Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBZWB:2023:9211

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
27-12-2023
24-01-2024
10575063\CV EXPL 23-2484
Arbeidsrecht
Bodemzaak

Heeft werknemer na ontbinding op grond van ernstig verwijtbaar handelen aanspraak op bonus? Uitleg bonusregeling. Dringende reden niet hetzelfde als ernstig verwijtbaar handelen. Uitkering bonus naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Matiging wettelijke verhoging tot 10%. Geen vergoeding werkelijke advocaatkosten.

Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2024-0149
Prg. 2024/79
VAAN-AR-Updates.nl 2024-0149

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 10575063 \ CV EXPL 23-2484

Vonnis van 27 december 2023

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. S.J.A. Jansen, advocaat te Tilburg,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. A. Birkhoff en mr. S.S. Wahab, advocaten te Rotterdam.

1 De zaak in het kort

1.1.

[eiser] maakt aanspraak op uitbetaling van een bonus over het jaar 2022. Hij baseert zich daarbij op artikel 4 van zijn laatste arbeidsovereenkomst. Volgens [gedaagde] voldoet [eiser] niet aan de voorwaarden voor toekenning van een bonus zoals die uit de bonusregeling begrepen moeten worden. Bovendien is de aanspraak op een bonus volgens [gedaagde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, gezien de omstandigheden van de zaak.

1.2.

De kantonrechter is kort samengevat van oordeel dat [eiser] aanspraak heeft op een bonus over 2022. Dit oordeel wordt hierna onder ‘De beoordeling’ uitgelegd. Eerst wordt geschetst hoe de procedure is verlopen, welke feiten relevant zijn voor de beoordeling en welke vorderingen [eiser] heeft ingesteld.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 september 2023 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    de door [eiser] nagezonden productie 19;

  • -

    de zitting van 29 november 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Jansen en mr. Wahab, zoals die tijdens de zitting zijn voorgelezen.

2.2.

De kantonrechter heeft aan het einde van de zitting bepaald dat dit vonnis zou worden gewezen.

3 De feiten

3.1.

[eiser] is van 1 november 1985 tot 15 november 2022 in dienst geweest van [gedaagde] . [eiser] was laatstelijk in dienst in de functie van commercieel directeur van [gedaagde] .

3.2.

In de laatste arbeidsovereenkomst tussen partijen van 12 juli 2018 is in artikel 4 de volgende bonusregeling opgenomen (“de bonusregeling”):

“4.1 Werknemer heeft recht op een bonus bij het behalen van omzettargets. De hoogte van de bonus is afhankelijk van de hoeveelheid omzet op basis van de netto/netto omzet van [groep] B.V. en haar groepsvennootschappen [gedaagde] B.V., [groepsvennoot 1] B.V. [groepsvennoot 2] B.v.. De [groepsvennoot 3] N.V. en [groepsvennoot 4] B.V., zoals deze blijkt uit de door de accountant goedgekeurde jaarrekening. Jaarlijks stelt Werkgever hiertoe na overleg met Werknemer een staffel vast. De omzetstaffel 2018 is als bijlage bij deze
arbeidsovereenkomst gevoegd.

4.2

Onderhavige bonusregeling is niet van toepassing gedurende de periode dat Werknemer (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is, althans Werknemer heeft geen aanspraak op de bonus indien Werknemer 75% of meer van het boekjaar (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geweest. Bij (partiële) arbeidsongeschiktheid van minder dan 75% gedurende het boekjaar ontvangt Werknemer een pro rato bonus. In geval de arbeidsovereenkomst voor het einde van het boekjaar eindigt, anders dan vanwege een dringende reden, ontvangt Werknemer een pro rato bonus.

4.3

De bonus wordt ieder jaar vastgesteld nadat de door de accountant goedgekeurde jaarrekening is vastgesteld en vervolgens in de maand daaropvolgend aan Werknemer uitgekeerd.

4.4

Deze bonusregeling vervangt alle bestaande bonus- en/of winstdelingsregelingen tot en met 31 december 2017 en heeft te gelden als enige regeling vanaf 1 januari 2018.”

3.3.

