Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBOVE:2024:6187

Rechtbank Overijssel
20-11-2024
22-11-2024
C/08/315236 / HA ZA 24-231
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig

Nakoming facturen. Vaststellingsovereenkomst met persoonlijke borgstelling. Buitengerechtelijke vernietigd door echtgenotes. Met succes, eiseres kan geen nakoming op grond daarvan vorderen. Geen bestuurdersaansprakelijkheid.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/315236 / HA ZA 24-231

Vonnis van 20 november 2024

in de zaak van

de vennootschap onder firma [partij A] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [partij A] ,

advocaat: mr. I. Atar

tegen

1 [partij B1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
2. [partij B2],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,

hierna (afzonderlijk) te noemen [partij B1] en [partij B2] , of samen: [eisers] .,

advocaat: mr. R.J. van Betten.

1 Inleiding en korte samenvatting

1.1.

[partij A] heeft marketingwerkzaamheden uitgevoerd voor [bedrijf] B.V., een vennootschap waarvan [partij B1] en [partij B2] destijds bestuurders waren. Voor deze werkzaamheden van [partij A] is niet betaald. In december 2023 heeft [partij A] met [bedrijf] B.V. betalingsafspraken gemaakt, waarbij [partij B1] en [partij B2] zich persoonlijk borg hebben gesteld voor de schuld van [bedrijf] B.V. aan [partij A] . Omdat [bedrijf] B.V. inmiddels failliet is gegaan, vraagt [partij A] in deze procedure om nakoming van de betalingsafspraken door [partij B1] en [partij B2] . Als andere grondslag voor haar vordering heeft [partij A] aangevoerd dat [partij B1] en [partij B2] als bestuurders onrechtmatig ten opzichte van [partij A] hebben gehandeld.

1.2.

[partij B1] en [partij B2] zijn van mening dat zij niet gehouden kunnen worden de betalingsafspraken na te komen. Volgens [partij B1] en [partij B2] hebben hun beide partners geen toestemming gegeven voor de persoonlijke borgstelling, terwijl dat op grond van de wet wel had gemoeten. De beide partners konden daarom de persoonlijke borgstelling (buitengerechtelijk) vernietigen, wat zij ook hebben gedaan. [partij B1] en [partij B2] hebben als tegeneis aan de rechtbank gevraagd om voor recht te verklaren dat die vernietiging succesvol is geweest. Verder hebben [partij B1] en [partij B2] betwist dat zij als bestuurders van [bedrijf] B.V. onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van [partij A] .

1.3.

De rechtbank is kort gezegd van oordeel dat de partners van [partij B1] en [partij B2] met succes de persoonlijke borgstelling hebben vernietigd. Daarom kan [partij A] [partij B1] en [partij B2] daar niet meer op aanspreken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid van [partij B1] en [partij B2] . Dit betekent dat de vordering van [partij A] zal worden afgewezen, en de vordering van [partij B1] en [partij B2] zal worden toegewezen.

1.4.

Dit verkort weergegeven oordeel wordt hierna gemotiveerd.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, uitgebracht op 17 mei 2024,
- de conclusie van antwoord, met daarin een eis in reconventie,
- de brief waarin een mondelinge behandeling is aangekondigd,

- de conclusie van antwoord in reconventie, met daarin een eiswijziging,

- nadere producties aan de kant van [eisers] .,

- nadere producties aan de kant van [partij A] ,

- de mondelinge behandeling van 9 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- spreekaantekeningen van beide kanten.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

[partij A] is een communicatieadviesbureau, dat zich onder andere bezighoudt met marketingwerkzaamheden.

3.2.

[bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) was een bedrijf dat zich bezighield met het ontwikkelen van [product] . In 2021 is het bedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Bestuurders van [bedrijf] waren – via hun persoonlijke holdings – [partij B1] en [partij B2] .

3.3.

[bedrijf] heeft [partij A] ingeschakeld voor het begeleiden van het op de markt brengen van het product van [bedrijf] . De samenwerking is begonnen in 2022.

3.4.

