Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBZWB:2022:387

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
28-01-2022
15-02-2022
19/6080 en 19/6081
Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Rechtspraak.nl
NLF 2022/0418
NTFR 2022/1916 met annotatie van J.J.H. Reijnen LLM
Viditax (FutD) 2022021508
FutD 2022-0559

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/6080 en 19/6081

uitspraak van 28 januari 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2015 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: VPB) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 79.550. Tevens is bij beschikking € 3.596 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2016 een aanslag VPB opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 150.758. Tevens is bij beschikking € 2.639 aan verzuimboete opgelegd en € 4.448 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen VPB 2015 en 2016. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 oktober 2019 de aanslag VPB 2015 gehandhaafd. Bij uitspraak op bezwaar van eveneens 25 oktober 2019 heeft de inspecteur de verzuimboete bij de aanslag VPB 2016 vernietigd en de aanslag voor het overige gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen beide uitspraken beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende tweemaal griffierecht geheven van € 345.

1.5.

De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.6.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende haar gemachtigde mr. J.P.R.C. Vos, verbonden aan Account Adviesgroep te Budel, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.8.

De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal gemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is opgericht op [datum] 2004. Haar activiteiten bestaan uit het houden van aandelen en het financieren van andere ondernemingen. Belanghebbendes middellijk aandeelhouder en bestuurder in 2015 en 2016 is [heer X] .

2.2.

Wegens in 2011, 2012 en 2014 geleden verliezen heeft belanghebbende per 31 december 2014 een bedrag aan te verrekenen verlies van € 200.831. Dit bedrag bestaat uit de volgende verliezen:

2011 € 50.104

2012 € 93.551

2014 € 57.176

2.3.

Belanghebbende heeft op 26 mei 2017 aangifte VPB 2015 gedaan naar een belastbare winst van - € 119.640. Per 31 december 2015 bedraagt het saldo van de langlopende schulden € 4.458.000. Belanghebbende heeft een bedrag van € 400.021 als betaalde rente van deze schulden in aftrek gebracht.

2.4.

Belanghebbende heeft op 1 mei 2018 aangifte VPB 2016 gedaan naar een belastbare winst van € 150.758 en na verliesverrekening een belastbaar bedrag van nihil.

2.5.

Bij brief van 16 augustus 2018 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht de volgende informatie te verstrekken:

“(…)

Schulden aan kredietinstellingen

De vennootschap vermeldt een bedrag aan overige langlopende schulden van

€ 4.458.000. Graag ontvang ik een toelichting op deze schulden.

1. Wanneer zijn deze schulden ontstaan?

2. Waarvoor is dit geld aangewend?

3. Wie is de schuldeiser? Is er direct of indirect sprake van gelieerdheid

tussen de schuldeiser en belastingplichtige?

4. Een structuuroverzicht van belastingplichtige en de met haar verbonden

lichamen in de zin van artikel 10a Wet VPB.

5. Ik verzoek u een kopie van de overeenkomst van geldverstrekking mee te

sturen. Indien er opvolgende overeenkomsten zijn, dan ontvang ik graag

de overeenkomst die bij aanvang van de geldverstrekking is opgesteld.

6. Ik verzoek u een kopie van de jaarrekening 2015 van belastingplichtige

toe te sturen.

Ik verzoek u de gevraagde gegevens aan mij te verstrekken voor 7 september aanstaande.

(…)”

2.6.

Bij e-mail van 29 augustus 2018 verzoekt de gemachtigde van belanghebbende om de termijn te verlengen tot 21 september 2018 gelet op de vakantieperiode.

De inspecteur heeft uitstel verleend tot 1 oktober 2018.

2.7.

Vervolgens heeft de inspecteur bij e-mail van 24 oktober 2018 gevraagd naar een reactie van de gemachtigde. Op dezelfde dag antwoordt de gemachtigde per e-mail waarin hij aangeeft dat hij in de veronderstelling was dat de informatie reeds vóór 21 september 2018 zou zijn verzonden.

