4.3
Het oordeel van de rechtbank
[slachtoffer]
1 heeft aangifte gedaan waarin hij verklaarde dat hij op 25 november 2014 in een auto reed in Oosterhout. Die auto viel enkele malen stil. Er reed een politiebus achter hem, die hem op een gegeven moment voorbijreed en schuin voor hem stopte, zodat [slachtoffer] ook stopte. [slachtoffer] wist dat de bestuurder van de politiebus [naam 1] (de rechtbank begrijpt: [naam 1] ) heette en de bijrijder [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] (hierna: verdachte)).
Beide in de politiebus aanwezige agenten kwamen naar de auto waarin [slachtoffer] zat toe. [slachtoffer] moest zijn deur openen. [slachtoffer] probeerde mee te werken, hoorde klappen en zag dat verdachte tegen de ruit aan de bijrijderskant sloeg. Ook hoorde hij [naam 1] tegen verdachte zeggen dat er een hamertje is voor het intikken van een ruit. [slachtoffer] schrok en is weg gereden. Op dat moment schoten de agenten in de richting van de auto van [slachtoffer] . [slachtoffer] hoorde zeven of acht schoten, hoorde inslagen in de auto en zag dat er een ruit uitklapte.
[naam 1]
2 heeft verklaard dat hij op 25 november 2014 te Oosterhout een politiewagen bestuurde en dat verdachte zijn bijrijder was. [naam 1] kwam achter een Mercedes te rijden en hij vertelde verdachte dat de bestuurder volgens hem [slachtoffer] was, die nog duizenden Euro’s aan boetes open zou hebben staan. Nadat de Mercedes de eerste keer stopte en weer wegreed, had [naam 1] tegen verdachte gezegd dat hij zeker wist dat de bestuurder de bewuste [slachtoffer] was. Omdat deze niet voldeed aan het gegeven stopteken en evenmin reageerde op de optische - en geluidssignalen, volgde een achtervolging.
Nadat de Mercedes was gestopt - [naam 1] had de politieauto met de rechter achterwielkas tegen de linker voorzijde van de Mercedes gezet - wilde [slachtoffer] de autodeur niet openen. Hij deed even zijn handen omhoog, maar ging daarna meteen weer naar zijn stuur en richting het contactslot. [naam 1] sloeg met een lampje in zijn hand op het bestuurderszijraam, verdachte sloeg met de vlakke hand op het bijrijdersraam. [naam 1] adviseerde verdachte om een lifehammer te pakken uit de voor de Mercedes staande politiebus. Op het moment dat verdachte voor de Mercedes langs liep, richting de politiebus, werd de Mercedes gestart en trok [slachtoffer] heel snel op. Omdat [naam 1] ervan overtuigd was dat zijn collega werd doodgereden en om zijn collega te redden, pakte hij zijn dienstwapen, richtte op het linker achterwiel en schoot één kogel door het linker achterspatbord van de Mercedes.
[naam 1] keek daarna naar rechts, zag verdachte in de berm naast de rechterrijbaan staan en zag en hoorde hem meermalen met zijn dienstwapen op de wegrijdende Mercedes schieten.
Verdachte3 heeft verklaard dat zijn dienstwapen, een Walther P5, was geladen met acht patronen en was doorgeladen, zodat een van de patronen in de kamer zat.
Voorts heeft hij verklaard dat - na een achtervolging - [naam 1] de politieauto schuin voor de Mercedes had geplaatst. Hij ging met [naam 1] naar de auto van [slachtoffer] - [naam 1] naar de bestuurderszijde en hijzelf naar de bijrijderszijde - teneinde hem aan te houden. [slachtoffer] opende de deuren van de Mercedes niet. Hierop heeft verdachte met zijn hand op het zijraam aan de bestuurderszijde geslagen. [naam 1] riep naar hem: “pak een lifehammer” en vervolgens liep verdachte naar de politiebus om een lifehammer te pakken. Verdachte herinnerde zich nog dat de Mercedes richting hem indraaide, dat de Mercedes op hem afreed, dat de bestuurder van de Mercedes hem recht in de ogen aankeek, dat hij opzij sprong, dat hij zijn vuurwapen heeft getrokken en vervolgens heeft geschoten. Hij heeft één schot van zichzelf gehoord en daarna ontstond er voor hem “een zwart gat”. Toen verdachte weer bij zijn positieven kwam, zag hij dat de slede van zijn wapen naar achter “open’ stond en concludeerde verdachte dat hij alle kogels moet hebben afgevuurd. Hij heeft verklaard dat hij gebruik gemaakt heeft van zijn vuurwapen om de auto te doen stoppen. Hij heeft verklaard niet meer te weten op welk deel van de auto hij heeft gericht.
Verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4]4 hebben de Mercedes personenauto waarin [slachtoffer] reed, onderzocht op schotbeschadigingen en zagen dat in de bumper aan de linker achterzijde van het voertuig een inschotbeschadiging aanwezig was. Zij zagen dat dit schot aan de binnenzijde van de wielkas was uitgetreden en in de linker achterband was gekomen (stickermarkering 1, foto 24).
Verbalisanten zagen verder bij stickermarkering 2 (foto 25) een inschotbeschadiging aan de rechterzijde van de achterbumper. Zij zagen dat dit schot de bumper had doorboord en vermoedelijk in de carrosserie van het voertuig terecht was gekomen. Verder zagen verbalisanten dat het glas en de daarachter liggende reflector van de rechter achterlichtunit waren doorboord (stickermarkering 3, foto 26 en 27). Ook hier werd geen projectiel meer aangetroffen.
