Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBZWB:2024:6346

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
11-09-2024
17-09-2024
C/02/408140 / HA ZA 23-187 (E)
Ondernemingsrecht
Bodemzaak

Bestuurdersaansprakelijkheid. De zorgaanbieder heeft verschillende voorwaarden uit de overeenkomst met het zorgkantoor geschonden. Er is zorg gedeclareerd die op grond van de overeenkomst niet was toegestaan. De bestuurder van de zorgaanbieder kan hiervan persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt.

Rechtspraak.nl
GJ 2024/123
JOR 2025/5 met annotatie van D.E.J. Meijers
JONDR 2025/113

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/408140 / HA ZA 23-187

Vonnis van 11 september 2024

in de zaak van

VGZ ZORGKANTOOR BV,

te Arnhem,

eisende partij,

hierna te noemen: VGZ,

advocaat: mr. G.D. Bosman te Veldhoven,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. V. Terlouw te Rotterdam.

1 De zaak in het kort

1.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] als bestuurder van CCC persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die VGZ door de wanprestatie van CCC heeft geleden. VGZ is een zorgkantoor en CCC is een zorgaanbieder. Tussen hen is een overeenkomst gesloten op grond waarvan CCC tegen betaling zorg verleent aan de verzekerden van VGZ. CCC heeft bij VGZ op basis van deze overeenkomst haar declaraties bij VGZ ingediend. VGZ heeft achteraf controle verricht op de rechtmatigheid van de ingediende declaraties. VGZ stelt zich op het standpunt dat CCC zich niet heeft gehouden aan verschillende voorwaarden uit de overeenkomst. CCC heeft zorg gedeclareerd die op basis van de overeenkomst niet was toegestaan. VGZ heeft [gedaagde] als bestuurder van CCC aansprakelijk gesteld voor de schade die VGZ door de wanprestatie van CCC heeft geleden.

1.2.

De vordering tot betaling van schadevergoeding wordt grotendeels toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat VGZ een onverhaalbare vordering op CCC heeft en dat [gedaagde] als bestuurder van CCC hiervan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De beslissing van de rechtbank wordt hieronder toegelicht.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 juli 2023,

- de mondelinge behandeling van 11 december 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- producties 21 t/m 26 van VGZ,

- producties 27 en 28 van VGZ naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank,

- de spreekaantekeningen van partijen,

- de akte van VGZ,

- de antwoordakte van CCC.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

VGZ koopt als zorgkantoor zorg voor haar verzekerden in. VGZ is als zorgkantoor belast met de uitvoering van de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz), het Besluit langdurige zorg en de Regeling langdurige zorg.

3.2.

De Wlz geeft recht op zorg aan verzekerden die zijn aangewezen op 24 uur per dag zorg. Met een Wlz-indicatiebesluit heeft de verzekerde recht op langdurige zorg uit de Wlz. De beoordeling van de aanvraag voor een Wlz-indicatie wordt verricht door het Centrum indicatiestelling zorg (hierna: CIZ). Het CIZ bepaalt welke soort zorg iemand in welke mate nodig heeft.

3.3.

Stichting CCC Zorg Midden-Brabant (hierna: CCC) is sinds 2005 een zorgaanbieder. CCC houdt zich bezig met het aanbieden van zorg en zorg-gerelateerde diensten, zoals langdurige zorg, aan verzekerden. CCC is bestuurder van CCC Thuis in Zorg BV (hierna: Thuis in Zorg). Thuis in Zorg houdt zich bezig met het verlenen van blokkenzorg (4/8/12/24-uurs zorg). [gedaagde] is sinds 5 april 2011 bestuurder van Thuis in Zorg.

3.4.

[gedaagde] is sinds 1 april 2018 bestuurder van CCC. Voordat [gedaagde] bestuurder werd verleende zij als zzp-er zelf zorg aan verzekerden.

3.5.

VGZ en CCC hebben op 29 oktober 2017 een schriftelijke overeenkomst gesloten. Op basis van deze overeenkomst moet CCC langdurige zorg die VGZ heeft ingekocht verlenen aan verzekerden van VGZ. De looptijd van de overeenkomst is drie jaar: van 1 januari 2018 t/m 31 januari 2020. De overeenkomst bepaalt binnen welk wettelijk en contractueel kader CCC de zorg dient te verlenen.

3.6.

De overeenkomst bevat drie delen: een zorgaanbiedergebonden deel (deel I), een regiogebonden deel (deel II) en een algemeen deel (deel III). In deel III staan voor zover relevant de volgende bepalingen:

‘ Artikel 1: Zorglevering

Lid 1

De zorgaanbieder verbindt zich om, met inachtneming van zijn toelating en hetgeen tussen partijen is overeengekomen aan afspraken over prestaties en tarieven, zorg te verlenen aan de klant die zich daartoe tot hem wendt en zorg te verlenen op basis van aanspraken vermeld in het indicatiebesluit en conform het Voorschrift zorgtoewijzing. De zorgaanbieder spreekt met de klant zorg op maat af gebaseerd op de individuele wensen en behoeften van de klant en passend binnen de kaders van de indicatie. Indien wordt afgeweken van de geïndiceerde zorg dan kan dit pas na instemming van de klant en na schriftelijke goedkeuring van het zorgkantoor geleverd worden een en ander in overeenstemming met het bepaalde in het Voorschrift Zorgtoewijzing. De zorgaanbieder is verplicht om knelpunten met betrekking tot continuïteit van zorglevering op klantniveau bij het zorgkantoor te melden.

Lid 2

De zorgaanbieder verplicht zich om klantgerichte, kwalitatief verantwoorde, doelmatige en doeltreffende zorg te leveren. Hieronder wordt verstaan: De zorgaanbieder biedt goede zorg en neemt bij het verlenen van zorg de eisen in acht die volgens de algemeen aanvaarde Professionele standaard redelijkerwijs aan de te leveren zorg mogen worden gesteld en handelt in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving waaronder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Deze zorg voldoet aan de definitie van gepast gebruik. Teneinde aan deze verplichtingen te kunnen voldoen, beschikt de zorgaanbieder over voldoende gekwalificeerd personeel. Het personeel kan de (potentiële) klanten en het zorgkantoor in tenminste de Nederlandse taal te woord staan.

(…)

Artikel 9: Onderaanneming

Lid 1

Verleende zorg in onderaanneming komt alleen voor vergoeding in aanmerking indien vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het zorgkantoor. Voor onderaanneming bij crisiszorg geldt een uitzondering. De voor crisiszorg gecontracteerde zorgaanbieders hebben een meldplicht. De inschakeling van een onderaannemer geschiedt voor eigen rekening en risico van de zorgaanbieder en doet niet af aan de verplichtingen van de zorgaanbieder uit deze overeenkomst. (…)

Artikel 13: Declaratie en betaling van de geleverde zorg

Partijen verplichten zich conform het meest actuele landelijke Declaratieprotocol Wlz (bijlage 5) te handelen.

(…)

Artikel 16: Niet nakoming

(…)

Lid 5

Onverminderd het bepaalde in lid 3 is de zorgaanbieder indien deze toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van één of meer verplichtingen uit deze overeenkomst aansprakelijk voor vergoeding van de door het zorgkantoor en de klanten geleden c.q. te lijden schade, met dien verstande, dat het zorgkantoor alles dient te ondernemen wat redelijkerwijs van hem gevergd kan worden om de schade te beperken. Deze aansprakelijkheid doet niet af aan de plicht van de zorgaanbieder om de zorg volgens de onderhavige overeenkomst naar behoren uit te voeren.

