2 De feiten
2.1.
[partij B] drijft onder de naam ‘[eenmanszaak]’ een eenmanszaak gespecialiseerd in het aansluiten van kachels en haarden, alsmede de installatie van rookkanalen. Daarnaast verricht [partij B] werkzaamheden met betrekking tot renovatiesloop en dakgoot- en dakkapelreiniging.
2.2.
Tussen [partij A] als opdrachtgeefster en [partij B] als aannemer is op 11 december 2023 een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen. [partij B] zou op grond van deze overeenkomst de dakconstructie van de woning van [partij A] verstevigen in verband met het plaatsen van zonnepanelen en het gehele dak isoleren. De totale overeengekomen aanneemsom bedroeg € 8.500,00 waarvan € 4.500,00 giraal en € 4.000,00 contact zou worden voldaan.
2.3.
[partij A] heeft op 18 januari 2024 (giraal) een bedrag van € 2.250,00 aan [partij B] betaald en op 25 januari 2024 een bedrag van € 2.000,00 contant voldaan.
2.4.
[partij B] is op 25 januari 2024 met zijn werkzaamheden gestart. [partij A] constateert op 26 januari 2024 lekkage in de slaapkamers van haar woning, en laat dit in een whatsappbericht (met foto’s) aan [partij B] weten.
2.5.
Op enig moment na aanvang van de werkzaamheden heeft [partij B] [partij A] meegedeeld dat het dakbeschot moest worden vernieuwd omdat die volgens [partij B] in slechte staat verkeerde. Partijen zijn vervolgens rond 30 januari 2024 (aanvullend) overeengekomen dat [partij A] [partij B] voor die werkzaamheden een bedrag van € 1.500,00 zou voldoen. Dat bedrag zou contant in drie termijnen, te weten eind februari, maart en april 2024, door [partij A] worden voldaan.
2.6.
Op 30 januari 2024 informeert [partij A] in een whatsappbericht bij [partij B] naar de planning met betrekking tot de werkzaamheden:
“(…) Ik zou graag wel een beetje willen weten waar ik aan toe ben qua planning. Welke dagen, hoeveel dagen, etc.
Mijn huis staat namelijk regelmatig te huur en ik mis inkomsten als dit heel lang duurt. Ik had gerekend op 2 dagen. (…)”
[partij B] reageert hier als volgt op:
“(…) wij hadden ook minder dagen gerekend…Maar deze week blijft de steiger staan en donderdag geeft ie alleen regen aan en moeten wij elders een klus maken. Verder heb ik alles doorgeschoven zodat we morgen, vrijdag en zaterdag bij jou kunnen werken…(…).”
2.7.
Op 1 februari 2024 constateert [partij A] wederom lekkage op de zolder en in de slaapkamers en meldt dit (met foto’s) dezelfde dag in een whatsappbericht aan [partij B], met de mededeling (onder meer): “dit is de 2e keer nu… jullie zullen de boel morgen echt moeten gaan maken. Dit kan zo niet. M’n hele huis gaat stuk zo.”
2.8.
[partij A] heeft op 1 februari 2024 een medewerker van Bouwgenoot B.V. de door haar geconstateerde lekkages laten bekijken. [partij B] is daar niet op voorhand van in kennis gesteld.
2.9.
Namens [partij B] wordt bij e-mail van 2 februari 2024 aan [partij A] onder meer geschreven:
“U beslist ineens dat de voorkant nu nog niet gedaan hoeft te worden omdat er volgend weekend gasten in komen.
(…)
Nadat wij zeiden morgen terug te komen voor de achterkant en de voorkant, zei u dat de voorkant nog niet gedaan hoeft te worden waardoor wij zo de achterkant ook niet kunnen afwerken. U gaf ook aan eerst iemand naar het dak te laten kijken of wij ons werk wel goed hebben gedaan. Dat is uiterst teleurstellend om te horen na het werk wat ze hebben gedaan.”
2.10.
Bij e-mail van 3 februari 2024 heeft [partij B] aan [partij A] onder meer meegedeeld:
“We willen voorstellen de achterkant van je dak af te maken as maandag (…) Hiervoor willen wij wel voor maandag een betaling van je ontvangen van € 2550,- euro dit zijn de kosten van het dakbeschot incl. btw, de arbeidsuren die wij vandaag mis zijn gelopen, kosten voor het inhuren van mankracht voor vandaag.
(…)
Wanneer we hier niet uitkomen zijn wij genoodzaakt de volledige kosten voor arbeidshuren van zaterdag en maandag, de huur van de steiger voor zat tm dinsdag in rekening te brengen samen met de kosten van het dakbeschot, de duurdere isolatie en de misgelopen inkomsten bij ontbinding van onze overeenkomst.”
