Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBZWB:2023:2539

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
13-04-2023
10-05-2023
BRE - 21 _ 570
Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig

IB/PVV 2016, specifieke zorgkosten

Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2023/1052
Viditax (FutD) 2023051011
FutD 2023-1295

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 21/570


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2023 in de zaak tussen


[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 december 2020.

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.726.

1.2.

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 1.075 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

1.3.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende bij uitspraak op bezwaar van 18 december 2020 gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.473 en de belastingrentebeschikking overeenkomstig verminderd.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur, [inspecteur] en [inspecteur]. Belanghebbende was niet aanwezig.

1.5.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de uitnodiging voor de zitting niet op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende is verzonden. Omdat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat belanghebbende de uitnodiging voor de zitting in goede orde heeft ontvangen, heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

1.6.

De rechtbank heeft vervolgens op verzoek van belanghebbende en gelet op de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende de zaak schriftelijk behandeld in plaats van op een zitting Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld (schriftelijk) antwoord te geven op de vragen van de rechtbank en te reageren op het proces-verbaal van de zitting van 1 september 2022. Belanghebbende heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Daarna heeft de inspecteur een reactie gegeven op het stuk van belanghebbende.

1.7.

Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de nadere standpunten van de inspecteur. Belanghebbende heeft daarvan gebruik gemaakt, maar tevens verzocht om een langere termijn voor een nadere reactie. De rechtbank heeft de reactietermijn vervolgens verlengd met drie weken. Belanghebbende heeft binnen die termijn geen nader stuk meer ingediend.

1.8.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Belanghebbende heeft na sluiting van het onderzoek een nader stuk ingebracht, waarin zij zich heeft geëxcuseerd en redenen geeft waarom zij geen nadere reactie binnen de gestelde termijn meer heeft ingediend. De rechtbank heeft in dat stuk geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en laat dit stuk bij de beoordeling buiten beschouwing.

Feiten

2. Belanghebbende is alleenstaand. Zij heeft vier kinderen, waarvan er drie in 2016 in de basisregistratie personen stonden ingeschreven op haar adres.

2.1.

Belanghebbende heeft ernstige medische klachten. Zij heeft onder meer last van verlammingsverschijnselen, uitval van de blaas-, spijsverterings- en darmstelsels, dysregulatie van het autonome zenuwstelsel, post traumatische dystrofie, desaturatie, hartritmeproblemen en (zeer ernstige) insulten. Insulten in 2015 en op 11 en 29 juli 2016 hebben geleid tot verlies van spraakvermogen door een verlamming van de keel, tong en mond (dysarthrie). Zij kon toen alleen via tekst communiceren.

2.2.

Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.748. Dit inkomen bestaat uit inkomsten uit vroegere dienstbetrekking van € 41.339, negatief inkomen uit eigen woning van € 5.613 en een aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten van € 26.978.

2.3.

Bij het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur geen rekening gehouden met een bedrag aan aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten en de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.726.

2.4.

Belanghebbende heeft op 9 mei 2017 een overzicht van gemaakte zorgkosten aan de inspecteur gestuurd. Daarin zijn – samengevat – de volgende kosten opgenomen:

- Geneesmiddelen, disposables, desinfectie ivm catheterisatie e.d. bij noodzakelijke verpleging en verzorging

€ 1.221,10

- Medische hulpbehandelingen en kosten

€ 2.869,22

- Dieet

€ 5.700,00

- Gezinshulp

€ 374,89

- Hulpmiddelen

€ 9.929,79

- Kleding en beddengoed en bewassingskosten

€ 1.788,11

- Vervoer

€ 1.070,55

Totaal

€ 22.953,65

2.5.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de uitgaven voor specifieke zorgkosten tot een bedrag van € 7.253 in aftrek toegelaten. Dit bedrag kan als volgt worden gespecificeerd:

- Medicijnen

€ 141

- Genees- en heelkundige hulp

€ 390

- Dieetkosten

€ 5.700

- Extra gezinshulp

€ 18

- Hulpmiddelen

€ 0

- Kleding en beddengoed

€ 1.500

- Vervoer

€ 93

Totaal uitgaven

€ 7.842

Af: drempel

€ 589

Totaal aftrekbaar bedrag

€ 7.253

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2016 tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek gaat de rechtbank in op de vraag welk bedrag aan uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek kunnen worden gebracht. De rechtbank doet de beoordeling aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

4. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op een aftrek vanwege specifieke zorgkosten van € 8.303. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt dan € 27.423. De aanslag IB/PVV 2016 is daarom tot een te hoog bedrag opgelegd en de rechtbank zal deze verminderen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Tot welk bedrag heeft belanghebbende recht op aftrek van specifieke zorgkosten?

5. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende ernstige medische klachten heeft. Vanwege haar medische situatie heeft zij veel kosten moeten maken, ook in het jaar 2016. De rechtbank zal beoordelen of deze kosten op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) voor aftrek in aanmerking komen.

5.1.

Uitgaven voor specifieke zorgkosten kunnen als persoonsgebonden aftrekpost in mindering worden gebracht op het inkomen uit werk en woning.1 In artikel 6.17 van de Wet IB 2001 is een limitatieve opsomming gegeven van uitgaven voor specifieke zorgkosten die in aanmerking kunnen worden genomen. Het betreft, voor zover relevant, de volgende uitgaven:

“1.Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

a. genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen;

b. vervoer;

c. farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts;

d. andere hulpmiddelen, voor zover deze hulpmiddelen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt;

e. extra gezinshulp;

f. de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet tot een bedrag bepaald bij ministeriële regeling;

g. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;

(…)

2. Als ander hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden in ieder geval niet aangemerkt:

(…)

3°. rolstoelen;

(…)

9. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt onder genees- en heelkundige hulp verstaan:

a. een behandeling door een arts; (…)”

5.2.

Per aftrekpost gelden nadere regels en beperkingen. Verder geldt in het algemeen als voorwaarde dat tussen de uitgaven en de ziekte een direct verband moet bestaan en de uitgaven op de belastingplichtige moeten hebben gedrukt, dat wil zeggen: niet aan haar zijn vergoed. De limitatieve opsomming en de geldende nadere regels en beperkingen zullen tot gevolg hebben dat niet alle gemaakte kosten in aftrek worden toegestaan, ook al zijn deze voor belanghebbende als zwaar gehandicapte onvermijdelijk. De rechtbank is van oordeel dat dit evenwel geen discriminatie inhoudt van belanghebbende als zwaar gehandicapte ten opzichte van een gezond persoon waarvoor deze kosten niet noodzakelijk zijn. Dat kosten vanwege ziekte slechts in beperkte mate kunnen worden afgetrokken, is een keuze die in beginsel is voorbehouden aan de wetgever. De wetgever heeft daarbij naar het oordeel van de rechtbank zijn ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden.

5.3.

De bewijslast voor aftrek van specifieke zorgkosten rust op belanghebbende. Zij moet aannemelijk maken dat zij uitgaven heeft gedaan waarvoor aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. De rechtbank zal dit per aftrekpost beoordelen. De rechtbank begrijpt het nader stuk van belanghebbende zo dat de rechtbank voor de bedragen van de door belanghebbende bepleite aftrek kan uitgaan van het overzicht van 9 mei 2017 (zie 2.4). De inspecteur betwist niet dat belanghebbende uitgaven heeft gedaan tot de daarin opgenomen bedragen, maar wel dat – voor zover aftrek niet is toegestaan bij uitspraak op bezwaar – deze uitgaven voor aftrek in aanmerking komen.

Farmaceutische hulpmiddelen

6. Farmaceutische hulpmiddelen, zoals medicijnen en alternatieve geneesmiddelen, komen alleen voor aftrek in aanmerking als zij zijn verstrekt op voorschrift van een arts. Hulpmiddelen die slechts op advies van een arts zijn aangeschaft komen als uitgangspunt niet voor aftrek in aanmerking.

6.1.

Belanghebbende heeft in het overzicht vermeld dat zij in totaal € 1.221,10 aan geneesmiddelen, disposables en desinfectiemiddelen heeft besteed. Zoals belanghebbende zelf erkent zijn de kosten van disposables en desinfectiemiddelen ten onrechte onder de post farmaceutische middelen opgenomen. Deze middelen kunnen mogelijk alleen als overig hulpmiddel kwalificeren. De rechtbank zal deze kosten daarom bij de beoordeling van die aftrekpost meenemen en bij deze aftrekpost buiten beschouwing laten. In een brief van 15 september 2020 heeft belanghebbende nader gespecificeerd gesteld dat, naast een bedrag van € 141 dat de inspecteur reeds in aftrek heeft toegelaten, een bedrag van in totaal € 417,37 ziet op farmaceutische hulpmiddelen. Het gaat onder meer om Q10, magnesium, Royal Jelly, neusspray, paracetamol, amondelolie, CBD olie, natriumcarbonaat en probiotica.

