

2.3.

In de dagvaarding is een luchtfoto opgenomen waarop de gemeente Zundert heeft ingetekend met een rood kader de woning met tuin, met een groen kader de gemeentepercelen en met een oranje kader de strook grond. Een scan van deze luchtfoto met kaders is hieronder opgenomen:

[afbeelding geanonimiseerd]

2.4.

Op de strook grond bevond zich van oudsher een pad dat van de [straat] leidde naar een weg die achter de woning lag. Uit een luchtfoto van 24 mei 1989 volgt dat deze weg er op dat moment nog lag, terwijl uit een luchtfoto van 1999 blijkt dat de weg verdwenen is.

2.5.

Op de strook grond heeft [naam 3] (voormalig eigenaar van de woning met tuin, hierna te noemen: [naam 3] ) samen met [naam 4] (voormalig eigenaar van de naastgelegen woning met tuin aan de [straat] [huisnummer 1] , hierna te noemen [naam 4] ) een heg geplaatst. Deze heg is onder meer te zien op:

- Een luchtfoto van de percelen van 24 mei 1989:

[afbeelding geanonimiseerd]

- Twee foto’s, genomen in de tuin van [naam 1] en [naam 2] , uit september 1992:

[afbeeldingen geanonimiseerd]

- Een luchtfoto uit 1999:

[afbeelding geanonimiseerd]

- Een luchtfoto uit 2009:

[afbeelding geanonimiseerd]

2.6.

Er is een verschil tussen het hegdeel vanaf de oprit tot en met de voorkant van de woning (hierna te noemen: het voorste hegdeel) en het hegdeel vanaf dat punt tot en met de achtertuin (hierna te noemen: het achterste hegdeel). Op een foto uit 2010 is te zien dat het voorstel hegdeel aanzienlijk minder hoog is dan het achterste hegdeel. Bovendien blijkt uit een foto uit 2022 dat het voorste hegdeel is gewijzigd, in die zin dat er een andere hegsoort is aangelegd en dat er een zij-ingang is gemaakt. Hieronder staan de betreffende foto’s in chronologische volgorde:

[afbeeldingen geanonimiseerd]

2.7.

In een brief van 2 maart 2018 van de gemeente Zundert aan [naam 1] staat onder meer het volgende:

“(…) Tussen de woningen [straat] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] [plaats 1] ligt een strook grond, welke deels door u als tuin in gebruik is genomen, dat in gemeentelijke eigendom is. Als gemeente willen wij graag het gebruik en eigendomspositie met elkaar in overeenstemming brengen. Nu bieden wij daartoe de mogelijkheid middels het te koop aanbieden van deze strook grond. (…)”

2.8.

In een reactie van 14 maart 2018 schrijven [naam 1] en [naam 2] dat de verjaringstermijn is verstreken en de grond daarmee feitelijk in eigensom is gekomen van de eigenaren van de [straat] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] .

2.9.

Partijen hebben daarna nog verder met elkaar gecommuniceerd, maar dat heeft niet geleid tot een oplossing van het geschil.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De gemeente Zundert vordert – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat de strook grond in eigendom van de gemeente Zundert toebehoort;

II. [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk te veroordelen om de strook grond te ontruimen;

III. [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom;

IV. [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten met rente;

V. [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proces- en nakosten met rente.

3.2.

[naam 1] en [naam 2] voeren verweer. [naam 1] en [naam 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de gemeente Zundert , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente Zundert , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de gemeente Zundert in de proces- en nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[naam 1] en [naam 2] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat [naam 1] en [naam 2] eigenaar zijn van de strook grond met veroordeling van de gemeente Zundert in de proces- en nakosten.

3.5.

De gemeente Zundert voert verweer. Gemeente Zundert concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [naam 1] en [naam 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [naam 1] en [naam 2] in de proces- en nakosten met rente.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Toetsingskader bevrijdende verjaring

4.1.

Tegen de vorderingen van de gemeente Zundert voeren [naam 1] en [naam 2] als verweer dat zij op grond van bevrijdende verjaring (artikel 3:105 lid 1 BW) eigenaar zijn geworden van de strook grond.

4.2.

Op grond van de artikelen 3:105 lid 1 BW, 3:314 lid 2 BW en 3:306 BW is voor een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring kort gezegd vereist dat er gedurende een aaneensluitende periode van twintig jaar sprake is geweest van bezit door een ander dan de gemeente Zundert (in deze zaak).

4.3.

Wanneer er sprake is van (in)bezit(neming) staat in de artikelen 3:107 e.v. BW. Daarbij is met name van belang dat bezit, het houden van een goed voor zichzelf is (artikel 3:107 lid 1 BW). Of dat het geval is wordt beoordeeld naar verkeersopvatting met inachtneming van de regels in artikel 3:109 e.v. BW en verder op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Verder is van belang dat bezit onder andere kan worden verkregen door inbezitneming (artikel 3:112 BW) en dat men een goed in bezit neemt door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen (artikel 3:113 lid 1 BW).

Daarbij geldt nog de beperking dat wanneer een goed in het bezit van een ander is, enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende zijn (artikel 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat daardoor naar verkeersopvatting het bezit van die ander wordt tenietgedaan. Deze beperking van artikel 3:113 lid 2 BW is bij onroerende zaken – zoals grond – altijd aan de orde, omdat onroerende zaken op grond van artikel 5:24 BW steeds een eigenaar hebben en dus ook steeds een bezitter.

Bij het bepalen of de machtsuitoefening zodanig is dat daardoor naar verkeersopvatting het bezit van die ander wordt tenietgedaan, kan een van de relevante omstandigheden zijn of er sprake is van overheidsgrond met een openbare bestemming. Immers, het gebruik van overheidsgrond met een openbare bestemming duidt minder snel dan het gebruik van privégrond op eigendomspretentie, omdat het gebruikelijk is dat overheidsgrond met een openbare bestemming door particulieren gebruikt wordt zonder dat zij daarmee het eigensomrecht van de overheid niet (meer) respecteren1.

Vaak wordt in een dergelijk geval inbezitneming van een strook grond slechts aangenomen als het voor derden geheel onmogelijk wordt gemaakt om nog gebruik te maken van de grond. Daartoe wordt veelal geëist dat sprake is van ondoordringbare beplanting of een hekwerk dat zodanig hoog is dat derden de strook niet meer kunnen betreden2.

Achterste hegdeel

4.4.

In deze zaak staat tussen partijen vast dat er wat betreft het achterste hegdeel (lopend vanaf de lantaarnpaal tot en met het einde van de achtertuin) op dit moment sprake is van een ondoordringbare, manshoge heg. Partijen verschillen echter van mening of deze situatie zich al gedurende een aaneensluitende periode van twintig jaar voordoet. [naam 1] en [naam 2] stellen dat dit het geval is en verwijzen hiervoor naar diverse foto’s, met name een foto uit 1992 die in dit vonnis onder 2.5. is opgenomen. De gemeente Zundert betwist echter dat uit deze foto volgt dat er in ieder geval vanaf dat moment sprake is van een ondoordringbare heg. De kantonrechter heeft met partijen de originele foto’s van 1992 bekeken en ter plaatse vergeleken met de huidige situatie en leidt daaruit af dat de heg op dat moment voldoende vol(wassen), dicht en hoog was om van een ondoordringbare heg te kunnen spreken, over de gehele lengte van de achtertuin. De foto’s van daarna (uit 1999 en 2009) en de huidige situatie laten een vergelijkbaar beeld zien. Bovendien is er niet alleen sprake van een ondoordringbare heg, maar deze heg vormt ook een geheel met de (rest van de) tuin van [naam 1] en [naam 2] , zodat gesproken kan worden van een optische eenheid.