2.11.
[partij A] heeft [partij B] daarop bij e-mail van 3 februari 2024 het volgende geschreven:
“Helaas voldoen de werkzaamheden niet aan deze overeenkomst, geconstateerd door een expert. Los van de werkzaamheden die nog verricht zouden moeten worden om het dak waterdicht te maken, zijn er grote gebreken gevonden (…)
De expert heeft gaten en kieren tussen het nieuw aangebrachte dakbeschot geconstateerd en er liggen nergens tengels onder de panlatten. In het gootje dat is aangebracht tussen het huis en dat van de buren steken schroeven uit en zijn de gaten niet waterdicht afgewerkt. Dit zal op den duur zeker lekkage veroorzaken. De afwerking bij de schoorsteen en bij het dakraam is niet op orde, het water kan op deze wijze onder de pannen doorlopen.
Ik betreur de gang van zaken. Op advies stel ik jullie in de gelegenheid om op maandag 5 februari en dinsdag 6 februari deze gebreken te herstellen en de nog te verrichten werkzaamheden aan deze kant van het dak te voldoen, zodat aan de overeenkomst voldaan kan worden. Ik heb u reeds €4250 betaald waarvan €2000 contant. Uiteraard zijn de kosten voor herstel van de werkzaamheden voor jullie rekening en ik ga dan ook niet akkoord met het voorstel van het te betalen bedrag a €2250.
Indien jullie niet bereid zijn tot het verhelpen van deze gebreken en deze kant van het dak in goede staat achter te laten ben ik genoodzaakt verdere stappen te ondernemen.”
2.12.
[partij A] heeft [partij B] bij e-mail van 4 februari 2024 onder meer bericht:
“Mijn voorstel is om morgen dit deel van het dak volledig te komen afwerken zoals u als specialist denkt dat juist is.
*de kant waar jullie mee bezig zijn verder afwerken inclusief de twee rijen onder de nokvorsten..
*Aangemerkte gebreken uit mijn vorige mail verhelpen.
*Dit deel van het dak volledig waterdicht en afgewerkt opleveren.
Wanneer dit deel van het dak volledig afgewerkt is en volgens u voldoet aan onze afspraak zou ik graag een rapport op laten maken door de expert. Als blijkt dat mijn wantrouwen echt onterecht is en alles voldoet aan de juiste bouwkundige eisen dan heeft u recht op mijn excuses en zal ik deze ook maken (…)
Ik zal u dan ook de €2550 overmaken. Dit bestaat uit €1500 voor dakbeschot en de manuren die u zaterdag niet heeft kunnen werken (…) Op basis hiervan is er dan mijnerzijds voldoende vertrouwen om de rest van het dak eveneens af te maken.
Indien het rapport van de expert aangeeft dat de afwerking niet in orde is en de opbouw zoals u die erop heeft gelegd niet voldoet aan bouwkundige normen en/of niet volgens onze overeenkomst is uitgevoerd dan zijn de kosten voor u en stopt onze samenwerking. Ik zal de rest af laten maken door een andere aannemer.”
2.13.
Daarop heeft [partij B] bij e-mail van gelijke datum geantwoord:
“Wij hebben aangegeven dat wij de achterzijde willen afwerken zoals afgesproken is. We hebben duidelijk aangegeven wat er nog moet gebeuren.
We hebben extra materialen en manuren geleverd in vertrouwen dat het allemaal netjes in orde gemaakt zou worden. Je kan de factuur voldoen waar wij voor gewerkt en geleverd hebben is dit niet wordt de steiger een deze dagen opgehaald en zie ik de rest van dit belachelijke geschil tegemoet wij hebben dit niet gewild hoor het wel anders succes”
2.14.
[partij A] heeft daarop bij e-mail van 5 februari 2024 geantwoord:
“Zoals aangegeven in de overeenkomst die wij hebben wordt 50% vooraf betaald en de rest na oplevering. Ik heb voldaan aan deze verplichting. Ik betreur dat jullie onze overeenkomst op geen enkele wijze willen nakomen.
Ik heb u de kans gegeven om de klus te herstellen en af te maken. Dat kunt u wat mij betreft alsnog komen doen.
Ik zal eventuele schade en extra kosten voor juridische afhandeling op u verhalen, evenals de reeds gemaakte kosten wanneer blijkt dat alles opnieuw moet omdat u wellicht een wanprestatie heeft geleverd.”
2.15.
[partij B] heeft [partij A] bij e-mail van 14 februari 2024 onder meer geschreven:
“Op vrijdag 2-2 waren we zover klaar met de achterzijde dat er alleen nog werkzaamheden gedaan moesten worden die pas gedaan konden worden met de start van de voorzijde.
