1
[gedaagde],
wonende te [woonplaats2],
2. [gedaagde2],
wonende te Rotterdam,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AD NIEUWSMEDIA B.V.,
gevestigd te [woonplaats3],
gedaagden,
advocaat mr. O.G. Trojan,
waarin aan de zijde van gedaagden is gevoegd
de stichting
STICHTING DE ROESTIGE SPIJKER,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. M.Ch. Kaaks.
Partijen zullen hierna [eiser], het AD (gedaagden tezamen, in enkelvoud) en De Stichting genoemd worden.
Waar nodig worden gedaagden afzonderlijk aangeduid als [gedaagde], [gedaagde2] en AD Nieuwsmedia.
4 De beoordeling
Eiswijziging
4.1.
[eiser] heeft bij akte zijn eis gewijzigd. Nu het AD en De Stichting geen bezwaar hebben tegen de eiswijziging en de wijziging niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde, wordt op de gewijzigde eis recht gedaan.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het AD door de publicaties op 6 en 8 oktober 2012 in het Algemeen Dagblad (zie onder 2.3.1 t/m 2.3.4) jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor hij (reputatie)schade heeft geleden. [eiser] stelt hiertoe het volgende.
4.2.1.
Het AD heeft zich schuldig gemaakt aan journalistieke onzorgvuldigheid jegens [eiser], zulks enerzijds vanwege de feitelijk onjuiste en onnodig grievende inhoud van de gewraakte artikelen, die een inbreuk maken op de persoonlijke integriteit van [eiser] en op zijn eer en goede naam, en anderzijds vanwege de vorm waarvoor het AD gekozen heeft. Met de betreffende publicaties zijn de grenzen van de vrijheid van meningsuiting ruimschoots overtreden.
4.2.2.
De litigieuze beschuldigingen vinden geen steun in het beschikbare feitenmateriaal. Het AD beroept zich in de publicaties op merendeels anonieme bronnen, zijnde personen met een crimineel verleden, die verklaren over vermeende feiten van ruim dertig jaar geleden. Een belangrijke met name genoemde persoon die het AD als bron heeft gebruikt was ten tijde van de voorvallen waarover hij verklaart zo jong, dat zijn verklaring zeer ongeloofwaardig is. Dat aspect is voor de lezer van de artikelen niet kenbaar, omdat zijn leeftijd in de artikelen niet genoemd wordt. Geruchten lijken als vaststaande feiten te worden gepresenteerd, althans er is een onvoldoende onderscheid ter zake gemaakt.
4.2.3.
Voorafgaand aan en ook na de benoeming van [eiser] tot Secretaris-Generaal van het Ministerie van (Veiligheid en) Justitie is meerdere keren door verschillende instanties onderzoek gedaan naar beschuldigingen met betrekking tot mogelijke pedofiele contacten van [eiser]. Die onderzoeken hebben niet geleid tot zelfs maar een begin van bewijs. [eiser] heeft vanaf zijn aantreden in 2002 de volledige (en ook publieke) steun gehad van de betreffende ministers van (Veiligheid en) Justitie. [eiser] verwijst in dit kader in het bijzonder naar de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 3 oktober 2012 (productie 8 bij dagvaarding; deels weergegeven onder 2.6) waaruit, volgens [eiser], (onder meer) blijkt dat (i) [eiser] nimmer als verdachte is aangemerkt, (ii) [eiser] niet is genoemd in het Rolodex-onderzoek en (iii) dat er geen begin van juistheid is gebleken van oude of nieuwe beschuldigingen aan het adres van [eiser].
4.3.
Zoals ter gelegenheid van de comparitie is toegelicht richten de bezwaren van [eiser] zich hoofdzakelijk tegen de publicatie op 6 oktober 2012, waarin meerdere (deels anonieme) getuigen aan het woord worden gelaten die verklaren dat [eiser] in de jaren ’80 contact had met [persoon1], een jongenspooier, en minderjarige jongens uit diens omgeving. De publicatie op 8 oktober 2012 is een vervolgartikel en heeft voornamelijk betrekking op de onderzoeken die zijn verricht naar aanleiding van eerdere beschuldigingen, aangiften en geruchten omtrent pedofiele contacten van [eiser]. [eiser] heeft geen concrete bezwaren geformuleerd tegen de wijze waarop deze onderzoeken door het AD zijn beschreven; wel heeft hij bezwaar tegen het publiceren van het vervolg op het door hem onrechtmatig geachte artikel van 6 oktober 2012, omdat het onderwerp daardoor extra aandacht heeft gekregen.
4.4.
Het AD betwist zowel de onrechtmatigheid van de gewraakte publicaties als de gestelde daaruit voortvloeiende schade. Het standpunt van het AD komt erop neer dat de beschuldigingen die in de gewraakte publicaties besloten liggen voldoende steun vinden in de feiten en dat de publicatie van de gewraakte artikelen is geschied na een zorgvuldige afweging, waarbij zowel de persoonlijke belangen van [eiser] als het publieke belang zijn betrokken en ook hoor en wederhoor is toegepast. Het AD betoogt hiertoe het volgende.
4.4.1.
Het publieke belang ziet in de eerste plaats op de vraag of [eiser], die gedurende tien jaar de functie vervulde van Secretaris-Generaal (de hoogste ambtenaar) van het Ministerie van (Veiligheid en) Justitie, zich in een chantabele positie bevond en of dat van invloed kan zijn geweest op zijn besluiten, handelen of nalaten. Voorts is van publiek belang de vraag of de Nederlandse overheid adequaat heeft gereageerd op de beschuldigingen aan het adres van [eiser] en of zij voldoende invulling heeft gegeven aan haar internationale verplichtingen (voortvloeiende uit verdragen waaraan Nederland gebonden is).
4.4.2.
Aan de publicatie van de gewraakte artikelen is een langdurig onderzoek voorafgegaan door de zeer ervaren onderzoeksjournalist [gedaagde]. De hoofdredactie was hier steeds nauw bij betrokken. Alle bronnen zijn onderworpen aan een nauwgezet proces van verificatie.
4.4.3.
De door het AD gepresenteerde feiten kennen een stevig fundament. Zowel de contacten met [persoon1] als de contacten met minderjarige jongens uit diens omgeving worden door meerdere (oog)getuigen bevestigd. Voor alle verklaringen geldt dat ze consistent en geloofwaardig zijn. Daarbij komt dat de getuigenverklaringen niet los kunnen worden gezien van de overige beschikbare documentatie en verklaringen die zijn afgelegd voor en na de gewraakte publicaties in oktober 2012. Het AD wijst erop dat de ontwikkelingen nadien geen afbreuk doen aan hetgeen in oktober 2012 is geschreven, doch de inhoud van die artikelen juist ondersteunen.
4.4.4.
Het AD laat de verklaringen van de verschillende getuigen voor hun rekening door middel van citaten en parafrases. Daarmee bewaart het AD voldoende afstand en laat het ruimte voor de lezer om zijn eigen conclusies te trekken.
4.4.5.
Het AD wijst erop dat soortgelijke geruchten al geruime tijd de ronde deden, zodat mogelijke reputatieschade niet valt toe te schrijven aan deze artikelen.
4.5.
Aan het verweer van het AD heeft De Stichting toegevoegd dat de litigieuze beschuldigingen uit de gewraakte publicaties over contacten van [eiser] met [persoon1], een jongenspooier, en met minderjarige jongens uit diens omgeving moeten worden bezien tegen de achtergrond van een periode van meer dan tien jaar waarin [eiser] uit verschillende hoeken, zowel in Nederland als daarbuiten, is geconfronteerd met een lange reeks aan beschuldigingen van pedofiele contacten met minderjarige jongens. In deze periode is [eiser] door opeenvolgende Ministers van Justitie voortdurend de hand boven het hoofd gehouden, terwijl de verdenkingen tegen hem steeds serieuzer werden. Dat laatste voedt de gedachte dat pogingen zijn gedaan deze kwestie in de doofpot te stoppen, hetgeen een zelfstandige ernstige maatschappelijke misstand is, aldus De Stichting.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.6.