4.5.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat wat de strook grond ter hoogte van het achterste hegdeel betreft gedurende een aaneensluitende periode van meer dan twintig jaar sprake is geweest van bezit door een ander dan de gemeente Zundert . Dat brengt mee dat het beroep van [naam 1] en [naam 2] op bevrijdende verjaring slaagt, zodat zij inmiddels eigenaar zijn van deze strook grond.

4.6.

De gemeente Zundert voert aan dat aan een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring in de weg staat dat het achterste hegdeel door [naam 3] en [naam 4] samen is geplant. De kantonrechter ziet daarin echter geen belemmering voor inbezitneming door [naam 1] en [naam 2] . Dat geldt temeer nu voor de bevrijdende verjaring voldoende is dat er gedurende een aaneensluitende periode van twintig jaar sprake is geweest van bezit door een ander (onderstreping door de kantonrechter) dan de gemeente Zundert . Het doet er daarbij niet toe wie die ander is of wie die anderen zijn. In dit kader voert de gemeente Zundert nog aan dat uit de koopovereenkomst tussen [naam 4] en [naam 5] (de huidige eigenaar van de naastgelegen woning met tuin aan de [straat] [huisnummer 1] ) volgt dat [naam 4] zich geen eigenaar waande van de gemeentegrond die hij met [naam 3] in gebruik heeft genomen. Dit staat echter niet aan inbezitneming door [naam 1] en [naam 2] in de weg. Immers, de betreffende informatie staat in de koopovereenkomst tussen [naam 4] en [naam 5] en nergens blijkt uit dat [naam 3] zich daarbij heeft aangesloten en dus ook geen eigendomspretentie had.

4.7.

Ook voert de gemeente nog aan dat de plaats(ing) van de lantaarnpaal bij het achterste hegdeel meebrengt dat van inbezitneming door een ander dan de gemeente Zundert geen sprake is. De gemeente stelt in dit kader dat de betreffende lantaarnpaal tussen 1999 en 2009 is geplaatst. Daarmee heeft zij zich eigenaar getoond van de strook grond, aldus de gemeente. [naam 1] en [naam 2] voeren echter aan dat de lantaarnpaal er al stond voordat het achterste hegdeel werd geplant. De kantonrechter is van oordeel dat de door partijen overgelegde foto’s op dit punt geen uitsluitsel geven. De luchtfoto’s waarnaar de gemeente verwijst, zijn naar het oordeel van de kantonrechter te onduidelijk om op basis daarvan vast te stellen dat de lantaarnpaal na 1999 is geplaatst. Anders dan de gemeente ziet de kantonrechter op deze foto’s geen duidelijke schaduwen van lantaarnpalen. Tijdens de descente heeft de kantonrechter geconstateerd dat de aanplant van het achterste hegdeel precies achter de lantaarnpaal begint en vervolgens (ook) naar voren is gegroeid, waardoor de lantaarnpaal helemaal in het achterste hegdeel staat. Deze aanplant duidt er naar het oordeel van de kantonrechter op dat de lantaarnpaal er eerder was dan het achterste hegdeel. Ook het feit dat de openbare weg in ieder geval al sinds 1999 niet meer aanwezig is op de strook grond wijst in deze richting. Immers, hierdoor ligt het niet voor de hand dat er tussen 1999 en 2009 nog een lantaarnpaal op dat punt is geplaatst. Desgevraagd kan de gemeente geen enkele logische verklaring geven voor haar standpunt dat de gemeente kennelijk toch, jaren nadat de openbare weg daar is verdwenen, over is gegaan tot het plaatsen van een lantaarnpaal achteraan de oprit van [naam 1] en [naam 2] . Gezien het voorgaande gaat de kantonrechter ervan uit dat de lantaarnpaal er eerder stond dan het achterste hegdeel. De gemeente heeft nagelaten om haar standpunt in dat licht nader te onderbouwen.