Op vrijdag 2-2 einde van de dag kregen wij de mededeling dat u de voorzijde nog wilde laten doen [bedoeld is:
niet
wilde laten doen; verduidelijking kantonrechter] door tijdsgebrek en wantrouwen over de uitvoering van onze werkzaamheden. Hierdoor hebben wij schade geleden voor zaterdag 3-2 doordat we mankracht voor niets hadden ingehuurd en wij geen werkzaamheden hebben kunnen uitvoeren elders ivm de gemaakte planning.
Wij hebben u uitgelegd dat wij de achterzijde op een aantal punten pas konden afwerken samen met de voorzijde omdat we anders het werk weer opnieuw moeten doen als de voorzijde wordt gerenoveerd.
Door uw wantrouwen heeft u de werkzaamheden volledig gestaakt en via de mail de punten aangegeven die we mochten komen herstellen.
(…)
Door uw plotselinge verandering van gedrag naar ons (…) hebben wij u een voorstel gedaan. Op maandag 5-2 wilden we de werkzaamheden van de achterzijde volledig afronden en de werkzaamheden aan de voorzijde van het dak annuleren. De gemiste inkomsten zoals overeengekomen zouden we voor lief nemen. Wel stond daar tegenover dat u het bedrag van het nieuwe dakbeschot en de kosten van zaterdag 3-2 aan ons moest voldoen.
Helaas dacht u er anders over waardoor wij de werkzaamheden volledig hebben gestaakt vanwege het geschil wat is ontstaan.
(…)
Voor alle kosten en materialen ontvang je hierbij een factuur waarbij wij geen kosten in rekening hebben gebracht voor de gemiste inkomsten van de voorzijde van het dak. Hierop hebben wij een bedrag in mindering gebracht voor de werkzaamheden die nog gedaan moesten worden.
Op deze factuur is reeds een betaling gedaan van € 2.250,- waardoor er een bedrag verschuldigd is van € 3.277,76.”
2.16.
[partij A] heeft [partij B] bij brief van 15 februari 2024 meegedeeld:
“Naar aanleiding van de inspectie van de door u uitgevoerde werkzaamheden op 6 februari 2024 uitgevoerd door Bouwgenoot BV ontvangt u deze brief als officiële ingebrekestelling.
(…)
Het rapport wijst uit dat uw werk niet voldoet aan de bouwkundige voorschriften en evenmin aan onze contractuele afspraken. De gebruikte materialen zijn niet in lijn met onze overeenkomst, ernstige bouwtechnische problemen zijn geconstateerd en er zijn aanzienlijke tekortkomingen aan het licht gekomen.
(…)
Ik wil u nog een laatste keer de gelegenheid bieden om deze ernstige tekortkomingen kosteloos te herstellen en het dakbeschot dat overbodig blijkt weer mee te nemen. U heeft de keuze uit de herstelopties genoemd in het inspectierapport.
Ik verzoek u om binnen 4 dagen schriftelijk te bevestigen welke hersteloptie u zult uitvoeren (…)
Indien ik voor maandag 19 februari 22.00 uur geen reactie heb ontvangen zal ik ons contract ontbinden en met een andere aannemer in zee gaan.”
2.17.
Het hiervoor bedoelde inspectierapport van Bouwgenoot B.V. van 15 maart 2024 vermeldt onder meer:
“Deze opbouw is niet goed: de panlatten liggen direct op de OSB plaat en kan op deze manier niet ventileren. De OSB had ter vervanging moeten zijn van het originele dakbeschot maar dat was niet nodig gezien het dakbeschot aan de binnenzijde niet aangetast is. Er zijn alleen (oude) sporen van inwateren zichtbaar. Dit heeft te maken met de waterdichtheid van het (type) dakpan. Alleen het deel bij de gootaansluiting is het dakbeschotten plaatselijk aangetast/verweer en zal vernieuwd dienen te worden. Bij het vastzetten van de constructie zijn te lange schroeven gebruikt, deze steken door het dakbeschot heen en levert hierdoor een onveilige situatie op de bergzolder (…)
Er is een andere folie aangebracht dan de geoffreerde (…)
Veel golving, matige aansluiting van de dakpannen onderling. Aangebracht OSB platen sluiten onderling niet goed aan. Veel beschadigde pannen, deels ontstaan tijdens werkzaamheden (…)
Doordat de dakopbouw hoger is gekomen is de loodaansluiting met het dakraam niet goed. Op het lood kan water blijven staan wat zal leiden tot lekkage (…)
Bij de aansluiting van het verhoogde dakvlak met de buren is een zinken goot aangebracht. Deze is doorboord met schroeven zonder waterkering/afwerking Hierdoor is inwatering mogelijk (…)
Schoorsteenlood: geen werkzaamheden geweest, wel verouderd en dient vernieuwd te worden. Nokvorsten zitten onder PUR-resten, deze verwijderen en nokvorsten in specie leggen (…)
Er zit golving in het zinkwerk van de goot. Dit zou ontstaan kunnen zijn door er in te lopen (…)
Geen vogelschroot aanwezig (…)
Door de werkzaamheden zijn er lekkagesporen gekomen in de plafonds van de slaapkamers (…)”
2.18.
[partij B] heeft [partij A] bij e-mail van 16 februari 2024 geantwoord dat hij aan deze ingebrekestelling geen gevolg zal geven.
2.19.
[partij A] heeft [partij B] bij brief van 2 maart 2024 de volgende schadeposten in rekening gebracht:
- -
Een bedrag van € 2.250,00 voor reeds betaalde kosten voor werkzaamheden;
- -
Een bedrag van € 2.000,00 voor reeds betaalde kosten voor werkzaamheden;
- -
Een bedrag van € 304,92 voor het uitvoeren van het bouwkundig rapport;
- -
Een bedrag van € 344,85 voor spoedreparaties om het dak waterdicht te maken;
- -
Een schadevergoeding van € 810,70 voor herstel van schade in de slaapkamers.
2.20.
[partij A] heeft opdracht gegeven aan [bedrijf 1] B.V. om vervangende dakwerkzaamheden te verrichten. [bedrijf 1] heeft daarvoor een bedrag van € 11.000,00, inclusief btw, in rekening gebracht.
2.21.
Voorts heeft [partij A] de aansluiting van het rookkanaal en houtkachel laten controleren door ’t Stokertje Kachelparadijs B.V. Deze heeft [partij A] op 15 maart 2024 onder meer meegedeeld:
“In navolging van mijn bezoek aan uw woonadres (…) waar ik geconstateerd heb dat de huidige installatie mbt uw houtkachel niet is aangesloten conform het bouwbesluit.
De brandveiligheid is ernstig in gevaar en daarom heb ik een
stookverbod
opgelegd!”
2.22.
De kosten van herstel bedragen volgens ’t Stokertje € 585,00.
4 De beoordeling
in conventie
4.1.
De door [partij A] onder III, IV en V vermelde vorderingen, dan wel verzoeken, kan de kantonrechter niet toewijzen. De reden daarvoor is ten aanzien van het verzoek om conservatoir beslag te leggen dat dit niet op de door de wet voorgeschreven vorm is ingesteld. Een dergelijk verzoek moet bij verzoekschrift en door een advocaat worden ingediend. Het verzoek voldoet ook overigens niet aan de daaraan te stellen eisen. Om deze redenen wordt het niet toegewezen. Bij het verzoek om – kort gezegd – maatregelen te treffen voor de duur van het geding geldt dat [partij A] daarbij geen belang meer heeft omdat de kantonrechter bij eindvonnis op de vorderingen beslist en er zich dus verder geen processuele complicaties, zoals bijvoorbeeld een getuigenverhoor, zullen voordoen. Het verzoek om een verplichte betalingsregeling te treffen heeft, als zodanig, geen grondslag in het recht en zal alleen al om die reden niet worden toegewezen.
De inhoudelijke beoordeling
Werkzaamheden aan het dak
4.2.
Tussen partijen staat vast dat tussen hen op 11 december 2023 een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen op grond waarvan [partij B] de dakconstructie van de woning van [partij A] zou verstevigen in verband met het plaatsen van zonnepanelen, daarnaast het gehele dak zou isoleren. Ook is tussen partijen niet in geschil dat er een aanvullende overeenkomst van aanneming van werk is gesloten voor het vernieuwen van het dakbeschot.
4.3.
Uit deze overeenkomsten vloeit voor [partij A] de verplichting voort om de overeengekomen aanneemsom te betalen. Op [partij B] als aannemer rust de verplichting om de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. Die zorgplicht verplicht hem om te handelen in overeenstemming met de zorgvuldigheid die een redelijk bekwaam en redelijk handelend aannemer in het concrete geval in acht zou hebben genomen.
4.4.
[partij A] stelt als grondslag van haar vorderingen dat [partij B] jegens haar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de aanneemovereenkomst. [partij A] onderbouwt die stelling met de bevindingen uit het inspectierapport van Bouwgenoot B.V. alsmede op de stelling dat [partij B] de werkzaamheden aan de achterzijde van de woning niet, zoals was overeengekomen, heeft afgerond.
4.5.
