4.1
Vaststaande feiten en omstandigheden
Op 10 augustus 2015 omstreeks 17.10 uur kreeg de meldkamer van de politie de 112-melding van een schietincident op het parkeerterrein van het Tweesteden ziekenhuis te Waalwijk, gelegen aan de Kasteellaan 2 in Waalwijk.1
De melder zei dat er net een vrouw was doodgeschoten in haar auto en dat hij het voor zijn ogen zag gebeuren. Hij zei verder dat hij kwam aanrijden om zijn schoonzus op te halen. Hij reed in de straat naar de achterom ingang en in één keer reed een auto voor zijn neus heel hard weg en ging in één keer vol op de rem staan. Er stond een auto geparkeerd waar net een mevrouw in zat en hij zag hem (de rechtbank begrijpt de bestuurder van de auto die voor de neus van de melder hard weg reed) meerdere malen schieten met een geluiddemper op zijn geweer.2
De politie is vervolgens op 10 augustus 2015 omstreeks 17.16 uur ter plaatse gekomen. Bij het benaderen van de door de melder genoemde auto, een Kia Rio met kenteken [kenteken] , zag de politie dat de ruit van het bijrijdersportier versplinterd was en dat er ongeveer in het midden een gat zat. De portieren van de Kia Rio waren dicht. Het glas van de bestuurdersportier was versplinterd met in het midden een gat. De politiemensen zagen door het gat een vrouw op de bestuurderstoel zitten. Zij zat licht onderuit gezakt en haar hoofd hing wat naar links richting deurstijl. Er kwam veel bloed uit het hoofd van deze vrouw. De melder, die bij de politie stond, wees op twee patronen op ongeveer 3 a 4 meter afstand van de Kia Rio. De politie heeft de vrouw uit de auto gehaald.3 Zij bleek toen al te zijn overleden.4
Het stoffelijk overschot is op 10 augustus 2015 te 17.45 uur in beslag genomen en is overgebracht naar het mortuarium Zuylen te Breda. Het stoffelijk overschot werd geïdentificeerd door middel van het rijbewijs en het kenteken van het voertuig waar het slachtoffer in zat. De overledene betrof: [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] .5
Op 12 augustus 2015 vond bij het uitvaartcentrum Zuylen te Breda een identificatie plaats van het slachtoffer. [voornaam vader slachtoffer] [slachtoffer] herkende het slachtoffer als zijnde zijn dochter [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] . [voornaam broer slachtoffer] [slachtoffer] en [voornaam] [slachtoffer] herkenden het slachtoffer als hun zus [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] .6
De gerechtelijke sectie op het slachtoffer werd verricht bij het Nederlands Forensisch Instituut te ’s-Gravenhage. Tijdens de gerechtelijke sectie werd in het weefsel van de rechterschouder van de overledene een kogel aangetroffen (AAIE3667NL). In haar schedel bevond zich eveneens een kogel (AAIE3668NL). Deze kogels werden aan de politie overgedragen.7
Er waren aan het lichaam vier voor schotletsel verdachte letsels waar te nemen, te weten links in de behaarde hoofdhuid, ter plaatse van het linkeroog, op de rechterwang en links in de nek. Er waren in relatie met deze schotverwondingen schotkanalen te herleiden:
- in relatie met het letsel bij de behaarde hoofdhuid links een schotkanaal van links naar rechts en van achter naar voren, naar het letsel op de rechter wang.
- in relatie met het letsel ter plaatse van het linker oog een schotkanaal van links naar rechts en van voor naar achter; in het schotkanaal waren de hersenstam en de kleine hersenen geraakt;
- in relatie met het letsel in de nek (links) een schotkanaal van links naar rechts door de weke delen van de nek en de schouder.
Het betrof - als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld op het lichaam aan het hoofd, het gezicht en in de nek - in totaal vier perforaties met het aspect van een schotverwonding en er waren twee projectielen in het lichaam. Er waren in relatie hiermee twee inschoten en een doorschotverwonding te herleiden. Het overlijden wordt door het oplopen van de schotletsels zonder meer verklaard door functieverlies van de hersenen/hersenstam.
