zaaknummer / rekestnummer: C/02/391315 / HA RK 21-232
Beschikking van 12 januari 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[opposant] BV,
gevestigd te [plaats] ,
opposant,
advocaat mr. I.F.M. Lakwijk te 's-Hertogenbosch,
tegen
DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT,
gevestigd te Breda,
geopposeerde,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna [opposant] en de griffier genoemd.
1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift strekkende tot verzet tegen betaalde griffierechten ex artikel 29 WGBZ,
ingekomen ter griffie op 29 oktober 2021, met bijlagen genummerd 1 tot en met 6,
- het verweerschrift,
- de brief van 17 december 2021 van mr. Lakwijk,
- de reactie van de griffier van 22 december 2021.
1.2.
Hierna is beschikking bepaald.
2 Het verzoek
2.1.
[opposant] verzoekt de rechtbank om de beslissing van de griffier, inhoudende dat voor het op 21 september 2021 door [opposant] ingediende verzoekschrift ex artikel 371 Fw twaalfmaal het griffierecht van € 667,00 werd geheven, te vernietigen en te bepalen dat in plaats daarvan voor het op 21 september 2021 ingediende verzoekschrift slechts eenmaal een griffierecht van € 667,00 van [opposant] moet worden geheven.
Voor zover mogelijk verzoekt [opposant] de griffier te instrueren het te veel betaalde bedrag aan griffierecht (ter grootte van € 7.337,00) terug te (doen) betalen aan [advocatenkantoor] BV, op [bankrekeningnummer] ten name van [advocatenkantoor] BV en de uitgebrachte griffierechtnota’s dienovereenkomstig te crediteren c.q. corrigeren.
2.2.
[opposant] legt samengevat aan het verzoek ten grondslag dat zij een verzoekschrift heeft ingediend tot het aanwijzen van een herstructureringsdeskundige bij een twaalftal hoofdelijk jegens haar verbonden en gezamenlijk tot een concern behorende schuldenaren. Het betreft één schuld uit een geldleningsovereenkomst, waarvoor twaalf vennootschappen uit hetzelfde concern hoofdelijk aansprakelijk zijn. Deze vennootschappen hebben ook alle dezelfde (middellijk) bestuurder. Uitgangspunt is dat een verzoeker voor het indienen van een verzoekschrift eenmaal griffierecht is verschuldigd. De griffier heeft het verzoekschrift als twaalf verschillende verzoeken aangemerkt en aldus twaalf maal griffierecht berekend. Daarbij is de griffier er kennelijk vanuit gegaan dat bij toewijzing van het verzoek alle twaalf belanghebbenden zouden worden geraakt. Het aantal belanghebbenden is echter niet de grondslag voor de heffing van het griffierecht. Verzoeker betaalt immers per verzoekschrift en niet per belanghebbende, aldus [opposant] . De verzoek is door de rechtbank behandeld en in een beschikking afgedaan, met benoeming van een herstructureringsdeskundige voor alle vennootschappen. [opposant] verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1515), waarin is bepaald dat ten aanzien van een faillissement van een vennootschap onder firma en haar vennoten weliswaar afzonderlijke verzoeken moeten worden gedaan, maar dat dit in een verzoekschrift kan plaatsvinden, waarbij dan slechts een keer griffierecht is verschuldigd, ondanks dat de verzoeken afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Tussen dit arrest en het verzoek van [opposant] is een duidelijke parallel: in beide situaties vraagt een verzoeker op grond van een vordering tegen over meerdere hoofdelijk verbonden schuldenaren om een insolventietoestand vast te stellen en een functionaris aan te wijzen om de concusus van schuldeisers in goede banen te leiden. Er is sprake van een nauwe samenhang, zodat het passend is om de beslissing van de Hoge Raad toe te passen en slechts eenmaal griffierecht te heffen, zo stelt [opposant] .
2.3.