Op basis van deze bonusregeling zijn aan [eiser] de volgende bonusbedragen uitbetaald:

  • -

    2018: € 85.000,00 (op basis van een netto-omzet van 29,5 miljoen);

  • -

    2019: € 90.000,00 (op basis van een netto-omzet van € 26.397.000,00);

  • -

    2020: € 70.000,00 (op basis van een netto-omzet van € 22.738.231,00);

  • -

    2021 € 65.000,00 (omzetstaffel niet vastgesteld).

3.4.

[eiser] is op 25 februari 2022 op non-actief gesteld door [gedaagde] .

3.5.

De arbeidsovereenkomst tussen partijen is bij beschikking van 9 november 2022 (“de beschikking”) van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland West-Brabant met ingang van 15 november 2022 ontbonden op grond van ernstig verwijtbaar handelen van [eiser] . In de beschikking is daartoe onder andere overwogen:

“5.29. Vaststaat dat [eiser] onder werktijd een seksuele relatie heeft onderhouden met de vrouw van een ondergeschikte. Dit heeft vorm gekregen in meerdere malen tijdens werktijd fysiek afspreken en in de vorm van veelvuldig verzenden van appberichten. Het aantal berichten, dat is uitgewisseld in een periode van slechts 9 dagen respectievelijk 7 werkdagen, is buiten proportioneel en rechtvaardigt de aanname dat -indien het totale berichtenverkeer tussen [eiser] en [naam 1] over de gehele duur van de affaire al niet buitensporig is geweest- beduidend minder (effectieve) werktijd resteerde. Daarnaast heeft hij ongeoorloofde druk op [naam 2] uitgeoefend.

[eiser] heeft aldus in strijd met de Code of Ethics misbruik gemaakt van zijn positie en gebruik gemaakt van zijn zakelijke telefoon, niet alleen voor het uitwisselen van tekstberichten met een seksuele inhoud, maar ook voor het maken, verzenden, ontvangen en bekijken van foto’s en video’s met een seksuele inhoud. Die berichten heeft hij -zoals op 14 oktober 2021- ook bekeken en verzonden in het bijzijn van klanten/derden, waarmee [eiser] niet alleen het risico nam dat klanten/derden de berichten zouden kunnen zien, maar ook heeft laten zien, laten blijken met totaal andere dingen bezig te zijn dan het gesprek met de klant.

Dat [eiser] zaken goed gescheiden kan houden, zoals ter zitting betoogd, komt de kantonrechter niet geloofwaardig voor, gezien de inhoud van de (media)berichten die werden uitgewisseld. Dat dit betoog niet geloofwaardig is vindt ook steun in eigen appberichten van [eiser] . Zo schrijft hij op 12 oktober 2021 (15.45 uur) aan [naam 1] dat zij in zijn gedachten er doorheen komt als hij ‘in een verkoopgesprek zit’. Als [naam 1] antwoordt dat [eiser] bij haar voor een hoop afleiding zorgt, antwoordt [eiser] met ‘idem’. Ook staat, als gezegd, vast dat [eiser] zijn positie heeft misbruikt door oneigenlijke druk uit te oefenen op een zieke werknemer, die ook nog eens de echtgenoot van [naam 1] was.

(…)

5.31.

De kantonrechter acht het gedrag van [eiser] verwijtbaar. [eiser] heeft er blijk van gegeven het inzicht te missen dat zijn gedrag niet acceptabel is, door vol te houden dat het een privé aangelegenheid is, door aan te geven dat het appen tijdens een klantbezoek normaal is en door aan te geven dat hij buiten zijn affaire om voldoende uren heeft gewerkt voor zijn werkgever. Dit gebrek aan inzicht onderstreept naar het oordeel van de kantonrechter het standpunt van [gedaagde] , dat van haar niet gevergd kan worden het dienstverband met [eiser] in stand te laten. Een dergelijk gebrek aan inzicht maakt ook de kans van slagen van mediation of een andere interventie, zoals geopperd door [eiser] , op voorhand niet realistisch.

(…)

5.35.

