Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBROT:2024:1703

Rechtbank Rotterdam
28-02-2024
05-03-2024
C/10/663114 / KG ZA 23-704
Civiel recht
Kort geding

Kort geding. Geschil tussen buren over een voorgenomen dakopbouw met dakterras. Geen sprake van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/663114 / KG ZA 23-704

Vonnis in kort geding van 28 februari 2024

in de zaak van

1 [eiser01] ,

2. [eiser02],

beiden wonende te [woonplaats01] ,

eisers,

advocaat mr. Z.H. van Dorth tot Medler te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde01] ,

2. [gedaagde02],

beiden wonende te [woonplaats02] ,

gedaagden,

advocaat mr. R. Smith te Rotterdam.

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende stukken:

  • -

    de conceptdagvaarding, met producties 1 tot en met 13,

  • -

    de akte van [eisende partij] , met producties 14 tot en met 16;

  • -

    de akte van [gedaagde partij] , met producties 1 tot en met 14;

  • -

    de akte van [eisende partij] , met productie 17;

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Van Dorth tot Medler van 25 januari 2024;

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Smith van 25 januari 2024;

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Van Dorth tot Medler van 14 februari 2024;

  • -

    de brief van [gedaagde partij] van 8 februari 2024, met als bijlage een omgevingsvergunning.

1.2.

[gedaagde partij] is vrijwillig in deze procedure verschenen. Op 25 januari 2024 heeft een gerechtelijke plaatsopneming en aansluitend in het gerechtsgebouw een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zaak is vervolgens aangehouden in afwachting van de door [gedaagde partij] aangevraagde (wijziging op een) omgevingsvergunning. Op 14 februari 2024 heeft een voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is eigenaar van de woning aan [adres01] . De woning is gevestigd op de tweede en derde etage van het gebouw waarvan het onderdeel uitmaakt.

2.2.

[gedaagde partij] is eigenaar van de naastgelegen woning aan [adres02] . Deze woning bestaat uit een begane grond en een eerste verdieping. De hoogte van de woning is op dit moment 9,78 meter hoog. Het is daarmee het laagste pand in de straatgevel. Het straatbeeld is op dit moment als volgt:

2.3.

De woning van [eisende partij] heeft in de westgevel twee grote raampartijen: een noordelijk raam ten hoogte van de keuken en een zuidelijk raam ten hoogte van een garderobe. Vanuit deze ramen kijkt [eiser01] ( [eiser02] is ook eigenaar maar woont elders) op het platte dak van de woning van [gedaagde partij] . De situatie is op dit moment (met zicht vanuit het noorden naar het zuiden toe) als volgt:

2.4.

[gedaagde partij] heeft op 21 maart 2023 bij de gemeente Rotterdam een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een dakopbouw met een dakterras (hierna: bouwplan 1). Bouwplan 1 bestaat uit een dakopbouw van circa 31 m² en circa 2,7 meter hoog en 2 dakterrassen van circa 15 m² en ca. 3,4 m².

2.5.

De door [gedaagde partij] aangevraagde omgevingsvergunning is bij besluit van 24 mei 2023 verleend. In de beschikking is gemotiveerd afgeweken van het geldende bestemmingsplan

‘[gebied01]’. [eisende partij] heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning.

2.6.

[gedaagde partij] heeft op 27 december 2023 bij de gemeente Rotterdam een aanvraag voor een wijziging op de omgevingsvergunning ingediend (hierna: bouwplan 2). Het betreft een dakopbouw van circa 25 m² en circa 2,7 meter hoog. Onderdeel van bouwplan is een dakterras aan de zuidzijde van circa 18 m². Dit moet leiden tot de volgende situatie:

2.7.

De vergunning voor bouwplan 2 is bij besluit van 2 februari 2024 verleend. In het besluit wordt gemotiveerd waarom wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan. In het besluit staat – voor zover relevant – het volgende:

“1. Aanvraag

(…)

De aanvraag heeft betrekking op de locatie [adres02] .