2.8.

De gemachtigde stuurt op 20 december 2018 een e-mail met in de bijlagen conceptovereenkomsten. De bijlagen bestaan uit niet ondertekende leningsovereenkomsten tussen belanghebbende en [heer Y] , overeengekomen in 2016, 2017 en 2018. De gemachtigde heeft voorts enkele aflossingsschema’s bijgevoegd.

2.9.

De inspecteur reageert dezelfde dag per e-mail dat de toegezonden stukken betrekking hebben op geldverstrekkingen die hebben plaatsgevonden ná het jaar 2015 en niet relevant zijn voor de aangifte van 2015. De inspecteur stelt belanghebbende alsnog in de gelegenheid de informatie over de aangegeven langlopende schulden vóór 10 januari 2019 te doen toekomen.

2.10.

Bij brief van 15 januari 2019 kondigt de inspecteur aan voornemens te zijn de aftrek van de rente van schulden niet toe te staan, aangezien hij geen informatie heeft ontvangen.

2.11.

De inspecteur heeft de aanslag VPB 2015 op 16 maart 2019 vastgesteld. Het belastbaar bedrag van de aanslag is als volgt vastgesteld:

Belastbare winst aangifte: -/- € 119.640

Correctie rente: € 400.021 +

Belastbare winst aanslag: € 280.381

Carry forward: € 200.831 -

Belastbaar bedrag aanslag: € 79.550

2.12.

De inspecteur heeft de aanslag VPB 2016 op 23 maart 2019 vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 150.758.

2.13.

Tijdens de bezwaarfase heeft de inspecteur bij brief van 8 april 2019 belanghebbende verzocht binnen drie weken dezelfde informatie te verstrekken als waar hij al om had verzocht gedurende de aanslagfase, zie 2.5. Wanneer de inspecteur nog geen reactie heeft ontvangen stuurt hij een brief op 8 mei 2019 waarin belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld alsnog te reageren vóór 29 mei 2019.

2.14.

Op 27 mei 2019 stuurt de gemachtigde een e-mail met de informatie die hij op 20 december 2018 reeds heeft doen toekomen met de jaarrekeningen 2015 en 2016 en een organogram van de entiteit.

2.15.

Bij e-mail van 17 juni 2019 laat de inspecteur weten dat de stukken die zijn ontvangen, niet de stukken zijn die nodig zijn voor de afhandeling van de bezwaarschriften tegen de aanslagen VPB 2015 en 2016. De inspecteur stelt belanghebbende in de gelegenheid om binnen drie weken de leningsovereenkomsten te overleggen die betrekking hebben op de jaren 2015 en 2016.

2.16.

Op 8 juli 2019 stuurt de inspecteur een e-mail waarin hij refereert naar een telefoongesprek met de gemachtigde op 17 juni 2019, waarin is afgesproken de leningsovereenkomsten te overleggen. De inspecteur heeft geen reactie ontvangen en verzoekt alsnog de leningsovereenkomsten te verstrekken vóór 29 juli 2019. Bij brief van 5 augustus 2019 deelt de inspecteur vervolgens mede dat hij geen reactie op zijn vragenbrief heeft ontvangen en stelt hij belanghebbende nog éénmaal in de gelegenheid te reageren vóór 26 augustus 2019.

2.17.

Op 2 september 2019 deelt de inspecteur mede dat hij geen informatie heeft ontvangen, dat hij daardoor het bezwaarschrift inhoudelijk niet kan beoordelen en dat hij voornemens is het bezwaarschrift af te wijzen. Hij geeft de gelegenheid te reageren vóór 23 september 2019. De inspecteur doet uitspraken op bezwaar met dagtekening 25 oktober 2019.

2.18.

De rechtbank ontvangt op 18 november 2021 nadere stukken van de inspecteur. Naar aanleiding van de aangifte VPB 2017 heeft de inspecteur enkele stukken van de gemachtigde ontvangen op 3 juli 2020, waaronder een leningsovereenkomst tussen belanghebbende en [heer Y] die door partijen is ondertekend op 1 april 2014.

2.19.

De rechtbank ontvangt op 19 november 2021 nadere stukken van de gemachtigde ten aanzien van de langlopende schulden alsmede een toelichting daarop. De nadere stukken bestaan uit de volgende documenten:

- een op 1 mei 2012 ondertekende leningsovereenkomst tussen belanghebbende en [heer Y] waarin [heer Y] een lening van € 2.700.000 heeft verstrekt;

- jaarrekening 2012;

- een akte van verpanding overeengekomen tussen belanghebbende en [heer Y] en ondertekend op 1 mei 2012;

- jaarrekening 2014;

- een akte van levering van 15 oktober 2015 met betrekking tot de verkoop van twee panden in [plaats 1] door [heer Y] aan belanghebbende met een totale koopprijs van € 675.000;

- specificatie van de leningen van [heer Y] aan belanghebbende voor het boekjaar 2014 met de achterliggende grootboekrekening;

- specificatie van de leningen van [heer Y] aan belanghebbende voor het boekjaar 2015 met de achterliggende grootboekrekening;

- specificatie van de leningen van [heer Y] aan belanghebbende voor het boekjaar 2016 met de achterliggende grootboekrekening;

- een aflossingsschema;

- een op 1 mei 2016 ondertekende leningsovereenkomst tussen belanghebbende en [heer Y] van € 528.000;

- een op 1 januari 2017 ondertekende leningsovereenkomst tussen belanghebbende en [heer Y] van € 700.000.

2.20.

De op 19 november 2021 overlegde leningsovereenkomst tussen belanghebbende en [heer Y] luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Geldleningovereenkomst

De ondergetekenden:

1. [belanghebbende] , gevestigd [adres 1] , [vestigingsplaats] , hierbij rechtsgeldig middellijk vertegenwoordig door de heren [heer X] en [heer Z] , hierna te noemen: Schuldenaar

en

2. De heer [heer Y] , geboren te Breda op [geboortedatum] , wonende [adres 2] te [woonplaats] , burgerservicenummer [bsn] ;
hierna te noemen: Schuldeiser

zijn overeengekomen als volgt:

1. De Schuldeiser verstrekte, aan de Schuldenaar voor de duur van 5 jaren, tenzij partijen anders overeenkomen, te leen een bedrag van € 2.700.000.- (zegge: twee miljoen zevenhonderd duizend euro), hierna te noemen “de Hoofdsom”, welk, bedrag de Schuldenaar hierbij verklaart ter leen te hebben ontvangen van, en mitsdien aan de Schuldeiser verschuldigd is.

2. De Schuldenaar zal over de Hoofdsom of het restant daarvan een rente betalen van 7,5% procent per jaar, doch tot en met 31 december 2014 wordt een korting van 1,5% verleend en bedraagt de rente 6% bij nabetaling te voldoen. De rente zal verschijnen in maandelijkse termijnen.
(…)
4. Alle betalingen moeten worden gedaan op een bankrekening van de Schuldeiser of zijn rechtverkrijgenden. De Schuldenaar zal zich niet op verrekening kunnen beroepen.

(…)

6. De hoofdsom of het restant daarvan en de daarover verschuldigde rente zal ter stond

opeisbaar zijn in geval van:

- niet tijdige voldoening van de rente op de vervaldagen;

- een aanvraag tot verlening van surseance van betaling danwel een aanvraag of verzoek tot

faillietverklaring bij de rechter is ingediend,

- onder curatelestelling of onderbewindstelling van de Schuldenaar

- een besluit tot beëindiging, ontbinding en/of vereffening van een beroep of bedrijf, tot gehele of gedeeltelijke staking, verkoop of verhuur van de onderneming of de praktijk van de Schuldenaar;

- niet nakoming of overtreding van de Schuldenaar van enige bepaling van deze overeenkomst of van door de wet aan deze opgelegde verplichtingen.