Uitgangspunt is dat toewijzing van de vordering van [eiser] in beginsel een beperking zou inhouden van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van een ieder op vrijheid van meningsuiting en de daarvan afgeleide (en in de grondwet verankerde) persvrijheid van het AD.
4.7
Het recht op vrijheid van meningsuiting kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM).
Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de rechtbank tot het oordeel komt dat de uitlatingen van het AD onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in welk geval het AD op de voet van artikel 6:167 BW tot rectificatie zou kunnen worden veroordeeld.
4.8
[eiser] stelt dat de uitlatingen onrechtmatig zijn omdat zij op ontoelaatbare wijze inbreuk maken op zijn grondrecht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en een aantasting vormen van zijn eer en goede naam. Bij de beoordeling van de vordering moet de rechtbank derhalve een afweging maken tussen twee grondrechten. Voor het antwoord op de vraag welk recht in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat publieke figuren meer hebben te dulden dan andere personen, maar niet vogelvrij zijn.
4.8.1
Het belang van het AD, en daarmee ook van zijn (onderzoeks)journalist, is dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Een achterliggend belang dat met de publicaties is gediend is dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken, blijven voortbestaan. Het belang van [eiser] is erin gelegen dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor hem ongewenste negatieve publiciteit en (mogelijke) schade aan eer en goede naam als gevolg daarvan.
4.8.2
Welk van deze belangen het zwaarste weegt, hangt af van de omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang beschouwd, waarbij onder meer relevant is (i) de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben, (ii) de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, (iii) de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal, (iv) de totstandkoming en inkleding van de verdenkingen, bezien in verhouding tot de onder (i) tot en met (iii) bedoelde omstandigheden, (v) het gezag dat het medium geniet en (vi) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Genoemde omstandigheden wegen niet alle even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht aan toepasselijke omstandigheden moet worden gehecht hangt af van het concrete geval.
4.9
De beoordeling door de rechtbank van alle omstandigheden en belangen in dit concrete geval begint, gelet op de stellingen van partijen over en weer, bij de inkleding van de gewraakte artikelen, en meer in het bijzonder de daarin gebezigde woorden. Vervolgens komen de aan de artikelen ten grondslag liggende bronnen en de betrouwbaarheid daarvan aan de orde, zulks in het kader van een beoordeling van het onderzoek dat voorafging aan de gewraakte publicaties en de mate van steun in het beschikbare feitenmateriaal, en de vraag of hoor en wederhoor in voldoende mate is toegepast. Hierna worden, aan de hand van de onder 4.8.2 genoemde gezichtspunten, de belangen van [eiser] en het AD nader beoordeeld.
De inkleding van de artikelen
4.10
In de tekst van de gewraakte artikelen (in het bijzonder de tekst van het artikel van 6 oktober 2012), als geheel en in hun onderlinge samenhang bezien, komen slechts waarnemingen en conclusies van de door het AD voor de artikelen gebezigde bronnen voor (de rechtbank duidt, in navolging van partijen, hierna met “bronnen” personen aan met wie [gedaagde] heeft gesproken; als sprake is van documenten wordt dat vermeld). Dat volgt uit het gebruik van woorden als “dat zeggen meerdere getuigen”, “meerdere ooggetuigen stellen”, “drie ooggetuigen vertellen” en het gebruik van citaten met aanhalingstekens. De omgang met [persoon1] en met minderjarige jongens uit diens omgeving is door het AD niet als feit gepresenteerd. De gewraakte publicaties bevatten feitelijk niet meer dan een weergave van hetgeen meerdere (al dan niet anonieme) bronnen hebben verklaard. Het AD houdt daarmee gepaste afstand van de verklaringen van zijn bronnen en laat de lezer ruimte zelf een oordeel te vormen over het gewicht dat aan de verklaringen moet worden gehecht. Deze inkleding kan dan ook de toets der kritiek doorstaan.
4.11
Ten aanzien van het bezwaar van [eiser] dat - ten onrechte - de suggestie is gewekt dat hij seks heeft gehad met minderjarige jongens wordt het volgende overwogen. In het Algemeen Dagblad van 6 oktober 2012 staat op pagina 8 en 9 een citaat van een
62-jarige Hagenaar die verklaart dat hij [eiser] weleens in een cafetaria zag zitten aan een tafel met [persoon1] en een aantal minderjarige jongens en hem meer dan eens de zaak zag verlaten met één van die jongens. Deze Hagenaar weet niet wat er daarna gebeurde tussen [eiser] en deze minderjarige jongen, maar voegt daar wel het volgende aan toe: “Maar het was algemeen bekend dat [persoon1] een jongenspooier was, dus je kunt aannemen dat het voor de seks was.” Het AD laat dit citaat nadrukkelijk voor rekening van de desbetreffende persoon. Daarbij verdient opmerking dat ook de bron in kwestie geenszins seks met minderjarige jongens als feit presenteert, maar juist een slag om de arm houdt (“je kunt aannemen”).
4.12
Ten aanzien van het bezwaar van [eiser] tegen de kop van de gewraakte publicaties wordt overwogen dat die kop niet meer dan een pakkende samenvatting omvat. Bovendien staat het een nieuwsmedium als het Algemeen Dagblad tot op zekere hoogte vrij zijn eigen (in zijn visie wervende) bewoordingen te kiezen. De gekozen bewoordingen zijn, gegeven het onderwerp, niet bijzonder scherp, beledigend of negatief gekleurd. [eiser] heeft ook geen specifieke bezwaren geuit tegen de in de kop en/of de artikelen gebruikte formuleringen. Dat gebruik gemaakt is van een grote kop op de voorpagina en een zogenoemde spread over twee bladzijdes, met foto, in het katern brengt weliswaar mee dat de artikelen veel aandacht trokken, maar een dergelijke vormgeving is voor een groot artikel niet uitzonderlijk.
De (betrouwbaarheid van de) bronnen
4.13
Het AD heeft voldoende inzicht verschaft in de wijze waarop de gewraakte artikelen tot stand zijn gekomen en de manier waarop hij gebruik heeft gemaakt van de uit (deels anonieme) bronnen verkregen informatie. Door het AD is duidelijk gemaakt dat hij zich er terdege van bewust is geweest dat met betrekking tot de verstrekte informatie grote zorgvuldigheid in acht genomen moest worden.
4.14
Zoals door het AD niet weersproken is gesteld, en dus vaststaat, is aan de gewraakte publicaties meer dan een jaar onderzoek, verricht door een ervaren onderzoeksjournalist, voorafgegaan.
[gedaagde] heeft - naar hij ter zitting ook heeft toegelicht - met veel bronnen gesproken en beschikte over een grote hoeveelheid documentatie. Hetgeen door de verschillende bronnen is verklaard, is onderworpen aan een nauwgezet proces van verificatie, waarbij details zijn gecheckt. De keuze in wat er van het beschikbare materiaal wel en niet is gepubliceerd, is aan het AD. Het AD heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij naar de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie voldoende deugdelijk onderzoek heeft verricht en dat hij de bronnen die informatie aandroegen die niet verifieerbaar bleek of waarvoor betaling werd gevraagd niet heeft benut voor de artikelen. Concrete betwisting daarvan van de zijde van [eiser] ontbreekt.
4.15
Het AD heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat op basis van de voorhanden zijnde informatie, gevoegd bij het feit dat tegen [eiser] vier keer aangifte is gedaan en bezien in samenhang met alle overige destijds beschikbare documentatie, een deugdelijke grondslag bestond voor hetgeen hij in de gewraakte artikelen aan de orde heeft willen stellen. Het gaat in dit geval om informatie die (ten dele) verwijst naar eerdere door andere nieuwsmedia geuite ernstige beschuldigingen aan het adres van [eiser]. De beschuldigingen zijn ingebed in verklaringen van ooggetuigen. Dat hierbij deels van anonieme bronnen gebruik is gemaakt, is geen reden om anders te oordelen, te meer niet nu er ook bronnen wel met naam en toenaam worden genoemd en de gewraakte publicaties zijn voorzien van informatie die de lezer in staat stelt zelf een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van de betreffende bron(nen). Het enkele feit dat de leeftijd van één getuige niet is genoemd, maakt dit niet anders. Die getuige was ten tijde van de door hem beschreven voorvallen in zijn late tienerjaren; dat is niet zodanig jong dat zijn verklaring reeds om die reden buiten beschouwing zou moeten blijven. [gedaagde] heeft voorts te kennen gegeven dat hij zich van dit aspect bewust is geweest en daarmee rekening heeft gehouden. Niet aannemelijk is geworden dat de leeftijd opzettelijk niet in de gewraakte artikelen is vermeld om de lezer te misleiden.
4.16
Het geheel overziende is niet gebleken dat het AD onbetrouwbare bronnen heeft gebruikt of bronnen ten aanzien waarvan zoveel twijfels bestonden dat hij daarover meer verantwoording zou hebben moeten afleggen dan in de artikelen is gedaan of zou hebben moeten afzien van het gebruik. Zijn onderzoeksplicht heeft het AD dan ook voldoende nageleefd.
4.17
Uit het voorgaande volgt voorts dat er voor de gewraakte krantenartikelen voldoende fundament bestond in de vorm van serieus te nemen aanwijzingen en bronnen die de geuite beschuldigingen konden (en kunnen) dragen. Er bestond mitsdien voldoende steun in het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal. De ontwikkelingen nadien geven ook geen grond om daarover thans anders te denken.
4.18
Daarmee heeft het AD geen oordeel gegeven over de gerelateerde feiten, doch een potentiële misstand gesignaleerd. Aldus heeft het AD zorgvuldige journalistiek bedreven. Hij mocht, wat betreft de inhoud van de gewraakte publicaties, afgaan op hetgeen ten tijde van de publicaties bij hem bekend was. Dat jegens [eiser], zoals hij betoogt en door het AD en de Stichting niet wordt betwist, animositeit bestaat, die door de artikelen is verergerd, doet aan het voorgaande niet af.
4.19
Met betrekking tot het beginsel van hoor en wederhoor wordt vooropgesteld dat geen sprake is van een op zichzelf staand en in rechte afdwingbaar recht, waarvan de schending steeds rechtsgevolg moet hebben. In het bijzonder bestaat geen recht op het tevoren kennis nemen van een voorgenomen artikel, om daarop te kunnen reageren.
Van een zorgvuldig dagblad mag echter worden verwacht dat het, bij voorgenomen artikelen als hier aan de orde, de betrokkene - in dit geval [eiser] - in de gelegenheid stelt zijn eigen visie te geven. Het niet, niet voldoende of te laat bieden van een dergelijke mogelijkheid kan het AD vervolgens later worden tegengeworpen bij het oordeel of voldoende zorgvuldigheid in acht is genomen. Voorts kan van belang zijn op welke wijze wordt omgegaan met de reactie. Tegen die achtergrond beoordeelt de rechtbank de verwijten van [eiser].
4.19.1
Vast staat dat [gedaagde] bij e-mail van 1 oktober 2012 (zie onder 2.4) achttien vragen heeft voorgelegd aan [eiser], waarop (de advocaat van) [eiser] bij brief van 3 oktober 2012 (zie onder 2.5) summier heeft geantwoord. [eiser] is niet concreet op de vragen ingegaan en heeft in grote lijnen volstaan met te zeggen dat hij [persoon1] niet kende en dus ook nimmer contact met hem heeft gehad.
4.19.2
De vragen (zie onder 2.4) houden rechtstreeks verband met de inhoud van de voorgenomen artikelen. Niet gesteld is dat het [eiser] niet duidelijk was waarop zijn weerwoord zich moest richten. Niet in te zien valt waarom een vragenlijst per e-mail geen geschikte wijze zou zijn om een reactie te vragen. [eiser] heeft daarover ter zitting opgemerkt dat een gesprek passender was geweest, maar daarom heeft hij destijds, naar vast staat, niet gevraagd. Hij heeft voor zijn reactie ook voldoende tijd gekregen. Dat een reactie op een voorgenomen krantenartikel binnen enkele uren of dagen gegeven moet worden volgt uit de aard van het medium. Uit de e-mail van 1 oktober 2012, die 5 dagen voor het eerste artikel is verzonden, blijkt geen bijzondere haast en de vragen waren betrekkelijk eenvoudig. Kennelijk heeft [eiser], zelfs als de e-mail hem niet meteen na verzending heeft bereikt, daarover met zijn raadsman kunnen overleggen en daarop - 2 dagen na de verzending, 3 dagen voor het eerste artikel - kunnen reageren. Uit die brief (van 3 oktober 2012) blijkt niet dat [eiser] destijds vond dat hij te weinig tijd had; er wordt ook niet om uitstel gevraagd.
4.19.3
Het weerwoord is voorts deugdelijk verwoord in de gewraakte artikelen. In het artikel op de voorpagina van het Algemeen Dagblad van 6 oktober 2012 staat ter zake het volgende vermeld: “[eiser] ontkent [persoon1] te hebben gekend. Zijn advocaat Harro Knijff schrijft: ‘Ten aanzien van alle vragen over [persoon1] geldt dat deze persoon de heer [eiser] volslagen onbekend is. De heer [eiser] heeft mitsdien dan ook geen enkel contact met betrokkene gehad’.” In dezelfde editie staat in het artikel op pagina 8 en 9 ter zake het volgende vermeld: “[eiser] ontkent [persoon1] gekend te hebben, maar laat een flink aantal vragen van het AD onbeantwoord. Zoals de cruciale vraag: heeft u ooit seks gehad met een minderjarige jongen? Zijn advocaat Harro Knijff schrijft terug: ‘Ten aanzien van alle vragen over [persoon1] geldt dat deze persoon de heer [eiser] volslagen onbekend is. De heer [eiser] heeft mitsdien dan ook geen enkel contact met betrokkene gehad’.”
4.19.4
Per saldo heeft het AD in genoegzame mate de gelegenheid tot wederhoor geboden en is zij naar behoren omgegaan met de reactie van [eiser].
Wederzijdse belangen
4.20
Dan dient ten slotte nog de vraag te worden beantwoord of belangen worden gediend dan wel geschaad met de publicaties, en welke dan, en of en in hoeverre daar rekening mee moet worden gehouden.
4.21
Het AD heeft met zijn publicaties aan de orde willen stellen dat [eiser] contacten had met een beruchte jongenspooier en met minderjarige jongens uit diens omgeving en voorts dat deugdelijk onderzoek van bevoegde zijde daaromtrent tot dusver was uitgebleven. Het onderwerp dat aan de kaak wordt gesteld is niet alleen ernstig, maar ook van wezenlijk maatschappelijk belang (zie onder 4.8.2, i en ii). Daarvoor mag in de media aandacht worden gevraagd. De vorm van grote artikelen in een dagblad is daarvoor geëigend.
4.22
[eiser], die nooit is veroordeeld voor delicten in deze sfeer en die voor het moment van de publicaties ook niet als verdachte van dergelijke delicten was aangemerkt, heeft recht op het respecteren van zijn persoonlijke levenssfeer. Hij heeft er belang bij dat dergelijke berichten, die naar hun aard sterk diffamerend zijn, niet in een grote landelijke krant gepubliceerd worden. Dat gold in het bijzonder begin oktober 2012, toen hij afscheid nam als Secretaris-Generaal, omdat die berichten toen extra aandacht kregen en de afsluiting van zijn ambtelijke loopbaan overschaduwden.
4.23
De belangen van het AD bij deze publicaties over dit onderwerp van maatschappelijk belang moeten zwaarder wegen dan die van [eiser] bij het achterwege laten daarvan. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.23.1
Dat het AD, dat is aan te merken als een serieus dagblad met een aanzienlijk maatschappelijk gezag (4.8.2 onder v), het tot zijn taak rekent om over [eiser] in deze zin te berichten past bij zijn rol als waakhond in het publieke debat. Dat de verdenkingen ernstige gevolgen zouden kunnen hebben voor [eiser] (4.8.2 onder i, tweede deel) vloeide voort uit de aard daarvan en was voor het AD, naar ook wordt erkend, kenbaar. Die gevolgen zouden met name gelegen zijn in reputatieschade, materiële schade lag niet in de rede. Op grond daarvan kon het AD overgaan tot publicatie, mits sprake was van deugdelijk onderzoek, [eiser] gelegenheid had gekregen tot wederhoor en het AD de bewoordingen en uitvoering met zorg koos. Uiteindelijk hebben vijf bronnen, volgens de informatie van het AD ooggetuigen waarvan er twee met naam en toenaam hebben verklaard, de omgang van [eiser] met [persoon1] bevestigd.