De conclusie van de sectie is dat [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] , 28 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van verwikkelingen van meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld (schotletsels) op het lichaam.8
Op dinsdag 11 augustus 2015 heeft verdachte zich gemeld bij het politiebureau in Roosendaal9.
Verdachte heeft verklaard dat hij vóór 10 augustus 2015 een vuurwapen had gekocht en op 10 augustus 2015 in zijn auto met dit vuurwapen naar het ziekenhuis in Waalwijk, alwaar [voornamen slachtoffer] op dat moment zou werken, is gereden. Verdachte heeft gezegd zich te herinneren dat hij [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] uit het ziekenhuis zag komen lopen en dat hij toen naar het parkeerterrein is gereden waar haar auto stond. [voornamen slachtoffer] zat al in haar auto toen hij bij haar auto aankwam. Hij heeft zijn auto achter haar auto gezet, is uitgestapt en is met het vuurwapen naar de auto van [voornamen slachtoffer] gelopen. Hij reed even later met zijn auto op de snelweg en is toen naar [getuige] in Eindhoven gereden. Hij is aldaar met zijn vuurwapen in een rugtas de woning van [getuige] binnen gegaan.10
[getuige] heeft verklaard dat verdachte op 10 augustus 2015 omstreeks 20.00 uur voor haar deur stond. Zij heeft hem binnengelaten. Verdachte heeft die avond een vuurwapen uit zijn tas gehaald. Dat wapen heeft hij die avond in de kelder van haar woning gelegd.11
In de woning van [getuige] in Eindhoven is op 11 augustus 2015 een doorzoeking verricht. In de berging werd in een lade van een vrieskast in een draagtas een geel stuk textiel aangetroffen. Na uitvouwen van dit stuk textiel bleek dat hierin een vuurwapen zat. Het vuurwapen [AAIM7004NL] was voorzien van een patroonhouder. Deze werd uit het wapen verwijderd. In de patroonhouder zaten drie patronen. Deze waren allen van het kaliber 7.65 en van het merk S&B (Sellier en Berlot).
Op de vloer van de berging lag een plastic zak van “Albert Heijn”. In deze zak werd een geluiddemper voor een vuurwapen aangetroffen. Over de uiteinden van deze geluiddemper zat een grijze stoffen handschoen van het merk Thinsulate geschoven (linker over loopzijde en rechter over schroefdraadzijde).
Door het Team Forensische Opsporing werd onderzoek verricht op de plaats delict. Door het ter plaatse op het parkeerterrein aanwezige politiepersoneel werd verteld dat zij drie hulzen op straat hadden aangetroffen in de buurt van de auto en dat ze pylonen over de hulzen heen hadden gezet. Op de bestrating van het voornoemde parkeerterrein, waar door het politiepersoneel de drie pylonen waren weggezet, zijn vervolgens drie hulzen veiliggesteld en verpakt [SIN AAGH8094NL, AAGH8095NL en AAGH8096NL]. Deze aangetroffen hulzen [3] waren alle voorzien van een bodemstempel merk S&B, met kaliber 7.65 mm.12
Door het NFI is onderzoek aan het wapen en de munitie verricht.
Het te onderzoeken materiaal bestond uit de volgende voorwerpen voorzien van de volgende SIN-nummers:
AAIE3667NL Munitie (Kogelpunt die in het lichaam van [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] is aangetroffen)
AAIE3668NL Munitie (Kogelpunt die in het lichaam van [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] is aangetroffen)
AAIM7004NL Vuurwapen (Pistool, aangetroffen in de woning van [getuige] )
Bij het vergelijkend kogel- en hulsonderzoek werden de sporen die vuurwapens in kogels en hulzen achterlaten met elkaar vergeleken.
Resultaten
Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen de sporen in de kogels en die in de proefkogels uit het pistool is gebleken dat de kraslijnen in de groeven aansluitingen vormen.
Conclusie van de resultaten
Er zijn aanwijzingen gevonden dat de kogels [AAIE3667NL en -68NL] afkomstig zijn
uit de loop van het pistool [AAIM7004NL]. De sterkte van deze aanwijzingen wordt
hieronder toegelicht. Voor de twee kogels [AAIE3667NL en -68NL], die het best passen bij het kaliber 7,65 mm Browning, en pistool [AAIM7004NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:
Hypothese 1: De kogels zijn afgevuurd uit de loop van het pistool.
