RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
zaak/rolnr.: 10059767 CV EXPL 22-3146
vonnis d.d. 7 december 2022
de stichting Stichting Leystromen,
gevestigd en kantoorhoudende te Rijen, gemeente Gilze en Rijen,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.N. Reijn, gerechtsdeurwaarder te Tilburg,
[gedaagde]
,
wonende te [woonadres] ,
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna “Leystromen” en “ [gedaagde] ” genoemd.
1 Het verloop van het geding
1.1
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
-
het tussenvonnis in deze zaak van 7 september 2022 met de daarin genoemde processtukken;
-
de akte overlegging stukken van de zijde van Leystromen van 5 oktober 2022 met producties;
-
de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 18 oktober 2022;
-
e brief van de zijde van [gedaagde] van 17 november 2022 met producties.
1.2
Ter zitting is verschenen, namens Stichting Leystromen, [medewerker huurincasso] en [medewerker sociaal beheer] , bijgestaan door haar gemachtigde, mr. J.N. Reijn en verder is verschenen [gedaagde] in persoon, vergezeld door [begeleider RIBW] .
1.3
Na de mondelinge behandeling is ter griffie een e-mail ontvangen vanuit de Kredietbank Nederland aangaande [gedaagde] . Omdat deze e-mail is binnengekomen na de zitting en Leystromen zich hierover niet uit heeft kunnen laten, wordt op deze e-mail geen acht geslagen door de kantonrechter en maakt dit geen onderdeel uit van het dossier.
2 Het geschil
2.1
Leystromen vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst betreffende de woning, staande en gelegen te [woonadres] (nader te noemen: het gehuurde) te ontbinden;
b. [gedaagde] te veroordelen om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten, met medeneming van al degene die en al hetgeen dat zich daarin of daarop niet vanwege Leystromen bevindt;
c. [gedaagde] te veroordelen om aan Leystromen een bedrag van € 2.198,78 aan huurachterstand tot en met augustus 2022 (inclusief buitengerechtelijke incassokosten en verschenen rente) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.956,00 vanaf 16 augustus 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening;
d. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 656,89 per maand aan huur tot aan de dag van ontbinding van de huurovereenkomst en een bedrag van € 656,89, voor elke ingegane maand, aan gebruiksvergoeding vanaf de dag van ontbinding van de huurovereenkomst totdat het gehuurde is ontruimd en verlaten, te vermeerderen met de wettelijke toegestane huurverhoging en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van de algehele voldoening;
e. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
2.2
Leystromen heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis tot betaling van de (volledige) huur. Zij stelt dat ten tijde van de dagvaarding een huurachterstand bestond van drie maanden hetgeen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt, zodat de vorderingen daartoe met de daarmee verband houdende nevenvorderingen dienen te worden toegewezen. Tijdens de procedure is de huurachterstand gelijk gebleven. Voorts heeft Leystromen in het buitengerechtelijke traject [gedaagde] verschillende mogelijkheden geboden om op de huurachterstand in te lopen, maar [gedaagde] heeft dit nagelaten. Behoudens de huur over september 2022 en oktober 2022 heeft [gedaagde] de huurachterstand niet voldaan. Bovendien is [gedaagde] herhaaldelijk met tijdige betaling van de huur in gebreke gebleven, waardoor partijen al een laatste-kansovereenkomst zijn aangegaan. Leystromen is dan ook tot dagvaarden overgegaan. Gelet op het voorgaande kan van Leystromen niet worden verlangd om de huurovereenkomst langer in stand te houden, aldus Leystromen.
2.3
[gedaagde] heeft tijdens de rolzitting van 24 augustus 2022 de huurachterstand ter hoogte van € 1.956,00, zoals opgenomen in de dagvaarding, erkend. Daarbij heeft zij de omstandigheden geschetst waaronder de huurachterstand is ontstaan. Zo heeft [gedaagde] in het verleden onder bewind gestaan. De bewindvoerder van [gedaagde] heeft de zaken van [gedaagde] niet goed behartigd en afgehandeld. De bewindvoerder is dan ook door de kantonrechter ontslagen, aldus [gedaagde] . Voorts is de huurachterstand ontstaan nu [gedaagde] twee maanden geen WIA-uitkering heeft ontvangen. Verder krijgt [gedaagde] momenteel hulp van het RIBW en het ACT team van de GGZ. Ook is de huur over de maanden september en oktober 2022 volledig voldaan. Daarnaast geeft [gedaagde] te kennen dat zij graag in het gehuurde wil blijven wonen. Ook staat [gedaagde] open voor andere, kleinere, woonruimte.
2.4
Vast staat dat [gedaagde] een huurachterstand heeft laten ontstaan. Leystromen heeft deze huurachterstand ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding berekend op een bedrag van € 1.956,00 (huurachterstand tot en met augustus 2022), aldus drie maanden. Ten tijde van de mondelinge behandeling is onweersproken komen vast te staan dat de huurachterstand gelijk is gebleven, aangezien de huur over de maanden september en oktober 2022 is betaald. Nu [gedaagde] de bestaande huurachterstand niet heeft weersproken, zal een bedrag van € 1.956,00 aan huurachterstand tot en met oktober 2022 worden toegewezen, waarbij rekening is gehouden met de door [gedaagde] verrichte huurbetalingen over de maanden september en oktober 2022.
Ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde:
2.5
Met betrekking tot de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de verzochte ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. Uit artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Deze hoofdregel van verbintenissenrecht is ook van toepassing op huurovereenkomsten. Bij de beoordeling van de vraag of een vordering tot een ontbinding van de huurovereenkomst moet worden afgewezen, kunnen, naast de bijzondere aard en/of geringe betekenis van de tekortkoming, alle overige omstandigheden van het geval van belang zijn. Het is aan degene die zich beroept op de afwijzing van de ontbinding van de huurovereenkomst om feiten en omstandigheden te stellen (en zo nodig te bewijzen) die dat beroep ondersteunen (zie het arrest van 28 september 2018 van de Hoge Raad, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2018:1810).
2.6
De kantonrechter stelt vast dat de openstaande huurschuld ten tijde van de dagvaarding drie maanden bedroeg. De huurachterstand is tijdens de procedure gelijk gebleven. De ontstane achterstand kwalificeert als een tekortkoming in de nakoming van de voor [gedaagde] uit de huurovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichting. Hoewel de huurachterstand in de loop van deze procedure niet is toegenomen, maakt dat de tekortkoming van [gedaagde] niet ongedaan. Immers, het is blijvend onmogelijk om de niet (tijdig) nagekomen verplichting voortvloeiend uit de huurovereenkomst alsnog tijdig na te komen (zie het arrest van de Hoge Raad van 11 januari 2002, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2002:AD4925). Kortom: met de huurachterstand is sprake van een tekortkoming in de zin van artikel 6:265 lid 1 BW.
2.7
De vraag is of de tekortkoming van [gedaagde] voldoende ernstig is om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde te rechtvaardigen. In de onderhavige zaak is de kantonrechter van oordeel dat de tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning niet kan rechtvaardigen. Daarbij overweegt de kantonrechter dat per 1 januari 2021 het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening (nader te noemen: Besluit) in werking is getreden. In het Besluit is de mogelijkheid opgenomen om signalen van schuldeisers over het bestaan van betalingsachterstanden aan te wijzen op basis waarvan schuldhulpverleners zelf het initiatief moeten nemen voor een intakegesprek met inwoners met schulden (de zogenoemde ‘vroegsignalering’ van schulden). Het doel van het Besluit is om door vroegsignalering ontruiming van woningen als gevolg van schulden te voorkomen. Leystromen heeft ondanks deze wettelijke verplichting geen melding gedaan van de huurachterstand bij de gemeente Oisterwijk.
Ter zitting heeft Leystromen toegelicht dat deze melding niet is gedaan omdat [gedaagde] al jaren wordt begeleid door verschillende instanties. Ook staat het loket bij de gemeente Oisterwijk nog in de kinderschoenen, waardoor een melding niet meteen door de gemeente zou worden opgepakt, aldus Leystromen. Naar het oordeel van de kantonrechter is het voornoemde onvoldoende reden om geen melding conform het Besluit te maken van de huurachterstand. Dat Leystromen in het verleden [gedaagde] hulp heeft geboden, vormt ook geen uitzondering op de meldplicht.
2.8
De kantonrechter overweegt dat het feit dat Leystromen geen melding bij de gemeente Oisterwijk heeft gedaan een omstandigheid is die meeweegt in de beoordeling of de gevorderde ontbinding van een huurovereenkomst gerechtvaardigd is.