Begin 2023 heeft [bedrijf] haar product op de markt gebracht. Ook in 2023 heeft [partij A] werkzaamheden voor [bedrijf] verricht. Op 24 maart 2023, 28 juni 2023 en 29 september 2023 heeft [partij A] drie facturen naar [bedrijf] gestuurd, met een totaalbedrag van € 44.950,85 inclusief btw. [bedrijf] heeft deze facturen niet betaald.

3.5.

Eind 2023 zijn [partij A] en [bedrijf] in gesprek gegaan over de openstaande facturen van [partij A] . Deze gesprekken hebben geleid tot een vaststellingsovereenkomst.

3.6.

In de vaststellingsovereenkomst die [bedrijf] en [partij A] hebben gesloten zijn zij – kort gezegd – een betalingsregeling overeengekomen. De eerste termijn, een bedrag van € 10.000,00, diende [bedrijf] voor 31 januari 2024 aan [partij A] te hebben betaald. In de vaststellingsovereenkomst is verder vastgelegd dat wanneer [bedrijf] de betalingsregeling niet (correct) zou nakomen, [partij A] een incassoprocedure zal starten.

3.7.

In de vaststellingsovereenkomst hebben [partij B1] en [partij B2] verklaard hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de betalingsverplichting van [bedrijf] ten opzichte van [partij A] , als ook dat zij de vaststellingsovereenkomst mede op persoonlijke titel ondertekenen. Verder hebben [partij B1] en [partij B2] zich voor de betalingsverplichting van [bedrijf] ten opzichte van [partij A] borg gesteld.

3.8.

[bedrijf] heeft het eerste termijnbedrag, zoals afgesproken in de vaststellingsovereenkomst, niet betaald. Bij e-mail van 5 februari 2024 heeft [partij A] [bedrijf] in gebreke gesteld en heeft zij [bedrijf] gesommeerd om het volledige openstaande bedrag, vermeerderd met rente en kosten, binnen vijf dagen te betalen.

3.9.

[partij A] heeft [bedrijf] op 10 februari 2024 een factuur gestuurd voor haar diensten met een bedrag van € 653,40 inclusief btw.

3.10.

Op 16 april 2024 is [bedrijf] door de rechtbank Overijssel failliet verklaard.

3.11.

Begin mei 2024 heeft [partij A] conservatoir (derden)beslag laten leggen op onder andere bankrekeningen en op onroerende zaken van [partij B1] en [partij B2] .

3.12.

De echtgenote van [partij B1] , mevrouw [naam 2] , heeft bij brief van 18 juni 2024 aan [partij A] de vernietiging ingeroepen van de vaststellingsovereenkomst voor zover deze betrekking heeft op de hoofdelijke aansprakelijkheid dan wel borgstelling van [partij B1] .

3.13.

De echtgenote van [partij B2] , mevrouw [naam 1] , heeft bij brief van 18 juni 2024 aan [partij A] de vernietiging ingeroepen van de vaststellingsovereenkomst voor zover deze betrekking heeft op de hoofdelijke aansprakelijkheid dan wel borgstelling van [partij B2] .

4 Het geschil

In conventie

4.1.

[partij A] vordert – kort samengevat – veroordeling van [partij B1] en/of [partij B2] tot betaling van € 48.740,40, als ook tot betaling van € 653,40, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, rente, en veroordeling van [eisers] . in de beslag- en proceskosten.

4.2.

[eisers] . voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

In reconventie

4.4.

[eisers] . vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat tussen [partij A] , [bedrijf] en [eisers] . gesloten overeenkomst ten aanzien van de borgstelling door zowel de partner van [partij B1] als door de partner van [partij B2] is vernietigd, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.

4.5.

[partij A] voert verweer.

4.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

In conventie en in reconventie

5.1.

Vanwege de samenhang tussen de vordering van [partij A] en de tegenvordering van [eisers] ., worden deze beide vorderingen hierna samen behandeld.

Voorafgaande kwestie: bezwaar tegen nadere producties [eisers] .

5.2.

[partij A] heeft bezwaar gemaakt tegen de door [eisers] . in het geding gebrachte nadere producties. Volgens [partij A] had [eisers] . deze producties eerder in het geding kunnen brengen, en is het latere en zonder nadere toelichting inbrengen van de producties in strijd met de goede procesorde.

5.3.

