3.1.
In rechte staan de volgende feiten vast.
a. Buma heeft als enige organisatie in Nederland van de Minister van Justitie de toestemming verkregen als bedoeld in artikel 30a van de Auteurswet (Aw) tot het als bedrijf, zonder winstoogmerk, bemiddelen inzake muziek-auteursrecht.
Buma behartigt de belangen van de hij haar aangesloten componisten, tekstdichters, en muziekuitgevers met betrekking tot de uitvoering (openbaarmaking) van hun muziekwerken. Daartoe dragen de bij Buma aangesloten componisten en tekstdichters de muziekuitvoeringsrechten op al hun bestaande en toekomstige auteursrechtelijk beschermde muziekwerken over aan Buma. Buma oefent derhalve op eigen naam deze muziekauteursrechten uit. Via een stelsel van wederkerigheidscontracten met buitenlandse zusterorganisaties, die soortgelijke overeenkomsten afsluiten, beheert Buma vrijwel het gehele auteursrechtelijk beschermde muziekrepertoire (het Buma-repertoire).
b. Sena is krachtens artikel 15 lid 1 van de Wet op de naburige rechten (WNR) door de Minister van Justitie aangewezen als rechtspersoon die exclusief belast is met de inning en de verdeling van de in artikel 7 WNR bedoelde billijke vergoedingen.
c. Krachtens artikel 7 lid 1 WNR kan een voor commerciële doeleinden uitgebracht
fonogram of een reproductie daarvan zonder toestemming van de producent van de muziek en de uitvoerende kunstenaar of hun rechtverkrijgenden worden uitgezonden of op een andere wijze openbaar worden gemaakt, mits daarvoor een billijke vergoeding wordt betaald.
d. Buma en Sena sluiten licentiecontracten af met de openbaarmakers van muziek
(werken), zulks tegen betaling van een vergoeding die volgens vastgestelde formules wordt berekend.
e. Sena heeft ten aanzien van de hoogte van de billijke vergoedingen overeenstemming bereikt met branche- en belangenorganisaties van diegenen die muziek openbaar maken zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 WNR en 12 Aw.
f. [gedaagde] is een onderneming die per 26 januari 2018 een horecagelegenheid (brasserie) exploiteert aan de [adres].
g. Deze horecagelegenheid is op 23 mei 2019 bezocht door een relatiemanager van Buma en Sena. Deze relatiemanager heeft geconstateerd dat in de horecagelegenheid in het openbaar muziekwerken ten gehore werden gebracht die behoren tot het Buma-repertoire.
h. Bij brief van de gerechtsdeurwaarder van 24 oktober 2019 is aan [gedaagde]
bericht dat zij muziek openbaar maakt in de onderneming zonder dat daartoe de benodigde licenties zijn afgesloten en dat - wegens het uitblijven van een verdere reactie en betaling - bij de rechtbank een kort geding aanhangig zal worden gemaakt.
i. Bij vonnis in kort geding d.d. 9 december 2019 (met zaak-/ rolnummer C/02/364810 KG ZA 19-642) is aan [gedaagde] – samengevat – een verbod opgelegd om in de onderneming muziekwerken behorende tot het Buma- en Sena-repertoire openbaar ten gehore te brengen voor zover [gedaagde] daartoe geen licentie van Buma en Sena heeft verkregen, zulks op straffe van een dwangsom.
j. Voornoemd vonnis is op 24 december 2019 aan [gedaagde] betekend.
k. De incassogematigde van Buma en Sena, zijnde Best & Partners Gerechtsdeurwaarders (hierna: DBP), hebben op 14 september 2020 en op 17 september 2020 overtredingen geconstateerd van [gedaagde] op het verbod dat haar bij voornoemd vonnis in kort geding is opgelegd.
l. DBP heeft vervolgens namens Buma en Sena de dwangsommen opgeëist zoals vermeld in het vonnis in kort geding.
m. [gedaagde] is niet tot betaling van de dwangsommen overgegaan.
n. DBP heeft op 16 september 2021 een bankbeslag gelegd op de rekening van [gedaagde] voor de proceskosten en executiekosten ad € 2.012,12 op grond van het kort geding vonnis. Dit beslag heeft doel getroffen voor een bedrag van € 1.957,58, welk bedrag op 7 oktober 2021 is ontvangen door DBP.
o. Vervolgens hebben Buma en Sena in november 2011 facturen opgemaakt en aan [gedaagde] verzonden betreffende de jaren 2019, 2020 en 2021 van in totaal € 4.165,89. Dit bedrag staat gelijk aan de licentievergoeding die verschuldigd is bij het sluiten van een licentieovereenkomst met Buma en Sena over voornoemde jaren, minus de creditfacturen van in totaal € 1.159,11 zijnde de compensatie voor de door de overheid verplicht gesloten periodes in 2020 en 2021 vanwege de vastgestelde coronamaatregelen.
p. [gedaagde] heeft op 11 augustus 2022 via de websites van Buma en Sena muzieklicenties aangevraagd met ingang van 1 januari 2022 en het gefactureerde licentiebedrag over het jaar 2022 aan Buma en Sena voldaan.
3.7.
Buma en Sena hebben hun schade gefixeerd op het bedrag dat [gedaagde] aan hen verschuldigd zou zijn geweest, indien in de jaren 2019, 2020 en 2021 wel een licentieovereenkomst met Buma tot stand zou zijn gekomen en [gedaagde] wel de verschuldigde billijke vergoeding aan Sena had voldaan, berekend volgens de daarvoor gehanteerde standaard-formule. Het vorenstaande is door [gedaagde] niet weersproken, noch heeft zij betwist dat zij in het geval van Buma over de jaren 2019, 2020 en 2021 een licentievergoeding verschuldigd zou zijn geweest van in totaal € 1.839,87 en in het geval van Sena over voornoemde jaren een vergoeding verschuldigd zou zijn geweest van in totaal € 2.326,02. Op beide voornoemde bedragen strekt in mindering een bedrag van in totaal € 1.159,11 als compensatie voor de door de overheid verplicht gesloten periodes in 2020 en 2021 vanwege de vastgestelde coronamaatregelen, aldus Buma en Sena.
Uit de producties 5a tot en met 5c bij dagvaarding volgt dat het in het geval van Buma gaat om de volgende bedragen die op haar deel van de vordering in mindering strekken: € 129,82 + € 129,82 + € 259,28 = € 518,92. Uit voornoemde producties geldt dat voor Sena het gaat om de volgende bedragen: € 160,14 +
€ 160,14 + € 319,88 = € 640,16. Beide bedragen van € 518,92 + € 640,16 resulteren (afgerond) in voornoemd bedrag van in totaal € 1.159,11.
Indien het bedrag van € 518,92 wordt afgetrokken van het bedrag van € 1.839,87 dat Buma vordert, leidt dit tot een resterend bedrag van € 1.320,95. Indien het bedrag van € 640,16 wordt afgetrokken van het bedrag van € 2.326,02 dat Sena
vordert, leidt dit tot een resterend bedrag van € 1.685,86. [gedaagde] is in beginsel gehouden om voornoemde resterende bedragen aan Buma en Sena te voldoen.