Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBZWB:2023:7105

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
11-10-2023
18-10-2023
10381428 CV EXPL 23-745 (E)
Verbintenissenrecht
Bodemzaak

BUMA \ SENA muzieklicentie

Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Locatie: Tilburg

zaak/rolnr.: 10381428 CV EXPL 23-745

Vonnis van 11 oktober 2023

in de zaak van

1 de vereniging VERENIGING BUMA

gevestigd te Amstelveen en kantoorhoudende te Hoofddorp,

2. de stichting STICHTING TER EXPLOITATIE VAN NABURIGE RECHTEN (SENA).

gevestigd en kantoorhoudende te Hilversum,

eiseressen,

gemachtigde: Gerechtsdeurwaarders De Best & Partners te Hoofddorp,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

vertegenwoordigd door haar gemachtigde de heer [gemachtigde].

Eiseressen zullen hierna ieder afzonderlijk worden aangeduid als Buma respectievelijk Sena en gedaagde zal hierna [gedaagde] worden genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

– het vonnis van 24 mei 2023 en alle daarin genoemde stukken;

– de conclusie van repliek, met producties 10 tot en met 17;

– de brief van 23 augustus 2023 van de griffie van de rechtbank aan [gedaagde] waaruit volgt dat zij heeft afgezien van het indienen van een conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Buma en Sena vorderen om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen:

1. om aan Buma te betalen een bedrag van € 1.839,87 althans een in goede justitie te

bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, te berekenen vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

2. om aan Sena te betalen een bedrag van € 2.326,02, althans een in goede justitie te

bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, te berekenen vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

3. om aan Buma en Sena te betalen als vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 425,68;

4. om aan Buma en Sena te betalen de verschenen wettelijke rente tot 23 februari 2023 ten bedrage van € 278,00;

5. op de bedragen onder punt 2 en 3 in mindering te laten strekken een bedrag van in totaal € 1.159,11;

6. tot vergoeding van de proceskosten over een bedrag van € 3.710,46.

2.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Buma en Sena in de proceskosten, en met het verzoek om Buma en Sena te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 52,90 aan reiskosten alsmede tot terugbetaling van een teveel betaald bedrag van € 355,96.

3 Het geschil

3.1.

In rechte staan de volgende feiten vast.

a. Buma heeft als enige organisatie in Nederland van de Minister van Justitie de toestemming verkregen als bedoeld in artikel 30a van de Auteurswet (Aw) tot het als bedrijf, zonder winstoogmerk, bemiddelen inzake muziek-auteursrecht.

Buma behartigt de belangen van de hij haar aangesloten componisten, tekstdichters, en muziekuitgevers met betrekking tot de uitvoering (openbaarmaking) van hun muziekwerken. Daartoe dragen de bij Buma aangesloten componisten en tekstdichters de muziekuitvoeringsrechten op al hun bestaande en toekomstige auteursrechtelijk beschermde muziekwerken over aan Buma. Buma oefent derhalve op eigen naam deze muziekauteursrechten uit. Via een stelsel van wederkerigheidscontracten met buitenlandse zusterorganisaties, die soortgelijke overeenkomsten afsluiten, beheert Buma vrijwel het gehele auteursrechtelijk beschermde muziekrepertoire (het Buma-repertoire).

b. Sena is krachtens artikel 15 lid 1 van de Wet op de naburige rechten (WNR) door de Minister van Justitie aangewezen als rechtspersoon die exclusief belast is met de inning en de verdeling van de in artikel 7 WNR bedoelde billijke vergoedingen.

c. Krachtens artikel 7 lid 1 WNR kan een voor commerciële doeleinden uitgebracht

fonogram of een reproductie daarvan zonder toestemming van de producent van de muziek en de uitvoerende kunstenaar of hun rechtverkrijgenden worden uitgezonden of op een andere wijze openbaar worden gemaakt, mits daarvoor een billijke vergoeding wordt betaald.

d. Buma en Sena sluiten licentiecontracten af met de openbaarmakers van muziek

(werken), zulks tegen betaling van een vergoeding die volgens vastgestelde formules wordt berekend.

