De vrouw vordert dat het de man wordt verboden om publieke uitlatingen over haar te doen op sociale media, dan wel andere media, en om met haar contact op te nemen, behalve als dit in het kader van een toekomstig vorm te geven omgangsregeling noodzakelijk is. Zij vordert daarnaast een dwangsom voor het geval de man deze verboden overtreedt. De voorzieningenrechter wijst het gevorderde verbod tot het doen van publieke uitlatingen over de vrouw op sociale media, dan wel andere media, toe. Dit op straffe van een (gematigde) dwangsom. Het gevorderde verbod om met de vrouw contact op te nemen, wordt afgewezen. De proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.
- de aanvullende producties van de vrouw, - de mondelinge behandeling van 16 mei 2024, - de pleitnota van de vrouw, - de pleitnota van de man.
2 Samenvatting van de beslissing
2.1.
De vrouw vordert dat het de man wordt verboden om publieke uitlatingen over haar te doen op sociale media, dan wel andere media, en om met haar contact op te nemen, behalve als dit in het kader van een toekomstig vorm te geven omgangsregeling noodzakelijk is. Zij vordert daarnaast een dwangsom voor het geval de man deze verboden overtreedt. De voorzieningenrechter wijst het gevorderde verbod tot het doen van publieke uitlatingen over de vrouw op sociale media, dan wel andere media, toe. Dit op straffe van een (gematigde) dwangsom. Het gevorderde verbod om met de vrouw contact op te nemen, wordt afgewezen. De proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. De beslissing wordt hierna toegelicht.
3 De feiten
3.1.
Partijen hebben van september 2022 tot januari 2024 een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2023 dochter [de dochter] geboren.
3.2.
Op 22 april 2024 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij deze rechtbank omtrent een aantal verzoeken van de vrouw. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt over een voorlopige zorgregeling. De rechtbank heeft bij beschikking van 24 april 2024 de volgende afspraken tussen partijen vastgesteld:
“5.2. stelt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de navolgende voorlopige zorgregeling vast, waarbij vader en [de dochter] in beginsel drie keer per week een omgangsmoment met elkaar hebben (maandag, woensdag en zondag), waarbij de ouders van vader [de dochter] ophalen en weer thuisbrengen naar de moeder. De ouders van vader zijn het gehele omgangsmoment aanwezig. Totdat Curess (of een andere hulpverleningsinstantie) betrokken is, gelden in ieder geval de volgende data voor de omgangsmomenten:
24 april 2024 van 09:30 uur tot 12:30 uur
28 april 2024 van 09:30 uur tot 12:30 uur
29 april 2204 van 09:30 uur tot 12:30 uur
Verder gelden nog de volgende voorwaarden:
-
moeder stuurt een keer per week op vrijdag een e-mailbericht naar vader met daarin de belangrijkste aangelegenheden betreffende [de dochter] ;
-
vader stuurt na elk omgangsmoment een e-mailbericht naar moeder met alleen belangrijke informatie over [de dochter] ;
-
op bovenstaande e-mailberichten wordt niet gereageerd, tenzij het gezagsbeslissingen of belangrijke aangelegenheden over [de dochter] betreffen. Daarvoor geldt dat ouders zakelijk met elkaar corresponderen;
-
verder vindt er geen communicatieverkeer plaats, daaronder valt ook dat er geen verwijtende berichten worden geplaatst op sociale media.”
3.3.
De man heeft op 31 maart, 1 april en 2 april 2024 berichten op Facebook geplaatst waarin hij zich uitlaat over de vrouw en foto’s van de vrouw en de contactgegevens van haar onderneming deelt. Ook laat hij zich daarin uit over de vorige advocaat van de vrouw. De man heeft deze berichten in de avond van 2 april 2024 op verzoek van zijn advocaat verwijderd.
3.4.
De man heeft op 7 april en 10 april 2024 opnieuw twee berichten over de vrouw op Facebook geplaatst. Deze berichten zijn op 11 april 2024 door de man op verzoek van zijn advocaat verwijderd.
4 Het geschil
4.1.