(…)

Begrippen

(…)

6. Gepast gebruik:

Onder gepast gebruik wordt verstaan dat de zorg voldoet aan de vereisten uit de Wlz, Blz en Rlz en dat de zorg voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk en dat de klant redelijkerwijs is aangewezen op de zorg gezien zijn gezondheidssituatie. De zorg voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. aangepast aan de zorgbehoefte en situatie van de klant conform richtlijnen, protocollen en veldnormen, tenzij er een goede reden is om hier gemotiveerd van af te wijken;

b. niet overbodig, maar nodig en noodzakelijk;

c. draagt bij aan de verbetering van de kwaliteit van leven;

d. niet te veel of te lang (overbehandeling), maar zo kort als mogelijk;

e. niet te weinig of te kort (onderbehandeling), maar zo lang als nodig;

f. niet duurder dan nodig of duurder dan alternatieven die even goed werken, maar kosteneffectief. (…)’

In de Regeling declaratievoorschriften, administratievoorschriften en informatieverstrekking Wlz 2019 staat opgenomen:

‘(…)

7.2.

Gegevens in het cliëntdossier

De zorgaanbieder neemt minstens de volgende gegevens van de individuele cliënt op in het cliëntdossier:

  • -

    NAW-gegevens;

  • -

    burgerservicenummer;

  • -

    indicatiebesluit;

  • -

    verwijzing zorgkantoor/Wlz-uitvoerder;

  • -

    verzekeringsgegevens;

  • -

    datum geplande aanvang zorgverlening;

  • -

    datum aanvang zorgverlening;

  • -

    afdeling/behandelaar;

  • -

    zorgplan/zorgzwaarte;

  • -

    omvang en aard geleverde zorgprestaties;

  • -

    mutaties in de zorgverlening.(…)’

3.7.

CCC heeft gedurende de looptijd van de overeenkomst zorg verleend aan verzekerden van VGZ. Voor het verrichten van de zorg heeft CCC aan VGZ haar declaraties gestuurd.

3.8.

In het document Onderaannemerschap van VGZ voor het jaar 2018 heeft CCC ingevuld voor 13% te zullen werken met zzp’ers. In het document Onderaannemerschap voor het jaar 2019 heeft CCC op de vraag of zij in 2019 voornemens is met onderaannemers te werken ‘nee’ aangekruist.

3.9.

CCC heeft sinds 2018 jaarlijks van VGZ een zorgtoewijzingspercentage toegewezen gekregen. Dat is een percentage van het totale budget dat CCC kan declareren aan langdurige zorg.

3.10.

VGZ heeft in mei 2019 geconstateerd dat CCC in 2018 bij vijf cliënten CCC zorg heeft gedeclareerd boven het toegewezen zorgpercentage. Het gaat om een bedrag van € 32.115,99. Op 24 mei 2019 heeft VGZ aan CCC laten weten dat zij een materiële controle bij CCC zal gaan uitvoeren voor de periode 1 april 2018 t/m 31 december 2018. Het doel van deze controle is om achteraf met voldoende zekerheid vast te stellen dat CCC gedeclareerde zorgprestaties volgens de contractuele verplichtingen heeft gedeclareerd. Dat betekent dat beoordeeld wordt of de gedeclareerde prestaties zijn geleverd en of die geleverde prestaties het meest zijn aangewezen gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde. CCC heeft meegedeeld dat het bij de overschrijding van het zorgtoewijzingspercentage gaat om cliënten die terminale 24-uurszorg hebben ontvangen.

3.11.

Ten behoeve van de materiële controle hebben partijen op 5 december 2019 met elkaar gesproken op het kantoor van CCC. Van de bespreking is een verslag gemaakt.

3.12.

Op 21 januari 2020 heeft VGZ de materiële controle uitgebreid naar het jaar 2019 omdat ook in 2019 is gebleken dat CCC bij meerdere cliënten het zorgtoewijzingspercentage heeft overschreden.

3.13.

Van de uitvoering van de materiële controle heeft VGZ een controleverslag opgesteld. Het controleverslag gaat over de periode 1 april 2018 t/m 31 december 2019. Het gaat in totaal om een overschreden budget van € 271.735,16 bij zeven cliënten. CCC heeft per brief van 15 februari 2020 gereageerd op de bevindingen van het controleverslag.

3.14.

Uit de bevindingen van de materiële controle rees bij VGZ het vermoeden van fraude:

  • -

    CCC verleende gebrekkige medewerking aan de materiële controle;

  • -

    cliëntendossiers bevatten weinig informatie en gegevens ontbraken;

  • -

    zaken die duiden op administratieve/bestuurlijke chaos binnen CCC;

  • -

    CCC declareerde fors hoger dan vergelijkbare instellingen;

  • -

    hoge declaraties ten opzichte van de indicatie, in dit geval overschrijding van het toewijzingspercentage, waardoor het toegekende budget ruim is overschreden.

3.15.

Op verzoek van VGZ is de afdeling Veiligheidszaken van de Coöperatie VGZ UA (hierna: Veiligheidszaken) vervolgens een fraudeonderzoek bij CCC gestart. Veiligheidszaken heeft onderzocht of CCC in 2018 en 2019 de zorg die zij bij VGZ heeft gedeclareerd daadwerkelijk heeft verleend en zo ja, of die zorg medisch noodzakelijk was. Het gaat dan om zes verzekerden waarbij een overschrijding van het zorgtoewijzingspercentage is vastgesteld. De verzekerden zijn: [naam 1] , [naam 2] , dhr. [naam 3] , dhr. [naam 4] , dhr. [naam 5] , dhr. [naam 6] en mw. [naam 7] . Ook heeft Veiligheidszaken onderzocht of CCC heeft voldaan aan de relevante wet- en regelgeving en de contractuele afspraken.

3.16.

Tussen de rapporteurs van Veiligheidszaken en CCC heeft een gesprek plaatsgevonden. Hiervan is een gespreksverslag gemaakt.

3.17.

Veiligheidszaken heeft een onderzoeksrapport opgesteld. CCC heeft op de bevindingen van het rapport kunnen reageren. In de conclusies van het onderzoeksrapport staat het volgende:

‘6.5 Conclusies

Uit het onderzoek blijkt ten eerste dat Stichting CCC Zorg in strijd met het Voorschrift Zorgtoewijzing en de contractuele afspraken heeft gehandeld. Voor geen van de cliënten bij wie het toegekende budget is overschreden, is bij het zorgkantoor gemeld dat u niet uitkwam met het toegekende budget. Hierdoor heeft het zorgkantoor niet kunnen beoordelen of de door Stichting CCC Zorg ingezette zorg medisch gezien noodzakelijk was en is bovendien geen toestemming verleend voor deze zorg.