De griffier voert verweer en stelt dat uit de parlementaire geschiedenis van artikel 15 Wgbz volgt dat het mogelijk is om een verzoekschrift dat meerdere verzoeken bevat te beschouwen als een geschrift dat meerdere verzoekschriften bevat waarover afzonderlijk griffierecht moet worden geheven, mits tussen de verschillende verzoeken geen direct verband bestaat. Een analoge toepassing van het arrest van de Hoge Raad gaat niet op, omdat het om twaalf afzonderlijke rechtspersonen gaat, waarbij ieder verzoek tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige afzonderlijk moet worden beoordeeld en iedere vennootschap een eigen verweer kan voeren. Tussen de verzoeken bestaat dan ook geen onderling verband, zodat afzonderlijk griffierecht moet worden geheven, aldus de griffier.
2.4.
In haar reactie op het verweer stelt [opposant] dat ook in het arrest van de Hoge Raad sprake was van zelfstandige rechtssubjecten, ieder met een eigen recht op verweer. De Hoge Raad achtte dat niet relevant. Doorslaggevend moet zijn dat in het verzoek van [opposant] sprake is van hetzelfde feitencomplex ten aanzien van alle gerekestreerden en dat het vanwege de aard van het verzoek ook wenselijk is dat het verzoek tezamen werd gedaan en afgehandeld. [opposant] handhaaft het verzoek.
2.5.
De griffier heeft zijn stellingen gehandhaafd en afgezien van een verdere reactie.
3 De beoordeling
3.1.
[opposant] heeft op grond van artikel 29 lid 1 Wet Griffierechten Burgerlijke Zaken (hierna: Wgbz) verzet ingesteld tegen de beslissing van de griffier om twaalf maal griffierecht te heffen. Het verzet is gedaan binnen de daarvoor geldende termijn van één maand na betaling van het griffierecht, zodat [opposant] ontvankelijk is in het verzoek.
3.2.
[opposant] beroept zich er op, kort samengevat, dat ten onrechte twaalf maal griffierecht in rekening is gebracht, omdat het gaat om gerelateerde rechtspersonen en hetzelfde feitencomplex.
3.3.
Artikel 15 lid 1 Wgbz bepaalt dat van partijen die bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen, slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven. Hetzelfde geldt voor verzoekers en belanghebbenden die bij dezelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende verzoekschriften of verweerschriften indienen.
3.4.
Het beroep van [opposant] op een analoge toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1515), slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet, omdat de situatie in het voorliggende verzoek niet vergelijkbaar is met het onderwerp van het arrest.
3.5.
De rechtbank is echter wel van oordeel dat er sprake is van een direct verband tussen de verschillende verzoeken, ondanks dat ten aanzien van alle belanghebbenden een afzonderlijke afweging moet worden gemaakt. Door [opposant] is aangevoerd dat er sprake is van hetzelfde feitencomplex. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de twaalf verzoeken door de rechtbank gezamenlijk zijn behandeld en dat er in een beschikking op is beslist.
3.6.
De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, aanleiding om het verzoek gegrond te verklaren ten aanzien van elf van de twaalf zaken. In de eerste zaak is [opposant] immers wel griffierecht verschuldigd. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzet gegrond is in de zaken met de nummers:
-
389983 HO RK 21-704
-
389984 HO RK 21-705
-
389986 HO RK 21-706
-
389987 HO RK 21-707
-
389988 HO RK 21-708
-
389989 HO RK 21-709
-
389990 HO RK 21-710
-
389991 HO RK 21-711
-
389992 HO RK 21-712
-
389993 HO RK 21-713
-
389994 HO RK 21-714.
Het verzet in de zaak met nummer 389982 HO RK 21-703 is ongegrond.
4 De beslissing
De rechtbank
4.1.
verklaart het verzet in zake de zaak met zaaknummer 389982 HO RK 21-703 ongegrond,
4.2.
verklaart het verzet gegrond in zake de zaken met zaaknummers:
-
389983 HO RK 21-704
-
389984 HO RK 21-705
-
389986 HO RK 21-706
-
389987 HO RK 21-707
-
389988 HO RK 21-708
-
389989 HO RK 21-709
-
389990 HO RK 21-710
-
389991 HO RK 21-711
-
389992 HO RK 21-712
-
389993 HO RK 21-713
-
389994 HO RK 21-714
4.3.
bepaalt dat de griffier het griffierecht in de gegrond verklaarde verzoeken in het systeem dient te crediteren,
4.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Alphen en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2022.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: