1
[gedaagde 3] B.V.,
te [vestigingsplaats 2], gedaagde partij hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 3],
niet verschenen,
2. [gedaagde 4] B.V.,
te [vestigingsplaats 3], gedaagde partij hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 4],
niet verschenen,
3. [gedaagde 1],
te [woonplaats 2] , gedaagde partij hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] ,
verschenen,
advocaat: mr. R. van Viersen.
4. [gedaagde 2] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] , gedaagde partij hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 2] ,
niet verschenen,
3 De feiten
3.1.
[gedaagde 3] is een vennootschap die zich onder meer bezighoudt met forex trading. Forex trading is – kort gezegd - het kopen en verkopen van valuta met als doel om te profiteren van de fluctuaties in de waarde van valuta ten opzichte van elkaar. [gedaagde 3] wordt bestuurd door [gedaagde 4]. [gedaagde 4] wordt thans bestuurd door [gedaagde 1] . [gedaagde 1] is ook bestuurder van [gedaagde 2] .
3.2.
[eiser] en [gedaagde 3] hebben op 16 januari 2023 een schriftelijke overeenkomst van bewaring gesloten, op grond waarvan [eiser] een bedrag van € 500.000,00 heeft overgemaakt aan [gedaagde 3]. De overeenkomst is aan de zijde van [gedaagde 3] getekend door [gedaagde 1] en [naam 1] (de toenmalige (indirect) bestuurders van [gedaagde 3]).
3.3.
In de overeenkomst staat - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
“ (…)
Artikel 2: BEDRAG VAN IN BEWARINGGEVING
-
De bewaargever heeft aan de bewaarnemer een bedrag van € 500.000,- (zegge vijfhonderdduizend Euro) in bewaring gegeven, dit bedrag blijft te allen tijde eigendom van de bewaargever;
-
Het bedrag van in bewaargeving zal worden aangewend voor Forex Trading en dient uitsluitend voor dit doel door de bewaarnemer te worden aangewend.
Artikel 3: RENDEMENT
-
Het rendement bedraagt 20 % (zegge twintig procent) per zes kalendermaanden) zijnde € 100.000,- (zegge honderdduizend euro);
-
Het rendement wordt in maandelijkse termijnen uitbetaald onder de voorwaarden van artikel 4.3 van deze overeenkomst.
(…)
Artikel 6: OVERIGE BEPALINGEN
1. De bewaarnemer staat garant voor het in bewaargegeven bedrag zoals bepaald in artikel 2.1 van deze overeenkomst, het in bewaring gegeven bedrag is derhalve vrij van risico.
(…)”
3.4.
In de periode van 1 februari 2023 tot en met 1 augustus 2023 heeft [gedaagde 3] een bedrag van € 105.914,00 uitgekeerd aan [eiser] . Daarna hebben geen betalingen aan [eiser] meer plaatsgevonden.
3.5.
Op 21 januari 2025 zijn [gedaagde 3], [gedaagde 4], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door [eiser] in gebreke gesteld. [eiser] heeft hen gesommeerd binnen vijf dagen een bedrag van € 494.086,00 (zijnde de in bewaring gegeven € 500.000,00 vermeerderd met een rendement van € 100.000,00 minus de uitkering van € 105.914,00, hierna: de hoofdsom) aan [eiser] te voldoen. Tevens is in deze brief de overeenkomst per diezelfde datum opgezegd.
3.6.
Bij brief van 4 februari 2025 heeft [eiser] [gedaagde 3], [gedaagde 4] en [gedaagde 1] gesommeerd om omgaand informatie te verstrekken over wat er met de hoofdsom is gebeurd en waar deze zich bevindt.
5 De beoordeling
5.1.
[gedaagde 1] is met een advocaat in rechte verschenen. [gedaagde 3], [gedaagde 4] en [gedaagde 2] zijn niet verschenen. Tegen [gedaagde 3], [gedaagde 4] en [gedaagde 2] is verstek verleend.
5.2.
De vorderingen zoals die luiden ten aanzien [gedaagde 3], [gedaagde 4] en [gedaagde 2] worden door de voorzieningenrechter toegewezen, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
De voorzieningenrechter zal de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden hierna separaat beoordelen.
Is [gedaagde 3] gehouden tot terugbetaling?
5.3.
De vordering onder 1. is een geldvordering. Bij een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. Om een dergelijke vordering in kort geding te kunnen toewijzen, is nodig dat die vordering in voldoende mate aannemelijk is. Ook moet er sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Aan het vereiste spoedeisend belang worden minder hoge eisen gesteld wanneer een vordering in hoge mate aannemelijk is. De genoemde vereisten zijn in zoverre communicerende vaten. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het risico dat de eiser het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval hij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld (het restitutierisico).
5.4.
Er is een overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 3] gesloten. [eiser] heeft deze overeenkomst conform artikel 5 opgezegd waardoor de hoofdsom opeisbaar is geworden. [eiser] stelt de hoofdsom te hebben geleend van zijn besloten vennootschap en dat de liquiditeit van de vennootschap in ernstige mate wordt aangetast. [gedaagde 3] is niet verschenen en heeft dit dus niet weersproken. Van een reëel restitutierisico is de voorzieningenrechter niet gebleken. Doordat sprake is van een ‘harde’ vordering, kan de vordering in kort geding worden toegewezen.
5.5.
[eiser] vordert de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 24 januari 2025. Deze rente zal worden toegewezen.
Zijn [gedaagde 4] en [gedaagde 1] gehouden tot terugbetaling?
5.6.
[gedaagde 4] is direct bestuurder van [gedaagde 3]. [gedaagde 1] is -als bestuurder is van [gedaagde 4]- indirect bestuurder van [gedaagde 3]. Artikel 2:11 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Indien kan worden vastgesteld dat [gedaagde 4] aansprakelijk is tot terugbetaling, geldt dit ook ten aanzien van [gedaagde 1] . Daarom zal ten aanzien van [gedaagde 4] en [gedaagde 1] gezamenlijk worden beoordeeld of de vordering tot terugbetaling kan worden toegewezen.
5.7.
In beginsel geldt dat een door de verschenen gedaagde - in dit geval [gedaagde 1] - gevoerd verweer niet mede in het voordeel werkt van de niet verschenen gedaagden - in dit geval [gedaagde 4] - voor de beantwoording van de vraag of sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] , niet los worden gezien van die van [gedaagde 4]. [gedaagde 4] is immers bestuurder van [gedaagde 3].
5.8.
Voor zover [eiser] zijn vorderingen baseert op wanprestatie, worden de vorderingen afgewezen. [gedaagde 1] en [gedaagde 4] zijn namelijk geen contractspartij en zij kunnen enkel op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk worden gesteld.
5.9.
Als uitgangspunt geldt, dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Van aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap op grond van artikel 6:162 BW is slechts sprake wanneer de bestuurder een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Of daarvan sprake is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval (zie ECLI:NL:HR:2008:BC4959 (Ontvanger/Roelofsen) en ECLI:NL:HR:2014:2628 (Hezemans Air)).
5.10.
Van ernstige persoonlijke verwijtbaarheid van de bestuurder, leidend tot externe bestuurdersaansprakelijkheid, kan sprake zijn indien de bestuurder bij het aangaan van een verbintenis wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (zie ECLI:NL:HR:1989: AB9521 (Beklamel)). In de kern houdt dit zogenoemde “Beklamelcriterium” de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden (zie ECLI:NL:HR:2014:2627).
5.11.
Volgens [eiser] zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 4] aansprakelijk op grond van onbehoorlijk bestuur, aangezien een redelijk denkend bestuurder niet zo gehandeld zou hebben, want:
- -
i) er is belegd zonder de juiste vergunningen,
- -
ii) er zijn gelden verduisterd,
- -
iii) er is schriftelijk gegarandeerd dat het geld van [eiser] veilig zou zijn en er is beslag gelegd op de onroerende zaken van [gedaagde 1] .
5.12.
[gedaagde 1] betwist het door [eiser] gestelde. Zij voert aan dat zij op grond van de regels van de AFM geen vergunning nodig had om te beleggen. Van verduistering is geen sprake, zo stelt [gedaagde 1] : de hoofdsom staat immers in een cryptowallet. Omdat het OM beslag heeft gelegd op vrijwel alle vermogensbestanddelen van [gedaagde 1] , is de cryptowallet op dit moment niet beschikbaar is. [gedaagde 1] heeft gezorgd voor een winstgevende onderneming waardoor zij bij uitstek juist en goed heeft gehandeld. Door haar handelen zijn hoge rendementen behaald, zo stelt [gedaagde 1] .
5.13.
Voorop staat dat in het kader van een kort geding slechts in beperkte mate plaats is voor beoordeling van de door [eiser] gestelde bestuurdersaansprakelijkheid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de drempel om persoonlijke aansprakelijkheid aan te nemen - een ernstig persoonlijk verwijt - niet wordt gehaald door de door [eiser] aangevoerde punten. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe.
5.14.
[eiser] baseert zijn standpunt onder (i) onder meer op een krantenartikel waarin staat geschreven: “Het kort geding was opmerkelijk genoeg aangespannen door een groep beleggers die eisen dat [gedaagde 1] door mag gaan met handelen. Dat werd door de voorzieningenrechter niet ingewilligd, aangezien de boekhouder handelde zonder vergunning voor beleggingsdiensten en toewijzing van de vordering dus zou kunnen leiden tot strafbaar handelen”. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat zij geen vergunning nodig had voor de beleggingen omdat zij voldeed aan de vereisten voor een vrijstelling. Zij verwijst hierbij naar de website van de Autoriteit Financiële Marken (AFM). De stelling van [eiser] dat er vergunningen benodigd waren, is in het licht van de gemotiveerde betwisting niet aannemelijk geworden. Het enkele feit dat deze berichtgeving in de media is verschenen, is niet voldoende om hier conclusies aan te verbinden in dit kort geding.