Hypothese 2: De kogels zijn afgevuurd uit één of twee andere lopen van hetzelfde
kaliber en met dezelfde systeem kenmerken als de loop van het pistool.
De bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek zijn minimaal zeer veel
waarschijnlijker (10.000 tot 1.000.000 maal) wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.13
De rechtbank concludeert uit deze bevindingen dat het vuurwapen waarmee [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] is gedood, hetzelfde vuurwapen is dat in de woning van [getuige] is aangetroffen.
Gelet op al deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die op 10 augustus 2015 met een vuurwapen opzettelijk drie kogels op het hoofd en lichaam van [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] heeft afgevuurd, ten gevolge waarvan zij is overleden.
4.2
De vraag waarvoor de rechtbank zich thans gesteld ziet is of er sprake is van moord of doodslag.
- Inleiding
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.
Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
- Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht moord bewezen.
- Het scenario van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij op 10 augustus 2015 van plan was om zelfmoord te plegen voor de ogen van zijn ex-vriendin [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] . Hij is naar eigen zeggen, toen hij met zijn auto achter de auto van [voornamen slachtoffer] is gaan staan, uitgestapt met het wapen in zijn handen en naar de auto waar [voornamen slachtoffer] op dat moment in zat, gelopen. Links van haar auto is hij op enige meters afstand stil gaan staan. Hij heeft toen het vuurwapen onder zijn kin gezet. Volgens verdachte deed [voornamen slachtoffer] toen haar duim omhoog en maakte een gebaar alsof ze wilde zeggen: “Doe het maar.” Vervolgens is er iets bij hem geknapt. Hij kwam in een waas en heeft toen kennelijk op [voornamen slachtoffer] geschoten.
Verdachte ontkent [voornamen slachtoffer] met voorbedachten rade te hebben gedood.
- Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt het volgende vast.
Door [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] en [getuige 2] werden al langere tijd voorafgaande aan het gebeuren op 10 augustus 2015 telefoongesprekken en WhatsApp-gesprekken opgenomen. Deze gesprekken zijn bewaard gebleven en zijn toegevoegd aan het dossier. In een gesprek op 2 augustus 2015 heeft [voornaam getuige 2] tegen [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] gezegd: “... hij zei ik ga een ding kopen, ik ga mijn auto verkopen, ik ga een ding aanschaffen en ik knal [voornamen slachtoffer] neer, leg [getuige 4] neer en daarna mezelf neer.....”.14 Uit de context van dit gesprek maakt de rechtbank op dat met “hij” verdachte wordt bedoeld.
Op 3 augustus 2015 heeft [voornaam getuige 2] met [getuige 3] gebeld. [voornaam getuige 2] heeft in dat gesprek gezegd dat [verdachte] zijn auto weg wilde doen, een pistool wilde kopen en [voornamen slachtoffer] en [getuige 4] neer wilde knallen. [voornaam getuige 2] heeft gezegd dat het een serieuze bedreiging is.15
Op 9 augustus 2015 omstreeks 17.40 uur (de rechtbank concludeert uit de context van dit gesprek dat dit gesprek op 10 augustus 2015 omstreeks 17.40 uur was) heeft [voornaam getuige 2] naar het telefoonnummer van verdachte gebeld. Zij kreeg een vrouw aan de lijn en zij vertelt die vrouw dat verdachte had gezegd “ik pak ze echt, als ik naar beneden ga, gaat zij met me mee” en hij heeft haar neergeknald.16