Voorste hegdeel

4.8.

Wat betreft het voorste hegdeel (lopend vanaf het kadasterpaaltje aan de voorzijde van de voortuin tot de lantaarnpaal) geldt het volgende. Deze haag is niet ondoordringbaar en is dat ook niet gedurende een aaneensluitende periode van 20 jaar geweest. Daarom is er naar het oordeel van de kantonrechter wat dit hegdeel betreft geen sprake van bevrijdende verjaring, zodat de gemeente eigenaar is gebleven van de strook grond tot het achterste hegdeel. Eventuele beplanting en bestrating die [naam 1] en [naam 2] op dit deel van de strook grond hebben aangebracht dienen daarom verwijderd te worden. Overigens hebben partijen in de processtukken gesteld dat de aanplant van het voorste hegdeel midden op de erfgrens staat. Als dat het geval is, zou dat betekenen dat partijen op grond van artikel 5:62 lid 1 BW gezamenlijk eigenaar zijn van het voorste hegdeel en dienen zij in onderling overleg af te stemmen wat er met het voorste hegdeel dient te gebeuren.

4.9.

Gelet op het voorgaande zijn de vorderingen van de gemeente Zundert slechts deels toewijsbaar, in die zin dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat alleen de strook grond tot het achterste hegdeel in eigendom aan de gemeente Zundert toebehoort. Daarom zullen [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk worden veroordeeld om dat deel van de strook grond leeg en ontruimd aan de gemeente Zundert op te leveren en om dat deel van de strook grond ontruimd te houden. De gevorderde dwangsom ten aanzien van deze verplichting zal worden beperkt op de wijze zoals vermeld in de beslissing. De overige vorderingen van de gemeente Zundert zullen gezien het bovenstaande niet toegewezen worden.

4.10.

Om partijen in de gelegenheid te stellen de mogelijkheid van het verkopen van dit deel van de strook grond (verder) te verkennen zal de kantonrechter de ontruimingstermijn verlengen tot drie maanden na betekening van dit vonnis.

4.11.

Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

in reconventie

4.12.

Met verwijzing naar de overwegingen in conventie zal de kantonrechter een deel van de vordering van [naam 1] en [naam 2] toewijzen, in die zin dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat [naam 1] en [naam 2] eigenaren zijn van het deel van de strook grond ter hoogte van het achterste hegdeel.

4.13.

Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat van de strook grond, alleen het gedeelte met het voorste hegdeel (lopend vanaf het kadasterpaaltje aan de voorzijde van de voortuin tot de lantaarnpaal) in eigendom aan de gemeente Zundert toebehoort;

5.2.

veroordeelt [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis, het deel van de strook grond met het voorste hegdeel leeg en ontruimd (inclusief verwijdering van de daarop eventueel aanwezige beplanting en bestrating) aan de gemeente Zundert op te leveren, alsmede om dit deel van de strook grond ontruimd te houden;

5.3.

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten dient te dragen;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.6.

verklaart voor recht dat [naam 1] en [naam 2] eigenaren zijn van het deel van de strook grond met het achterste hegdeel (lopend vanaf de lantaarnpaal tot en met het einde van de achtertuin);

5.7.

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten dient te dragen;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2024.

1 Zie in dit kader bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 21 april 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1487, HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, NJ 2018/141 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3.1. en Hof ’s-Hertogenbosch 30 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:347.

2 Voor voorbeelden wordt verwezen naar Hof ’s-Hertogenbosch 18 oktober 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4676, rov. 3.9.3; Hof ’s-Hertogenbosch 21 februari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:599, rov. 6.7.3; Hof Amsterdam 7 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:27, rov. 3.8; Rb. Noord-Holland 11 augustus 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:6311, rov. 4.13 en Rb. Midden-Nederland 11 augustus 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3771, rov. 3.16.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.