De kantonrechter acht het handelen van [eiser] dermate verwijtbaar, dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Hierbij weegt voor de kantonrechter mee, dat van een werknemer met een dergelijk hoge positie als [eiser] verwacht mag worden dat hij het vertrouwen dat bij zijn positie hoort niet beschaamt, zijn inspanningen volledig richt op wat nodig is voor de groei van het bedrijf en het optimaal functioneren van zijn team en niets doet dat schade kan toebrengen aan de onderneming waarvan hij mede aan het hoofd staat. [eiser] heeft dat wel gedaan en geeft er, zoals geschetst in zijn houding en uitlatingen blijk van nog steeds niet ten volle te beseffen dat zijn handelen onacceptabel is. Ook dit gebrek aan inzicht weegt de kantonrechter mee. Dat de affaire met [naam 1] slechts een incident is op een jarenlange succesvolle carrière binnen [gedaagde] , zoals aangevoerd door [eiser] , bagatelliseert de affaire en het brengen daarvan binnen de uitvoering van zijn werkzaamheden ten onrechte. Een maandenlange affaire die in de vastgestelde omvang heeft plaatsgevonden onder werktijd en op de werkvloer kan geen incident worden genoemd.”

3.6.

[eiser] heeft in de ontbindingsprocedure als tegenverzoek betaling van de bonus over het jaar 2022 verzocht. De kantonrechter heeft in zijn beschikking ten aanzien van dit verzoek bepaald:

“5.51. Ter zitting is ook door [eiser] tot de constatering gekomen dat de vordering tot betaling van de bonus over het kalenderjaar 2022 nog niet opeisbaar is. De bonusaanspraak wordt aan het einde van het boekjaar bepaald en uitbetaald, meestal in februari. De vordering zal daarom worden afgewezen.

5.52.

[eiser] heeft de kantonrechter verzocht om in een overweging ten overvloede in te gaan op de discussie die partijen hebben gevoerd over de invloed van de langdurige afwezigheid van [eiser] wegens de non-actiefstelling op de verschuldigdheid van de bonus. [gedaagde] stelt dat de bonusregeling tussen partijen als voorwaarde voor de aanspraak stelt dat de werknemer minimaal 80% aanwezig is geweest. [eiser] betwist dit.

5.53.

De kantonrechter is van oordeel dat uit artikel 4 van de arbeidsovereenkomst volgt dat (langdurige) afwezigheid wegens non-actiefstelling geen invloed heeft op de (hoogte van de) bonusaanspraak. In lid 2 van voornoemd artikel wordt enkel ingegaan op afwezigheid als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Daar is geen sprake van. Het slot van lid 2 maakt duidelijk dat een werknemer aanspraak heeft op een pro rata bonus indien de arbeidsovereenkomst voor het einde van het boekjaar eindigt. De aanspraak op een bonus vervalt enkel in geval het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van een dringende reden. Een ontbinding op de e-grond kwalificeert niet als dringende reden. Dat geen targets zijn afgesproken voor het jaar 2022, en dat om die reden niet tot uitkering van de bonus hoeft te worden, zoals door [gedaagde] betoogd, volgt de kantonrechter niet. In lid 1 is bepaald dat de werkgever jaarlijks na overleg met werknemer een omzetstaffel vaststelt. Dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan voor het jaar 2022, komt niet voor rekening en risico van [eiser] .”

3.7.

Op 11 november 2022 heeft [eiser] van [gedaagde] een e-mail ontvangen over de afwikkeling van het dienstverband:

“Conform de uitspraak van de Rechtbank zal jouw arbeidsovereenkomst eindigen per 15-11-2022.

We zullen dit proces in gang zetten en de Salarisadministratie zal de eindafrekening opmaken, mede aan de hand van de beschikking van de Rechtbank. (…)”

3.8.

Op 2 februari 2023 heeft [eiser] [gedaagde] gemaild dat die maand de bonus over 2022 zou moeten worden uitbetaald. [eiser] heeft verzocht om toezending van de berekening van de bonus. [gedaagde] heeft per e-mail van 20 februari 2023 laten weten niet tot uitbetaling van de bonus over 2022 te zullen overgaan:

“(…) Zoals je weet heb je slechts tot 25 februari 2022 gewerkt en heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen aan jouw zijde. In verband met het voorgaande zijn wij dan ook van mening dat jij in alle redelijkheid en billijkheid geen aanspraak kan maken op de bonusregeling en dus geen recht hebt op een bonus over 2022. (…)”

3.9.

Bij e-mails van 24 februari 2023 en 1 maart 2023 aan [gedaagde] heeft [eiser] zijn aanspraak op betaling van de bonus over 2022 herhaald. In een reactie van 8 maart 2023 van de advocaat van [gedaagde] wordt aangegeven dat [gedaagde] van mening is dat betaling van de bonus naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [gedaagde] heeft over het jaar 2022 geen bonus uitbetaald aan [eiser] .

3.10.

[eiser] heeft [gedaagde] op 14 maart 2023 verzocht om toezending van de goedgekeurde jaarrekening over 2022, zodat de bonusvordering kon worden geconcretiseerd. Op deze e-mail is geen reactie gekomen.

4 De vorderingen

4.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding een incidentele vordering tot afgifte van stukken ingesteld (op grond van artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, “Rv”). Naar aanleiding van de door [gedaagde] bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte stukken heeft [eiser] deze incidentele vordering tijdens de zitting ingetrokken. [gedaagde] heeft tijdens de zitting bevestigd dat de kantonrechter niet hoeft te beslissen op de incidentele vordering. De incidentele vordering ligt daarom niet meer ter beoordeling door de kantonrechter voor, zodat enkel beslist hoeft te worden op de in de oorspronkelijke hoofdzaak door [eiser] ingestelde vorderingen.

4.2.

[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van de pro rato bonus over het jaar 2022 voor de periode 1 januari 2022 tot en met 15 november 2022, te berekenen conform de berekenwijze van de voorgaande jaren op basis van de omzet zoals die blijkt uit de cijfers over 2022, onder overlegging van een transparante en expliciete berekening, althans de bonus vast te stellen op € 90.000 bruto, € 75.000 bruto of een ander bedrag;

subsidiair:

II. voor recht verklaart dat [gedaagde] verplicht is artikel 4 van de laatste arbeidsovereenkomst tussen partijen na te leven, binnen 14 dagen na het vonnis;

in alle gevallen:

III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de wettelijke verhoging over de te laat betaalde bonus over 2022, te berekenen vanaf 1 juni 2023, althans een door de rechtbank te bepalen moment, tot de dag van volledige betaling;

IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over de te laat betaalde bonus over 2022, te berekenen vanaf 1 juni 2023, althans een door de rechtbank te bepalen moment, tot de dag van volledige betaling;

V. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure: primair de volledige proceskosten van € 7.769,38 plus € 3.772,18, subsidiair vast te stellen op basis van het liquidatietarief, en in alle gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag van het vonnis, indien niet tijdig wordt betaald;

VI. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na het vonnis indien niet tijdig wordt betaald.

4.3.

De kantonrechter gaat hierna bij de beoordeling in op de relevante stellingen die partijen ter onderbouwing van de vorderingen en het verweer daartegen naar voren hebben gebracht.

5 De beoordeling

Eiswijziging niet toegestaan

5.1.

[eiser] heeft tijdens de zitting een eiswijziging geformuleerd. De wijziging houdt in dat de datum waarop [gedaagde] in verzuim is met betaling van de bonus niet 1 juni 2023 is, maar 1 mei 2023. [eiser] wil de wettelijke verhoging en wettelijke rente over de bonus vanaf 1 mei 2023 vorderen. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging, op de grond dat dit te laat is ingediend. De kantonrechter heeft tijdens de zitting aangegeven dat op dit punt bij vonnis zou worden beslist.

5.2.

Artikel 130 Rv bepaalt dat de eiser bevoegd is zijn eis schriftelijk te veranderen of vermeerderen zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. De gedaagde is bevoegd daartegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Artikel 4.4 van het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton bepaalt dat een partij die bij gelegenheid van de zitting nog een proceshandeling wenst te verrichten, ervoor zorgt dat de rechtbank en de wederpartij daar uiterlijk 10 dagen voor de dag van de zitting een afschrift van hebben ontvangen.

5.3.