Op 10 augustus 2015 omstreeks 21.32 uur heeft [voornaam getuige 2] gebeld met een collega. Zij heeft verteld dat verdachte [voornamen slachtoffer] heeft dood geschoten. Volgens [voornaam getuige 2] had verdachte gisteravond gezegd dat hij een pistool ging kopen en dat het dan klaar was. Hij zou iedereen naar beneden trekken. [voornaam getuige 2] heeft gezegd dat het er dik in zit dat verdachte iedereen wat aan gaat doen en dan zichzelf.17
In de elektronische agenda (“calendar”) in de mobiele telefoon van verdachte stond op 10 augustus 2015 vermeld: “ [voornamen slachtoffer] vakantie voorbij”.18
Verdachte heeft over de gebeurtenissen op 10 augustus 2015 verklaard dat hij eerst naar Tilburg was gereden omdat hij dacht dat [voornamen slachtoffer] die dag in het ziekenhuis in Tilburg zou werken. Toen hij merkte dat haar auto daar niet geparkeerd stond, is hij naar het ziekenhuis in Waalwijk gereden. Hij zag aldaar de auto van [voornamen slachtoffer] op het parkeerterrein bij het ziekenhuis staan. Hij is toen met zijn auto verderop in de wijk gaan staan. Even vóór 16.30 uur is hij weer vanuit de wijk richting ziekenhuis gereden. Het was volgens hem tegen 16.30 uur, omdat hij wist dat [voornamen slachtoffer] ook wel eens tot 16.30 uur werkte. Hij heeft toen zijn auto geparkeerd in een parkeervak, op een afstand van en met zicht op de personeelsuitgang van het ziekenhuis en met zicht op de auto van [voornamen slachtoffer] . Toen hij [voornamen slachtoffer] naar buiten zag lopen, is hij naar de parkeerplaats waar de auto van [voornamen slachtoffer] stond gereden.
Verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen met daarop de demper, dat hij in zijn hand had toen hij op 10 augustus 2015 naar de auto van [voornamen slachtoffer] liep, een aantal dagen vóór 10 augustus 2015 had gekocht.19
De verklaring van verdachte dat hij zijn auto heeft geparkeerd in een parkeervak met zicht op de auto van [voornamen slachtoffer] , die op de parkeerplaats van het ziekenhuis stond, wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 5] , die op 10 augustus 2015 omstreeks 16.44 uur op de Maylaan in Waalwijk liep. Hij zag toen op een parkeerplaats een blauwe auto staan met daarin een man met een getatoeëerde linker arm. Het betrof een blanke man van ongeveer 35 jaar. Omstreeks 17.15 uur kwamen ambulances en toen was die blauwe auto weg. De auto stond met de neus in de richting van het ziekenhuis.20
Op de door de getuige [getuige 5] aangewezen parkeerplaats trof de politie drie filter sigarettenpeuken aan van het merk Marlboro. Deze peuken zijn opgepakt en veiliggesteld.21
Deze peuken zijn vervolgens gewaarmerkt en voorzien van de SIN-nummers AAIE3810NL, AAIE3811NL en AAIV3327NL.22
Het papier dat om de filter van de peuken zat is bemonsterd en onderworpen aan een vergelijkend DNA-onderzoek waarbij het DNA-profiel van verdachte is betrokken. Dit onderzoek gaf als resultaat dat het celmateriaal van de 3 bemonsteringen afkomstig kan zijn van het DNA-profiel van verdachte met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard.23
De rechtbank leidt hieruit af dat de peuken afkomstig zijn van verdachte en dat hij op de parkeerplaats aan de Maylaan, voorafgaande aan het schietincident in elk geval 3 sigaretten heeft gerookt. Uit de verklaring van verdachte en van getuige [getuige 5] leidt de rechtbank voorts af dat verdachte in elk geval een half uur op de parkeerplaats aan de Maylaan geparkeerd heeft gestaan, voordat hij de parkeerplaats waar de auto van [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] stond, is opgereden.