e. Sena heeft ten aanzien van de hoogte van de billijke vergoedingen overeenstemming bereikt met branche- en belangenorganisaties van diegenen die muziek openbaar maken zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 WNR en 12 Aw.

f. [gedaagde] is een onderneming die per 26 januari 2018 een horecagelegenheid (brasserie) exploiteert aan de [adres].

g. Deze horecagelegenheid is op 23 mei 2019 bezocht door een relatiemanager van Buma en Sena. Deze relatiemanager heeft geconstateerd dat in de horecagelegenheid in het openbaar muziekwerken ten gehore werden gebracht die behoren tot het Buma-repertoire.

h. Bij brief van de gerechtsdeurwaarder van 24 oktober 2019 is aan [gedaagde]

bericht dat zij muziek openbaar maakt in de onderneming zonder dat daartoe de benodigde licenties zijn afgesloten en dat - wegens het uitblijven van een verdere reactie en betaling - bij de rechtbank een kort geding aanhangig zal worden gemaakt.

i. Bij vonnis in kort geding d.d. 9 december 2019 (met zaak-/ rolnummer C/02/364810 KG ZA 19-642) is aan [gedaagde] – samengevat – een verbod opgelegd om in de onderneming muziekwerken behorende tot het Buma- en Sena-repertoire openbaar ten gehore te brengen voor zover [gedaagde] daartoe geen licentie van Buma en Sena heeft verkregen, zulks op straffe van een dwangsom.

j. Voornoemd vonnis is op 24 december 2019 aan [gedaagde] betekend.

k. De incassogematigde van Buma en Sena, zijnde Best & Partners Gerechtsdeurwaarders (hierna: DBP), hebben op 14 september 2020 en op 17 september 2020 overtredingen geconstateerd van [gedaagde] op het verbod dat haar bij voornoemd vonnis in kort geding is opgelegd.

l. DBP heeft vervolgens namens Buma en Sena de dwangsommen opgeëist zoals vermeld in het vonnis in kort geding.

m. [gedaagde] is niet tot betaling van de dwangsommen overgegaan.

n. DBP heeft op 16 september 2021 een bankbeslag gelegd op de rekening van [gedaagde] voor de proceskosten en executiekosten ad € 2.012,12 op grond van het kort geding vonnis. Dit beslag heeft doel getroffen voor een bedrag van € 1.957,58, welk bedrag op 7 oktober 2021 is ontvangen door DBP.

o. Vervolgens hebben Buma en Sena in november 2011 facturen opgemaakt en aan [gedaagde] verzonden betreffende de jaren 2019, 2020 en 2021 van in totaal € 4.165,89. Dit bedrag staat gelijk aan de licentievergoeding die verschuldigd is bij het sluiten van een licentieovereenkomst met Buma en Sena over voornoemde jaren, minus de creditfacturen van in totaal € 1.159,11 zijnde de compensatie voor de door de overheid verplicht gesloten periodes in 2020 en 2021 vanwege de vastgestelde coronamaatregelen.

p. [gedaagde] heeft op 11 augustus 2022 via de websites van Buma en Sena muzieklicenties aangevraagd met ingang van 1 januari 2022 en het gefactureerde licentiebedrag over het jaar 2022 aan Buma en Sena voldaan.

3.2.

Buma en Sena leggen aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op hun auteursrechten en naburige rechten door in de jaren 2019, 2020 en 2021 zonder hun toestemming muziekwerken openbaar te maken. Buma en Sena stellen dat [gedaagde] daardoor toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en uit dien hoofde schadeplichtig jegens hen is geworden. Buma en Sena fixeren de schade op het bedrag dat [gedaagde] aan hen verschuldigd zou zijn geweest indien wel een licentieovereenkomst met Buma tot stand zou zijn gekomen en [gedaagde] wel de verschuldigde billijke vergoeding aan Sena had voldaan, berekend volgens de daarvoor gehanteerde standaard-formule. In het geval van Buma zou [gedaagde] over de jaren 2019, 2020 en 2021 een licentievergoeding

verschuldigd zijn gewest van in totaal € 1.839,87. In het geval van Sena zou [gedaagde] over voornoemde jaren een vergoeding verschuldigd zijn geweest van in totaal € 2.326,02. Op beide voornoemde bedragen strekt in mindering een bedrag van in totaal € 1.159,11 als compensatie voor de door de overheid verplicht gesloten periodes in 2020 en 2021 vanwege de vastgestelde coronamaatregelen, aldus Buma en Sena. Buma en Sena vorderen verder vergoeding van de reeds verschenen wettelijke rente tot 23 februari 2023 ten bedrage van € 278,00. Ten slotte maken Buma en Sena nog aanspraak op vergoeding van de door hen gemaakte buitengerechtelijke incassokosten van € 425,68.