6.2.

De rechtbank begrijpt dat deze middelen voor belanghebbende noodzakelijk waren vanwege haar medische klachten. Echter, alleen voor wat betreft de paracetamols (€ 7,58 en € 12,18) is, gelet op de toelichting van belanghebbende dat de paracetamol gecombineerd met codeïne één geneesmiddel vormt en gelet op de overgelegde medicatie-overzichten, aannemelijk geworden dat deze in de situatie van belanghebbende op medisch voorschrift zijn verstrekt. Dat deze niet bij een apotheek zijn gekocht, maakt dat niet anders.2 De overige middelen zijn niet op voorschrift van een arts verstrekt. Daar heeft veelal alleen een advies van een arts aan ten grondslag gelegen. Voor een deel gaat het ook om producten die tevens voor andere doeleinden dan de behandeling of voorkoming van ziekte of aandoeningen worden gebruikt en dus niet als geneesmiddel kunnen worden aangemerkt. Als uitgangspunt komen daarom alleen de kosten voor de paracetamols (€ 7,58 en € 12,18) voor aftrek in aanmerking.

6.3.

Belanghebbende voert aan dat verschillende middelen wel op voorschrift van een arts zouden kunnen worden verstrekt, maar dat dit niet is gebeurd omdat zij er niet van op de hoogte was dat geneesmiddelen alleen aftrekbaar zijn als deze op voorschrift van een arts zijn verstrekt. Dit leidt er naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet toe dat deze middelen in 2016 aftrekbaar zijn. Daarvoor is een voorschrift vereist (zie hiervoor onder 6).

Verder stelt belanghebbende dat medische voorschriften ontbreken omdat de eerste huisarts psychische problemen had en vervolgens de nieuwe huisarts tegen haar heeft opgezet, waardoor beide huisartsen in 2016 onvoldoende zorg verleenden. Omdat de middelen wel noodzakelijk waren voor belanghebbende, heeft zij een alternatief gezocht. Uit het overzicht, gegeven in de brief van 15 september 2020, volgt dat dit specifiek geldt voor de aangekochte CBD olie (€ 95,99). De rechtbank volgt belanghebbende in haar verklaring. Dit leidt er echter niet toe dat de kosten van de CBD olie voor aftrek in aanmerking komen, omdat CBD olie een voedingssupplement is en niet aannemelijk is geworden dat CBD olie doorgaans niet voor andere doeleinden dan als geneesmiddel wordt gebruikt.

Tot slot voert belanghebbende aan dat zij vanwege vele intoleranties specifieke middelen nodig heeft, die niet altijd in Nederland bij de apotheek en op recept verkrijgbaar zijn. De rechtbank is echter niet duidelijk geworden dat dit ook geldt voor de in België aangekochte vernevelvloeistof, waarvoor belanghebbende om aftrek verzoekt.

6.4.

De rechtbank komt tot de slotsom dat belanghebbende recht heeft op een aftrek voor farmaceutische hulpmiddelen van in totaal (afgerond) € 161, namelijk € 141 (reeds toegekend door inspecteur) + € 7,58 + € 12,18 (paracetamols).

Genees- en heelkundige hulp

7. Belanghebbende bepleit een aftrek van € 2.869,22 voor medische behandelingen en kosten. De inspecteur heeft daarvan € 390 voor een medische behandeling in het buitenland geaccepteerd als aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Verder zijn de kosten van de medische behandeling in verband met spoedeisende hulp vergoed door de zorgverzekeraar.

7.1.

Belanghebbende verzoekt ook om aftrek van de kosten van het verblijf in het hotel tijdens de medische behandeling in het buitenland (€ 703,98). Zij heeft toegelicht dat ze meerdere infusen met zware pijnbestrijding en een ontstekingsremmer kreeg, en tussendoor meerdere dagen in bed lag wegens de zware bijwerkingen. De behandelingen vonden plaats op de hotelkamer onder toezicht van een vrouwelijke staf-member, omdat belanghebbende vanwege gezondheidsrisico’s niet in het ziekenhuis mocht worden opgenomen. Deze kamer bevond zich bij het hotel in een dependance van de kliniek van de artsen en tegenover het ziekenhuis. De arts van de kliniek kwam elke dag in het hotel en er was altijd dag en nacht een van de artsen aanwezig. Ook de medicatie werd in het hotel bezorgd.