[eiser] heeft toegelicht dat zijn eiswijziging voortkomt uit stellingen van [gedaagde] zoals opgenomen in de conclusie van antwoord. De conclusie van antwoord is ingediend op 23 augustus 2023. De eiswijziging is niet voorafgaand aan de zitting door [eiser] aangekondigd. De eiswijziging is enkel omschreven in de pleitnota van de advocaat van [eiser] , en wel op de laatste pagina. Op het voorblad van de pleitnota staat niet vermeld dat daarin een eiswijziging is opgenomen. De kantonrechter is van oordeel dat de eiswijziging gelet op het tijdstip en de wijze van indiening in strijd is met de eisen van de goede procesorde en daarom buiten beschouwing blijft, omdat deze niet voorafgaand aan de zitting aan de gedaagde partij is aangekondigd, terwijl dit na ontvangst van de conclusie van antwoord nog wel zeer goed mogelijk was. De kantonrechter zal hierna enkel de vorderingen zoals die bij dagvaarding zijn ingesteld beoordelen (zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.2).

5.4.

Centraal in die beoordeling staat de vraag of [eiser] over het jaar 2022 aanspraak kan maken op een bonus. Partijen zijn het in de eerste plaats niet eens over de uitleg die aan de bonusregeling moet worden gegeven. Als die uitleg in beginsel tot een bonusaanspraak van [eiser] leidt, dan moet volgens [gedaagde] een tweede discussie gevoerd worden, namelijk of het geldend maken van die aanspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Uitleg van de bonusregeling

5.5.

In de bonusregeling is bepaald dat [eiser] recht heeft op een bonus bij het behalen van omzettargets. Volgens de bonusregeling stelt werkgever jaarlijks na overleg met werknemer een omzetstaffel vast. [eiser] heeft volgens de tekst van de bonusregeling geen aanspraak op een bonus indien hij 75% of meer van het boekjaar (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geweest, en in geval van einde van de arbeidsovereenkomst vanwege een dringende reden. De bonus wordt pro rato vastgesteld in geval van (partiële) arbeidsongeschiktheid van minder dan 75% van het boekjaar en ingeval de arbeidsovereenkomst voor het einde van het boekjaar eindigt (anders dan vanwege een dringende reden).

5.6.

[eiser] voert aan dat uit deze tekst blijkt dat de bonusregeling geen uitzondering kent bij non-actiefstelling of ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstige verwijtbaarheid. Alleen arbeidsongeschiktheid of ontslag wegens een dringende reden kunnen leiden tot verlies van (een deel van) de aanspraak op de bonus. [eiser] verwijst naar rechtsoverweging 5.51 tot en met 5.53 van de beschikking, waarbij [eiser] zich op het standpunt stelt dat aan deze overwegingen ‘ten overvloede’ geen gezag van gewijsde toekomt.

5.7.

Volgens [gedaagde] moet in de bonusregeling ook worden gelezen dat er geen aanspraak op een bonus bestaat indien de arbeidsovereenkomst eindigt vanwege ernstig verwijt handelen van de werknemer. De arbeidsovereenkomst van [eiser] is weliswaar niet geëindigd vanwege een dringende reden, maar een gedraging die als ernstig verwijtbaar wordt aangemerkt, moet ook worden aangemerkt als een dringende reden.

5.8.

De kantonrechter constateert dat [eiser] geen beroep doet op gezag van gewijsde van de overwegingen over de bonus in de beschikking, zodat de kantonrechter niet toekomt aan toetsing van dit leerstuk en zijn eigen oordeel zal geven over de uitleg van de bonusregeling. De daarbij te hanteren maatstaf volgt uit het bekende Haviltex-arrest van de Hoge Raad. Deze maatstaf houdt in dat de kantonrechter moet kijken naar hoe beide partijen de bepaling mochten begrijpen. Ook is van belang wat partijen in redelijkheid van elkaar mochten verwachten. Niet alleen de letterlijke tekst is relevant, maar ook de andere omstandigheden.

5.9.

De kantonrechter is het met [eiser] eens dat in de bonusregeling zelf geen andere uitzonderingen zijn geformuleerd voor de aanspraak op een bonus dan arbeidsongeschiktheid en een einde van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden. In deze zaak staat vast dat [eiser] in 2022 grotendeels afwezig was vanwege de non-actiefstelling door [gedaagde] en niet vanwege arbeidsongeschiktheid. Ook staat vast dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] is ontbonden vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen van [eiser] , en niet is geëindigd wegens een ontslag op grond van dringende reden (ontslag op staande voet).