Ten tweede blijkt niet uit de aangeleverde documenten met betrekking tot vijf van de zes cliënten bij wie nachtzorg en/of 24-uurs zorg is ingezet, dat deze zorg medisch gezien noodzakelijk was. Zo is bij meerdere cliënten vastgesteld dat zij op het moment dat zij 24-uurs zorg ontvingen nog in staat waren om onder meer boodschappen te doen en/of familiebezoeken af te leggen. Dit is in strijd met de definitie van ‘gepast gebruik’, zoals opgenomen in de contractuele afspraken. Daarnaast ontbreekt bij meerdere cliënten het zorgdossier deels of volledig, waardoor de ingezette zorg niet controleerbaar is. Dit is in strijd is met het Voorschrift Zorgtoewijzing en de Declaratievoorschriften.

Ten derde blijkt dat er bij meerdere cliënten zorg is gedeclareerd die niet aantoonbaar is verleend. Dit is in strijd met de declaratievoorschriften. Ter onderbouwing hiervan noemen wij een aantal voorbeelden:

  • -

    Bij [naam 2] , de heer [naam 6] en mevrouw [naam 7] is op meerdere dagen 12,5 uur verpleging gedeclareerd, terwijl uit de stukken niet blijkt dat die uren aan verpleging zijn verleend. Uit de aangeleverde stukken blijkt de noodzaak voor het gedeclareerde aantal uren verpleging eveneens niet. Bovendien kon u tijdens ons interview niet verklaren waarom er 12,5 uur verpleging per dag is gedeclareerd bij sommige cliënten.

  • -

    Bij [naam 2] is in de periode van 22 november 2018 tot en met 31 december 2018 in totaal 318,5 uur zorg gedeclareerd, terwijl er geen onderbouwing is aangetroffen dat deze zorg is verleend. Over deze periode ontbreken voor deze cliënt zowel de facturen van de zzp’ers als de uitbetalingen aan Thuis in Zorg B.V., die volgens de planning de zorg in deze periode heeft verleend. Doordat ook de bijbehorende rapportages, waarin de verleende zorg moet zijn omschreven, ontbreekt, kan niet worden aangetoond dat de zorg is geleverd. Dat is echter een vereiste.

  • -

    Bij [naam 2] is op zes dagen van 07.00 uur tot 19.30 uur zorg gedeclareerd en opgenomen in de planning, terwijl mevrouw op die dagen naar de dagopvang was bij een andere zorgverlener.

  • -

    Bij de heer [naam 6] is vier dagen 12,5 uur zorg gedeclareerd en opgenomen in de planning, terwijl uit zowel de factuur van de zzp’er als uit het zorgdossier blijkt dat de heer [naam 6] was opgenomen in het ziekenhuis en er geen zorg is verleend door Stichting CCC Zorg.

  • -

    Bij de heer en [naam 2] is in de periode van 11 december 2018 tot en met 14 februari 2019 dagelijks tot 12,5 uur zorg gedeclareerd op (grotendeels) overlappende tijdstippen, terwijl uit de aangeleverde stukken blijkt dat er dagelijks slechts één zzp’er was om aan hen beiden de zorg te verlenen.

Ten vierde heeft Stichting CCC Zorg in het formulier behorend bij de overeenkomst voor 2019 aangegeven dat zij niet met onderaannemers dan wel zzp’ers zou gaan werken. In tegenstelling met hetgeen is aangegeven, blijkt dat alle 24-uurs zorg en nachtzorg is verleend door zzp’ers die niet in dienst waren van Stichting CCC Zorg. De zzp’ers zijn allen uitbetaald door Thuis in Zorg BV., waarvan mevrouw [gedaagde] samen met haar partner de bestuurders zijn. Het zorgkantoor is nooit geïnformeerd over de inzet van Thuis in Zorg B.V., wat in strijd is met de geldende regelgeving. Daar het zorgkantoor geen toestemming heeft verleend voor de inzet van onderaannemers, is dit eveneens in strijd met de contractuele afspraken. Door de tussenkomst van Thuis in Zorg B.V. heeft mevrouw

[gedaagde] , als bestuurder van Thuis in Zorg B.V., financieel voordeel gehad van de ingezette dag-, nacht- en 24-uurszorg, aangezien de BV. een hoger bedrag aan de Stichting factureerde dan de kosten voor de verleende zorg waren.

Tot slot stellen wij vast dat mevrouw [gedaagde] tijdens het interview met ons en in reactie op onze vragen een voorstelling van zaken heeft gegeven die naar nu blijkt niet overeenkomstig de feiten blijkt. Zo is aangegeven dat alle zzp’ers zijn uitbetaald door Stichting CCC Zorg en niet door Thuis in Zorg B.V. terwijl dit niet zo is gebleken. Eveneens is aangegeven dat er niet of nauwelijks facturen werden gestuurd van Thuis in Zorg B.V. aan Stichting CCC Zorg, terwijl dit structureel wel gebeurde. Ook is verklaard dat er geen marge zit op eventuele facturen van Thuis in Zorg BV. aan Stichting CCC Zorg, terwijl dit feitelijk aantoonbaar wel het geval is.

Voornoemde voorlopige bevindingen heeft Stichting CCC Zorg met haar eerdere reacties en

aangeleverde documenten niet weten te weerleggen. Wij zien geen aanleiding het onderzoek in deze fase nog verder uit te breiden met de door Stichting CCC Zorg voorgestelde activiteiten. De feitelijke bevindingen spreken voor zich. Het is tijd om dit dossier af te ronden.

Op basis van de feiten die ons inmiddels bekend zijn, stellen wij vast dat er is gehandeld in strijd met ter zake relevante wet- en regelgeving, zoals genoemd in deze brief. Er is bovendien in gesprekken en andere contactmomenten met mevrouw [gedaagde] een onjuiste voorstelling van zaken gegeven.

Dit heeft geleid tot een financiële bevoordeling van organisaties waarvan zij de bestuurder is. De feitelijke bevindingen tonen aan dat er onrechtmatig is gehandeld. Wij houden Stichting CCC Zorg en mevrouw [gedaagde] als bestuurder van Stichting CCC Zorg, hiervoor verantwoordelijk.

Wij stellen ons op het standpunt dat Stichting CCC Zorg voor zes cliënten in de onderzochte periode in totaal € 369.668 ten onrechte heeft gedeclareerd. Dit betreft alle gedeclareerde dag-, nacht- en 24- uurs zorg waarbij Thuis in Zorg B.V. is ingezet als onderaannemer, waarvoor geen goedkeuring is verleend vanuit het Zorgkantoor en waarvan de onderliggende administratie grotendeels ontbreekt en/of waarvan niet is vast te stellen dat er daadwerkelijk zorg is verleend.’

3.18.

Na de reactie van CCC op het onderzoeksrapport heeft VGZ haar bevindingen weergegeven per brief van 18 maart 2022.

3.19.

CCC is op verzoek van VGZ op 22 februari 2022 in staat van faillissement verklaard.

3.20.

Bij brief van 21 maart 2022 heeft de advocaat van VGZ [gedaagde] als bestuurder van CCC aansprakelijk gesteld voor de vordering van VGZ op CCC van € 369.668,30 en gesommeerd om tot betaling over te gaan.

3.21.

Bij beschikking van 7 oktober 2022 heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (Nza) beslist dat het door CCC gedeclareerde bedrag van € 356.890,00 aan langdurige zorg voor het jaar 2019 een bedrag van € 310.438,00 gecorrigeerd dient te worden. De beschikking is onherroepelijk geworden.

3.22.

Per e-mail van 22 december 2023 heeft VGZ haar vordering op CCC ingediend bij de curator.

4 Het geschil

4.1.