7.2.

Tussen partijen staat vast dat een medische behandeling heeft plaatsgevonden onder toezicht en begeleiding van een arts. De inspecteur betwist echter dat de behandeling in het hotel heeft plaatsgevonden en dat het ‘all-inclusive’ verblijf in het hotel te vereenzelvigen is met genees- en heelkundige hulp. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van belanghebbende en neemt de juistheid daarvan aan. Aangenomen wordt dat de aan de belastingplichtige in het hotel geboden diensten kwalificeren als onder medisch toezicht verleende medische- en verpleegkundige hulp. Het hotel is in dit geval aan te merken of gelijk te stellen met een verpleeginrichting, een ziekenhuis of zorgverlenende instelling. Onder deze omstandigheden vormen de door belanghebbende voor de verzorging en het verblijf betaalde uitgaven, uitgaven voor genees- en heelkundige hulp. Dit betekent dat het bedrag van € 703,98 voor aftrek in aanmerking komt.

7.3.

Voorgaande geldt niet voor de kosten die verband houden met de ‘not fit to fly’-verklaring (€ 19,77 en € 21,75) en het verlengde verblijf in het hotel als gevolg van haar gezondheidstoestand die ten grondslag lag aan die verklaring (€ 1.243,76). De kosten voor het verlengen van het visum en het ophalen daarvan zijn geen kosten voor genees- en heelkundige hulp en staan in een te ver verwijderd verband met een medische behandeling om als zodanig in aftrek te worden gebracht. Verder volgt uit de verklaringen van belanghebbende niet dat tijdens het verlengde verblijf medische behandelingen of verzorging hebben plaatsgevonden onder medisch toezicht van een arts. Dat belanghebbende niet naar huis kon vliegen vanwege haar gezondheidstoestand, maakt niet dat deze kosten aftrekbaar zijn. De inspecteur heeft deze kosten daarom terecht in aftrek geweigerd.

7.4.

Tot slot heeft belanghebbende ziektekosten opgenomen die zien op een operatie van schouderletsel van een van haar kinderen (€ 99,95 + € 390). De inspecteur heeft deze kosten niet in aftrek toegestaan, omdat hij op basis van de stukken niet kon vaststellen of de kosten door belanghebbende zijn voldaan en of deze niet zijn vergoed door de zorgverzekeraar. Belanghebbende heeft daarna geen nadere standpunten of stukken op dit punt ingebracht. De rechtbank acht niet aannemelijk dat sprake is van kosten voor genees- en heelkundige hulp die op belanghebbende hebben gedrukt.

7.5.

Gelet op het voorgaande komt een bedrag van in totaal (afgerond) € 1.094 als kosten voor genees- en heelkundige hulp voor aftrek in aanmerking. Dit bedrag bestaat uit € 390 (reeds toegekend door de inspecteur) + € 703,98 (verblijf hotel tijdens medische behandeling).

Extra gezinshulp

8. Belanghebbende heeft in het overzicht € 374,89 aan uitgaven voor extra gezinshulp opgenomen, namelijk € 250 salaris zorgverlener + € 124,89 aan vrijwillige stortingen. De inspecteur heeft deze bedragen volledig als uitgaven voor extra gezinshulp aangemerkt. Gelet op de voor belanghebbende geldende drempel van € 357 bedraagt de aftrek dan € 18. De rechtbank acht dit juist en ziet geen reden om een hogere aftrek toe te staan.

Hulpmiddelen

9. Op grond van de wet komen hulpmiddelen voor het jaar 2016 alleen voor aftrek in aanmerking voor zover deze hulpmiddelen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt. Voor de kwalificatie als hulpmiddel is het geen belemmering als het middel incidenteel ook buiten het verband van ziekte of handicap wordt gebruikt, maar de aard van het middel moet wel dusdanig zijn dat het normaliter alleen bedoeld is voor mensen met een ziekte of handicap. Voor deze voorwaarde en beperking van de aftrekbare kosten voor hulpmiddelen is door de wetgever bewust gekozen om discussies te voorkomen of bepaalde hulpmiddelen zijn aangeschaft vanwege ziekte of de persoonlijke voorkeur van de zieke.3 De rechtbank acht dit niet van redelijke grond ontbloot en daarmee niet in strijd met het non-discriminatiebeginsel.