5.10.

Het begrip ‘ernstig verwijtbaar handelen’ is in het ontslagrecht geïntroduceerd met de invoering van de Wet werk en zekerheid (“WWZ”). De wetgever heeft de begrippen ‘dringende reden’ en ‘(ernstig) verwijtbaar handelen’ nadrukkelijk van elkaar onderscheiden. Deze begrippen komen ook in afzonderlijke wetsartikelen terug (de dringende reden bijvoorbeeld in artikel 7:677 BW, de ernstige verwijtbaarheid in artikel 7:673 lid 7 sub c BW en verwijtbaar handelen in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder e BW) en kennen ieder hun eigen juridische beoordeling en gevolgen. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat de bonusregeling is opgesteld door [gedaagde] . Niet gesteld of gebleken is dat over de inhoud van de bonusregeling is onderhandeld. Indien [gedaagde] wilde overeenkomen dat de bonus niet alleen niet verschuldigd zou zijn in geval van een einde van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden, maar ook niet in geval van een einde wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, dan had zij dit expliciet moeten opnemen in de bonusregeling. [gedaagde] heeft op de zitting aangevoerd dat zij als werkgever niet had kunnen voorzien dat haar directeur zou worden ontslagen vanwege ernstig verwijtbaar handelen. De bonusregeling is echter jaren na invoering van de WWZ opgesteld, zodat [gedaagde] wist of in ieder geval had moeten weten dat er een juridisch verschil bestaat tussen een dringende reden en (ernstig) verwijtbaar handelen. Het betreft dan ook wel degelijk een situatie die zij had kunnen voorzien en had kunnen regelen. Waar in de letterlijke tekst enkel de dringende reden is vermeld, kan de betekenis daarvan nu niet worden opgerekt naar ‘dringende reden en ernstig verwijtbaar handelen’. Dat staat er niet, en zo had [eiser] het ook niet hoeven begrijpen.

5.11.

Dit betekent dat [eiser] op grond van de overeengekomen bonusregeling aanspraak heeft op een bonus over 2022, nu hij voldoet aan de gestelde voorwaarden. Dit is slechts anders indien het beroep van [gedaagde] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt.

Beroep op bonusregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar

5.12.

[gedaagde] onderbouwt haar beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (de kantonrechter leest hierin een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW) samengevat met de volgende redenen:

  1. [eiser] heeft de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geheel aan zichzelf te wijten. Zoals blijkt uit de beschikking heeft hij zich dermate ernstig gedragen dat hem geen enkele vergoeding of bescherming dient toe te komen, zodat het niet zo kan zijn dat hij wel recht zou moeten hebben op een bonus,

  2. de hoogte van de bonus doet geen recht aan het feit dat [eiser] in 2022 slechts 35 dagen heeft gewerkt. Dat [eiser] niet meer heeft gewerkt en niet heeft bijgedragen aan de bedrijfsresultaten in 2022 is volledig aan hemzelf te wijten,

  3. deze gewerkte dagen kunnen ook nog in twijfel worden getrokken, aangezien hij zoals ook uit de beschikking blijkt met hele andere dingen bezig was onder werktijd en

  4. e mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek is verplaatst vanwege ziekte van de rechter, anders zou de arbeidsovereenkomst al eerder zijn geëindigd (en dan zou de eventuele bonusaanspraak over een korte periode berekend worden).

5.13.

Volgens [eiser] kan een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slechts in uitzonderlijke situaties worden gehonoreerd. Een dergelijke uitzonderlijke situatie doet zich niet voor. De non-actiefstelling is voor rekening en risico van [gedaagde] . [eiser] heeft meerdere keren aangegeven te willen werken, maar hij is niet toegelaten tot zijn werk. Wel heeft [eiser] in totaal gedurende ongeveer 15 dagen na zijn non-actiefstelling nog werkzaamheden verricht voor [gedaagde] . Bovendien gaat het hier om een bonusregeling gebaseerd op het bedrijfsresultaat in plaats van op een individueel resultaat. Het volgens de rechtbank verwijtbaar handelen van [eiser] heeft al geleid tot de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst vanwege ernstig verwijtbaar handelen met alle consequenties van dien zoals het ontzeggen van enige vergoeding. Hij hoeft niet dubbel gestraft te worden door hem ook nog eens de bonus te ontzeggen. Tot slot geldt dat een werkgever niet achteraf de invulling van voorwaarden kan veranderen met een beroep op de redelijkheid en billijkheid. [gedaagde] had andere contractuele afspraken kunnen overeenkomen met [eiser] , maar heeft dit nagelaten, aldus [eiser] .

5.14.

De kantonrechter stelt voorop dat bij de beoordeling of de toepassing van een overeengekomen regel in een bepaald geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, terughoudend moet worden getoetst. Deze terughoudende toetsing leidt in deze zaak tot het oordeel dat toekenning van de bonus naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Zoals hiervoor al overwogen, heeft [gedaagde] de bonusregeling zelf opgesteld. Zij had daarbij de contractuele vrijheid om andere voorwaarden met [eiser] overeen te komen dan zij heeft gedaan. Partijen hebben afspraken gemaakt over een bonusregeling waarin enkel het bedrijfsresultaat centraal staat (en niet de individuele prestaties van [eiser] ), en waarbij enkel arbeidsongeschiktheid en een dringende reden kunnen leiden tot het verlies van (een deel van) de bonus. [gedaagde] had ook een regeling kunnen treffen voor langdurige afwezigheid vanwege een andere reden dan arbeidsongeschiktheid en voor andere ontslaggronden. Dat zij dit niet heeft gedaan, kan er nu niet toe leiden dat een beroep op de overeengekomen bonusregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Het feit dat de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek vanwege ziekte van de kantonrechter is uitgesteld, maakt dat niet anders. Uitstel van een zitting, ook als dat op initiatief van de rechtbank gebeurt, behoort tot de risico’s van procederen.

Hoogte van de bonus

5.15.

[eiser] heeft als productie 19 een berekening van de bonus over 2022 ingebracht. [eiser] komt tot een totale bonus van € 85.000,00 bruto, hetgeen in zijn geval vanwege het voortijdig einde van de arbeidsovereenkomst met ingang van 15 november 2022 leidt tot een pro rato bonusaanspraak van € 74.288,00 bruto. [gedaagde] heeft op de zitting erkend dat de berekening van de bonus over de periode van 1 januari 2022 tot 15 november 2022 tot een bonusbedrag van € 74.288,00 bruto leidt. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

5.16.

[eiser] vordert de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW) over het bedrag van de bonus. Volgens hem is er sprake van betalingsonwil aan de kant van de werkgever. Voor matiging van de wettelijke verhoging is volgens [eiser] geen plaats, nu de verhoging niet onbillijk is en de matigingsbevoegdheid terughoudend moet worden toegepast.

5.17.

[gedaagde] verzoekt de kantonrechter de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. De wettelijke verhoging is een prikkel voor de werkgever om het loon tijdig uit te betalen. De vordering ziet niet op het reguliere loon maar op de bonus, waar [eiser] voor zijn levensonderhoud niet op aangewezen is. Het niet betalen van de bonus is bovendien gebaseerd op een principieel verschil van mening tussen partijen over de verschuldigdheid van de bonus.

5.18.

De kantonrechter ziet gelet op de omstandigheden van het geval aanleiding om tot matiging van de wettelijke verhoging over te gaan. Het gaat hier niet om uitkering van het reguliere (maandelijks uit te betalen) loon, maar om een fors bonusbedrag dat in één keer wordt uitbetaald. Ook acht de kantonrechter relevant dat de wettelijke rente over de bonus (hierna) zal worden toegewezen. Matiging tot nihil gaat echter te ver, nu [gedaagde] de gehele bonus wel te laat heeft betaald en zij op basis van de beschikking had kunnen inschatten dat zij zou moeten betalen. De kantonrechter komt in redelijkheid tot een percentage aan wettelijke verhoging van 10%, zijnde € 7.428,80 bruto.

5.19.