VGZ vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde] veroordeelt om aan VGZ een bedrag van € 369.668,30 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2022, subsidiair vanaf 24 februari 2023, dan wel vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

  2. [gedaagde] veroordeelt om aan VGZ een bedrag van € 4.384,24 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

  3. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover.

4.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

Opmerking vooraf

5.1.

VGZ heeft na de mondelinge behandeling de gelegenheid gekregen om bij akte haar schade nader te onderbouwen. [gedaagde] heeft hierop bij antwoordakte gereageerd. [gedaagde] geeft aan dat een gedeelte van de akte van VGZ buiten beschouwing moeten blijven omdat VGZ een nadere onderbouwing geeft van haar stelling dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld.

5.2.

De rechtbank wijst dit verzoek af. [gedaagde] heeft bij antwoordakte op de stellingen van VGZ kunnen reageren en heeft dat ook gedaan. Bovendien heeft VGZ haar stellingen gebaseerd op de inhoud van het onderzoeksrapport van Veiligheidszaken, welk rapport bij [gedaagde] bekend is.

De juridische maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid

5.3.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] als bestuurder van CCC op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade die VGZ door de wanprestatie van CCC heeft geleden. De gestelde schade bestaat uit de door CCC ten onrechte gedeclareerde zorg. Voor het beantwoorden van deze vraag geldt de volgende juridische maatstaf.

5.4.

Wanneer een rechtspersoon (in dit geval CCC) tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit een overeenkomst of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de rechtspersoon aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kunnen ook bestuurders persoonlijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Er geldt een hoge drempel voor aansprakelijkheid. Daarom is voor deze aansprakelijkheid vereist dat van de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Deze hoge drempel voor persoonlijke aansprakelijkheid wordt gerechtvaardigd doordat primair sprake is van handelingen van de rechtspersoon en door het maatschappelijk belang dat voorkomen moet worden dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen; besturen brengt risico’s mee waarbij niet altijd hoeft te worden uitgegaan van het zwartste scenario.1

Of de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en dus op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het concrete geval, zoals de aard en de ernst van de normschending. Op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn er verschillende categorieën van bestuurdersaansprakelijkheid te onderscheiden. Een van de categorieën betreft de situatie dat een bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt terwijl de bestuurder wist of behoorde te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Ook andere omstandigheden kunnen aanleiding zijn voor het vaststellen van een persoonlijk ernstig verwijt.

De stelplicht en de bewijslast van feiten die tot het oordeel kunnen leiden dat een bestuurder persoonlijk aansprakelijk is, rust op degene die hierop een beroep doet, in dit geval VGZ.

5.5.

De rechtbank zal op basis van de hiervoor genoemde maatstaf toetsen of [gedaagde] als bestuurder van CCC op grond van onrechtmatige daad verplicht is tot betaling van het gevorderde bedrag van € 369.668,30. De volgende vragen zullen worden beantwoord:

  1. Heeft VGZ een onverhaalbare vordering heeft op CCC?

  2. Kan [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt?

  3. Voor welke schade is [gedaagde] aansprakelijk?

Heeft VGZ een onverhaalbare vordering op CCC?

De standpunten van partijen

5.6.

Voor een geslaagd beroep op bestuurdersaansprakelijkheid moet ten eerste vast komen te staan dat VGZ een vordering heeft op CCC die niet is betaald en waarvoor CCC geen verhaal biedt.

5.7.

VGZ stelt dat CCC op meerdere manieren haar contractuele verplichtingen niet heeft nageleefd. CCC heeft ten onrechte zorg gedeclareerd. CCC is daarom jegens VGZ aansprakelijk voor de door VGZ geleden schade, primair op grond van artikel 16 lid 5 van Deel III van de overeenkomst, subsidiair op grond van artikel 6:74 BW. De Nza heeft de overproductie van CCC in 2019 niet gehonoreerd. Daaruit blijkt dat VGZ een vordering heeft op CCC voor het jaar 2019.

VGZ verwijt CCC, kort samengevat, dat CCC in strijd met de voorwaarden uit de overeenkomst:

  1. Thuis in Zorg en de zzp’ers niet heeft gemeld als onderaannemer;

  2. het toegekende zorgtoewijzingspercentage per cliënt heeft overschreden zonder dit bij VGZ te melden;

  3. de medische noodzaak van de ingezette zorg niet heeft onderbouwd;

  4. de gedeclareerde zorg niet (aantoonbaar) heeft verleend.

Ter onderbouwing hiervan verwijst VGZ naar het onderzoeksrapport van Veiligheidszaken en de bevindingenbrief.

5.8.

[gedaagde] betwist dat CCC toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [gedaagde] was zorgverlener in hart en nieren. Toen de bestuurder van CCC in 2016 aftrad is [gedaagde] bestuurder geworden. [gedaagde] heeft de werkwijze van de vorige bestuurder van CCC voortgezet. CCC heeft Thuis in Zorg ingeschakeld. Thuis in Zorg heeft voor het verlenen van zorg aan de cliënten zzp’ers ingeschakeld. CCC ontving hiervoor van Thuis in Zorg facturen. CCC hield de uren die door Thuis in Zorg werden gedeclareerd bij in een urenstaat van de cliënt in het digitale systeem GIOP. Het niet naleven van de procedurevoorschriften houdt niet per definitie in dat de zorg ten onrechte zou zijn gedeclareerd. [gedaagde] heeft aangetoond dat de zorg is verleend. De zorg voor deze cliënten was ook noodzakelijk. Op basis van het Wlz-indicatiebesluit van het CIZ is geoordeeld dat zij 24 uur per dag zorg mogen ontvangen.

De tekortkomingen

1) Geen toestemming voor de ingeschakelde onderaannemers

5.9.

Volgens VGZ heeft CCC artikel 9 van de overeenkomst geschonden. CCC heeft zorg verleend in onderaanneming (Thuis in Zorg en de zzp’ers) zonder dat VGZ vooraf schriftelijke toestemming hiervoor heeft verleend.

5.10.

CCC stelt hiertegenover dat het VGZ bekend was dat CCC ook met onderaannemers werkte want dat deed zij ook in voorgaande jaren. Ook uit het digitale systeem GIOP waarmee CCC de urenstaten uploadde kon VGZ zien dat CCC met onderaannemers werkte.

5.11.

De rechtbank is van oordeel dat CCC artikel 9 van de overeenkomst heeft geschonden. Tussen partijen staat vast dat CCC voor de onderaannemers die zij in 2019 heeft ingezet (zoals Thuis in Zorg) geen schriftelijke goedkeuring van VGZ heeft gevraagd en ook niet heeft ontvangen. Deze zorg komt op grond van de overeenkomst niet voor vergoeding in aanmerking.

De stelling van [gedaagde] dat de toestemming zou zijn gegeven omdat CCC ook in het verleden met onderaannemers heeft gewerkt, gaat niet op. De goedkeuring van VGZ voor specifieke onderaannemers voor het heden blijkt hier niet uit. Daar komt bij dat CCC voor 2019 schriftelijk had aangegeven dat zij niet van plan was om onderaannemers in te schakelen. En op het moment dat zij dat wel deed, heeft CCC nagelaten om aan VGZ voor te leggen of de inzet van deze onderaannemers was toegestaan.