De vrouw vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. de man verbiedt om publieke uitlatingen te doen over de vrouw op sociale media, dan wel andere media waarbij de vrouw direct of indirect bij naam wordt genoemd of dat er direct of indirect aan de geschillen van partijen ter herleiden uitlatingen worden gedaan;
II. de man verbiedt om de vrouw rechtstreeks via telefoon, sms, WhatsApp, sociale media, e-mail of schriftelijk te benaderen, behoudens wanneer dit voor de uitvoering van een toekomstig vorm te geven omgangsregeling noodzakelijk is;
III. de man een dwangsom oplegt van € 10.000,00 met een maximum van € 100.000,00 voor iedere keer dat hij een van de verboden overtreedt;
IV. de man te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
De vrouw stelt dat de man met zijn gedrag onrechtmatig jegens haar handelt. De berichten die hij over de vrouw en haar onderneming op Facebook heeft geplaatst en de Whatsappberichten en e-mails die hij naar haar stuurt, maken inbreuk op het recht van de vrouw op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer (artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Deze berichten raken haar niet alleen emotioneel, maar de berichten die op Facebook zijn geplaatst brengen haar ook zakelijk schade toe, nu haar onderneming met naam en toenaam in de berichten wordt genoemd. De vrouw heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen, omdat zij steeds meer last krijgt van de aanvallen van de man. Zij wenst rust voor haarzelf en [de dochter] . De vrouw blijft daarom bij haar vorderingen en vordert dat er een dwangsom wordt opgelegd in de situatie dat de man de verbodsbepalingen overtreedt. Bij de hoogte van de dwangsom moet rekening worden gehouden met het feit dat de man zeer vermogend is.
4.3.
De man heeft het gevoel dat de vrouw hem uit de tent probeert te lokken en moedwillig op escalatie aanstuurt, bijvoorbeeld doordat zij geen of slechts een minimale hoeveelheid borstvoeding meegeeft voor de omgangsmomenten. De man houdt zich aan de voorwaarden van de voorlopige zorgregeling. De man stuurt na ieder contact met [de dochter] , in overeenstemming met de beschikking, een zakelijk verslag aan de vrouw over het verloop van de zorgregeling. De man heeft na 10 april 2024 geen berichten meer op Facebook of andere sociale media over de vrouw geplaatst en zegt dit in de toekomst niet meer te zullen gaan doen. Het gevorderde onder I. dient daarom te worden afgewezen. Het onder II. gevorderde contactverbod is volgens de man te verstrekkend en niet proportioneel, nu onvoldoende gesteld is om een contactverbod voor onbepaalde tijd te rechtvaardigen en niet duidelijk is geformuleerd waar het verbod op ziet. Een dwangsom is volgens de man niet op zijn plaats, nu hij heeft toegezegd geen berichten meer op Facebook te zullen plaatsen over de vrouw. Nu er geen reële dreiging meer bestaat dat hij de berichten gaat plaatsen over de vrouw, ontbreekt volgens de man het spoedeisend belang bij de vorderingen van de vrouw. De beschikking van 24 april 2024 had volgens de man reden voor de vrouw moeten zijn om dit kort geding in te trekken. Hij verzoekt daarom dat zij wordt veroordeeld in de proceskosten.
5 De beoordeling
Spoedeisend belang
5.1.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang van de vrouw reeds in voldoende mate voortvloeit uit haar stellingen en de aard van het gevorderde. Dat de man zijn berichten op Facebook over de vrouw heeft verwijderd en tijdens de mondelinge behandeling toezegt geen berichten meer over de vrouw te zullen plaatsen, doet hieraan niet af.
Verbod publieke uitlatingen (sociale) media
5.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man op ontoelaatbare wijze inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de vrouw, door op Facebook negatieve berichten te plaatsen over de vrouw. Daarin schrijft hij onder andere dat zij een alcoholprobleem en psychische problemen heeft en dat zij samen met haar familie en haar (voormalig) advocaat probeert de man als vader te verstoten. Deze berichten hebben een inhoud die zowel voor de vrouw zelf als voor haar onderneming schadelijk is. De man heeft in totaal vijf keer dergelijke berichten geplaatst. De man heeft deze berichten niet op eigen initiatief verwijderd, maar pas nadat zijn advocaat hem dit heeft verzocht. Vervolgens heeft hij een aantal dagen later opnieuw twee berichten over de vrouw geplaatst. Ook deze berichten heeft hij pas verwijderd nadat zijn advocaat hem dit verzocht.