(…)

9. Schuldenaar zal conveniërende zekerheid stellen t.b.v. Schuldeiser middels een pandrecht. (…)

Aldus in tweevoud opgemaakt en getekend, te [woonplaats] 1 mei 2012,”

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de inspecteur over 2015 terecht de aftrek van een bedrag van € 400.021 aan rente heeft geweigerd.

3.2.

Als het bedrag van € 400.021 in 2015 in aftrek kan worden gebracht, is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende over 2015 een verlies van € 119.640 heeft geleden en dat de belastbare winst van € 150.758 over 2016 kan worden verrekend met de verliezen uit 2011 tot en met 2014.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslagen conform de aangiften VPB 2015 en 2016. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Aanslag VPB 2015

4.1.

Belanghebbende stelt dat [heer Y] aan haar leningen heeft verstrekt en dat zij daarover rente heeft betaald. Het verlies over 2015 dient volgens belanghebbende vastgesteld te worden op € 119.640. Belanghebbende stelt dat de banken in de desbetreffende jaren, mede gelet op nog beperkte winstcapaciteit en het hoge investeringsniveau, terughoudend waren met het verstrekken van leningen. [heer Y] , de vader van belanghebbendes middellijk aandeelhouder en bestuurder, [heer X] , was daarom bereid om belanghebbende op zakelijke voorwaarden te financieren. Ter onderbouwing van de leningen en de betaling van de rentelasten wijst belanghebbende op de onderliggende stukken, de boekhouding en de jaarrekeningen. In 2012 is een leningsovereenkomst opgemaakt van de initiële lening van € 2.700.000. Belanghebbende wijst erop dat uit de jaarrekening 2012 is te herleiden dat deze lening volledig is gebruikt om leningen te verstrekken aan haar dochtervennootschap [B.V.] . Op hetzelfde moment dat de initiële leningsovereenkomst is vastgesteld, heeft belanghebbende zekerheid verschaft door middel van verpanding. De additionele leningen die zijn verstrekt in de jaren 2013 (€ 600.000) en 2014 (€ 510.000) zijn niet vastgelegd in overeenkomsten, maar daarvoor gelden dezelfde voorwaarden als in de leningsovereenkomst van 2012. Dat van deze leningen geen overeenkomsten zijn opgemaakt, hoeft geen belemmering te zijn aangezien overeenkomsten mondeling kunnen worden gesloten en de leningen in de boekhouding zijn opgenomen, aldus belanghebbende. Verder heeft belanghebbende in 2015 twee panden van [heer Y] gekocht waarbij een restant van de koopsom van € 648.000 schuldig is gebleven. De totale schuld bedraagt daarmee in het jaar 2015 € 4.458.000. Deze schuld is ook opgenomen in de jaarrekening 2015. Verder voert belanghebbende aan dat zij de leningen in 2020 volledig heeft afgelost toen de onderneming aan een derde is verkocht. De gemachtigde stelt dat de leningsovereenkomst uit 2014 die de inspecteur heeft overgelegd in zijn nader stuk niet juist is. De toenmalige boekhouder heeft de telkens verstrekte leningen willen vastleggen door een overeenkomst op te stellen, maar heeft onjuiste bedragen vermeld.

4.2.