Ook de stelling van [gedaagde] dat de inzet van onderaannemers zoals Thuis in Zorg kon afleiden uit de urenstaten wordt gepasseerd. Ook daaruit mocht CCC geen goedkeuring van VGZ afleiden. VGZ heeft verder gemotiveerd aangegeven dat GIOP een intern systeem is waartoe VGZ geen toegang had.

5.12.

VGZ verwijt CCC ook dat CCC een veel groter deel aan zorg door onderaannemers heeft laten verrichten dan op grond van de richtlijn van VGZ is toegestaan. Een gecontracteerde zorgverlener dient ten minste 2/3 van de verwachte zorg zelf te verlenen. [gedaagde] heeft deze tekortkoming niet betwist. Daarmee staat vast dat CCC ook op dit punt toerekenbaar is tekortgeschoten.

2) Overschrijding van het zorgtoewijzingspercentage

5.13.

VGZ voert verder aan dat CCC artikel 1 lid 1 en 2 uit deel III van de overeenkomst heeft geschonden. Hierin staat dat VGZ verplicht is tot het leveren van klantgerichte, kwalitatief verantwoorde, doelmatige en doeltreffende zorg en wel conform o.a. het Voorschrift Zorgtoewijzing. CCC heeft bij geen van de cliënten bij wie het zorgtoewijzingspercentage is overschreden gemeld dat zij niet uitkwam met het toegekende budget per cliënt. Op grond van het Voorschrift Zorgtoewijzing 2019 (artikel 3.3.3.1) is overschrijding van het budget voor risico van de zorgaanbieder. Bij zes cliënten heeft de overschrijding plaatsgevonden omdat er nachtzorg of 24-uurszorg is geleverd door CCC.

5.14.

[gedaagde] erkent dat CCC het zorgtoewijzingspercentage bij de onderzochte cliënten in 2018 en 2019 heeft overschreden. [gedaagde] heeft aangegeven dat CCC dit uit het oog is verloren. Op grond van de overeenkomst komt deze zorg niet voor vergoeding in aanmerking. Dat betekent dat vaststaat dat CCC toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van deze verplichting.

3) Onvoldoende onderbouwing van de medische noodzaak

5.15.

VGZ voert aan dat CCC artikel 1 lid 1 en 2 uit deel III van de overeenkomst ook op andere wijze heeft geschonden. CCC heeft de noodzaak van de ingezette 24-uurszorg of nachtzorg niet deugdelijk onderbouwd en daarom is deze zorg niet navolgbaar.

De zorgdossiers zijn niet compleet. CCC heeft niet alle terminaalverklaringen in het zorgdossier opgenomen, terwijl het volgens [gedaagde] ging om terminale patiënten. Op grond van het Voorschrift Zorgtoewijzing is voor palliatieve terminale zorg een verklaring van de huisarts met de geschatte levensverwachting aanwezig vereist. Dit nalaten is in strijd met paragraaf 4.10 van het Voorschrift Zorgtoewijzing 2018 en artikel 3.3.6.1 van het Voorschrift Zorgtoewijzing 2019.

Ook de vereiste zorgplannen waarin de noodzaak van extra zorginzet moet worden vastgelegd ontbraken. Bij vijf van de zes cliënten bleek uit het zorgdossier niet welke zorg precies was verleend en waarom dusdanig zoveel zorg nodig was. Bij twee cliënten ontbrak het zorgdossier volledig ( [naam 1] en [naam 7] ) en bij drie cliënten was het zorgdossier onvolledig ( [naam 6] , [naam 2] en [naam 4] ) en uit de wel aanwezige informatie bleek niet dat er dusdanig veel zorg noodzakelijk was en/of is verleend. Hierdoor is de zorg niet controleerbaar/navolgbaar en dat is in strijd met het Voorschrift Zorgtoewijzing en de declaratievoorschriften (artikel 7).

5.16.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde] niet heeft betwist dat de zorgdossiers van [naam 1] en [naam 7] niet (meer) beschikbaar zijn. Ook heeft [gedaagde] niet gemotiveerd betwist dat CCC niet beschikte over de volledige dossiers (waaronder zorgplannen, aftekenlijsten en rapportages) van [naam 6] , [naam 2] en [naam 4] . Daarmee staat vast dat CCC toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van (artikel 1 van) de overeenkomst.

5.17.

VGZ stelt zich in het verlengde hiervan op het standpunt dat wegens de incomplete of afwezige dossiers van de cliënten niet is na te gaan waaruit de zorg bestond en wat de noodzaak was voor de ingezette zorg. [gedaagde] heeft tegenover deze stelling geen concreet verweer gevoerd.

5.18.

Wel voert [gedaagde] aan dat de verleende zorg medisch noodzakelijk was omdat het om cliënten ging die een Wlz-indicatie hebben verkregen en daarom dus nachtzorg of 24-uurszorg nodig hadden. De rechtbank overweegt dat CCC niet zomaar kan afwijken van de geïndiceerde zorg per cliënt omdat deze zorg volgens haar medisch noodzakelijk en dus verantwoord was. CCC heeft een overeenkomst met VGZ waarin de voorwaarden voor het verlenen van zorg zijn vastgelegd. Ook aan de inzet van 24-uurszorg en nachtzorg onder de Wlz zijn voorwaarden verbonden. Op CCC rustte de plicht om de zorg volgens deze voorwaarden te leveren. Haar stelling dat alle gedeclareerde zorg noodzakelijk was en terecht is gefactureerd omdat de cliënten een Wlz-indicatie van het CIZ hebben verkregen is daarom onvoldoende.

5.19.

Ook voert VGZ aan dat op basis van de aangeleverde stukken bij meerdere cliënten die 24-uurszorg ontvingen (bijv. dhr. [naam 6] ) is vastgesteld dat zij nog in staat waren om onder meer boodschappen te doen of familiebezoeken af te leggen. Dat past niet in het beeld dat iemand 24 uur zorg nodig heeft en is in strijd met de definitie gepast gebruik, aldus VGZ. Ook op deze stellingen heeft [gedaagde] geen concreet verweer gevoerd.

5.20.

VGZ verwijt CCC dat zij [naam 2] niet op de wachtlijst van een zorginstelling heeft geplaatst, met als gevolg dat CCC zonder goedkeuring van VGZ ruim tien maanden lang 24-uurszorg per dag voor [naam 2] heeft gefactureerd. In het dossier is de aanvraag voor overbruggingszorg van de huisarts aanwezig. Er zijn regels met betrekking tot de inzet van overbruggingszorg totdat er wel plek is in een zorginstelling. VGZ betoogt dat CCC zich niet aan deze regels heeft gehouden.

[gedaagde] voert ter betwisting aan dat [naam 2] als spoedpatiënt is aangemeld bij de zorginstelling en dat zij vanwege de wachtlijst genoodzaakt was om overbruggingszorg te leveren. Ook stelt [gedaagde] dat de familie van [naam 2] eerst niet wilde dat zij in een verzorgingshuis werd geplaatst. Het is de keuze van de familie van de cliënt of deze wordt aangemeld bij een zorginstelling, niet van CCC.

5.21.

Tussen partijen staat vast dat uit het dossier blijkt dat er op 20 november 2018 een aanvraag is voor overbruggingszorg door de huisarts. Op een ander document van 26 november 2018 staat dat [naam 1] . en [naam 2] op de urgentiewachtlijst kunnen worden geplaatst. VGZ voert aan dat CCC is strijd met de contractuele afspraken vervolgens heeft nagelaten om [naam 2] op de wachtlijst te plaatsen. [gedaagde] betwist dit niet. [gedaagde] geeft aan dat de familie dat nog niet wilde, maar als zorgaanbieder moet CCC niet alleen met de wens van de cliënt rekeninghouden, maar ook met de vraag of de (gewenste) zorg past binnen de geïndiceerde zorg. Verder zijn ook aan het leveren en declareren van overbruggingszorg regels verbonden. [gedaagde] heeft niet voldoende gemotiveerd gesteld dat CCC zich aan deze regels heeft gehouden.

4) Gedeclareerde zorg is niet (aantoonbaar) verleend

5.22.

Tussen partijen is in geschil of alle door CCC gedeclareerde zorg is verleend. VGZ stelt dat bij vier cliënten ( [naam 2] , [naam 3] , [naam 6] , [naam 7] ) zorg is gedeclareerd die deels niet is verleend. Dit is volgens VGZ in strijd met de declaratievoorschriften. [gedaagde] betwist dat en stelt dat de zorg die zij heeft gedeclareerd daadwerkelijk is verleend. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar de facturen die zij heeft overgelegd. De specifieke verwijten van VGZ worden hieronder behandeld.

5.22.1.

VGZ stelt dat bij [naam 2] in 2018 voor € 20.774,90 zorg is gedeclareerd maar de facturen van zzp’ers en Thuis in Zorg over deze periode ontbreken. Ook de bijbehorende zorgrapportages waarin de verleende zorg moet zijn omschreven ontbreken. Er is daarmee geen onderbouwing gegeven dat deze zorg is verleend. [gedaagde] stelt dat deze zorg wel is verleend, namelijk door de zzp’er die ook [naam 1] in deze periode verzorgde. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] de stelling van VGZ dat de facturen over deze periode ontbreken niet gemotiveerd heeft betwist. De overgelegde facturen hebben betrekking op 2019. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank deze tekortkoming vast.

5.22.2.

VGZ stelt dat bij [naam 2] zes dagen zorg is gedeclareerd terwijl zij bij een andere zorgverlener dagbesteding afnam. [gedaagde] heeft deze stelling in haar algemeenheid betwist door facturen van zzp’ers te overleggen en naar de inhoud daarvan te verwijzen, maar een concrete betwisting van deze stelling zelf, die geenszins uit het enkele overleggen van facturen volgt, ontbreekt. Daarmee staat deze tekortkoming vast.

5.22.3.

VGZ stelt dat bij [naam 2] , dhr. [naam 6] en mw. [naam 7] op meerdere dagen 12,5 uur verpleging is gedeclareerd, terwijl uit de stukken niet blijkt dat die uren aan verpleging zijn verleend. Uit de aangeleverde stukken blijkt de noodzaak voor het gedeclareerde aantal uren verpleging eveneens niet. [gedaagde] heeft deze stelling in haar algemeenheid betwist door facturen van zzp’ers te overleggen en naar de inhoud daarvan te verwijzen, maar een concrete betwisting van deze stelling zelf, die geenszins uit het enkele overleggen van facturen volgt, ontbreekt ook hier. Daarmee staan deze tekortkomingen vast.

5.22.4.

VGZ stelt dat bij dhr. [naam 6] vier dagen 12,5 uur zorg is gedeclareerd en is opgenomen in de planning, terwijl uit zowel de factuur van de zzp’er als uit het zorgdossier blijkt dat de heer [naam 6] was opgenomen in het ziekenhuis. [gedaagde] heeft deze stelling in haar algemeenheid betwist door facturen van zzp’ers te overleggen en naar de inhoud daarvan te verwijzen, maar een concrete betwisting van deze stelling zelf, die geenszins uit het enkele overleggen van facturen volgt, ontbreekt ook hier. Daarmee staat deze tekortkoming vast.

5.22.5.

VGZ stelt dat bij [naam 1] . en [naam 2] in de periode van 11 december 2018 tot en met 14 februari 2019 dagelijks tot 12,5 uur zorg gedeclareerd op (grotendeels) overlappende tijdstippen, terwijl uit de aangeleverde stukken blijkt dat aan hen beiden dagelijks door dezelfde zzp’er zorg is verleend. [gedaagde] heeft dit niet betwist, maar stelt wel dat dubbele zorg door één persoon is verricht en dat deze zorg nodig was. De rechtbank gaat hier niet in mee. [gedaagde] legt niet uit dat deze wijze van in feite dubbel declareren voor zorg verleend door één en dezelfde persoon is toegestaan of dat VGZ hiervoor toestemming heeft verleend. Dat had wel op haar weg gelegen.

Conclusie

5.23.

De conclusie van het voorgaande is dat CCC tegenover VGZ toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van meerdere verplichtingen uit de overeenkomst met VGZ.

5.24.

[gedaagde] stelt zich tot slot ook op het standpunt dat VGZ geen vordering op CCC heeft omdat VGZ niet aantoont dat zij het door CCC gefactureerde bedragen uit 2018 en 2019 daadwerkelijk aan CCC heeft betaald.

5.25.

Deze stelling wordt wegens onvoldoende onderbouwing verworpen. De werkwijze van partijen is zo ingericht dat het zorgkantoor de facturen die door de zorgaanbieder worden ingediend, voetstoots betaalt. Controle op de rechtmatigheid van de ingediende declaraties vindt pas achteraf plaats. Gelet hierop legt [gedaagde] niet goed uit waaruit blijkt dat VGZ deze declaraties van CCC niet heeft betaald.

5.26.

CCC is failliet verklaard. VGZ heeft de vordering ingediend bij de curator. Tussen partijen staat vast dat de boedel onvoldoende zal zijn om de vordering van VGZ te voldoen. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat CCC geen verhaal biedt.

Is sprake van een persoonlijk ernstig verwijt?

5.27.

Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde] jegens VGZ is ook vereist dat haar persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

5.28.

Volgens VGZ kan [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. [gedaagde] bepaalde het beleid binnen CCC. [gedaagde] was enig bestuurder van CCC in de periode dat CCC haar verplichtingen niet naleefde. [gedaagde] droeg de verantwoordelijkheid om een deugdelijke en betrouwbare administratie te voeren en op correcte wijze te declareren en om de afspraken met VGZ na te komen. Uit het onderzoeksrapport volgt dat [gedaagde] dit heeft nagelaten. VGZ kon aan de hand van de aangeleverde documenten de juistheid van de gedeclareerde zorg niet vaststellen. [gedaagde] kon niet laten zien welke zorg in welke mate was verleend. Ook heeft [gedaagde] een onjuiste voorstelling van zaken gegeven over de inschakeling van een onderaannemer.

5.29.

[gedaagde] betwist dat haar een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Van bijzondere omstandigheden is geen sprake. [gedaagde] voerde een juiste bedrijfsvoering. [gedaagde] erkent dat CCC het zorgtoewijzingspercentage heeft overschreden. Dat is een administratieve omissie maar dat is onvoldoende voor een persoonlijk verwijt. Er moest continue zorg worden verleend aan deze patiënten. Het welzijn stond voorop. CCC had ook een verhoging van het budget gekregen als ze daarom had gevraagd. [gedaagde] heeft wel zorggedragen voor een goede administratie. Aan de hand hiervan kon de juistheid van de voor zorg gedeclareerde bedragen worden vastgesteld.

Dat [gedaagde] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven wordt niet goed onderbouwd. Dat VGZ niet wist dat er met onderaannemers werd gewerkt is ongeloofwaardig. Dat gebeurde al jaren zo.

5.30.

De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] als bestuurder onrechtmatig jegens VGZ heeft gehandeld en dat dit haar kan worden toegerekend. Haar kan van de wanprestatie door CCC persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.

5.30.1.

[gedaagde] was bestuurder in de periode dat CCC haar verplichtingen jegens VGZ niet naleefde.

5.30.2.

Van een bestuurder van een professionele zorgaanbieder zoals CCC mag worden verwacht dat zij op de hoogte is van de voorwaarden waaronder de zorg kan worden gedeclareerd en dat de organisatie zodanig is ingericht dat de contractuele afspraken kunnen worden nagekomen.2 Het gaat hier immers om zorg die wordt gefinancierd door de maatschappij. De burgers betalen belasting en premies zodat er geld is voor deze zorg die wat betreft de omvang van een beroep op publieke middelen, koploper is van de overheidsbestedingen. Het is daarom belangrijk dat zorgvuldig met dit geld wordt omgegaan. Deze sector vergt dus een hoge mate van professionaliteit van partijen. De zorg moet volgens de wettelijke en contractuele regels worden uitgevoerd en de uitvoering van de zorg moet doelmatig zijn. In de overeenkomst tussen VGZ en CCC is daarom bepaald dat hun contractuele relatie wordt beheerst door de geldende wet- en regelgeving en de contractuele afspraken. Om die reden controleert het zorgkantoor ook veelal enkel achteraf of de gedeclareerde zorg in overeenstemming is met de contractuele afspraken.

5.30.3.

Ondanks dit belang heeft CCC op diverse manieren de verplichtingen uit de overeenkomst niet nageleefd. Uit de voorgaande overwegingen volgt onder andere dat CCC in 2018 en 2019 op structurele wijze zorg heeft gedeclareerd die buiten het toegewezen budget viel. Het gaat in totaal om een forse overschrijding van het budget dat aan de cliënten op basis van hun Wlz-indicatie was toegewezen. [gedaagde] heeft zelf aangegeven dat binnen de organisatie van CCC niet of onvoldoende werd gecontroleerd of de geleverde zorg binnen het budget van de cliënt viel. VGZ kon hierdoor niet vooraf beoordelen of de zorg die boven het budget zou vallen ook medisch noodzakelijk was. Ook had VGZ hierdoor niet de mogelijkheid om CCC op een andere wijze te helpen met het bieden van de juiste, verantwoorde zorg.

Door geen acht te slaan op de contractuele spelregels heeft [gedaagde] het risico genomen dat de door CCC gedeclareerde zorg achteraf door VGZ volledig of deels zou worden afgekeurd. [gedaagde] had redelijkerwijs behoren te begrijpen dat deze handelswijze ertoe zou leiden dat CCC haar verplichtingen uit de overeenkomst schond en dat dit tot schade bij VGZ zou kunnen leiden.

5.30.4.

Daarnaast staat tussen partijen vast dat CCC van een aantal cliënten waarop het onderzoek betrekking had geen of geen volledig zorgdossier over kon leggen. Er ontbraken bijvoorbeeld terminaalverklaringen, aftekenlijsten, zorgrapportages en facturen van zzp’ers over een bepaalde periode. Van twee cliënten ontbrak het volledige zorgdossier. Hierdoor is achteraf niet (goed) controleerbaar of de zorg feitelijk is geleverd en of de ingezette nachtzorg en 24-uurszorg medisch noodzakelijk was. Dit getuigt niet van een deugdelijke administratie. De administratie van een zorgaanbieder moet juist en volledig zijn zodat het zorgkantoor achteraf door controle kan vaststellen dat de zorg rechtmatig en doelmatig was. Het niet beschikken over goed opgebouwde zorgdossiers en het niet hebben van een (schriftelijke of digitale) kopie hiervan acht de rechtbank zeer onzorgvuldig welk oordeel mede wordt ingegeven door de hoge mate van vertrouwen in juiste opgaven vooraf door zorgverleners als basis voor een min of meer geautomatiseerd stelsel van betaling van facturen door VGZ. Dat een dossier door de cliënt of de familie van de cliënt is zoekgeraakt maakt dit oordeel niet anders. Dit nalaten komt dan ook voor rekening en risico van [gedaagde] als bestuurder van CCC.

5.30.5.

De rechtbank acht het ook zeer kwalijk dat [gedaagde] tegenover VGZ geen duidelijkheid heeft gegeven over de rol van Thuis in Zorg. Het staat tussen partijen vast dat [gedaagde] op het document voor onderaanneming 2019 heeft aangegeven dat CCC niet van plan was om met onderaannemers te gaan werken terwijl dat uiteindelijk wel is gebeurd. VGZ heeft hiervoor geen goedkeuring verleend. Zoals VGZ gemotiveerd heeft aangevoerd is bovendien gebleken dat [gedaagde] tijdens de interviews op 5 december 2019 en 26 mei 2021 heeft verhuld en ontkend dat Thuis in Zorg een onderaannemer van CCC is. Dat gedrag is ernstig verwijtbaar en vormt voor de rechtbank een sterke aanwijzing voor het ontbreken van goede trouw aan haar kant in de uitvoering van de overeenkomst. Ook op zitting werd duidelijk dat [gedaagde] geen duidelijk onderscheid maakt tussen CCC aan de ene kant en Thuis in Zorg aan de andere kant. Zij beschouwt deze partijen als één geheel, terwijl juridisch gezien sprake is van twee verschillende vennootschappen. VGZ heeft in haar spreekaantekeningen een deel van het interview geciteerd:

‘V: In de planning van GIOP staat als er sprake is van 24 uurs zorg of nachtzorg bij medewerker ‘Thuis in Zorg’. Wat betekent dat?

A: We hebben meerdere planschermen. We hebben een planscherm voor het 1e cluster, een planscherm voor het 2e cluster, dat zijn de thuiszorgroutes, en dan hebben we een 3e scherm en daar wordt de 24 uurs zorg ingepland. Dat planscherm heet Thuis in Zorg.

V: Er staat dan ook een cijfer die gekoppeld is aan een medewerker, maar dat klopt dan weer niet met degene die feitelijk de zorg heeft verleend. Hoe wordt die medewerker eraan gekoppeld?

A: De medewerkers die 24 uurs zorg leveren zijn heel vaan ZZP’ers van ons. De cliënt wordt gepland in het scherm voor 24 uurs zorg. (...)

V: Maar waarom staat op de planning [medewerker] , dat is een bepaald persoon, maar niet die persoon maar iemand anders heeft de zorg verleend. Hoe kan dat dan?

A: [medewerker] is Thuis in Zorg.

V: Wat is Thuis in Zorg?

A: Dat is de naam van planscherm.

(…)

V: Die facturen van die ZZP’ers worden gefactureerd aan Thuis in Zorg. Waarom is dat?

A: Dat is de naam van het cluster.

V: Soms wordt er aan Stichting CCC Zorg gefactureerd en soms aan Thuis in Zorg B. V.

A: Ja, dat is maar net hoe Puurzorg dat inkleedt.