Het project betreft het realiseren van een dakopbouw met dakterras op een bestaande

woning. En is een wijziging op een reeds verleende omgevingsvergunning met kenmerk

[kenmerk01] .

(…)

2. Besluit

Wij besluiten de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteiten:

  • -

    'Bouwen' (Grondslag: Wabo, artikel 2.1, eerste lid, onder a, met toepassing van Bouwbesluit 2012: artikel 1.3 (gelijkwaardigheidsbepaling))

  • -

    'Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening' (Grondslag Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1, eerste lid, onder c juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2, in samenhang met artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht juncto artikel 4, lid 4, van Bijlage 11 bij het Besluit omgevingsrecht.)

Met dit nieuwe besluit komt het eerdere besluit d.d. 24 mei 2023 onder kenmerk [kenmerk01]

te vervallen.

(…)

4. Project

Het is de bedoeling om een dakopbouw van ca. 25 m2 en ca. 3,7 meter hoog te realiseren op

het dak van een bestaande woning. Ook wordt een dakterras van ca. 18 m2 gerealiseerd.

(…)

8. Overwegingen

8.1

Activiteit 'Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening'

8.1.1

Bestemmingsplan

(…)

Motivering

Vanuit stedenbouwkundig oogpunt bestaat er geen bezwaar tegen de hoogteoverschrijding. Hoewel de bouwhoogte per bouwlaag vrij hoog is, is het pand gemiddeld lager dan de omliggende bebouwing in de straat. De gevel wordt over de volledige breedte omhooggetrokken, waardoor de bouwhoogte meer in lijn komt met de rest van de bebouwing aan de [straatnaam01] . Dit is stedenbouwkundig gewenst. Ook houdt de dakopbouw voldoende afstand tot de buren aan de oostzijde waardoor de impact op de omgeving gering is.

Om die reden wordt toepassing gegeven aan een afwijking van het bestemmingsplan.”

2.8.

Partijen hebben ieder twee bezonningsstudies laten uitvoeren naar aanleiding van de verschillende bouwplannen.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert na wijziging van eis, om [gedaagde partij] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen om:

I. na betekening van dit vonnis per direct de bouwwerkzaamheden aan [adres02] te staken en gestaakt te houden voor zover deze bouwwerkzaamheden zien op de bouw van de dakopbouw, nader aangeduid als ‘bouwplan 1’ en ‘bouwplan 2’ of en daarmee qua omvang vergelijkbare uitvoering, totdat in een bodemprocedure een vonnis of arrest is gewezen dat in kracht van gewijsde is gegaan, zulks op straffe van een dwangsom,

II. de proces- en nakosten van dit kort geding te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde partij] voert gemotiveerd verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.

4. De beoordeling

4.1.

[eisende partij] wil – in elk geval voorlopig – dat het [gedaagde partij] wordt verboden om een dakopbouw te realiseren. Een dergelijke bouwstop is in kort geding toewijsbaar als voldoende aannemelijk is dat de vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen en als niet van de eisende partij kan worden gevergd dat die de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

Spoedeisend belang

4.2.

Het spoedeisend belang van [eisende partij] bij de vorderingen volgt daaruit dat [gedaagde partij] – niet weersproken – op korte termijn wil aanvangen met het realiseren van de dakopbouw.

Bouwplan 1

4.3.

De vorderingen van [eisende partij] zien op een bouwstop voor een dakopbouw volgens bouwplan 1 dan wel bouwplan 2. De gemeente heeft op 27 december 2023 een omgevingsvergunning verleend voor bouwplan 2. Daarmee is de vergunning van 24 mei 2023 voor bouwplan 1 komen te vervallen (zie 2.6). De vordering met betrekking tot bouwplan 1 wordt dan ook afgewezen.

Bouwplan 2: onrechtmatige hinder?

4.4.