De rechtbank gaat hier niet in mee. De nadere producties zijn door [eisers] . binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend (uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling). Verder ziet de rechtbank niet in waarom [partij A] niet goed op de producties zou kunnen reageren, laat staan dat dit in strijd zou zijn met de goede procesorde. [partij A] heeft dit onvoldoende toegelicht.

De inhoudelijke beoordeling: kan [partij A] voor betaling [partij B1] en [partij B2] aanspreken?

5.4.

[eisers] . heeft de afspraken zoals die in de vaststellingsovereenkomst staan niet betwist. Ook de (hoogte van de) facturen van [partij A] heeft [eisers] . niet betwist. Maar volgens [eisers] . kan [partij A] van hem geen nakoming meer van de vaststellingsovereenkomst vorderen, omdat deze ten aanzien van de borgstelling buitengerechtelijk is vernietigd.

5.5.

[eisers] . beroept zich op de buitengerechtelijke vernietiging van de borgstelling op grond van artikel 1:89 lid 1 BW. Volgens [eisers] . was voor het aangaan van de borgstellingsovereenkomst toestemming van de beide echtgenotes vereist. Deze toestemming hebben zij niet gegeven. De echtgenotes van [partij B1] en [partij B2] hebben de borgstellingsovereenkomst bij brieven van 18 juni 2024 vernietigd.

5.6.

[partij A] heeft allereerst aangevoerd dat zij het onaannemelijk acht dat de [partij B1] en [partij B2] de vaststellingsovereenkomst niet in de huiselijke sfeer besproken hebben, en heeft daarnaast de echtheid van de verklaringen van de beide echtgenotes betwist. Verder heeft [partij A] hiertegen aangevoerd dat de borgstelling door [partij B1] en [partij B2] als bestuurders van [bedrijf] is aangegaan ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van [bedrijf] . Voor die situatie is in artikel 1:88 lid 5 BW een uitzondering gemaakt, in welk geval toestemming van de echtgenote(s) niet is vereist.

5.7.

De rechtbank oordeelt als volgt. De stelling dat de verklaringen van de echtgenotes van [partij B1] en [partij B2] niet echt zijn, heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd. [partij A] heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen inhoudelijk identiek zijn, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzing om aan de echtheid ervan te twijfelen. Bovendien is dit eenvoudig te verklaren door het feit dat [partij B1] en [partij B2] zwagers van elkaar zijn, en zij door dezelfde advocaten worden bijgestaan. Hier gaat de rechtbank dan ook aan voorbij. De stelling dat het onaannemelijk is dat de echtgenotes van [partij B1] en [partij B2] niet op de hoogte waren van de borgstelling is eveneens onvoldoende onderbouwd door [partij A] . Hiertoe heeft [partij A] enkel aangevoerd dat mevrouw [naam 2] , de echtgenote van [partij B1] , bij gesprekken met [partij A] over de marktbenadering aanwezig was. Dat zegt niks over eventuele bekendheid met de borgstelling van [eisers] . Overigens is het de rechtbank niet duidelijk welk rechtsgevolg [partij A] aan deze gestelde bekendheid met de persoonlijke borgstelling verbindt. De rechtbank gaat ook aan deze stelling van [partij A] voorbij.

5.8.

Wat betreft de buitengerechtelijke vernietiging overweegt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt is dat op grond van artikel 1:88 lid 1, onder c, BW toestemming voor de borgstelling nodig was van de echtgenotes van [partij B1] en [partij B2] . Vaststaat dat geen van beide echtgenotes deze toestemming heeft gegeven.

5.9.

In artikel 1:88 lid 5 BW is een uitzondering gemaakt op het hiervoor genoemde uitgangspunt: de toestemming van de echtgenoot is niet vereist wanneer de borgstelling wordt verricht door een bestuurder van een naamloze of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en alleen als zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. Deze uitzondering kent twee onderdelen: de bestuurder moet (groot)aandeelhouder zijn en de borgstelling moet zijn aangegaan ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap. De rechtbank zal eerst dat laatste beoordelen. Uit rechtspraak blijkt dat deze uitzondering beperkt moet worden uitgelegd (zie het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2000, met nummer ECLI:NL:HR:2000:AA5526).

5.10.

Bij de beoordeling of de vaststellingsovereenkomst is aangegaan ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf, is van belang of deze is aangegaan onder (enigszins) reguliere omstandigheden en niet in een uitzonderlijke (financiële) situatie. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

5.11.

De vaststellingsovereenkomst stelde enkel de verplichtingen vast die al in een eerder stadium waren aangegaan, namelijk de afbetaling van twee opeisbare schulden. Daartegenover stond geen enkel financieel voordeel voor [bedrijf] of [eisers] ., er werd geen krediet aangetrokken en ook kon [bedrijf] als gevolg hiervan niet de eigen financiële situatie verbeteren. Het enige wat er voor [bedrijf] tegenover stond was dat zij gebruik kon blijven maken van de op dat moment al door [partij A] geleverde diensten, zoals beeldmateriaal en (de hosting van) een website voor [bedrijf] . Wat vaststaat is dat [bedrijf] zich op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in een financieel uitzonderlijke situatie bevond. Zij kon niet voldoen aan haar betalingsverplichtingen ten opzichte van haar schuldeisers, waaronder [partij A] . [partij A] was bereid om [bedrijf] tijd te geven om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen, in ruil voor zekerheid. [bedrijf] had die tijd ook nodig, want zij was dringend op zoek naar investeerders, en was daarvoor in gesprek met meerdere partijen. [bedrijf] , en daarmee [eisers] ., zijn de vaststellingsovereenkomst dan ook aangegaan om een incassoprocedure (voorlopig) af te wenden. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat de omstandigheden waaronder [bedrijf] de vaststellingsovereenkomst is aangegaan, als normaal kunnen worden beschouwd.

5.12.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het aangaan van de vaststellingsovereenkomst geen rechtshandeling is die ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van [bedrijf] is verricht en dat er daarmee sprake was van een uitzonderingsituatie zoals bedoeld in artikel 1:88 lid 5 BW. De toestemming van de echtgenotes van [partij B1] en [partij B2] was voor het aangaan van de borgtocht dus vereist. De door de echtgenote van [partij B1] en [partij B2] ingeroepen vernietiging van de borgtocht op grond van artikel 1:89 BW is dan ook terecht gedaan. Dat betekent dat de vordering van [partij A] op deze grondslag zal worden afgewezen. De gevorderde verklaring voor recht van [eisers] . zal worden toegewezen.

Is er sprake van bestuurdersaansprakelijkheid?

5.13.

[partij A] heeft ook aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [partij B1] en [partij B2] als bestuurders van [bedrijf] onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van [partij A] . Volgens [partij A] zijn [partij B1] en [partij B2] een financiële verplichting aangegaan waarvan zij wisten, of behoorden te weten, dat [bedrijf] die niet na zou kunnen komen. Dat maakt dat [partij B1] en [partij B2] volgens [partij A] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, op grond waarvan zij aansprakelijk zijn voor de schuld van [bedrijf] bij [partij A] .

5.14.

[partij B1] en [partij B2] hebben gemotiveerd betwist dat zij als bestuurders van [bedrijf] onrechtmatig ten opzichte van [partij A] hebben gehandeld. Volgens [partij B1] en [partij B2] is er geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid.

5.15.

De rechtbank overweegt als volgt. Als een vennootschap (zoals hier [bedrijf] ) tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder van de benadeling van de schuldeiser van de vennootschap persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een dergelijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

5.16.

In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest Ontvanger/Roelofsen1) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder tegenover de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.2

5.17.

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (de zogenoemde Beklamel-norm3, ook wel het ‘zinkend schip’-scenario genoemd). Hiertegen kunnen door de bestuurder omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. Uit deze rechtspraak volgt dat deze norm in de kern de eis inhoudt dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden als zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

5.18.

Naar het oordeel van de rechtbank kan [partij B1] en [partij B2] als (voormalig) bestuurders van [bedrijf] geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Voor dit oordeel is het volgende van belang. [partij A] hebben aangevoerd dat van beide van de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde gevallen sprake is; volgens [partij A] wisten of behoorden [partij B1] en [partij B2] te weten dat [bedrijf] de betalingsregeling niet zou kunnen nakomen en hebben zij daarnaast als bestuurders – kort gezegd – onzorgvuldig gehandeld.

5.19.