V: Is dat geen tussenliggend bedrijf?

A: Nee.

V: Hoe zit dat dan tussen Thuis in Zorg en Stichting CCC zorg?

A: Dat hoort bij elkaar. Dat is hetzelfde.

(…)

V: Valt Thuis in Zorg onder CCC zorg?

A: Ja

V: Maar niet als onderaannemer?

A: Nee (…)

Conclusie

5.31.

Met de hierboven genoemde gedragingen van [gedaagde] heeft [gedaagde] toegelaten dan wel bewerkstelligd dat CCC haar contractuele verplichtingen uit de overeenkomst met VGZ schond. Naar het oordeel van de rechtbank was het voor [gedaagde] daarom voorzienbaar dat VGZ door deze gedragingen een vordering op CCC wegens ten onrechte gedeclareerde zorg zou verkrijgen. De conclusie is dan ook dat [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade die VGZ door de handelswijze van [gedaagde] heeft geleden.

5.32.

VGZ voert tot slot ook aan dat [gedaagde] geen openheid van zaken heeft gegeven over het feit dat Thuis in Zorg een marge heeft gehanteerd bij het declareren van zorg aan CCC. De zzp’ers factureerden voor de verleende zorg aan Thuis in Zorg. Thuis in Zorg factureerde vervolgens een hoger bedrag aan CCC. Tijdens de interviews heeft [gedaagde] verhuld dat er een marge door Thuis in Zorg werd gehanteerd. VGZ heeft een deel van dit interview geciteerd in haar spreekaantekeningen. [gedaagde] heeft ter zitting aangegeven dat sprake is van vastgestelde tarieven tussen CCC en VGZ en dat de facturen aan VGZ daarom niet hoger uitvielen. VGZ heeft ter zitting aangegeven dat zij niet weet of en zo ja welke marges gebruikelijk zijn in de branche.

De rechtbank passeert dit verwijt. VGZ maakt niet goed duidelijk wat zij met deze stelling wil bereiken. Voor zover VGZ heeft willen stellen dat CCC of Thuis in Zorg hierdoor een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dat [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, heeft VGZ deze stelling onvoldoende uitgewerkt.

De verplichting tot betaling van schadevergoeding

5.33.

De rechtbank moet tot slot vaststellen voor welke schade van VGZ [gedaagde] aansprakelijk is. VGZ heeft haar schade onderbouwd aan de hand van het onderzoeksrapport van Veiligheidszaken. VGZ heeft hier per cliënt in haar conclusie na de mondelinge behandeling verder aandacht aan besteed. [gedaagde] betwist de omvang van de door VGZ gestelde schade. Ook betwist [gedaagde] dat sprake is van een causaal verband tussen haar wanprestatie en de door VGZ gestelde schade.

5.34.

Ter betwisting van het causaal verband en de schade stelt [gedaagde] dat de overproductie van CCC door de Nza vóór 2018 altijd werd gehonoreerd. De door haar te veel gedeclareerde zorg werd dan dus goedgekeurd. [gedaagde] heeft deze stelling op geen enkele manier concreet gemaakt, bijvoorbeeld met schriftelijke stukken waaruit dit blijkt. De rechtbank gaat aan deze stelling dan ook voorbij.

5.35.

[gedaagde] stelt ook dat de overproductie ook voor 2019 zou zijn goedgekeurd indien de curator of VGZ tegen de correctie van Nza bezwaar had aangetekend. [gedaagde] doet daarom een beroep op eigen schuld van VGZ. Ook met deze algemene stelling kan de rechtbank niets. [gedaagde] legt bijvoorbeeld niet uit hoe de werkwijze bij nacalculatie normaal verliep en waarom deze taak bij het zorgkantoor en niet bij haar als zorgaanbieder lag.

5.36.

[gedaagde] stelt dat er geen schade is en dat er ook geen causaal verband aanwezig is tussen de wanprestatie van CCC en de schade van VGZ omdat de cliënten de zorg daadwerkelijk nodig hadden en de zorg ook hadden gekregen als CCC de voorwaarden uit de overeenkomst had nageleefd. De zorg was volgens [gedaagde] noodzakelijk gelet op de verkregen Wlz-indicatie en hun medische toestand.

5.37.

Zoals al eerder is geoordeeld is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] haar stelling dat de gedeclareerde zorg per cliënt in de gegeven omstandigheden wel noodzakelijk was onvoldoende onderbouwd.

5.38.

Uit de hierboven genoemde overwegingen volgt dat aan [gedaagde] op meerdere manieren een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De verschillende tekortkomingen van CCC leiden tot verschillende schadebedragen. Hiermee rijst de vraag op welke wijze de schade moet worden vastgesteld. Op grond van artikel 6:97 BW dient de rechter de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.

5.39.

Het door VGZ gevorderde bedrag van € 369.668,30 is gebaseerd op de zorg waarbij Thuis in Zorg als onderaannemer is ingezet. CCC heeft in strijd met artikel 9 van de overeenkomst niet aan VGZ gemeld dat Thuis in Zorg alsmede de zzp’ers als onderaannemer van CCC de feitelijke zorg hebben verleend.

5.40.

Tussen partijen is niet in geschil dat er wel daadwerkelijk zorg in onderaanneming is verleend. Het volledig toewijzen van € 369.668,30 als schade gaat daarom te ver. VGZ heeft in haar akte na de mondelinge behandeling erkend dat het vanwege hun Wlz-indicatie wel aannemelijk is dat de cliënten uit het onderzoek zorg nodig hadden, alleen niet in de mate zoals CCC heeft gedeclareerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat vanwege incomplete of afwezige zorgdossiers – waarvoor CCC verantwoordelijk is – VGZ niet goed kan vaststellen welk deel van de gedeclareerde zorg niet is verleend en welke gedeclareerde zorg medisch gezien niet noodzakelijk was. VGZ vordert subsidiair een schadebedrag van € 295.081,86. Dit bedrag is de optelsom van de bedragen waarmee per cliënt het toegekende budget is overschreden. De rechtbank heeft geoordeeld dat [gedaagde] hiervan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank zal de hoogte van het schadebedrag daarom baseren op het bedrag van € 295.081,86.

Conclusie

5.41.

Samenvattend leidt het voorgaande ertoe dat de vordering tot betaling van schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 295.081,86.

5.42.

VGZ vordert ook betaling van wettelijke rente over de schade vanaf 5 april 2022. Deze vordering wordt toegewezen.

De vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten

5.43.

VGZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De vordering van € 4.384,24 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 3.933,00 bij € 295.081,86 in hoofdsom. De rechtbank wijst daarom € 3.933,00 toe.

De proceskosten

5.44.

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het liquidatietarief is berekend op basis van het toegewezen bedrag. De proceskosten van VGZ worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

107,32

- griffierecht

€

5.737,00

- salaris advocaat

€

6.785,00

(2,50 punten × € 2.714,00)

- nakosten

€

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

12.807,32

5.45.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan VGZ van een schadevergoeding van € 295.081,86, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 april 2022 tot de dag van volledige betaling,

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan VGZ van € 3.933,00 voor buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover met ingang van 24 maart 2023 tot de dag van volledige betaling,

6.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 12.807,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2024.

1 Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI); Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/ Roelofsen).

2 Vgl. Gerechtshof ’s Gravenhage van 31 juli 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:1802).

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.