Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBROT:2022:11213

Rechtbank Rotterdam
21-12-2022
02-01-2023
ROT 22/800
Bestuursrecht
Bodemzaak

De rechtbank herroept de door het BFT aan een administratiekantoor wegens overtreding van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, en artikel 8 van de Wwft opgelegde boete.

Rechtspraak.nl
RF 2023/45

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 22/800

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , gevestigd te [plaatsnaam] , eiseres ( [eiseres] ),

gemachtigde: [naam 1] ,

en

Bureau Financieel Toezicht, verweerder (BFT),

gemachtigde: mr. C.S.M. Sikkens.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2021 (het primaire besluit) heeft het BFT aan [eiseres] een bestuurlijke boete van € 13.000, - opgelegd.

Bij besluit van 10 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft DNB het daartegen door [eiseres] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [eiseres] beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het BFT heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2022. De gemachtigde van [eiseres] is verschenen. Het BFT is ter zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigde, vergezeld door [naam 2] , werkzaam bij het BFT.

Overwegingen

Inleiding

1.1.

[eiseres] verzorgt de (salaris)administratie, jaarrekeningen en fiscale aangiftes voor met name MKB-ondernemingen. Enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres] is [naam 3] , waarvan [naam 1] bestuurder is.

1.2.

Het BFT heeft een signaal ontvangen dat mogelijk sprake is van witwassen bij [De Stichting] , onder meer actief als taalschool en cliënt van [eiseres] . Na analyse van dit signaal en de mededeling van de Financiële inlichtingen eenheid dat [eiseres] bij haar niet geregistreerd staat als melder van ongebruikelijke transacties, heeft het BFT besloten een onderzoek in te stellen bij [eiseres] , met als doel toetsing van de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) door [eiseres] en de aanvaardbaarheid van de interne (beheers)maatregelen die [eiseres] heeft genomen in het kader van de verplichtingen die aan haar zijn opgelegd door de Wwft.

1.3.

Volgens het (definitieve) onderzoeksrapport van 17 juni 2021 heeft het BFT aan de hand van voormeld signaal vijf cliëntdossiers geselecteerd en inhoudelijk beoordeeld om na te gaan of de verplichtingen uit de Wwft door [eiseres] zijn nageleefd. Het BFT heeft in het dossier van [De Stichting] vastgesteld dat [eiseres] sinds 2008 voor deze stichting de jaarrekening opstelt en de salarisadministratie en aangifte inkomstenbelasting verzorgt. Volgens het BFT was in het dossier [De Stichting] sprake van een hoger risico op witwassen, gezien de slechte financiële positie van de stichting door een omzetverlies (niet kunnen betalen van de pensioenpremies en niet kunnen afdragen van de loonheffing), een contante overboeking naar de directeur van de stichting, het verlies van het keurmerk ‘Blik op Werk’ door de stichting en de negatieve nieuwsberichten waarin [De Stichting] in verband wordt gebracht met misstanden over de inzet van de middelen. Als concreet voorbeeld wordt in het rapport genoemd het op 14 januari 2019 op de website van Follow the Money (FTM) verschenen artikel “Taalscholen spellen fraude tot op de letter”. Gelet hierop was volgens het BFT ook sprake van een hoger risico op witwassen in het dossier van [De besloten vennootschap] , die eveneens sinds 2008 cliënt is van [eiseres] en waarvoor zij de salarisadministratie en de aangifte vennootschapsbelasting verzorgt, de administratie controleert en de jaarrekening opstelt. Dit omdat deze vennootschap zich uitsluitend bezig houdt met de detachering van haar werknemers bij [De Stichting] en met deze stichting dus sterk verbonden is. Op grond van voormelde feiten en omstandigheden is in het onderzoeksrapport geconcludeerd dat in beide dossiers aanleiding bestond voor het verrichten van een verscherpt cliëntenonderzoek en dat, nu een dergelijk onderzoek niet is verricht, sprake is van een overtreding van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en van artikel 8 van deze wet.

Bestreden besluit

2. Na op 29 juni 2021 het voornemen daartoe aan [eiseres] kenbaar te hebben gemaakt en kennis te hebben genomen van de zienswijze van [eiseres] daarop van 26 juli 2021, heeft het BFT aan [eiseres] wegens overtreding van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en artikel 8 van deze wet bij het primaire besluit een bestuurlijke boete van € 13.000,- (2% van de omzet van [eiseres] ) opgelegd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Overtreding

3. [eiseres] heeft, naar de rechtbank begrijpt ter betwisting van de verweten overtreding, aangevoerd dat zij niet is geabonneerd op FTM en dus geen kennis heeft genomen van het door het BFT genoemde artikel over de misstanden bij taalscholen, waaronder [De Stichting] .

3.1.

De rechtbank stelt vast dat uit de gedingstukken niet blijkt dat [eiseres] op enig moment heeft verklaard dat zij kennis heeft genomen van het artikel op de website van FTM of van enig ander negatief nieuwsbericht waarin [De Stichting] in verband wordt gebracht met misstanden aangaande de inzet van de middelen. Ook uit het antwoord van [eiseres] op de vraag van het BFT of zij naar aanleiding van deze negatieve nieuwsberichten het risicoprofiel heeft aangepast, extra werkzaamheden heeft uitgevoerd en/of heeft overwogen een melding van een ongebruikelijke transactie te doen, kan dit, anders dan het BFT meent, niet eenduidig worden opgemaakt. [eiseres] merkt in dit antwoord van 17 november 2020 op dat [De Stichting] laptops aan cursisten had gegeven en dat [De Stichting] hierdoor, omdat dit niet mocht, haar keurmerk een jaar is kwijtgeraakt. Daarmee is nog niet gezegd dat [eiseres] ook kennis heeft genomen van de door het BFT bedoelde negatieve nieuwsberichten over [De Stichting] . Overigens heeft het BFT ter zitting erkend dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat [eiseres] eerder dan 17 november 2020 op de hoogte was van de negatieve nieuwsberichten over [De Stichting] .

3.2.

Uit het voorgaande volgt dat bij de beantwoording van de vraag of [eiseres] in de dossiers betreffende [De Stichting] en [De besloten vennootschap] een hoger risico op witwassen had moeten onderkennen niet ervan kan worden uitgegaan dat [eiseres] destijds kennis heeft genomen van de door het BFT bedoelde negatieve nieuwsberichten over [De Stichting] . Volgens het BFT is dit evenwel niet nodig om deze vraag bevestigend te kunnen beantwoorden. Ook als [eiseres] niet op de hoogte zou zijn geweest van de negatieve nieuwsberichten over [De Stichting] , had zij volgens het BFT het in het onderzoeksrapport vastgestelde hoger risico op witwassen in deze dossiers in 2018 moeten onderkennen, ofwel op het moment dat zij in oktober 2018 door de Rabobank op de hoogte werd gebracht van de contante overboeking naar de rekening van de directeur van [De Stichting] , ofwel op het moment dat zij bij het vaststellen van de jaarrekening 2018 bekend werd met het omzetverlies van [De Stichting] ten opzichte van 2017, dat, naar [eiseres] heeft bevestigd, te wijten was aan het verlies van het keurmerk ‘Blik op Werk’ door [De Stichting] .

3.3.

Anders dan het BFT, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat [eiseres] in de slechte financiële positie van [De Stichting] door het omzetverlies aanleiding had moeten zien om een hoger risico op witwassen te onderkennen, ook niet als daarbij wordt betrokken dat de reden voor dit omzetverlies was gelegen in het verlies van het keurmerk ‘Blik op Werk’ door [De Stichting] . Weliswaar was [eiseres] ermee bekend dat [De Stichting] dit keurmerk een jaar was kwijtgeraakt omdat zij laptops aan cursisten had gegeven, maar de rechtbank kan niet inzien waarom [eiseres] , zonder kennis te hebben genomen van de negatieve nieuwsberichten over taalscholen en [De Stichting] in het bijzonder, daarin mogelijke fraude en een hoger risico op witwassen had moeten herkennen, te minder nu [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat destijds meer taalscholen deze handelwijze hadden om cursisten te werven.

3.4.

De rechtbank volgt het BFT evenmin in zijn standpunt dat [eiseres] een hoger risico op witwassen had moeten onderkennen op het moment dat zij in oktober 2018 door de Rabobank op de hoogte werd gebracht van een contante overboeking naar de rekening van de directeur van [De Stichting] . [eiseres] heeft hierover verklaard dat deze overboeking zag op overuren van de directeur die via de salarisstrook zijn afgerekend. Dat er voor [eiseres] reden was om te veronderstellen dat het hiermee gemoeide geld direct of middellijk afkomstig was van enig misdrijf heeft het BFT niet gesteld en ook anderszins zijn daarvoor geen aanwijzingen in het dossier te vinden. In het enkele feit dat de Rabobank over deze overboeking contact met haar heeft opgenomen, heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank, anders dan het BFT wellicht meent, in ieder geval geen reden hoeven zien om een verhoogd risico op witwassen aan te nemen.

3.5.

Volledigheidshalve merkt de rechtbank nog op dat de hiervoor genoemde overboeking los staat van de vermelding “pinopname” bij de risicofactoren op de checklist jaarrekening 2019 van [De Stichting] . Uit de gedingstukken blijkt niet dat [eiseres] op enig moment heeft verklaard dat de overuren van de directeur van [De Stichting] contant (via pinopnames) aan haar werden uitbetaald, zoals het BFT in het primaire besluit lijkt te veronderstellen. Ter zitting is over de pinopnames meer duidelijkheid verschaft en heeft [eiseres] verklaard dat de directeur van [De Stichting] de hier bedoelde pinopnames heeft gedaan om externen te betalen voor verleende diensten. Voor zover het BFT meent dat [eiseres] wegens deze pinopnames een hoger risico op witwassen had moeten onderkennen, geldt ook hier dat het BFT niet heeft gesteld dat er voor [eiseres] reden was om te veronderstellen dat het hiermee gemoeide geld direct of middellijk afkomstig was van enig misdrijf. Ook anderszins zijn daarvoor geen aanwijzingen in het dossier te vinden.

3.6.

Gelet op het voorgaande heeft het BFT de verweten overtreding van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en artikel 8 van deze wet niet buiten redelijke twijfel aangetoond.

Conclusie

4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd omdat het BFT niet buiten redelijke twijfel heeft aangetoond dat [eiseres] de verweten overtreding heeft begaan en het BFT dus niet bevoegd was [eiseres] een bestuurlijke boete op te leggen. Het primaire besluit moet om dezelfde reden worden herroepen.

Griffierecht en proceskosten

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat het BFT het door [eiseres] betaalde griffierecht aan haar vergoedt.

6. Omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens door [eiseres] geen kosten zijn opgegeven die zij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond, herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- bepaalt dat het BFT aan [eiseres] het door haar betaalde griffierecht van € 365,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.J.F.J. van Beek, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 21 december 2022.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.