De rechtbank stelt verder vast dat getuige [getuige 6] , de enige ooggetuige van het schietincident en tevens degene die de eerder genoemde 112-melding heeft gedaan, op 10 augustus 2015, minder dan twee uur na deze gebeurtenis, heeft verklaard dat de bestuurder van de auto op 10 augustus 2015, omstreeks 17.00 uur, uitstapte en met een getrokken wapen op de auto afliep waar die bestuurder achter stil was gaan staan. Die bestuurder had een pistool met een geluiddemper erop in zijn hand en schoot drie keer op de inzittende aan de bestuurderskant van dat voertuig.24
Op 11 augustus 2015 heeft [getuige 6] zijn verklaring gepreciseerd. Hij heeft toen verklaard dat hij zag dat de bestuurder het pistool in zijn rechterhand had en dat pistool met zijn linkerhand ondersteunde. Toen de bestuurder naar de auto van het latere slachtoffer liep, zag hij dat de bestuurder het wapen redelijk ver gestrekt naar voren gericht hield. [getuige 6] heeft vervolgens verklaard: “Toen reed ik ter hoogte, net voor de achterkant van zijn auto en ik zag dat de man bij de bestuurderskant van de auto stond waar hij achter tot stilstand was gekomen. Ik zag dat de man in de auto keek en vervolgens met twee handen gericht in de auto vuurde. Op dat moment zag ik de man aan zijn rechterkant waar hij het pistool vasthield. Ik zie die man voor dat raam staat er ik heb drie knallen gehoord en ik heb glas horen breken.“ en “In mijn ogen zie ik hem kijken in de auto en zie ik hem een soort van draaien met zijn pistool in de auto en hoorde ik nog twee schoten. Er zat wat meer tijd tussen het eerste en tweede schot. Het tweede en derde schot kwam direct achter elkaar.” en “Zijn houding van een beetje gebukt, het eerste schot was rechtdoor en daarna heeft hij zich en beetje gedraaid en loste nog twee schoten.” Voorts heeft [getuige 6] verklaard dat de bestuurder handschoenen droeg.25
De raadsman heeft ten aanzien van de verklaringen van [getuige 6] aangevoerd dat hij achteraf dingen heeft gereconstrueerd en dat het goed mogelijk is dat hij heeft gemist dat verdachte het vuurwapen kort op zichzelf gericht heeft.
De rechtbank is hieromtrent van oordeel dat er geen reden is om te denken dat de hiervoor aangehaalde verklaringen van de getuige [getuige 6] “gereconstrueerd” zouden zijn. Deze verklaringen zijn immers vlak na het gebeuren afgelegd en zijn op belangrijke onderdelen gedetailleerd en consistent. Voorts worden met name de verklaring van 11 augustus 2015 over het aantal schoten en de wijze van schieten ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals het hiervoor genoemde sectierapport en de hierna nog te vermelden verklaring van [getuige] . Wat betreft de mogelijkheid dat [getuige 6] zou hebben gemist dat verdachte het wapen onder zijn kin heeft gezet, merkt de rechtbank op dat [getuige 6] op 19 november 2015, nadat blijkbaar in de krant had gestaan dat verdachte [eerst] het pistool op zijn kin had gezet voordat hij [voornamen slachtoffer] doodde, uit zichzelf naar de politie heeft gebeld met de mededeling dat dat een leugen was en dat verdachte helemaal niet het pistool op zijn kin heeft gezet. Volgens [getuige 6] was verdachte rechtstreeks naar de auto van [voornamen slachtoffer] gelopen met het wapen recht voor zich.
Dit duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat [getuige 6] in zijn waarnemingen niets heeft gemist.
[getuige] heeft op 11 augustus 2015 omstreeks 20.40 uur een verklaring afgelegd. [getuige] heeft verklaard dat zij op maandagmorgen 10 augustus 2015 telefonisch contact heeft gehad met verdachte waarbij verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij misschien die dag nog naar haar zou komen. Die avond is verdachte naar haar woning gekomen. Hij heeft toen tegen haar gezegd dat hij [voornamen slachtoffer] had neergeschoten. Verdachte liet haar vervolgens een vuurwapen en een demper zien. Verdachte heeft haar verteld dat [voornamen slachtoffer] in haar eentje het ziekenhuis uit kwam lopen en in haar auto stapte. Hij had daar al geruime tijd staan wachten. Hij wist dat zij om 16.30 uur of 17.00 uur klaar was met werken. Hij heeft haar klemgereden en is uitgestapt. Vanuit de bestuurderskant heeft hij geschoten. De eerste kogel was langs haar nek af. Hij wist niet of deze kogel raak was. Hij dacht van wel maar dacht dat hij haar niet had gedood. De tweede kogel was door haar hoofd en toen was ze dood. Hij heeft een derde kogel afgevuurd, maar verdachte zei dat die eigenlijk niet nodig was. Hij zei dat bij de tweede kogel haar hoofd omlaag hing en dat ze dus al dood was. Verdachte had handschoenen aan toen hij had geschoten.26
Verdachte heeft erkend dat hij op 10 augustus 2015 in de ochtend telefonisch contact heeft gehad met [getuige] en dat hij toen gezegd heeft dat hij die dag misschien naar haar toe zou komen.27
Op het moment dat [getuige] haar verklaring op 11 augustus 2016 aflegde was nog geen gedetailleerde informatie bekend over de schietpartij, anders dan dat er op de auto van [voornamen slachtoffer] was geschoten en dat ze dood was. De details over de wijze van schieten die volgens [getuige] door verdachte aan haar zijn verteld, waren op dat moment nog niet bekend en het betreft derhalve daderinformatie. Deze informatie blijkt later ook naadloos overeen te komen met de inhoud van het sectierapport en de verklaring van ooggetuige [getuige 6] .