[partij B] heeft als zijn verweer aangevoerd dat van gebreken aan het werk die hij dient te herstellen geen sprake is. Voor zover er sprake is van een toerekenbare tekortkoming kan die hem niet worden toegerekend omdat [partij A] hem heeft verboden, althans belet, de werkzaamheden af te ronden ondanks dat [partij B] daartoe wel bereid en in staat was. [partij A] heeft [partij B] op 2 februari 2024 immers meegedeeld dat de werkzaamheden aan de voorkant van de woning niet meer hoefden te worden verricht.
4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden van [partij B] aan de achterzijde van de woning van [partij A] hebben plaatsgehad, en dat de werkzaamheden aan het dak van die achterzijde niet zijn afgerond. Aan de voorgenomen werkzaamheden aan de voorzijde is [partij B] niet toegekomen. Aan de voorzijde is [partij B] niet toegekomen. Partijen twisten over de vraag aan wie dat gegeven moet worden toegerekend.
4.7.
De kantonrechter stelt in dit verband vast dat tussen partijen niet in geschil is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden door [partij B], tweemaal (op 26 januari en op 1 februari 2024) een lekkage aan het dak van [partij A] is opgetreden. Na die tweede lekkage heeft [partij A], nadat zij advies had ingewonnen van Bouwgenoot B.V., het vermoeden geuit dat niet alle uitgevoerde werkzaamheden naar behoren waren verricht. Gelet op de ervaringen na aanvang van de werkzaamheden – de twee lekkages en Bouwgenoot B.V. die aangaf dat niet alle tot dan toe uitgevoerde werkzaamheden deugdelijk waren verricht – heeft [partij A] zich richting [partij B] op het standpunt gesteld dat zij eerst in kaart wilde brengen of en zo ja in welke mate er sprake was van gebreken in de uitvoering van het werk, en dat die eventuele gebreken hersteld zouden worden, voordat [partij B] verdere werkzaamheden zou verrichten. In dat kader heeft [partij A] dan ook aangegeven dat niet met de voorkant van het dak moest worden begonnen, alvorens zou blijken dat de gebreken aan de achterzijde van het dak opgelost zouden kunnen worden. Dat laatste was voor [partij A] ook nodig om er vertrouwen in te kunnen houden dat [partij B] ook de benodigde bekwaamheid had om de rest van het aangenomen werk deugdelijke te kunnen verrichten. Dit alles blijkt naar het oordeel van de kantonrechter uit de door [partij A] in het geding gebrachte correspondentie, waarvan de inhoud hiervoor deels onder de vaststaande feiten is geciteerd. Gelet op het gegeven dat [partij A] kort nadat [partij B] werkzaamheden aan het dak had uitgevoerd tot tweemaal toe lekkage heeft vastgesteld, heeft [partij A] zich naar het oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs op het standpunt mogen stellen dat eerst pas op de plaats gemaakt moest worden met de (verdere) uitvoering van de werkzaamheden en dat zij eerst onderzoek wilde laten doen naar de (kwaliteit van de) werkzaamheden van [partij B]. [partij A] mocht daar als opdrachtgeefster redelijkerwijs toe besluiten. De instructie aan [partij B] om de werkzaamheden aan de voorkant van de woning nog niet aan te vangen is in dat licht bezien niet onredelijk.
4.8.
De redelijkheid van de instructie van [partij A] wordt ook door de in het geding gebrachte stukken ondersteund. Uit de e-mail van [partij B] aan [partij A] van 2 februari 2024 blijkt dat [partij A] [partij B] niet heeft verboden het werk af te maken. [partij B] schrijft daar immers zelf dat hij de werkzaamheden aan de voorkant volgens [partij A] nog niet hoeft af te maken omdat [partij A] wilde dat er eerst een inspectie van de werkzaamheden aan het dak plaats moest vinden. In het bijzonder wordt daar niet vermeld dat de werkzaamheden aan de voorzijde van de woning in het geheel niet meer hoeven te worden verricht. Het standpunt van [partij A] is voorts in lijn met haar feitelijke gedragingen, namelijk het inschakelen van Bouwgenoot als deskundige om de werkzaamheden van [partij B] te inspecteren en het vervolgens [partij B] herhaaldelijk verzoeken, zelfs sommeren, het werk af te maken. In dat verband wijst de kantonrechter ook op de e-mail van 4 februari 2024, waarin [partij A] aangeeft ook de kosten die [partij B] als gevolg van haar standpunt leidt – de niet gewerkte uren op zaterdag – te willen vergoeden, en daarnaast excuses te willen maken indien uit onderzoek blijkt dat haar wantrouwen onterecht was.
4.9.