De gevorderde wettelijke rente over het bonusbedrag van € 74.288,00 bruto is toewijsbaar vanaf 1 juni 2023 tot de dag van volledige betaling. [eiser] voert in de dagvaarding aan dat de bonus altijd uiterlijk in de maand mei is uitbetaald. [gedaagde] stelt in haar conclusie van antwoord dat de bonus in april werd uitbetaald. Zoals overwogen, staat de kantonrechter de door [eiser] in dit kader ingestelde eiswijziging niet toe, zodat de wettelijke rente toewijsbaar is vanaf de gevorderde datum van 1 juni 2023.

Buitengerechtelijke incassokosten

5.20.

[eiser] maakt aanspraak op een bedrag van € 800,00 ter zake de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. [eiser] heeft niet gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering wordt afgewezen.

Proceskosten

5.21.

[eiser] vordert primair een werkelijke proceskostenvergoeding. [eiser] beroept zich op het arrest Duka/Achmea van de Hoge Raad. [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld door het aan te laten komen op een procedure, terwijl zij op basis van de beschikking al wist dat de bonus verschuldigd was. Partijen hebben de kantonrechter volgens [eiser] gezamenlijk gevraagd om zich in een overweging ten overvloede uit te laten over de bonus, om een vervolgprocedure te kunnen voorkomen. Hier heeft de kantonrechter gehoor aan gegeven, maar door de weigering van [gedaagde] om zich te houden aan dit oordeel ten overvloede is een procedure alsnog onvermijdelijk geworden. Dit onrechtmatig handelen heeft tot schade geleid in de vorm van juridische kosten.

5.22.

Volgens [gedaagde] had [eiser] zich moeten realiseren dat de bonus over 2022 niet betaald zou worden, vanwege de onaanvaardbaarheid op grond van redelijkheid en billijkheid. [gedaagde] heeft dat meerdere malen kenbaar gemaakt aan [eiser] . Het niet betalen van de bonus is gebaseerd op een principieel verschil van mening tussen partijen, waardoor het noodzakelijk is geworden om het geschil aan de rechter voor te leggen. Het was [eiser] die het verzoek aan de kantonrechter deed om in een overweging ten overvloede in te gaan op de bonus, het was geen gezamenlijk verzoek. Partijen hebben niet afgesproken een overweging ten overvloede te vragen, aldus [gedaagde] .

5.23.

De kantonrechter overweegt als volgt. De door [eiser] gestelde gezamenlijke afspraak om de kantonrechter die heeft geoordeeld over het ontbindingsverzoek te verzoeken in een overweging ten overvloede in te gaan op de aanspraak op de bonus, volgt niet uit de zittingsaantekeningen of de beschikking zelf. Zowel in de zittingsaantekeningen als in de beschikking (in rechtsoverweging 5.52) is vermeld dat het verzoek afkomstig was van [eiser] . [gedaagde] kon op basis van de beschikking weten dat de standpunten ten aanzien van uitleg van de bonusregeling het in een nieuwe procedure niet zouden halen, maar [gedaagde] heeft met haar beroep op de onaanvaardbaarheidstoets geen juridisch onpleitbaar standpunt ingenomen. De kantonrechter haalt de drempel om te komen tot toewijzing van een werkelijke proceskostenveroordeling dan ook niet; onrechtmatig handelen of misbruik van procesrecht door [gedaagde] kan niet worden vastgesteld.

5.24.

Dit betekent dat de vordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten wordt afgewezen. [eiser] heeft als de grotendeels in het gelijk gestelde partij wel aanspraak op vergoeding van proceskosten gebaseerd op het liquidatietarief, zoals subsidiair door hem gevorderd. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van in totaal € 2.015,42, bestaande uit € 132,42 aan dagvaardingskosten, € 693,00 aan griffierecht, € 1.058,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 529,00) en € 132,00 aan nakosten.

5.25.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar zoals hierna bij De beslissing vermeld.

6 De beslissing

De kantonrechter

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 74.288,00 bruto aan bonus over het jaar 2022, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 juni 2023 tot de dag van volledige betaling,

6.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.428,80 bruto aan wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW,

6.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.015,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,

6.4.

veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,

6.5.

verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 27 december 2023.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.