Volgens [eisende partij] is bouwplan 2 weliswaar minder ingrijpend dan bouwplan 1, maar brengt ook dit bouwplan zodanige hinder met zich dat sprake is van onrechtmatigheid. De onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW en artikel 6:162 BW, bestaat volgens [eisende partij] uit verminderde lichtinval, verstoring van het uitzicht en de aantasting van privacy/inkijk. [gedaagde partij] heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van de onrechtmatige hinder zoals door [eisende partij] gesteld.

4.5.

In deze procedure – waarin nog niet duidelijk of er bezwaar tegen de recent verleende omgevingsvergunning wordt ingediend – wordt ervan uitgegaan dat [gedaagde partij] op grond van de verleende wijzigingsvergunning bevoegd is om de dakopbouw volgens bouwplan 2 te plaatsen. Dat [gedaagde partij] over een vergunning beschikt, neemt echter niet weg dat sprake kan zijn van een bepaalde vorm van hinder die zodanig ernstig is dat deze als onrechtmatig jegens [eisende partij] moet worden gekwalificeerd. Partijen zijn het over dit uitgangspunt eens. In dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat van onrechtmatige hinder geen sprake is. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

4.6.

Het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen (HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823, Ludlage/Van Paradijs).

4.7.

Ten aanzien van de aard, de duur en de ernst van de hinder wordt het volgende overwogen, waarbij de voorzieningenrechter waar nodig ook de eigen waarnemingen tijdens de plaatsopneming op 25 januari 2024 betrekt.

4.8.

Niet in geschil is dat de voorgenomen dakopbouw in zekere zin gevolgen heeft voor de mate van zonlicht/lichtinval in de woning van [eisende partij] . De beperking is met name aanwezig bij de raampartij bij de keuken. Deze beperking van lichtinval is echter al aanzienlijk verminderd met de door [gedaagde partij] doorgevoerde wijziging van bouwplan 1 naar bouwplan 2. [eisende partij] onderbouwt zijn stelling dat ook deze beperking onrechtmatig is met twee in opdracht van hem uitgevoerde bezonningsstudies. [gedaagde partij] heeft ook twee bezonningsstudies laten uitvoeren. Uit deze rapporten volgt echter niet dat de beperking van zonlicht zodanig is dat dit, naar voorlopig oordeel, als ontoelaatbaar moet worden gekwalificeerd. In algemene zin kan worden geconcludeerd dat slechts een beperkt deel van de woning in de zomer wordt overschaduwd en in de winter slechts een zeer beperkt deel. Bovendien geldt dat de woning zowel aan de noordzijde als de zuidzijde over voldoende andere ramen met ruime lichtinval beschikt.

4.9.

[eisende partij] heeft daarnaast gesteld dat sprake is van verkokering waardoor het vrije uitzicht wordt weggenomen. De voorzieningenrechter heeft tijdens de gerechtelijke plaatsopneming waargenomen dat vanuit het raam bij de keuken het uitzicht naar het noorden door de dakopbouw wordt beperkt, maar het is niet gebleken dat [eisende partij] vanuit het raam op dit moment naar het noorden toe al een weids uitzicht heeft. Het uitzicht naar het zuiden toe blijft vanuit beide ramen in de westgevel hetzelfde en wordt door de dakopbouw hoe dan ook niet weggenomen.

4.10.

[eisende partij] heeft verder nog gesteld dat vanaf het voorgenomen dakterras volop uitzicht ontstaat in de garderobe van zijn woning, waardoor sprake is van privacyschending. [gedaagde partij] heeft echter onweersproken aangevoerd dat met het aanleggen van het dakterras niet in strijd met artikel 5:50 BW wordt gehandeld, omdat de afstand tussen de gevel en het dakterras meer dan twee meter is. Het standpunt van [eisende partij] is verder niet onderbouwd of toegelicht zodat hieraan voorbij wordt gegaan. In dit verband wordt opgemerkt dat [eisende partij] in de dagvaarding weliswaar melding maakt van een slaapkamer en garderobe, maar dat de voorzieningenrechter wel garderobekasten heeft waargenomen maar géén aangrenzende slaapkamer, die ook niet te zien is op foto 7 van productie 2.