De inspecteur voert aan dat belanghebbende sinds augustus 2018 in de gelegenheid is gesteld stukken te doen toekomen met betrekking tot de leningen waar de renteaftrek van € 400.021 betrekking op had. De inspecteur stelt dat onduidelijk is welke leningen zijn verstrekt, onder welke voorwaarden en door wie. Hij wijst erop dat de bepalingen in de leningsovereenkomst van 1 mei 2012 onduidelijk zijn, dat een aflossingsschema ontbreekt, dat belanghebbende zelf een leningsovereenkomst uit 2014 heeft overgelegd waarin andere bedragen worden genoemd, dat de bijgeleende bedragen uit 2013 en 2014 niet schriftelijk zijn vastgelegd en dat de verpanding onvoldoende zekerheid biedt. Verder betwist de inspecteur dat de leningen afkomstig zijn van [heer Y] uit [land] en dat daadwerkelijk rente is betaald. Mogelijk zijn deze leningen daadwerkelijk afkomstig van een rechtspersoon en is er een constructie opgezet om de leningen via een natuurlijk persoon te laten lopen zodat de wettelijke bepalingen omtrent renteaftrek niet van toepassing zijn waardoor belanghebbende minder belasting verschuldigd is, aldus de inspecteur.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende aan de hand van de nadere stukken en de toelichting ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat leningen door [heer Y] zijn verstrekt aan belanghebbende. Uit de overgelegde leningsovereenkomst van 1 mei 2012 volgt dat [heer Y] een bedrag van € 2.700.000 aan belanghebbende heeft geleend met een looptijd van 5 jaar en een rente van aanvankelijk 6 en later 7,5%. Dat de bewoordingen van de leningsovereenkomst niet geheel helder zijn, doet daaraan niet af. Ook de omstandigheden dat een aflossingsschema ontbreekt en dat de verstrekte zekerheid niet afdoende zou zijn, maken niet dat geen sprake zou zijn van een lening. Uit de overgelegde bescheiden uit de boekhouding van belanghebbende maakt de rechtbank op dat daadwerkelijk rente- en aflossingsbetalingen aan [heer Y] zijn gedaan, deze boekingen komen overeen met hetgeen in de jaarrekening is neergelegd. Ten aanzien van de betaalde rente heeft belanghebbende grootboekrekeningen overgelegd. Ter zitting heeft de gemachtigde uiteengezet dat de daadwerkelijke betaalde rentelasten uit de administratie volgen, dat deze boekingen zijn geverifieerd en dat het eindsaldo aansluit met de bankafschriften. Ook de bijgeleende bedragen van € 600.000 in 2013 en € 510.000 in 2014 sluiten aan bij hetgeen in de jaarrekeningen van 2014 en 2015 en de achterliggende stukken is neergelegd. De rechtbank acht aannemelijk dat deze bedragen zijn bijgeleend onder dezelfde voorwaarden als de lening van 1 mei 2012. Dat een en ander niet schriftelijk is vastgelegd, maakt dit oordeel niet anders.

Aan de inspecteur moet worden toegegeven dat belanghebbende pas op het laatst mogelijke moment deze informatie heeft overgelegd en dat belanghebbende onnodige verwarring heeft gezaaid door bij de beantwoording van vragen bij de aanslagoplegging over 2017 een ondertekende leningsovereenkomst van 1 april 2014 over te leggen. Aangezien de bedragen die in de overeenkomst van 1 april 2014 niet aansluiten bij hetgeen in de grootboekrekening van belanghebbende en in de jaarrekeningen is vastgelegd, legt de rechtbank deze overeenkomst ter zijde en hecht zij geloof aan de verklaring dat deze overeenkomst, hoewel ook deze is ondertekend, op een misverstand berust.

Ter zitting heeft de gemachtigde verder uiteengezet dat de leningen tot stand zijn gekomen omdat de dochtermaatschappij [B.V.] liquiditeiten nodig had en banken niet bereid waren te financieren. De rechtbank acht dit aannemelijk omdat uit de jaarstukken volgt dat de opgenomen bedragen aan [B.V.] zijn doorgeleend. Verder heeft de gemachtigde uiteengezet dat [heer Y] in staat was dergelijke bedragen aan belanghebbende te lenen omdat hij in het verleden zijn onderneming voor een aanzienlijk bedrag heeft verkocht. Voor zover de inspecteur heeft willen stellen dat [heer Y] heeft gefunctioneerd als stroman en de leningsovereenkomst niet op werkelijkheid is gebaseerd, constateert de rechtbank dat de inspecteur niet meer dan een vermoeden heeft geuit dat hij niet nader kan onderbouwen. De rechtbank stelt deze speculaties van de inspecteur dan ook ter zijde. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat de leningen die zijn verwerkt in de jaarrekening van 2015 en in de aangifte Vpb 2015 daadwerkelijk zijn verstrekt en dat de daarover berekende rente is betaald.