Tegen die achtergrond beoordeelt de kantonrechter het enkele, niet nader onderbouwde, verweer van [partij B] dat [partij A] hem (onvoorwaardelijk) heeft verboden of belet om het werk af te maken als onvoldoende onderbouwd en dient dit dan ook te worden gepasseerd. Daar voegt de kantonrechter aan toe dat de heer [partij B] zelf niet tijdens de mondelinge behandeling, waarvoor hij opgeroepen is, aanwezig was. Die keuze heeft tot gevolg gehad dat het niet mogelijk was om van hem zelf een verklaring te krijgen hoe één en ander destijds feitelijk is verlopen. De echtgenote van [partij B] heeft weliswaar ter zitting verklaringen afgelegd maar zij was zelf niet bij de contacten met [partij A] op het werk aanwezig waardoor die verklaringen minder gewicht in de schaal leggen.
4.10.
Naar het oordeel van het kantonrechter is het juist [partij B] geweest die ervoor heeft gekozen het werk niet verder af te maken. [partij B] heeft namelijk aan [partij A] op 3 februari 2024 aanvullende kosten in rekening gebracht voor het dakbeschot, steigerhuur en verloren manuren en hij heeft betaling van het extra bedrag van € 2.250,00 als voorwaarde gesteld voor het afronden van de overeengekomen werkzaamheden.
4.11.
Naar het oordeel van de kantonrechter bestond voor deze voorwaarde evenwel geen grondslag. Vast staat immers dat dit bedrag tussen partijen niet was overeengekomen. [partij A] had aan haar op dat moment bestaande betalingsverplichtingen jegens [partij B] uit de overeenkomst van aanneming van werk voldaan. Zij had immers de helft van de aanneemsom betaald, de andere helft zou ingevolge de gemaakte afspraken na oplevering worden voldaan. Tussentijdse betalingen zijn tussen partijen niet overeengekomen. De kantonrechter acht het stellen van deze nadere voorwaarde voor het afronden van de werkzaamheden niet alleen in strijd met de gemaakte afspraken, maar overigens ook onredelijk omdat [partij A] daarmee op in een afhankelijke positie wordt gebracht. Als zij niet zou betalen zou [partij B] immers zijn werkzaamheden niet meer afronden. Dat [partij A] geweigerd heeft om deze extra kosten te voldoen stond haar gelet op het vorenstaande dus geheel vrij, en kon voor [partij B] geen goede reden vormen om de overeenkomst niet verder uit te voeren.
4.12.
[partij B] heeft bij e-mail van 14 februari 2024 aan [partij A] meegedeeld dat hij zijn werkzaamheden zou staken, (mede) vanwege het feit dat [partij A] weigerde de extra kosten van € 2.250,00 te voldoen. Ter zitting heeft de echtgenote van [partij B] verklaard dat [partij B] er geen vertrouwen in had dat [partij A] haar betalingsverplichtingen jegens hem zou nakomen. Daarmee heeft [partij B] [partij A] op ondubbelzinnige wijze laten weten dat hij zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst niet meer zou nakomen, alhoewel hij daartoe door [partij A] wel was uitgenodigd en in staat gesteld. De kantonrechter is van oordeel dat voor het staken van de werkzaamheden geen redelijke grond bestond. [partij B] is dan ook jegens [partij A] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst. Als gevolg van de ingebrekestellingen van [partij A] is [partij B] ook in verzuim geraakt. [partij B] heeft immers laten weten dat hij aan de ingebrekestelling geen gevolg zal geven. Eén en ander maakt [partij B] jegens [partij A] schadeplichtig.
4.13.
Vervolgens rijst de vraag welke schade [partij A] als gevolg van de toerekenbare tekortkoming(en) van [partij B] heeft geleden.
4.14.
[partij A] heeft zich op het standpunt gesteld dat haar schade als gevolg van de tekortkomingen van [partij B] in verband met de dakwerkzaamheden bestaat uit de volgende posten: het bedrag dat zij reeds aan [partij B] heeft betaald (€ 4.250,-), de kosten voor het inspectierapport van Bouwgenoot B.V. (€ 304,92), de kosten van de spoedherstelwerkzaamheden van [bedrijf 1] B.V. (€ 344,85), het verschil tussen de offerte van [partij B] en de offerte van aannemer [bedrijf 1] om de met [partij B] overeengekomen werkzaamheden (deugdelijk) af te ronden (€ 2.500,-), misgelopen verhuur van haar woning (€ 1.040,-) en de kosten voor herstel van de lekkages aan de slaapkamers (€ 810,70). De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
4.15.