3.3.

[gedaagde] voert aan dat door middel van het gelegde bankbeslag een bedrag van € 1.957,58 is betaald op 7 oktober 2021. Zij meent dat zij middels deze betaling de licentievergoeding voor de jaren 2020 en 2021 heeft voldaan. Dit is in de visie van [gedaagde] meer dan het bedrag van € 1.601,21 dat zij volgens de brief van DBP d.d. 20 december 2021 had moeten voldoen. Bij voldoening daarvan zou ook de licentievergoeding over het jaar 2019 en de dwangsommen komen te vervallen, aldus [gedaagde]. [gedaagde] is dan ook van mening dat zij € 355,96 te veel heeft betaald en dat Buma en Sena gehouden zijn tot terugbetaling van dit bedrag. Verder is volgens [gedaagde] geen sprake van het openbaar maken van muziek omdat op de gestelde tijdstippen geen klanten in de brasserie waren, maar slechts 3 werkzame personen aldaar. [gedaagde] wijst er tevens op dat niet alle stukken waarop Buma en Sena zich beroepen door hen zijn overgelegd, althans van een (juiste) datering zijn voorzien. Ten slotte wenst [gedaagde] een vergoeding van haar reiskosten ten bedrage van € 52,90.

3.4.

De kantonrechter overweegt als volgt. Als onvoldoende betwist staat vast dat [gedaagde] in de jaren 2019, 2020 en 2021 geen licentieovereenkomst heeft gesloten met Buma en Sena. Verder staat als onvoldoende weersproken vast dat de relatiemanager van Buma en Sena op 23 mei 2019 bij [gedaagde] het openbaar maken van muziek heeft geconstateerd zonder dat [gedaagde] over de daartoe benodigde muzieklicenties beschikte. Van dit bezoek is een rapport opgesteld dat is overgelegd als productie 2a bij dagvaarding. De stelling van [gedaagde] – dat van dit bezoek geen stukken zijn overgelegd – is dan ook onjuist. Verder geldt dat [gedaagde] ook in de kort geding procedure niet heeft weersproken dat op 23 mei 2019 in haar brasserie in het openbaar muziekwerken ten gehore werden gebracht die behoorden tot het Buma-repertoire (zie r.o. 3.4.van het vonnis in kort geding van 9 december 2019). [gedaagde] heeft ook niet (gemotiveerd) betwist dat DPB op 14 september 2020 en 17 september 2020 wederom het openbaar maken van muziek heeft geconstateerd zonder dat [gedaagde] over de daartoe benodigde muzieklicenties beschikte. De processen-verbaal van constatering en bijbehorende bewijzen zijn overgelegd bij dagvaarding als producties 3a tot en met 3f. Dat op het stuk van Sena (productie 3b bij dagvaarding) een onjuiste datum stond vermeld (2017 in plaats van 2020) aangaande haar rechten met betrekking tot het nummer “Stil in mij” van Van Dik Hout, neemt niet weg dat [gedaagde] dit nummer ten gehore heeft gebracht zonder over de daartoe benodigde licentie te beschikken. Dat is door [gedaagde] ook niet als zodanig betwist. [gedaagde] heeft

evenmin weersproken dat op respectievelijk 17 en 19 september 2021 wederom het openbaar maken van muziek is geconstateerd zonder dat [gedaagde] over de daartoe benodigde muzieklicenties beschikte (productie 3d tot en met 3f bij dagvaarding en productie 5 bij conclusie van antwoord).

3.5.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie, dat in alle drie de jaren (2019, 2020 en 2021) het openbaar maken van muziek is geconstateerd zonder dat [gedaagde] over de daartoe benodigde muzieklicenties beschikte. Het verweer van [gedaagde] – dat geen sprake van het openbaar maken van muziek omdat op de gestelde tijdstippen geen klanten in de brasserie waren, maar slechts 3 werkzame personen aldaar – treft geen doel. [gedaagde] was op de gestelde data – zo staat onweersproken vast – voor het publiek toegankelijk, zodat de muziek hoorbaar was, ongeacht of er op dat moment klanten/publiek waren in de brasserie of niet. Uit productie 11 bij conclusie van repliek – waarvan de juistheid van de inhoud door [gedaagde] niet is betwist – volgt dat er een muzieklicentie nodig is als de muziek hoorbaar is voor klanten en/of publiek en als er meer dan twee medewerkers in dienst zijn die naar de muziek luisteren. Uit de eigen stellingen van [gedaagde] blijkt dat (ook) de tweede situatie zich heeft voorgedaan, nu zij zelf stelt dat er destijds 3 medewerkers in de brasserie werkzaam waren op de betreffende dagen.

3.6.

Gezien het vorenstaande, heeft [gedaagde] inbreuk gemaakt op de auteursrechten en naburige rechten van Buma en Sena door in de jaren 2019, 2020 en 2021 zonder hun toestemming en zonder licentie muziekwerken openbaar te maken. Hierdoor heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld jegens Buma en Sena en is [gedaagde] uit dien hoofde schadeplichtig jegens hen geworden.

3.7.

Buma en Sena hebben hun schade gefixeerd op het bedrag dat [gedaagde] aan hen verschuldigd zou zijn geweest, indien in de jaren 2019, 2020 en 2021 wel een licentieovereenkomst met Buma tot stand zou zijn gekomen en [gedaagde] wel de verschuldigde billijke vergoeding aan Sena had voldaan, berekend volgens de daarvoor gehanteerde standaard-formule. Het vorenstaande is door [gedaagde] niet weersproken, noch heeft zij betwist dat zij in het geval van Buma over de jaren 2019, 2020 en 2021 een licentievergoeding verschuldigd zou zijn geweest van in totaal € 1.839,87 en in het geval van Sena over voornoemde jaren een vergoeding verschuldigd zou zijn geweest van in totaal € 2.326,02. Op beide voornoemde bedragen strekt in mindering een bedrag van in totaal € 1.159,11 als compensatie voor de door de overheid verplicht gesloten periodes in 2020 en 2021 vanwege de vastgestelde coronamaatregelen, aldus Buma en Sena.

Uit de producties 5a tot en met 5c bij dagvaarding volgt dat het in het geval van Buma gaat om de volgende bedragen die op haar deel van de vordering in mindering strekken: € 129,82 + € 129,82 + € 259,28 = € 518,92. Uit voornoemde producties geldt dat voor Sena het gaat om de volgende bedragen: € 160,14 +
€ 160,14 + € 319,88 = € 640,16. Beide bedragen van € 518,92 + € 640,16 resulteren (afgerond) in voornoemd bedrag van in totaal € 1.159,11.

Indien het bedrag van € 518,92 wordt afgetrokken van het bedrag van € 1.839,87 dat Buma vordert, leidt dit tot een resterend bedrag van € 1.320,95. Indien het bedrag van € 640,16 wordt afgetrokken van het bedrag van € 2.326,02 dat Sena

vordert, leidt dit tot een resterend bedrag van € 1.685,86. [gedaagde] is in beginsel gehouden om voornoemde resterende bedragen aan Buma en Sena te voldoen.

3.8.

[gedaagde] meent dat zij de verschuldigde bedragen reeds heeft voldaan. Zij voert daartoe aan dat door middel van het gelegde bankbeslag een bedrag van
€ 1.957,58 is betaald op 7 oktober 2021 en dat zij middels deze betaling de licentievergoeding voor de jaren 2020 en 2021 heeft voldaan. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in dit betoog. Het bankbeslag dat door DBP is gelegd ziet op de proces- en executiekosten die verband houden met het vonnis in kort geding van 9 december 2019 van in totaal € 2.012,12 (productie 12 bij conclusie van repliek), welk beslag doel heeft getroffen voor een bedrag van
€ 1.957,58. Dat bedrag is op 7 oktober 2021 door DBP ontvangen en ziet dus niet op de thans gevorderde schadevergoeding over de jaren 2019, 2020 en 2021, maar op de proces- en executiekosten uit voornoemde kort geding procedure. Van een teveel betaald bedrag van € 355,96 is - anders dan [gedaagde] meent - dan ook geen sprake.