4.4.

Dit betekent dat het beroep over 2015 gegrond is. De rentelasten van € 400.021 in 2015 kunnen in aftrek worden gebracht. De aanslag VPB 2015 wordt verminderd. De rechtbank zal het verlies over 2015 op € 119.640 vaststellen.

Aanslag VPB 2016

4.5.

Aangezien de rechtbank het beroep tegen de aanslag VPB 2015 gegrond verklaart en de aanslag conform de aangifte dient te worden opgelegd, heeft dat tot gevolg dat het beroep tegen de aanslag VPB 2016 eveneens gegrond is. Tussen partijen is niet in geschil dat de belastbare winst over 2016 € 150.758 bedraagt en dat belanghebbende op 31 december 2014 over verrekenbare verliezen uit 2011, 2012 en 2014 van € 200.831 beschikte. De rechtbank zal de aanslag verminderen door de belastbare winst over 2016 met deze verliezen te verrekenen. Na verrekening resteert een verlies van € 50.073 uit 2014.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

Doordat de beroepen door de rechtbank gegrond zijn verklaard dient de inspecteur het bij de rechtbank betaalde griffierecht van twee maal € 345 aan belanghebbende te vergoeden.

5.2.

Met betrekking tot de vergoeding van proceskosten geldt het volgende. Wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, komen in de regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 Awb in aanmerking. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelswijze van belanghebbende.1 De rechtbank is van oordeel dat deze uitzonderingssituatie zich in het onderhavige geval voordoet. Na zijn brief van 16 augustus 2018 heeft de inspecteur belanghebbende vele malen in de gelegenheid gesteld informatie te geven over de langlopende schulden (zie 2.5. e.v.). Belanghebbende heeft er echter voor gekozen pas daags voor de zitting op 19 november 2021 zijn beroepschrift nader te motiveren en de relevante informatie te verstrekken over de in geschil zijnde leningen. De rechtbank ziet niet in waarom belanghebbende deze informatie niet in een veel eerder stadium heeft verstrekt aan de inspecteur. Desgevraagd heeft de gemachtigde daarvoor geen afdoende verklaring gegeven. Met name de leningsovereenkomst van 1 mei 2012 had in een veel eerder stadium kunnen worden overgelegd, gelet op de verklaring van de gemachtigde ter zitting dat hij bij het opstellen van de jaarrekening over 2012 de beschikking heeft gehad over die leningsovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat de noodzaak tot het instellen van beroep daarom uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende waardoor de rechtbank geen aanleiding ziet de inspecteur te veroordelen in de proceskosten, omdat geen sprake is van kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, met uitzondering van de beslissing met betrekking tot de verzuimboete in de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de aanslag VPB 2016;

  • -

    vermindert de aanslag VPB 2015 naar een belastbaar bedrag van nihil;

  • -

    stelt het verlies over 2015 vast op € 119.640;

  • -

    vermindert de aanslag VPB 2016 naar een belastbaar bedrag van nihil;

  • -

    verrekent de belastbare winst van € 150.758 over 2016 met de vastgestelde verliezen over 2011, 2012 en 2014;

  • -

    vermindert de bij de aanslagen VPB 2015 en 2016 gegeven rentebeschikkingen dienovereenkomstig;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van twee maal € 345, totaal € 690, aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. van der Vegt, voorzitter, mr. drs. P.C. van der Vegt en mr. H.J. Cosijn, rechters, in aanwezigheid van mr. I.H.M. Fluitsma, griffier, op 28 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. De rechters die deze uitspraak hebben gedaan, zijn normaal gesproken als raadsheer werkzaam bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij zijn in 2021 als rechter-plaatsvervanger gedetacheerd bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Een eventueel hoger beroep moet worden ingediend bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, maar zal worden behandeld door raadsheren van het gerechtshof Den Haag, dat als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is aangewezen.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:173 en HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.