4.23.2
Gelet op het beschikbare feitenmateriaal en de hiervoor besproken wijze waarop daarover door het AD is bericht, is in de inkleding van de publicaties voldoende tegemoet gekomen aan de belangen van [eiser]. Het AD mocht dus overgaan tot de publicatie, ook op 6 oktober en 8 oktober 2012, rond de pensionering van [eiser] als Secretaris-Generaal (4.8.2 onder vi). Hoewel daardoor het risico dat hij zijn baan zou verliezen werd vermeden is duidelijk dat die timing ook zou leiden tot extra aandacht en extra reputatieschade in die zin dat [eiser] vertrek daardoor zou worden overschaduwd. Dat zijn ernstige gevolgen, die tot extra terughoudendheid noopten. Anderzijds was de nieuwswaarde van de artikelen en het belang voor het publiek debat daardoor, mede in het licht van de door De Stichting bedoelde doofpotvermoedens juist groter.
4.23.3
Tenslotte is relevant dat het AD niet de eerste was die dergelijke berichten publiceerde; dat maakt minder aannemelijk dat juist deze berichten grote gevolgen zouden hebben. [eiser] was reeds gedurende een periode van meer dan tien jaar geconfronteerd met een reeks van beschuldigingen van pedofiele contacten met minderjarige jongens, als gevolg waarvan [eiser] eerder in de publieke belangstelling heeft gestaan. Daar stelt [eiser] weliswaar, op zichzelf terecht, tegenover dat het juist enige tijd stil was geweest, maar dat doet niet af aan het gegeven dat geen sprake was van een onbezoedeld blazoen op dit punt. Bovendien is [eiser] aan te merken als een publieke figuur en heeft hij als zodanig meer media-aandacht te dulden dan de gemiddelde burger. Een relevante bijzonderheid daarbij is, dat hij een positie bekleedde - Secretaris-Generaal op het ministerie van Veiligheid en Justitie - waar onkreukbaarheid van groot belang is.
4.24
Aan het voorgaande doet niet af dat de gewraakte artikelen door [eiser] als kwetsend worden ervaren. De beschuldigingen jegens [eiser] zijn door het AD met het grootst mogelijk publicitair effect gebracht. Dat het AD met de gewraakte publicaties een publicitair effect voor ogen had, is op zichzelf niet onrechtmatig jegens [eiser]. Zoals al is overwogen stellen de publicaties potentieel ernstige misstanden aan de orde, waarvoor voldoende feitelijke grondslag bestond. Bij de uitoefening van het in artikel 10, eerste lid EVRM gewaarborgde recht moet een zekere mate van overdrijving of provocatie toelaatbaar geacht worden. Het AD heeft daarbij met deze twee artikelen de grenzen niet overschreden.
4.25
Resumerend en concluderend: de gewraakte publicaties van het AD zijn niet onrechtmatig. Daarmee komt de grondslag aan de vordering te ontvallen, zodat deze moet worden afgewezen. De andere verweren van het AD en De Stichting kunnen onbesproken blijven.
4.26
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in de hoofdzaak.
[eiser] en het AD zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten in het incident.
4.26.1
De kosten in de hoofdzaak aan de zijde van het AD worden begroot op:
- vast recht € 1.836,00
- salaris advocaat € 1.788,00 (2 punten x tarief € 894,00)
Totaal € 3.624,00.
4.26.2
De kosten in de hoofdzaak aan de zijde van De Stichting worden begroot op:
- salaris advocaat € 1.788,00 (2 punten x tarief € 894,00).
4.26.3
De kosten in het incident aan de zijde van De Stichting worden begroot op:
- salaris advocaat € 2.235,00 (2,5 punten x tarief € 894,00).