4.11.

Voor de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder zijn ook de verdere omstandigheden van het geval van belang. In dat kader wordt het volgende overwogen.

[eisende partij] stelt dat hij er bij de realisatie van zijn woning vanuit mocht gaan dat [gedaagde partij] zijn woning met een hoogte van 9,78 meter niet zomaar verder zou mogen ophogen, omdat volgens het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van 10 meter geldt. Daartegenover staat echter dat de woning van [gedaagde partij] de enige in de straatgevel is zonder een extra woonlaag (zie 2.2). De voorgenomen dakopbouw is daarmee niet zo ongebruikelijk dat [eisende partij] die niet op enig moment had kunnen verwachten. De woning bevindt zich bovendien in een stedelijke omgeving die over het algemeen wordt gekenmerkt door de nodige ruimtegebrek en druk op de bebouwing. In een dergelijke omgeving moet men één en ander van elkaar dulden. Er bestaat geen (subjectief) recht op een in tijd onbeperkt vrij uitzicht of maximale zonlichttoetreding, ook niet als onderdeel van het eigendomsrecht. [eisende partij] mocht er dan ook niet zomaar op vertrouwen dat zijn uitzicht voor altijd zou blijven bestaan. De gemeente is overigens in het besluit gemotiveerd afgeweken van het bestemmingsplan. Daarbij is niet alleen naar de stedenkundige zaken gekeken, zoals [eisende partij] stelt, maar ook naar de belangen van [eisende partij] (zie 2.6).

4.12.

In het kader van een belangenafweging heeft [eisende partij] aangehaald dat het belang van [gedaagde partij] om de dakopbouw volgens bouwplan 2 te realiseren, ondergeschikt is aan zijn belang bij het behoud van lichtinval, uitzicht en privacy. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet. [gedaagde partij] heeft een te respecteren belang bij uitbouw van de woning vanwege gezinsuitbreiding, waarbij – afgezet tegen de belangen van [eisende partij] – van hem niet zonder meer hoeft te worden verlangd dat hij zijn plannen verder aanpast. Voor [eisende partij] geldt dat het gaat om de beperking van lichtinval in de open keuken. Alhoewel deze keuken een centrale plaats inneemt in de woning, is dat niet de ruimte waarvan verwacht mag worden dat men daar de meeste tijd verblijft. [eisende partij] heeft bovendien de keuken/garderobe met een kastenwand zodanig ingericht dat de lichtinval vanuit het zuidelijke raam aanzienlijk beperkt wordt. Bij een andere inrichting daarvan mag verwacht worden dat die beperking minder erg is.

4.13.

De voorzieningenrechter acht ook relevant dat [gedaagde partij] met bouwplan 2 de bereidheid heeft getoond om maatregelen te treffen om tegemoet te komen aan de bezwaren van [eisende partij] . Voor [eisende partij] is dit echter onvoldoende en hij heeft nog een verdergaand voorstel gedaan, namelijk bouwplan 3. In dit geschil ligt echter slechts de vraag voor of bouwplan 2 onrechtmatige hinder jegens [eisende partij] veroorzaakt en niet de voor [eisende partij] (meest) ideale situatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is [gedaagde partij] met bouwplan 2 al in voldoende mate aan de belangen van [eisende partij] tegemoet gekomen. Van [gedaagde partij] hoeft dan ook geen nadere aanpassing te worden verlangd.

Conclusie

4.14.

Nu naar voorlopig oordeel de voorgenomen dakopbouw volgens bouwplan 2 niet leidt tot het toebrengen van onrechtmatige hinder wordt de vordering ten aanzien van dat bouwplan afgewezen.

Proceskosten

4.15.

Omdat [gedaagde partij] pas onder druk van dit kort geding tot bijstelling van zijn bouwplan is overgegaan, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de kosten van de procedure tussen partijen te compenseren.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2024.

[3070/2009]

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.