De rechtbank acht deze verklaring van [getuige] dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
De rechtbank merkt tevens op dat [getuige] níet heeft verklaard dat verdachte op de avond van 10 augustus 2015 tegen haar heeft gezegd dat hij zelfmoord wilde plegen voor de ogen van [voornamen slachtoffer] .
De rechtbank concludeert uit hetgeen hierboven is vermeld en overwogen, dat het scenario van verdachte, dat hij van plan was zelfmoord te plegen voor de ogen van [voornamen slachtoffer] , niet wordt ondersteund door enig bewijsmiddel en dat daarentegen contra-indicaties voor dit scenario aanwezig zijn. Hierbij overweegt de rechtbank tevens dat verdachte pas tijdens zijn 6e verhoor op 17 september 2015, dus ruim 5 weken na zijn arrestatie, met dit scenario is gekomen. Ook is het op 10 augustus 2015 (midden in de zomer) schieten met een vuurwapen met daarop een geluiddemper en met handschoenen aan de handen, moeilijk te verenigen met het idee om zelfmoord te plegen. Verdachte heeft daar geen bevredigende verklaring voor gegeven.
De rechtbank concludeert samenvattend:
- dat verdachte al vanaf 2 augustus 2015 aan [getuige 2] te kennen heeft gegeven dat hij een vuurwapen ging kopen en [voornamen slachtoffer] (en [getuige 4] ) van het leven ging beroven;
- dat verdachte op 10 augustus 2015 over een pistool met een daarop passende geluiddemper en 6 patronen beschikte;
- dat verdachte op maandagochtend 10 augustus 2015 met [getuige] had afgesproken om misschien die dag naar haar toe te komen en ook daadwerkelijk die dag in de avond nadat hij [voornamen slachtoffer] had doodgeschoten, naar haar toe is gegaan;
- dat verdachte wist dat de vakantie van [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] op 10 augustus 2015 was geëindigd;
- dat verdachte vanaf zijn woonplaats naar het werkadres van [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] is gereden;
- dat verdachte ongeveer een half uur geparkeerd heeft gestaan op een parkeerplek aan de Maylaan, vlakbij het parkeerterrein van het ziekenhuis waar [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] werkte, alwaar hij zicht had op haar auto;
- dat verdachte 3 sigaretten heeft gerookt op die parkeerplek;
- dat verdachte, op het moment dat [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] uit het ziekenhuis kwam gelopen, met hoge snelheid het parkeerterrein van het ziekenhuis is opgereden;
- dat verdachte de auto van [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] klem heeft gereden;
- dat verdachte toen hij uit zijn auto stapte en naar de auto van [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] liep het pistool met de geluiddemper in zijn hand(en) had en dat hij op dat moment handschoenen droeg;
- dat hij met het pistool gestrekt voor zich naar de bestuurderszijde van haar auto is gelopen en daar drie maal gericht heeft geschoten;
- dat [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] ten gevolge van die schoten is overleden.
Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank het door verdachte geschetste zelfmoordscenario niet aannemelijk geworden. Integendeel. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er bij verdachte sprake was van een vooropgezet plan om [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] te doden. Verdachte heeft op 10 augustus 2015, op diverse momenten de tijd en de gelegenheid gehad om op zijn voornemen terug te komen. Dat heeft hij niet gedaan.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg [voornamen slachtoffer] [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.