9.1.

De voorwaarde dat de hulpmiddelen van zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt, betekent dat vele hulpmiddelen die voor belanghebbende wegens ziekte noodzakelijk zijn, niet voor aftrek in aanmerking komen. Het gaat onder meer om de door belanghebbende aangeschafte saturatiemeter, [horloge] met hartslagmonitor, bloeddrukmeter, compressor, WifiLink/deuropener/remote camera, notebook, karretjes voor verzorgingsartikelen, verwijderingsbijdrage loeplamp, mobiele telefoonabonnementen voor de kinderen als mantelzorgers, zijslaappositioneringskussen, tas, camera voor 24-uursmonitoring, disposables, desinfectiematerialen, handschoenen en onderleggers. Deze hulpmiddelen bezitten geen bijzondere hoedanigheid als gevolg waarvan deze hoofdzakelijk door zieke of invalide mensen worden gebruikt.

9.2.

De rechtbank heeft op de zitting het (oude) beleid van de Belastingdienst aan de orde gesteld, waarin was opgenomen dat de hiervoor genoemde voorwaarde niet geldt als een zaak een elementaire lichaamsfunctie overneemt.4 De inspecteur heeft in zijn nader stuk aangevoerd dat dit vanaf 1 januari 2014 met de wijziging van artikel 6.17, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001 niet langer wordt toegepast. Aangezien voormelde uitzondering in 2016 niet meer in de regelgeving is opgenomen en kennelijk ook geen beleid meer op dit punt bestaat, kan belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank hier in deze procedure geen voordeel van hebben.

9.3.

Verder zijn de kosten gemaakt samenhangend met de in 2013 aangeschafte rolstoel gelet op de expliciete uitsluiting in artikel 6.17, tweede lid, ten derde, van de Wet IB 2001 niet aftrekbaar. Aangezien belanghebbende erkent dat de kosten geen afschrijvingskosten zijn, kunnen de kosten ook niet op grond van de goedkeuring van de staatssecretaris van Financiën5 voor aftrek in aanmerking komen.

9.4.

Tot slot zijn de contributies voor patiëntenverenigingen alleen aftrekbaar als de activiteiten van deze verenigingen zijn aan te merken als aan de leden verleende genees- of heelkundige hulp.6 Niet aannemelijk is dat dit geldt voor de dwarslaesie patiëntenvereniging en de vereniging Per Saldo, waar belanghebbende lid van was. Deze kosten komen daarom niet voor aftrek in aanmerking.

9.5.

Conclusie is dat de door belanghebbende gemaakte kosten niet als uitgaven voor overige hulpmiddelen kunnen worden aangemerkt.

Vervoer

10. De inspecteur heeft € 93 aan vervoerskosten als specifieke zorgkosten in aftrek toegestaan. Partijen houdt nog verdeeld de aftrek van de kosten die belanghebbende heeft gemaakt voor vliegtickets van haarzelf en twee van haar kinderen (€ 978) en de kosten van een busabonnement voor de zoon van belanghebbende (€ 315).

10.1.

De kosten van vervoer voor een zieke of invalide voor het ondergaan van een medische behandeling, een bezoek aan een arts of een andere hulpverlener behoren in beginsel tot de uitgaven voor vervoer. Dit geldt ook als de medische behandeling in het buitenland plaatsvindt, indien bij de keuze daarvoor de grenzen van de redelijkheid niet worden overschreden. De rechtbank acht de kosten van het vervoer voor belanghebbende naar [land] aftrekbaar. Zij heeft daar een medische behandeling ondergaan die niet in Nederland beschikbaar is. De omstandigheid dat belanghebbende extra vervoerskosten heeft moeten maken, omdat zij als gevolg van de ‘not fit to fly’-verklaring niet met de geplande terugvlucht mee kon en een nieuw ticket moest kopen, maakt niet dat deze kosten een te ver verwijderde band hebben met de medische behandeling. De rechtbank stelt de kosten vast op € 326 (1/3 van € 978).