Verbalisanten zagen in het spatscherm boven het rechterachterwiel (linker sticker met nummer 4 op foto 28) een inschotbeschadiging die vervolgens was uitgetreden aan de buitenzijde van de wielkas van het rechterachterwiel (rechterstickermarkering 4 op foto 28).
In het portier van de bijrijder, net boven de stootstrip op het portier, zagen verbalisanten een inschotbeschadiging die werd gemarkeerd met stickernummer 5 (foto 29 en 30). Zij zagen dat dit schot aan de binnenzijde van het portier was uitgetreden en vervolgens in het zekeringenkastje was geëindigd aan het rechtervoeteneind aan de bijrijderszijde (zie foto 31). In dit zekeringenkastje troffen verbalisanten een kogelpunt aan.
De portierruit van het rechterachterportier vertoonde op de plaats delict een beschadiging aan de linker onderzijde (van buitenaf gezien). Bij het transport door het bergingsbedrijf is deze beschadigde ruit in zijn geheel eruit gevallen. Deze ruit werd voorzien van stickermarkering 6 (foto 32). Het gat in deze portierruit, zoals dat werd geconstateerd op de plaats delict, past in het beeld van een schotbeschadiging. Het bijbehorende projectiel werd niet meer aangetroffen.
Verbalisanten zagen verder dat de stootstrip van de rechterachterdeur, die werd aangetroffen op de plaats delict bij markering 10, een beschadiging vertoonde die paste in het beeld van een schotbeschadiging (foto 7). Deze strip werd ten behoeve van reconstructiedoeleinden
vastgeplakt op het portier. De beschadiging aan de strip en het portier vertoonde, bij onderzoek met een sonde, een richtingscomponent die erop wees dat een schot vanaf de (rechter)achterzijde de stootstrip had geraakt en vervolgens via het portier zijn weg had vervolgd (foto 34). In het portier werd verder geen inschot aangetroffen hetgeen verbalisanten doet vermoeden dat het projectiel naar rechts is afgeketst. Deze beschadiging aan de stootstrip/portier werd op de foto voorzien van markering 7.
Het feit dat het ruitje aan de rechterzijde, tussen de C- en de D-stijl in zijn geheel was vernield zou kunnen passen bij een schotbeschadiging, dit in combinatie met glas dat op de plaats delict was achtergebleven op de rijbaan van de [straatnaam] (bij nummer 4 op de situatietekening in bijlage 2).
Verbalisanten zagen aan de vorm en positie van de inschotbeschadigingen dat de beschadiging bij stickermarkering 1 het voertuig had geraakt van de (linker)achterzijde. De overige inschotbeschadigingen hebben het voertuig vermoedelijk getroffen vanaf de rechterzijde en de achterzijde van het voertuig.
Verdachte5 heeft op de zitting verklaard dat hij met zijn collega [naam 1] de Mercedes ML 55 AMG waarin [slachtoffer] op 25 november 2014 reed, tot stoppen probeerde te brengen. Nadat die Mercedes wederom stilviel, had verdachte getracht die auto te openen. Hij was op weg om uit de politiebus een lifehammer pakken, waarna [slachtoffer] op hem was ingereden. Verdachte kon opzij springen en heeft vervolgens zijn dienstpistool gepakt en op de wegrijdende Mercedes geschoten. Hij heeft verklaard dat de auto voor hem een zwart vlak was en dat hij op dat vlak heeft geschoten.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte acht schoten heeft gelost op de wegrijdende personenauto, waarvan zes kogels dat voertuig ook daadwerkelijk hebben geraakt. Aan de rechtbank ligt thans de vraag voor of verdachte zich door zo te handelen schuldig heeft gemaakt aan een poging om die [slachtoffer] te doden, althans om hem ernstig letsel toe te brengen.
Het opzet
De rechtbank stelt voorop dat het dossier geen aanleiding biedt om aan te nemen dat verdachte de bedoeling had om [slachtoffer] te doden, zodat de rechtbank aanneemt dat zijn opzet daarop niet gericht was.
Voorwaardelijk opzet
Verdachte heeft zich, door ervoor te kiezen de auto middels het lossen van schoten tot stoppen te brengen, wel bewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer] zou doden en hij heeft die kans ook bewust aanvaard.
Gebleken is dat hij niet gericht op de banden van die auto heeft geschoten, maar aanmerkelijk hoger, te weten (ook) op romphoogte, terwijl hij zich op zeer korte afstand van die – bewegende - auto bevond.
Gelet op de bevindingen uit het Forensisch Onderzoek hadden meerdere schoten, met name de kogels die het passagiersportier en het rechterachterportier raakten alsmede de kogel die de rechter achterruit raakte, [slachtoffer] direct, dan wel door middel van ricochet, dodelijk kunnen raken.
Voorts is door de raadsman aangevoerd dat als gevolg van de acute dreiging de hogere cognitieve centra van verdachte zijn lamgelegd. Daardoor heeft verdachte nooit de kans gehad in deze split-second situatie om tot enig wilsbesluit te kunnen komen, aldus de raadsman. Ter staving van het verweer heeft de raadsman verwezen naar de rapportage van psychiater Mol en het door de verdediging overlegde schrijven van de heer [naam 2] .
De rechtbank verwerpt het verweer. Verdachte heeft verklaard op de auto geschoten te hebben ten einde deze “te doen stoppen”.6 Dat is een wilsbesluit met een daarop volgende gedraging die naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.
Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het opzet van verdachte, zij het in de voorwaardelijke zin, was gericht op het doden van [slachtoffer] en zal zij de primair verweten poging tot doodslag bewezen verklaren.