5.3.
De man heeft na 11 april 2024 geen berichten meer over de vrouw op Facebook geplaatst. Zoals in de voorlopige zorgregeling afgesproken, stuurt hij na de omgangsmomenten een e-mailbericht aan de vrouw met informatie over [de dochter] . Echter blijft hij zich in zijn e-mailberichten negatief en verwijtend uitlaten over de vrouw en stuurt hij dat door aan instanties, waaronder de gemeente en de politie. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd geen berichten meer te zullen plaatsen op Facebook. Gelet op de voorgeschiedenis en de houding van de man tijdens de zitting, is de voorzieningenrechter er niet volledig van overtuigd dat de man zich daaraan zal houden als de situatie tussen partijen om wat voor reden dan ook weer escaleert. De voorzieningenrechter zal daarom de man verbieden om publieke uitlatingen te doen over de vrouw op sociale media, dan wel andere media, zoals uitgewerkt in de beslissing.
5.4.
De voorzieningenrechter zal aan het hiervoor besproken verbod een dwangsom verbinden. Volgens de vrouw is de man zeer vermogend en zal een te lage dwangsom hem niet tegenhouden om het verbod te overtreden. De vrouw heeft loonstroken van de man overgelegd. De man heeft niet betwist dat hij het daarin weergeven inkomen verdient. Gelet op het inkomen van de man, acht de voorzieningenrechter een (gematigde) dwangsom van € 5.000,00 met een maximum van € 50.000,00 passend.
Contactverbod
5.5.
Het gevorderde verbod om de vrouw rechtstreeks te benaderen, behalve in het kader van de uitvoering van een toekomstig vorm te geven omgangsregeling, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter te onbepaald en zal daarom worden afgewezen. Het is onvoldoende duidelijk wanneer bepaalde communicatie van de man richting de vrouw ziet op uitvoering van de (toekomstig vorm te geven) omgangsregeling en wanneer niet. Daarnaast is het gevorderde verbod niet beperkt tot een bepaalde periode, waardoor het verbod oneindig kan blijven bestaan. Dit terwijl het in het belang van [de dochter] is dat partijen, bij voorkeur op korte termijn, goed met elkaar leren communiceren en dat op meerdere manieren mogelijk moet zijn. Partijen zullen daar naar verwachting over een aantal weken aan gaan werken onder begeleiding van Curess. Het gevorderde contactverbod zal daar te veel aan in de weg kunnen staan.
5.6.
De voorzieningenrechter wijst erop dat partijen zijn gehouden aan de afspraken van de voorlopige zorgregeling, zolang zij nog geen omgangsregeling hebben gesloten. Volgens de voorlopige zorgregeling mag de man de vrouw via de e-mail enkel ‘belangrijke informatie over [de dochter] ’ sturen na ieder omgangsmoment. Partijen zijn in dat kader gehouden zakelijk met elkaar te communiceren. Uit de overgelegde e-mailberichten blijkt dat de man zich herhaaldelijk negatief en verwijtend naar de vrouw toe heeft uitgelaten. De man handelt daarmee in strijd met de voorlopige zorgregeling. Het is zowel in het belang van hemzelf als in het belang van [de dochter] dat hij daarmee stopt, omdat dit het sluiten van een omgangsregeling tussen partijen ernstig belemmert.
De proceskosten
5.7.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen en partijen voormalig partners van elkaar zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6 De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
verbiedt de man om publieke uitlatingen te doen over de vrouw op sociale media, dan wel andere media waarbij de vrouw direct of indirect bij naam wordt genoemd of er direct of indirect aan de geschillen van partijen te herleiden uitlatingen worden gedaan,
6.2.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2024.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: