De op 19 november 2021 overlegde leningsovereenkomst tussen belanghebbende en [heer Y] luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
De ondergetekenden:
1. [belanghebbende] , gevestigd [adres 1] , [vestigingsplaats] , hierbij rechtsgeldig middellijk vertegenwoordig door de heren [heer X] en [heer Z] , hierna te noemen: Schuldenaar
en
2. De heer [heer Y] , geboren te Breda op [geboortedatum] , wonende [adres 2] te [woonplaats] , burgerservicenummer [bsn] ;
hierna te noemen: Schuldeiser
zijn overeengekomen als volgt:
1. De Schuldeiser verstrekte, aan de Schuldenaar voor de duur van 5 jaren, tenzij partijen anders overeenkomen, te leen een bedrag van € 2.700.000.- (zegge: twee miljoen zevenhonderd duizend euro), hierna te noemen “de Hoofdsom”, welk, bedrag de Schuldenaar hierbij verklaart ter leen te hebben ontvangen van, en mitsdien aan de Schuldeiser verschuldigd is.
2. De Schuldenaar zal over de Hoofdsom of het restant daarvan een rente betalen van 7,5% procent per jaar, doch tot en met 31 december 2014 wordt een korting van 1,5% verleend en bedraagt de rente 6% bij nabetaling te voldoen. De rente zal verschijnen in maandelijkse termijnen.
(…)
4. Alle betalingen moeten worden gedaan op een bankrekening van de Schuldeiser of zijn rechtverkrijgenden. De Schuldenaar zal zich niet op verrekening kunnen beroepen.
(…)
6. De hoofdsom of het restant daarvan en de daarover verschuldigde rente zal ter stond
opeisbaar zijn in geval van:
- niet tijdige voldoening van de rente op de vervaldagen;
- een aanvraag tot verlening van surseance van betaling danwel een aanvraag of verzoek tot
faillietverklaring bij de rechter is ingediend,
- onder curatelestelling of onderbewindstelling van de Schuldenaar
- een besluit tot beëindiging, ontbinding en/of vereffening van een beroep of bedrijf, tot gehele of gedeeltelijke staking, verkoop of verhuur van de onderneming of de praktijk van de Schuldenaar;
- niet nakoming of overtreding van de Schuldenaar van enige bepaling van deze overeenkomst of van door de wet aan deze opgelegde verplichtingen.
(…)
9. Schuldenaar zal conveniërende zekerheid stellen t.b.v. Schuldeiser middels een pandrecht. (…)
Aldus in tweevoud opgemaakt en getekend, te [woonplaats] 1 mei 2012,”