RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Bestuursrecht
Meervoudige belastingkamer
Reg.nr.: 11/585 RECLBL
Uitspraak in het geding tussen:
[eiseres]
te [plaats],
eiseres,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Winterswijk
verweerder.
1. Procesverloop
Bij aanslagbiljet van 16 april 2011 (aanslagnummer [nummer]) heeft verweerder aan eiseres een aanslag in de reclamebelasting opgelegd voor het jaar 2011 ten bedrage van
€ 1.080. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 2 mei 2011 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag, voor zover van belang, verminderd tot € 540.
Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 14 december 2011, waar eiseres is verschenen en waar verweerder met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen.
2. Overwegingen
2.1 Eiseres is eigenaar en gebruiker van het pand aan de [adres] te [plaats], waarin een winkel met handwerkartikelen en fournituren is gevestigd.
2.2 Op grond van artikel 227 van de Gemeentewet kan ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg een reclamebelasting worden geheven.
2.3 Op 23 december 2010 heeft de raad van de gemeente Winterswijk de Verordening Reclamebelasting 2011 (hierna: de Verordening) vastgesteld.
Artikel 3 van de Verordening bepaalt, voor zover van belang, dat voor openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg onder de naam ‘reclamebelasting’ een belasting wordt geheven.
Artikel 4, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat de reclamebelasting wordt geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie, al dan niet met vergunning, de openbare aankondigingen worden aangetroffen.
Artikel 5 van de Verordening bepaalt dat de reclamebelasting wordt geheven per onroerende zaak naar een vast bedrag van € 540 voor het hebben van één of meer openbare aankondigingen die op, aan of bij de onroerende zaak worden aangetroffen.
2.4 Eiseres stelt zich op het standpunt dat de aanslag onrechtmatig is opgelegd, omdat haar pand, met inbegrip van de uiting “[opschrift]” een rijksmonument is, die uiting past bij de uitstraling van het pand en er geen link is tussen de uiting en de goederen die zij in de winkel te koop aanbiedt.
2.5 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag rechtmatig is opgelegd. Volgens verweerder is sprake van een openbare aankondiging in de zin van artikel 3 van de Verordening.
2.6 De rechtbank stelt vast dat aan de gevel van de winkel van eiseres het opschrift “[opschrift]” (hierna: het opschrift) is aangebracht. Voorts heeft eiseres onweersproken gesteld dat haar pand een rijksmonument is en dat het opschrift van meet af aan op de gevel is aangebracht geweest en deel uitmaakt van het monument.
2.7 In geschil is of het opschrift een openbare aankondiging is als bedoeld in de Verordening. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.
2.8 De rechtbank stelt vast in de Gemeentewet noch de verordening een definitie is gegeven van de term ‘openbare aankondigingen’. Onder die term moet volgens de rechtspraak worden verstaan alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop zijn gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd”. Vergelijk in die zin het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2007, LJN: AX2154. De term omvat niet slechts reclame in engere zin, doch ziet meer in het algemeen op elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële dan wel ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap. Zie de uitspraak van het Hof “s-Gravenhage van 25 augustus 2009, LJN: BN5744.
Gelet op het voorgaande is met het onderhavige opschrift naar het oordeel van de rechtbank sprake van een openbare aankondiging als bedoeld in de Verordening. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres ten onrechte in de reclameheffing heeft betrokken, omdat in dit geval sprake is van een onredelijke belastingheffing. De rechtbank acht daartoe bepalend dat het opschrift deel is geworden van een rijksmonument, zodat eiseres niet de vrijheid heeft het opschrift desgewenst te verwijderen. Dit klemt te meer nu het opschrift geen betrekking heeft op de onderneming van eiseres, in die zin dat zij geen manufacturen verkoopt en de onderneming ook niet drijft onder de naam [opschrift].
2.9 Verweerder heeft voor het eerst in het verweerschrift gesteld dat (onder andere voor de ramen van de winkel) ook diverse aanplakbiljetten zijn aangetroffen die openbare aankondigingen zouden zijn. Ter onderbouwing daarvan heeft verweerder kopieën van foto’s aan het verweerschrift toegevoegd en verwezen naar een door eiseres overgelegde kopieën van foto’s.
De rechtbank gaat verder aan deze stellingen van verweerder voorbij. Nog daargelaten dat de kopieën van de foto’s zo slecht zijn dat daarop geen aanplakbiljetten zijn te zien respectievelijk niet te lezen is wat op de aanplakbiljetten is vermeld, acht de rechtbank het in strijd met de goede procesorde dat verweerder eerst hangende beroep nieuwe belastbare feiten naar voren brengt, die overigens door eiseres ter zitting bij gebrek aan wetenschap zijn betwist. Het inroepen van nieuwe feiten door verweerder maakt het naar het oordeel van de rechtbank overigens ook des te meer onbegrijpelijk en betreurenswaardig dat verweerder zich niet ter zitting heeft laten vertegenwoordigen.
2.10 Het beroep is gegrond. De bestreden uitspraak op bezwaar en de aanslag, voor zover in geschil, zullen worden vernietigd. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
3. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover betrekking hebbend op het onderhavige opschrift;
- vernietigt de aanslag, voor zover betrekking hebbend op het onderhavige opschrift;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- gelast verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 41 aan haar te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Baaren, voorzitter, en mr. E.H.T. Rademaker en
mr. J.L.W. Broeksteeg, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 december 2011.