10.2.

Belanghebbende heeft meerdere redenen gegeven voor het invliegen van haar twee kinderen als mantelzorger. Ten eerste had belanghebbende medische verzorging nodig tijdens haar verlengde verblijf, omdat haar eerste begeleider naar huis ging. Daarnaast lukte het niet om de opvang voor de kinderen thuis te regelen. Beide problemen zouden zijn opgelost als de kinderen naar [land] zouden komen. Het lag daarom voor de hand om hen in te vliegen. Hoewel dit begrijpelijk is, valt dit niet onder de wettelijke voorwaarde dat de kosten verband moeten houden met het vervoer van een zieke of invalide voor het ondergaan van een medische behandeling.

Verder voert belanghebbende aan dat zij niet kon en mocht vliegen zonder een begeleider. Tot aan het vliegveld is dat doorgaans een zorgverlener of familielid en vanaf daar de internationale luchthavenassistentie. Ook met dat doel zijn haar kinderen overgekomen. Hoewel de kosten van begeleiding van een zieke onder omstandigheden aftrekbaar zijn, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval onvoldoende komen vast te staan dat het noodzakelijk en redelijk was om de kinderen in te vliegen om belanghebbende te begeleiden van het hotel naar het vliegveld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de kinderen op dat moment minderjarig waren en dat belanghebbende heeft toegelicht dat het hotel veel voor haar heeft geregeld. De kosten voor de vliegtickets van de kinderen zijn daarom niet aftrekbaar.

10.3.

Ten aanzien van het busabonnement voert belanghebbende aan dat haar zoon vanwege een traumatische gebeurtenis niet op de fiets naar school durfde en zij vanwege haar medische situatie niet in staat was om hem zelf naar school te brengen. De rechtbank overweegt dat dit geen kosten betreffen die zijn gemaakt voor het ondergaan van een medische behandeling en dus niet op die grond aftrekbaar zijn. Andere vervoerskosten zijn alleen aftrekbaar als deze rechtstreeks als gevolg van de ziekte of invaliditeit zijn gemaakt en voor zover ze hoger zijn dan de kosten gemaakt door gezonde personen met een normaal bestedingspatroon die overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft gelijk zijn aan belanghebbende. Aangezien een busabonnement ook tot het normale bestedingspatroon van een gezond persoon behoort, komen de kosten om die reden al niet voor aftrek in aanmerking.

10.4.

Als vervoerskosten komt dus € 419 voor aftrek in aanmerking, namelijk € 93 (reeds door de inspecteur toegekend) + € 326 (vliegtickets).

Tussenconclusie

11. Belanghebbende heeft recht op aftrek van in totaal € 8.303 aan specifieke zorgkosten. Dit bedrag kan als volgt worden gespecificeerd:

- Farmaceutische hulpmiddelen (medicijnen)

€ 161

- Genees- en heelkundige hulp

€ 1.094

- Dieetkosten

€ 5.700

- Extra gezinshulp

€ 18

- Hulpmiddelen

€ 0

- Kleding en beddengoed

€ 1.500

- Vervoer

€ 419

Totaal uitgaven

€ 8.892

Af: drempel

€ 589

Totaal aftrekbaar bedrag

€ 8.303

11.1.

Het belastbaar inkomen uit werk en woning stelt de rechtbank vast op € 27.423, zijnde € 35.726 verminderd met de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten van € 8.303.

Wat betekent dit voor de belastingrentebeschikking?

12. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. De rechtbank vermindert het bedrag van de belastingrente overeenkomstig de vermindering van de aanslag IB/PVV 2016.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. De rechtbank vermindert de aanslag IB/PVV 2016 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.423 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig.

13.1.

Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

14. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2016 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.423 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;

- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 13 april 2023. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd om deze

uitspraak mede te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.7

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).

Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.

Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Artikelen 6.1 en 6.2 van de Wet IB 2001.

2 Vgl. Hoge Raad 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1517.

3 Kamerstukken II 2012–2013, 33 726, nr. 3, p. 5 en 6.

4 Toelichting bij artikel 20a Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (oud), Stb. 2003, 112.

5 Besluit staatssecretaris van Financiën van 17 maart 2014, nr. BLKB2014/285M, Stcrt. 2014, 8548.

6 Vgl. Hoge Raad 22 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2421.

7 Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.