RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 9663764 CV EXPL 22-3184
datum uitspraak: 19 augustus 2022
Vonnis van de kantonrechter
Stichting Vestia,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.L.B. Hundscheidt,
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats gedaagde],
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer.
De partijen worden hierna ‘Vestia’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
3. Het geschil
3.1.
Vestia eist samengevat:
- -
de huurovereenkomst te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen om het gehuurde te ontruimen;
- -
[gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 1.874,74, met rente en de lopende huur vanaf februari 2022;
- -
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten;
- -
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 1.780,46, rente van € 45,88 (berekend tot 25 januari 2022) en buitengerechtelijke kosten van € 48,40 (inclusief btw).
3.2.
Vestia baseert de eis op het volgende. [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Door de achterstand zag Vestia zich genoodzaakt haar vordering op [gedaagde] ter incasso uit handen te geven aan haar gemachtigde. Vestia maakt om die reden tevens aanspraak op een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
3.3.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. De huurachterstand was ontstaan doordat [gedaagde] geen werk meer had. Zijn financiële situatie is echter gestabiliseerd, sinds hij weer een baan heeft. Hij voldoet geruime tijd volledig en tijdig de lopende huur. De huurachterstand is te klein om ontbinding te rechtvaardigen. Op het moment van dagvaarden bedroeg de achterstand € 1.016,40, oftewel 1,8 maandtermijnen. Tenslotte is ontbinding van huurovereenkomst in strijd met de redelijkheid en billijkheid nu Vestia niet heeft gehandeld in overeenstemming met de verplichtingen op grond van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Vestia stelt dat zij [gedaagde] heeft aangemeld bij de gemeente middels de applicatie RIS Vroeg Eropaf, maar [gedaagde] betwist dit bij gebrek aan wetenschap.
4. De beoordeling
4.1.
Ter zitting heeft Vestia een actueel overzicht overgelegd van de huurachterstand. De huurachterstand tot en met juli 2022 bedraagt € 2.345,85. Deze huurachterstand is ter zitting niet (langer) door [gedaagde] betwist. In rechte kan daarom van dit bedrag worden uitgegaan.
4.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de toepassing van artikel 6:265 lid 1 BW kan rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Zo dient enerzijds rekening gehouden te worden met het belang van Vestia om als verhuurder (tijdig) de huur te ontvangen en anderzijds het belang van [gedaagde] als huurder om het ingrijpende gevolg van ontbinding en ontruiming te vermijden.
4.3.
Het is aan de kantonrechter om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden. Ten aanzien daarvan wordt als volgt overwogen.
4.4.
Per 1 januari 2021 is het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening in werking getreden (hierna: ‘het Besluit’). Voor de beoordeling in onderhavige zaak is met name artikel 2 (gegevensverstrekking huurachterstand) van het Besluit van belang, dat bepaalt:
“De verhuurder van een tot bewoning bestemde onroerende zaak verstrekt als er achterstand is in het betalen van de huur de contactgegevens van de huurder en de hoogte van de achterstand aan het college voor schuldhulpverlening (lees: de gemeente, toevoeging kantonrechter), als hij:
a. inspanning heeft geleverd om in persoonlijk contact te treden met de huurders om deze te wijzen op de mogelijkheden om betalingsachterstanden te voorkomen en te beëindigen;
b. de huurder gewezen heeft op de mogelijkheden voor schuldhulpverlening;
c. de huurder tenminste eenmaal een schriftelijke herinnering heeft gestuurd over de betalingsachterstand; en
d. bij die schriftelijke herinnering heeft aangeboden om met schriftelijke toestemming van de huurder zijn contactgegevens aan het college te verstrekken en de huurder daarop niet afwijzend heeft gereageerd.”
4.5.
Het Besluit is gebaseerd op de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: Wgs). In de Wgs is de mogelijkheid opgenomen om signalen van schuldeisers over het bestaan van betalingsachterstanden aan te wijzen op basis waarvan schuldhulpverleners zelf het initiatief moeten nemen voor een intakegesprek met inwoners met schulden (de zogenoemde ‘vroegsignalering’ van schulden). Daarvoor is het nodig dat de schuldhulpverleners meldingen ontvangen over die schulden. Het Besluit noemt een aantal gevallen waarin een verhuurder verplicht is om betalingsachterstanden te melden aan de gemeenten. Er is geen sanctie op het niet melden en de verhuurder houdt de mogelijkheid om aan de kantonrechter om ontbinding van de huurovereenkomst te vragen. Dat laat onverlet dat de kantonrechter, gelet op het in r.o. 4.2 weergegeven toetsingskader, bij de afweging of ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen is, kan meewegen of aan het bepaalde in dit Besluit is voldaan.
4.6.
De gemachtigde van Vestia heeft ter zitting aangevoerd dat het Besluit niet van toepassing is op dossiers die voor de inwerkingtreding van het Besluit al ter incasso uit handen zijn gegeven. In onderhavig geval is het dossier in december 2020 ter incasso uit handen gegeven, zodat het volgens Vestia niet onder het toepassingsbereik van het Besluit valt. Vooropgesteld wordt dat in het Besluit niet met zoveel woorden staat omschreven dat de meldplicht niet meer geldt vanaf het moment dat een dossier ter incasso uit handen wordt gegeven, ook niet als het incassotraject is gestart voor de inwerkingtreding van het Besluit op 1 januari 2021. Gelet op de ratio van het Besluit gaat de meldplicht pas een rol spelen op het moment dat er signalen zijn die wijzen op problematische schulden waarbij huisuitzetting kan plaatsvinden. Gebleken is dat het incassotraject tegen [gedaagde] is gestart toen de huurachterstand € 100,00 bedroeg. Bij een dusdanig gering bedrag is nog geen sprake van een signaal dat wijst op problematische schulden en is huisuitzetting evenmin aan de orde. De noodzaak om te melden ontbrak op dat moment. Uit de specificatie van de huurachterstand blijkt dat de achterstand verder opliep ná januari 2021, zodat vanaf dat moment de meldplicht aan de orde is. Naar het oordeel van de kantonrechter valt onderhavige zaak dan ook onder het toepassingsbereik van het Besluit.
4.7.
De gemachtigde van Vestia stelt evenwel aan de verplichting voldaan te hebben. Ter onderbouwing wordt verwezen naar een e-mail van 14 april 2022 van het Wijkteam van de gemeente Rotterdam, waarin wordt aangegeven dat het dossier wordt gesloten, omdat [gedaagde] de lopende huur betaalt en er geen andere hulpvragen bekend zijn. Dit laatste blijkt echter niet te kloppen. Ter zitting heeft [gedaagde] te kennen gegeven een totale schuld van
€ 10.000,- te hebben. Daarnaast heeft [gedaagde] zich aangemeld bij de Kredietbank Rotterdam. Uit de mailwisseling met het Wijkteam blijkt onvoldoende dat Vestia aan haar verplichtingen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit heeft voldaan. Vestia heeft kennelijk in april 2022 contact gehad met het Wijkteam, daaruit kan echter niet worden afgeleid wat de context van het contact was en of het de melding in de zin van het Besluit betrof. Eerdere mailcorrespondentie is niet in het geding gebracht, zodat niet kan worden vastgesteld wat er van de zijde van Vestia verder gemeld is. Daarnaast is niet gebleken dat Vestia pogingen heeft ondernomen om persoonlijk met [gedaagde] in contact te treden en hem te wijzen op de mogelijkheden om betalingsachterstanden te voorkomen en de mogelijkheden voor schuldhulpverlening. Het gevolg hiervan is dat geen vroegsignalering heeft plaatsgevonden en – in het verlengde daarvan – de mogelijkheid dat schuldhulpverlening na die melding contact had kunnen opnemen met [gedaagde] niet is benut.
4.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet uitgesloten worden dat de huurachterstand niet zo hoog was opgelopen als Vestia tijdig had voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van artikel 2 Besluit en schuldhulpverlening eerder was opgestart. Gebleken is dat [gedaagde] inmiddels op eigen initiatief schuldhulpverlening heeft aangevraagd bij de Kredietbank Rotterdam. Sinds eind juni krijgt [gedaagde] hulp in de vorm van budgetbeheer, zodat voldoende is gewaarborgd dat de lopende huur wordt betaald. [gedaagde] heeft weliswaar aangegeven geen baan meer te hebben als gevolg van schouderklachten zodat hij geen inkomsten uit arbeid heeft, maar stelt dat de uitkering die hij momenteel ontvangt in elk geval voldoende is om de lopende huur te betalen. Vestia heeft ook ter zitting bevestigd dat de lopende huur door [gedaagde] wordt betaald. Tegen deze achtergrond weegt het belang van [gedaagde] bij voortzetting van de huurovereenkomst op dit moment zwaarder dan het belang van Vestia bij ontbinding en ontruiming. De hierop gerichte vorderingen van Vestia worden dan ook afgewezen.
4.9.
De vordering tot betaling van € 2.345,85 (huurachterstand tot en met juli 2022) is, zoals hiervoor overwogen, niet (langer) betwist en wordt dan ook toegewezen.
buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.10.
Vestia maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Op grond van artikel 6:96 lid 6 BW zijn buitengerechtelijke incassokosten niet eerder verschuldigd dan na het intreden van het verzuim en nadat hem een kosteloze aanmaning is verstuurd waarin hem tenminste een termijn van 14 dagen is aangezegd om alsnog tot betaling over te gaan en waarin hem de gevolgen van niet-betaling, inclusief het dan verschuldigde juiste bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is medegedeeld.
De door Vestia overgelegde brief van 8 december 2020 voldoet aan voornoemde vereisten. [gedaagde] betwist echter deze sommatie te hebben ontvangen, hoewel vaststaat dat de brief naar zijn woonadres is verstuurd. Gelet op de zogenoemde ontvangsttheorie, zoals opgenomen in artikel 3:37 lid 3 BW, heeft een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring alleen werking wanneer vast staat dat die verklaring de betrokken persoon ook werkelijk heeft bereikt. Gesteld noch gebleken is dat voornoemde brief aangetekend is verstuurd of dat op andere wijze kan worden vastgesteld dat [gedaagde] deze aanmaning werkelijk heeft ontvangen. Onder omstandigheden kan het niet ontvangen van post worden toegerekend aan de geadresseerde maar dergelijke omstandigheden zijn in de procedure niet bekend geworden. Dit betekent dat er niet van kan worden uitgegaan dat [gedaagde] de veertiendagenbrief heeft ontvangen. Gevolg hiervan is dat de buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar zijn (artikel 6:96 lid 6 BW).
De rente wordt toegewezen, omdat uit de stellingen van Vestia volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] deze stellingen niet heeft betwist.
4.11.
Nu Vestia deels in het ongelijk is gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd in de zin dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.
uitvoerbaarheid bij voorraad
4.12.
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Vestia te betalen € 2.345,85 aan huurachterstand tot en met juli 2022 en reeds verschenen rente van € 45,88, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.780,46 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en in het openbaar uitgesproken.
50724