In dit geval zijn er bijkomende omstandigheden die maken dat de tekortkoming, gelet op alle omstandigheden van het geval, van onvoldoende gewicht is om de ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen. De kantonrechter heeft daarbij de navolgende omstandigheden betrokken. Leystromen heeft niet weersproken dat [gedaagde] , financiële begeleiding krijgt van het RIBW en met de hulp van het RIBW, heeft geprobeerd om een betalingsregeling te treffen met Leystromen. Daaruit volgt dat zij haar verantwoordelijkheid heeft willen nemen. Voorts is geen sprake geweest van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. De kantonrechter acht de verklaring van [gedaagde] dat zij tijdelijk geen toegang heeft gehad tot de WIA-uitkering door de overgang van het meerderjarigenbewind naar het zelfstandig beheren van haar financiën plausibel. Daartegenover staat dat wel sprake is van een herhaaldelijke wanprestatie, zoals door Leystromen aangevoerd. De laatste huurachterstand dateert echter uit 2019, waardoor met die huurachterstand nu geen rekening meer wordt gehouden. Bovendien wordt in aanmerking genomen dat [gedaagde] (weer) een maandelijks inkomen heeft en de betalingsachterstand gedurende de procedure niet is toegenomen. Leystromen heeft [gedaagde] ter zitting tegengeworpen dat zij zelf geen hulp heeft gezocht bij de Kredietbank om de betalingsachterstand in een vroeger stadium op te lossen. Dat veronderstelt dat [gedaagde] zelf deze weg ook weet te bewandelen. Gelet op het voorgaande had vroegsignalering van schulden in het geval van [gedaagde] dus van meerwaarde kunnen zijn, omdat opties als de Kredietbank dan juist kenbaar kunnen worden.
Verder neemt de kantonrechter in overweging dat [gedaagde] vanwege psychiatrische en verslavingsproblematiek onder behandeling bij het ACT-team van de GGZ staat. [gedaagde] heeft in dat kader eveneens belang bij het behoud van het gehuurde, omdat anders deze hulpverlening alsmede de hulpverlening van het RIBW zal worden doorkruist.
Dientengevolge zullen de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde worden afgewezen. Dat laat onverlet dat [gedaagde] snel een oplossing voor de ontstane huurachterstand moet realiseren en dat zij als gewaarschuwd mens geldt. Bij een nieuwe huurachterstand zal in de toekomst mogelijk anders geoordeeld worden.
2.9
Het voorgaande betekent dat alle overige stellingen en weren met betrekking tot een maandelijks bedrag gelijk aan de huurtermijnen als huur en als gebruiksvergoeding geen behandeling behoeven.
2.10
Leystromen vordert een bedrag van € 235,79 aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter overweegt dat Leystromen, op grond van de met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten samenhangende wettelijke bepalingen, in deze zaak moet aantonen dat zij een kosteloze aanmaning conform artikel 6:96 lid 6 BW heeft verzonden aan [gedaagde] . Gelet op de stellingen van Leystromen en de bij dagvaarding overgelegde brief van 4 juli 2022 heeft zij aan dit wettelijke vereiste voldaan. Het gevorderde bedrag aan vergoeding van de buitengerechtelijke kosten komt vervolgens overeen met de het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief, zodat dit bedrag toewijsbaar is.
2.11
Leystromen vordert vervolgens de wettelijke rente over een bedrag van € 1.956,00 vanaf de dag van de dagvaarding. De kantonrechter constateert dat Leystromen onder punt 4.1 van het lichaam van de dagvaarding de rente al heeft berekend tot en met de datum van de dagvaarding. Dientengevolge zal de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2022 worden toegewezen. Ook de reeds verschenen wettelijke rente zal als niet betwist worden toegewezen.
2.12
[gedaagde] zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van Leystromen worden vastgesteld op € 866,43, bestaande uit € 127,43 aan dagvaardingskosten, € 365,00 aan griffierecht en € 374,00 aan gemachtigdensalaris (2 punten à € 187,00 voor de dagvaarding en voor de zitting). Voor de akte van de zijde van Leystromen van 5 oktober 2022 zal geen salaris worden toegekend nu deze geen bijzondere inhoud heeft.
4 De beslissing
veroordeelt [gedaagde] om aan Leystromen te betalen een bedrag van € 2.198,78 aan huurachterstand tot en met oktober 2022 (inclusief buitengerechtelijke kosten en verschenen rente tot en met 16 augustus 2022), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.956,00 vanaf 17 augustus 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van Leystromen tot op heden vastgesteld op € 866,43, daarin begrepen een bedrag van € 374,00 als salaris voor de gemachtigde van Leystromen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op
7 december 2022.