5.15.
Ten aanzien van de onder (ii) genoemde verduistering is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende gesteld. Er lopen weliswaar strafrechtelijke onderzoeken, maar er is niets overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van verduistering.
5.16.
Dat het OM beslag heeft gelegd op vermogensbestanddelen van [gedaagde 1] , zoals genoemd onder (iii), maakt niet dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. Bovendien gaat het hier om conservatoire beslagen. Het staat dus nog niet vast dat de beslagen ook daadwerkelijk kunnen worden uitgewonnen.
5.17.
[eiser] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [gedaagde 1] , en dus ook [gedaagde 4], bij het aangaan van de overeenkomst wist of behoorde te begrijpen dat [eiser] als gevolg van het handelen schade zou lijden. Hiermee is niet voldaan het Beklamel-criterium. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
Is [gedaagde 2] gehouden tot terugbetaling?
5.18.
[eiser] heeft niet aangeduid wat precies de positie is van [gedaagde 2] . Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk of zij de moedermaatschappij is van [gedaagde 3] en of deze vennootschap in een zorgplicht tekort zou zijn geschoten. Er is onvoldoende gesteld om tot concernaansprakelijkheid te komen. De vordering tegen [gedaagde 2] zal worden afgewezen.
Exhibitieplicht, artikel 843a Rv
5.19.
Ten aanzien van het gevorderde onder 2 voert [gedaagde 1] aan dat de gelden van [eiser] in een cryptowallet in de blockchain staan. [gedaagde 1] heeft als onderbouwing een printscreen overgelegd. [eiser] betwist dat aan de printscreen betekenis toekomt. Hij geeft aan dat niet duidelijk is wie eigenaar is van de cryptowallet en dat hij dus niets kan met de overgelegde printscreen door [gedaagde 1] .
5.20.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling voor zoveel mogelijk inzichtelijk heeft gemaakt waar de gelden van [eiser] zijn gebleven. [eiser] wist dat [gedaagde 3] de gelden van [eiser] zou gebruiken voor forex trading: dit staat immers met zoveel woorden in de overeenkomst. Bij forex trading komen de gelden in een cryptowallet. Een cryptowallet wordt geïdentificeerd door een lange reeks letters en cijfers. Deze zijn niet direct gekoppeld aan de identiteit van een eigenaar. [eiser] had moeten begrijpen dat de gelden niet op de rekening van [gedaagde 3] bleven staan in het kader van de beleggingen. De vordering zal worden afgewezen omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter [gedaagde 1] in het kader van dit kort geding voldoende heeft toegelicht waar de gelden zijn gebleven.
5.21.
Ten slotte oordeelt de voorzieningenrechter, dat voor zover al tot de conclusie zou kunnen worden gekomen dat niet aan de exhibitieplicht is voldaan, het gevorderde omtrent lijfsdwang zou zijn afgewezen. Lijfsdwang is een ultimum remedium. [eiser] heeft niet alle andere mogelijke dwang- en executiemaatregelen ingezet die het burgerlijk procesrecht hem biedt.
Het gevorderde onder 3.
Proceskosten
5.22.
[gedaagde 3] is grotendeels in het ongelijk gesteld tegenover [eiser] en zal daarom de proceskosten moeten betalen. De proceskosten worden begroot op:
- dagvaarding
|
€
|
149,02
|
|
- griffierecht
|
€
|
2.723,00
|
|
- salaris advocaat
|
€
|
1.107,00
|
|
- nakosten
|
€
|
178,00
|
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
|
Totaal
|
€
|
4.157,02
|
|
5.23.
[eiser] is in het ongelijk gesteld tegenover [gedaagde 4], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en zal daarom de proceskosten moeten betalen. De proceskosten worden ten aanzien van [gedaagde 1] begroot op:
- griffierecht
|
€
|
2.723,00
|
|
- salaris advocaat
|
€
|
1.107,00
|
|
- nakosten
|
€
|
178,00
|
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
|
Totaal
|
€
|
4.008,00
|
|
5.24.
De proceskosten ten aanzien van [gedaagde 4] en [gedaagde 2] worden begroot op nihil.
6 De beslissing
6.1.
veroordeelt [gedaagde 3] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 494.086,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling.
6.2.
veroordeelt [gedaagde 3] in de proceskosten van € 4.157,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 3] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 1] van € 4.008,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis ten aanzien van 6.1 tot en met 6.3 voor zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2025.