[gedaagde] geeft verder aan, dat zij volgens de brief van DBP d.d. 20 december 2021 een bedrag van € 1.601,21 had moeten voldoen voor de licentiejaren 2020 en 2021 en dat bij voldoening daarvan ook de licentievergoeding over het jaar 2019 en de dwangsommen zouden komen te vervallen. [gedaagde] heeft echter niet gesteld, noch is gebleken, dat zij op dit betalingsvoorstel van DBP is ingegaan en voornoemd bedrag van € 1.601,12 heeft voldaan. Dat bedrag is niet voldaan via het bankbeslag (nu dat ziet op de proces- en executiekosten uit voornoemde kort geding procedure) terwijl [gedaagde] ook niet heeft gesteld dat dit bedrag op andere wijze door haar is betaald. Zij heeft ook geen betalingsbewijzen overgelegd waaruit volgt dat dit bedrag is voldaan. Door niet (tijdig) te voldoen aan het betalingsvoorstel zoals neergelegd in de brief van DBP d.d. 20 december 2021, is dat betalingsvoorstel komen te vervallen, zoals Buma en Sena ook onweersproken hebben gesteld in de conclusie van repliek. De openstaande resterende bedragen over de jaren 2019, 2020 en 2021 zijn daarmee nog steeds verschuldigd.

3.9.

De slotsom luidt dan ook dat [gedaagde] gehouden is de schade te vergoeden die het gevolg is van haar inbreuken op de auteursrechten en naburige rechten van Buma en Sena in de jaren 2019, 2020 en 2021. Rekening houdend met de bedragen die op deze schade in mindering strekken wegens de sluiting in coronatijd, resulteert dit in het geval van Buma tot een schadevergoeding ter hoogte van € 1.320,95 en in het geval van Sena tot een schadevergoeding ter hoogte van € 1.685,86 (zie r.o. 3.7.). Deze bedragen zullen dan ook worden toegewezen zoals in het dictum vermeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding (23 februari 2023).

De tot aan de dagvaarding reeds verschenen wettelijke rente ad € 278,00 – waarvan de omvang, noch de verschuldigdheid door [gedaagde] is betwist – komt eveneens voor toewijzing in aanmerking.

Hetzelfde geldt voor de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van
€ 425,68, waarvan [gedaagde] evenmin de verschuldigdheid en omvang heeft betwist.

3.10.

In het licht van al het vorenstaande, is geen plaats voor het toekennen van enige reiskostenvergoeding aan [gedaagde] (nog los van het feit dat daartoe niet de benodigde vordering in reconventie is ingesteld).

3.11.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Buma en Sena begroot op een bedrag van:

- griffierecht: € 487,00

- kosten deurwaardersexploot: € 108,41

- salaris gemachtigde: € 464,00 (2 x tarief € 232,-)

- nakosten € 132,00

Totaal: € 1.191,41

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Buma te betalen een bedrag van € 1.320,95, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, te berekenen vanaf de dag der dagvaarding (23 februari 2023) tot aan de dag der algehele voldoening;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan Sena te betalen een bedrag van € 1.685,86, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, te berekenen vanaf de dag der dagvaarding (23 februari 2023) tot aan de dag der algehele voldoening;

4.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan Buma en Sena te betalen als vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 425,68;

4.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan Buma en Sena te betalen de verschenen wettelijke rente tot 23 februari 2023 ten bedrage van € 278,00;

4.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die tot op heden aan de zijde van Buma en Sena worden begroot op een bedrag van € 1.191,41, te betalen binnen 14 dagen aanschrijving daartoe en - indien niet binnen die termijn wordt betaald en het vonnis wordt betekend - te vermeerderen met de kosten van betekening;

4.6.

verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2023.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.