Wat betreft de onder (i) genoemde gevallen is de rechtbank allereerst van oordeel dat van een dergelijke situatie geen sprake is. Die situatie ziet namelijk op het door bestuurders namens de vennootschap aangaan van verbintenissen waarvan zij wist, of hoorde te weten, dat de vennootschap die niet zou kunnen nakomen. In dit geval ging het, als het gaat om het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, niet om het aangaan van nieuwe verbintenissen, maar om het maken van afspraken over al bestaande verbintenissen. [partij B1] en [partij B2] hebben namens [bedrijf] afspraken gemaakt over betalingsverplichtingen die [bedrijf] al in een (veel) eerder stadium was aangegaan, en door het aangaan van de vaststellingsovereenkomst is de financiële positie van [partij A] dan ook niet verslechterd. De rechtbank is bovendien van oordeel dat [eisers] . in verband met het aangaan van de vaststellingsovereenkomst geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat [eisers] . al bij het in zee gaan met [partij A] wist dat [bedrijf] de facturen van [partij A] niet zou kunnen betalen is door [partij A] wel gesteld, maar niet onderbouwd. Omstandigheden op grond waarvan dat zou kunnen worden aangenomen, zijn namelijk niet gesteld of gebleken. Bovendien is de eerste factuur van [partij A] aan [bedrijf] , van 22 december 2022 met een totaalbedrag van € 27.760,43, door [bedrijf] ook gewoon voldaan.

5.20.

Van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van de Beklamel-norm (i) is gelet op het voorgaande geen sprake.

5.21.

Wat betreft de onder (ii) genoemde gevallen overweegt de rechtbank als volgt. Kort gezegd verwijt [partij A] [partij B1] en [partij B2] dat zij onzorgvuldig hebben gehandeld omdat zij onvoldoende inspanningen hebben geleverd, omdat zij onvoldoende marktonderzoek hebben gedaan en onvoldoende deskundigheid bezaten, dat [bedrijf] beperkte cijfers bekend heeft gemaakt, omdat zij niet transparant zijn geweest richting [partij A] en dat het risico voor de ‘start-up’-fase van [bedrijf] voor risico van [eisers] . komt. Geen van deze stellingen kan naar het oordeel van de rechtbank meebrengen dat sprake is van een situatie waarin het [eisers] . kan worden verweten het verhaal door [partij A] van haar vordering op [bedrijf] te hebben gefrustreerd, want daar gaat het bij de onder (ii) genoemde gevallen om. Onvoldoende inspanning leveren, of onvoldoende kundig opereren, zoals [partij A] [partij B1] en [partij B2] naar de kern verwijt, is wat anders dan actief bewerkstelligen dat [partij A] niet betaald wordt. Hetgeen [partij A] in dat verband heeft aangevoerd is, zelfs wanneer het waar is, dan ook onvoldoende om op deze grond tot bestuurdersaansprakelijkheid van [eisers] . te kunnen concluderen.

5.22.

Van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van het andere hiervoor beschreven geval (ii) is gelet op het voorgaande ook geen sprake.

Conclusie

5.23.

Gelet op het voorgaande wordt de vordering van [partij A] afgewezen. De vordering van [eisers] . zal worden toegewezen.

De proceskosten

5.24.

[partij A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] . worden begroot op:

- griffierecht

1.325,00

- salaris advocaat

2.428,00

(2 punten × € 1.214,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.931,00

5.25.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6 De beslissing

De rechtbank

In conventie

6.1.

wijst de vorderingen van [partij A] af,

In reconventie

6.2.

verklaart voor recht dat de tussen [partij A] , [bedrijf] B.V. en [partij B1] en [partij B2] gesloten vaststellingsovereenkomst ten aanzien van de borgstelling van [partij B1] en [partij B2] is vernietigd,

6.3.

wijst het meer of anders gevorderde af,

In conventie en in reconventie

6.4.

veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 3.931,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.5.

veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.6.

verklaart dit vonnis – met uitzondering van hetgeen onder punt 6.1., 6.2. en 6.3. is beslist – uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Essed en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2024. (wv)

1 Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758. Zie ook Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:984.

2 Hoge Raad 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873 (NHB/Oosterhof); HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470.

3 Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521; zie ook onder meer Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI Financial Services/K).

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.