1. Eiseres is een chemiebedrijf dat producten levert aan klanten in consumer care, infrastructuur en de verpakkingsindustrie.
De aanslag is opgelegd voor een transportleiding waarvan eiseres eigenaar is en die gebruikt wordt voor de levering van ethyleen en propyleen op het traject Rotterdam-Terneuzen.
2. De rechtbank stelt vast dat verweerder met als dagtekening 31 mei 2017 zowel een voorlopige aanslag precariobelasting als een definitieve aanslag precariobelasting heeft opgelegd. In beide aanslagen is de hoogte van de aanslag € 86.873,20. De aanslagen hebben ook hetzelfde aanslagnummer. Partijen zijn het er over eens dat in deze procedure de definitieve aanslag ter toetsing staat, waarbij de rechtbank zich aansluit.
3. De gemeenteraad van Rotterdam heeft op basis van artikel 228 van de Gemeentewet de Verordening precario- en reclamebelasting 2017 (hierna: de Verordening) vastgesteld.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt onder de naam precario-belasting een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening.
4. Eiseres voert aan dat verweerder geen bevoegdheid heeft om precario te heffen.
Zij verwijst daartoe naar het Koninklijk Besluit van 24 juni 1996, nummer. 69, waarin aan [naam bedrijf 1] N.V. een concessie is verleend voor de aanleg en instandhouding van een pijpleiding van Rotterdam naar Terneuzen voor het vervoer van ethyleen (hierna: de concessie). Dit maakt volgens eiseres dat de gemeente Rotterdam de aanwezigheid van de pijpleiding in haar grond moet gedogen.
4.1
Op grond van vaste jurisprudentie, waaronder het door eiseres genoemde arrest van de Hoge Raad van 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3437, kan geen precariobelasting worden geheven indien de gemeente verplicht is het hebben van voorwerpen door degene, die de voorwerpen heeft, te gedogen.
In het arrest van 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1267, heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar oudere jurisprudentie gewezen op het onderscheid tussen publiekrechtelijk toelaten en privaatrechtelijk gedogen. Van een contractuele gedoogplicht die aan de heffing van precariobelasting in de weg staat, is slechts sprake indien een gemeente op grond van een overeenkomst als eigenaar van de grond moet gedogen dat de wederpartij voorwerpen op, onder of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft (laatste volzin van rechtsoverweging 2.5.4).
4.2
In de concessie staat onder I. dat de Koningin heeft goed bevonden om “aan [naam bedrijf 1] N.V ., gevestigd te Rotterdam concessie te verlenen voor de aanleg en instandhouding van een pijpleiding van Rotterdam naar Terneuzen, bestemd voor het vervoer van ethyleen zo voor zich als ten behoeve van derden.”
Punt II.3 luidt:
De concessionaris is noch bevoegd van deze concessie afstand te doen, noch deze of de daaruit voortvloeiende rechten geheel of gedeeltelijk aan anderen over te dragen, dan na bij een door Ons te nemen besluit daartoe bevoegdheid te hebben verkregen en voldaan te hebben aan eventueel bij zodanig besluit te stellen voorwaarden;
5. Het is allereerst de vraag of de concessie bij eiseres berust. Omdat eiseres zich op de concessie beroept, is het aan haar om dit aannemelijk te maken.
5.2
Uit punt II onder 3 van de concessie volgt dat de concessieverlener toestemming moet geven om de concessie over te dragen. Dit betekent dat als een nieuw rechtspersoon wordt opgericht, zoals in dit geval is gebeurd in 1972 en vervolgens nogmaals in 1988 en op 31 augustus 1989, de concessieverlener toestemming moet geven om de concessie aan die nieuwe rechtspersoon over te dragen of in te brengen.
Bij de wijziging van [naam bedrijf 1] N.V . naar [naam bedrijf 2] B.V, is dit bij akte van 25 januari 1985 (achteraf) ook gebeurd.
In deze akte staat onder meer:
HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:
Het Koninklijk besluit van 24 juni 1966, nr. 69, houdende verlening van een concessie aan [naam bedrijf 1] N.V . wordt gewijzigd als volgt:
A
Het gestelde onder I komt te luiden:
I. Aan [naam bedrijf 1] B.V., gevestigd te Terneuzen, concessie te verlenen voor de aanleg en instandhouding van een pijpleiding van Rotterdam naar Terneuzen (..).
Deze toestemming ontbreekt echter voor [naam eiseres] B.V. (opgericht op 14 oktober 1988) en [naam bedrijf 3] N.V., welke op 31 augustus 1989 is opgericht. Althans eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit dit volgt. Zonder toestemming van de concessieverlener kan de concessie niet bij eiseres of een van haar voorlopers of oprichters rusten.
De slotsom is dan dat eiseres zich niet op de concessie kan beroepen.
6. Maar zelfs als de concessie wel bij eiseres berust, baat haar dat niet om de volgende reden.
7. Volgens eiseres moet de concessie worden gezien als een “buisleidingconcessie” als bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Daartoe heeft eiseres een Koninklijk besluit van 2 augustus 1967 overgelegd waarin is opgenomen:
Gelet op de Belemmeringenwet Verordeningen en de Belemmeringenwet Privaatrecht;
HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN;
(..)
II. het openbaar belang te erkennen van de werken, welke door [naam bedrijf 2] N.V., gevestigd te Rotterdam, overeenkomstig de aan haar bij Ons besluit van 24 juni 1966, nr. 69, zoals gewijzigd bij Ons besluit van 14 juni 1967, nr. 45, verleende concessie worden of zijn ondernomen ten behoeve van een pijpleiding van Rotterdam naar Terneuzen,
met een aansluitende aftakking van Woensdrecht naar de Belgisch-Nederlandse grens, bestemd voor het vervoer van ethyleen, zowel voor zich als ten behoeve van derden.
Artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht luidt als volgt:
Wanneer ten behoeve van openbare werken:
die door het Rijk, door eene provincie of ingevolge het reglement voor de instelling door een waterschap, veenschap of veenpolder worden of zijn ondernomen,
die door Ons, Onze Minister die het aangaat of door provinciale staten onderscheidenlijk gedeputeerde staten krachtens de wet zijn bevolen, die door een waterschap, veenschap of veenpolder anders dan ingevolge het reglement voor de instelling of door eene gemeente worden of zijn ondernomen of zijn bevolen terwijl het openbaar belang door Ons of van Onzentwege is erkend,
die ingevolge eene door het openbaar gezag verleende concessie worden of zijn tot stand
gebracht, terwijl het openbaar belang door Ons of van Onzentwege is erkend, of
van welke het algemeen nut uitdrukkelijk bij de wet is erkend,
een werk noodig is, waarvoor duurzaam of tijdelijk gebruik moet worden gemaakt van onroerende zaken, kan ieder, die eenig recht heeft ten aanzien van die zaken, behoudens recht op schadevergoeding, worden verplicht te gedoogen, dat zoodanig werk wordt aangelegd en in stand gehouden, indien naar het oordeel van Onzen Minister van Waterstaat de belangen van de rechthebbenden redelijkerwijs onteigening niet vorderen en in het gebruik van de zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan redelijkerwijs voor den aanleg en de instandhouding van het werk noodig is.
7.2
Dat de concessie een buisleidingconcessie is zoals bedoeld in de Belemmeringenwet Privaatrecht, zoals eiseres stelt, betekent op zich nog niet dat er een privaatrechtelijke gedoogplicht voor de gemeente Rotterdam bestaat. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2009 is daarvoor een beslissing nodig van de Minister van Verkeer en Waterstaat, waarmee met toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht aan de gemeente de bevoegdheid is ontnomen zich als eigenaar van de grond tegen de aanwezigheid van de pijpleiding te verzetten. Eiseres heeft ter zitting erkend dat zo’n beslissing niet is genomen.
Er is dus geen sprake van een situatie waarin het toestaan van het hebben van de leidingen in de gemeentegrond daadwerkelijk is afgedwongen. Daarover is niets opgenomen in de concessie. Onvoldoende is dat op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht het hebben van voorwerpen in de grond kan worden afgedwongen.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.