Het door [partij A] reeds aan [partij B] betaalde bedrag van € 4.250,00 acht de kantonrechter niet als zodanig toewijsbaar. [partij B] heeft, zoals hiervoor is overwogen, weliswaar zijn werkzaamheden niet (deugdelijk) afgerond terwijl daarvoor geen rechtvaardiging bestaat. Dat wil echter niet zeggen dat het bedrag dat [partij A] aan [partij B] heeft betaald automatisch als schade heeft te gelden. De schade van [partij A] bestaat uit het verschil tussen haar huidige situatie en de situatie waarin zij had verkeerd als [partij B] deugdelijk was nagekomen. [partij A] heeft in dit verband onder verwijzing naar een offerte van [bedrijf 1] B.V. voldoende onderbouwd – en [partij B] heeft dat niet gemotiveerd betwist – dat het haar een bedrag van € 11.000,- kost om de werkzaamheden die [partij B] voor € 8.500,- zou verrichten, deugdelijk te laten afronden. Dit betekent dat het [partij A] in de huidige situatie een bedrag van € 11.000,- plus € 4.250,- kwijt is aan de werkzaamheden die [partij B] voor € 8.500,- zou verrichten. De schade van [partij A] is daarmee te begroten op € 6.750,-. Dit bedrag is dan ook in ieder geval toewijsbaar.
4.16.
De factuur van [bedrijf 2] wegens het verrichten van herstelwerkzaamheden wegens lekkage aan de slaapkamers van € 810,70 acht de kantonrechter toewijsbaar omdat [partij B] op dit punt in verzuim is geraakt. [partij A] heeft [partij B] immers bij e-mails van 3 en 5 februari 202 verzocht tot herstel over te gaan. [partij B] heeft bij e-mail van 14 februari 2024 aan [partij A] meegedeeld dat hij zijn werkzaamheden volledig heeft gestaakt. [partij A] heeft [partij B] daarop bij brief van 15 februari 2024 in gebreke gesteld en verzocht om uiterlijk 19 februari 2024 aan de ingebrekestelling te voldoen. [partij B] heeft dat evenwel niet gedaan. Uit de datum van de factuur van [bedrijf 2], namelijk 27 februari 2024, blijkt dat [partij A] nadat [partij B] in verzuim was geraakt opdracht heeft verstrekt tot herstel.
4.17.
De factuur van 15 februari 2024 van [bedrijf 1] van € 344,85 wegens een noodreparatie acht de kantonrechter eveneens toewijsbaar. [partij A] heeft gesteld, en [partij B] heeft dat niet betwist, dat de werkzaamheden van [partij B] voor lekkages hebben gezorgd en dat daardoor deze noodreparatie nodig was. Het kan [partij A] niet worden verweten dat zij, gelet op het spoedeisende karakter van deze reparaties en gelet op haar plicht om de schade als gevolg van het handelen van [partij B] zoveel mogelijk te beperken, niet heeft gewacht met deze reparatie. Zoals hiervoor is vastgesteld is [partij B] in verzuim geraakt en daardoor verplicht geworden de schade die [partij A] als gevolg van zijn niet geheel (deugdelijk) uitgevoerde werkzaamheden heeft geleden te vergoeden, en daaronder vallen ook de kosten van het herstellen van de lekkage waarover de factuur van 15 februari 2024 gaat.
4.18.
De kosten voor het inspectierapport van Bouwgenoot ad € 304,92 komen als redelijke kosten voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid, ex artikel 6:96, lid 2 BW, voor vergoeding in aanmerking.
Werkzaamheden aan kachel en rookkanaal
4.19.
[partij A] heeft voorts schadevergoeding gevorderd met betrekking tot gebreken aan de kachel en het rookkanaal, die door [partij B] zijn aangebracht, en de daarvoor verrichte herstelwerkzaamheden. Uit de verklaring van ’t Stokertje blijkt dat er aan de kachel en het rookkanaal ernstige gebreken kleven. [partij A] heeft die gebreken ook onderbouwd door middel van het tonen van foto’s van de gebreken. In het licht van die onderbouwing heeft [partij B] zijn verweer tegen deze schadepost niet voldoende onderbouwd. Ook heeft [partij B] ter zitting geen afdoende verweer gevoerd door niet zelf ter comparitie te verschijnen. [partij B] had alsdan eventueel de door [partij A] getoonde foto’s nader kunnen duiden en weerspreken. Daarnaast had [partij B] een toelichting kunnen geven over de wijze waarop hij het rookkanaal heeft aangelegd. De echtgenote van [partij B] was weliswaar aanwezig en heeft daarover een verklaring afgelegd maar zij heeft haar wetenschap niet uit eigen waarneming. De echtgenote was immers niet bij de installatie van de kachel en het rookkanaal aanwezig zodat haar verklaringen op dit punt minder gewicht in de schaal leggen. De kantonrechter zal deze schadepost van € 1.937,00 daarom eveneens toewijzen.
4.20.
[partij A] vordert voorts schade als gevolg van misgelopen huurinkomsten van haar woning en heeft deze schade becijferd op een bedrag van € 1.040,00. [partij B] heeft deze schadepost betwist en de kantonrechter is van oordeel dat deze schadepost niet voldoende door [partij A] is onderbouwd. Zo is niet vast komen te staan dat [partij A] haar woning daadwerkelijk had verhuurd of kunnen verhuren zodat zij feitelijk huurinkomsten is misgelopen.
4.21.
In totaal acht de kantonrechter aan schadevergoeding dan ook toewijsbaar een bedrag van € 10.147,47.
4.22.
[partij A] heeft ten slotte betaling gevorderd van een bedrag van € 569,44 aan kosten voor het inwinnen van juridisch advies. [partij B] heeft betwist dat dit kosten zijn om de vordering buitengerechtelijk te innen. Daartegenover heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd dat daar wel degelijk sprake van is. Dat dit kosten zijn om de vordering buitengerechtelijk te innen blijkt ook niet voldoende duidelijk uit de als productie 45 ingebrachte factuur; uit deze declaratie van de deurwaarder blijkt immers dat er sprake is geweest van “Juridisch advies” zonder dat de werkzaamheden verder zijn gespecificeerd. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden afgewezen.
4.23.
[partij B] heeft zich nog beroepen op verrekening. Volgens [partij B] moet op de vordering van [partij A] een bedrag van € 3.277,76 in mindering strekken, welk bedrag volgens hem betreft het bedrag berekend naar de stand van het werk per 2 februari 2024 verminderd met het door [partij A] reeds betaalde bedrag van € 2.250,00. Dit verweer, dat [partij B] ook aan zijn vordering in reconventie ten grondslag heeft gelegd, faalt gelet op wat hierna in rechtsoverweging 4.28 wordt overwogen.
4.24.
[partij B] zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Nu [partij A] geen gemachtigde heeft gesteld wijst de kantonrechter geen ‘salaris gemachtigde’ en ‘nakosten’ toe. Omdat [partij A] bij de zitting is verschenen, wordt ambtshalve een forfaitair bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten toegekend. De kosten aan de zijde van [partij A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
|
€
|
140,83
|
|
- griffierecht
|
€
|
248,00
|
|
- reis-, verblijf- en verletkosten
|
€
|
50,00
|
|
_________________
Totaal € 438,83
4.25.
Omdat de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld is ingetreden komt de kantonrechter toe aan een beoordeling van de tegenvordering van [partij B].
4.26.
[partij B] stelt ter onderbouwing van zijn vordering op [partij A] dat hij nog € 3.277,76 te vorderen heeft van [partij A]. [partij B] heeft [partij A] een factuur naar de stand van het werk per 2 februari 2024 ter hoogte van € 5.527,76 gezonden. Daarop strekt in mindering het reeds door [partij A] betaalde bedrag van € 2.250,00. [partij A] is met betaling van deze factuur in gebreke gebleven.
4.27.
Het verweer van [partij A] is dat de vordering ongegrond is omdat de werkzaamheden zodanig gebrekkig zijn uitgevoerd dat deze niet voldoen aan het Bouwbesluit, de overeengekomen verplichtingen en overige wettelijke normen. [partij B] is toerekenbaar tekortgeschoten en heeft de gebreken niet hersteld. Ook inhoudelijk kloppen de door [partij B] gevorderde bedragen volgens [partij A] niet.
4.28.
De kantonrechter is van oordeel dat, nog afgezien van het feit dat [partij B] op wie de stelplicht en bewijslast rust niet heeft aangetoond dat de stand van het werk per 2 februari 2024 betaling van het door hem gevorderde bedrag rechtvaardigt, [partij B] geen aanspraak heeft op betaling van zijn factuur. Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat [partij B], door een onredelijke voorwaarde te verbinden aan het verdere afronden van zijn werkzaamheden en vervolgens het werk op niet terechte gronden te staken, in verzuim is geraakt met zijn verplichtingen uit de overeenkomsten van aanneming van werk. Bovendien is tussen partijen niet overeengekomen dat [partij B] nog aanspraak zou hebben op verdere betaling voordat het werk was afgerond. [partij A] is gezien het vorenstaande dan ook niet in verzuim met de betaling van enig bedrag aan [partij B]. Voor toewijzing van deze vordering bestaat dan ook geen grondslag zodat de vordering zal worden afgewezen.
4.29.
[partij B] wordt als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in reconventie veroordeeld. Het salaris gemachtigde wordt evenwel begroot op nihil omdat [partij A] in deze procedure in persoon procedeert en geen professionele rechtshulpverlener als gemachtigde heeft gesteld.