Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBNNE:2021:3997

Rechtbank Noord-Nederland
07-09-2021
17-09-2021
21/629
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2022:1631, Bekrachtiging/bevestiging
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig

mijnbouwschade en bewijsaanbod

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 21/629


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: M.C. Molema-Nankman),

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Winterink).

Procesverloop

In het besluit van 17 augustus 2020 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om schadevergoeding afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

In het besluit van 18 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiser heeft op 20 juli 2021 nadere stukken aan de rechtbank toegezonden. Deze stukken zijn doorgezonden aan verweerder.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Dit verweerschrift is doorgestuurd aan eiser.

De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft deskundige R. Frankort meegebracht, aangesloten bij NIVRE.

Overwegingen


1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Eiser is woonachtig op het perceel [adres] te [plaats] . Op 5 november 2014 en 1 april 2015 is op verzoek van de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (NAM) gerapporteerd over aardbevingsschade aan de woning van eiser. Daarbij is in 2015 overeenstemming bereikt over de afhandeling van de schade.

1.2

Eiser heeft in een op het perceel gelegen bijgebouw in 2016 een in 2012 gestorte werkvloer afgewerkt. Op 22 oktober 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om vergoeding van schade aan deze vloer.

1.3

Op 24 december 2019 heeft deskundige R. Krijns, van NIVRE, in opdracht van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (hierna ook: verweerder) een adviesrapport uitgebracht. Dit rapport is gebaseerd op een opname van de schade op
3 december 2019. In het rapport zijn twee schades beschreven (scheurvorming in de in 2016 afgewerkte vloer en krimpscheuren). Voor beide schades is vermeld dat deze niet zijn veroorzaakt en/of verergerd door mijnbouwactiviteiten.

1.4

Op 22 januari 2020 heeft eiser zijn zienswijze gegeven. Daarbij is over schade 1 naar voren gebracht dat de grillige scheur is ontstaan op een voor hem onverklaarbare plek, waar je geen zetting zou mogen verwachten. Verder is (over schade 2) opgemerkt dat circa een half jaar na afwerking een zeer klein rechtlijnig scheurtje kwam en dat de oorzaak is te herleiden naar het formaat van de gebruikte isolatieplaten.

1.5

Naar aanleiding van de door eiser ingediende zienswijze heeft deskundige

Krijns op 2 juli 2020 een herzien adviesrapport uitgebracht. Het verzoek van verweerder om schade 1, naar aanleiding van de door eiser ingediende zienswijze, nogmaals te beoordelen leidt voor Krijns niet tot een andere conclusie dan zoals deze is gegeven in het rapport van 24 december 2019.

1.6

In het primaire besluit heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat aan hem geen schadevergoeding wordt toegekend.

1.7

Eiser heeft bezwaar ingesteld tegen dit besluit. Daarbij is verweerder het voorstel gedaan om de zaak te schikken op een bedrag van € 1.500,--. Eiser heeft afgezien van een hoorzitting.

1.8

In het bestreden besluit van 18 januari 2021 is het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de deskundige duidelijk heeft kunnen vaststellen dat het ontstaan van de schade een andere uitsluitende oorzaak heeft dan bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Op 3 februari 2021 is een dwangsom van € 299,-- toegekend.

2. Eiser heeft in beroep een deskundigenrapport van 2 maart 2021 van R. Lania van Vergnes Expertise te Leek overgelegd en stelt dat met dit rapport voldoende concrete aanknopingspunten worden aangedragen op basis waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid of volledigheid van het (herziene) adviesrapport van Krijns.

3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de deskundige duidelijk een andere oorzaak voor de schades 1 en 2 heeft aangewezen en dat hetgeen daartegen is aangevoerd geen aanleiding geeft om aan de juistheid van die conclusies te twijfelen. Daarbij is verwezen naar het nadere advies van deskundige
L. Nabben van 23 juli 2021. Verweerder heeft er verder op gewezen dat de maximale trillingssnelheden die zijn opgetreden ter plaatse van de woning van eiser zeer gering waren.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Niet in geschil is dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is. Op grond van deze bepaling wordt vermoed, bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn, dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.

4.2

In een uitspraak van 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen die onder meer zien op de toepassing van het bewijsvermoeden. In dit kader heeft de Hoge Raad geantwoord dat als is voldaan aan de vereisten voor toepassing van het vermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het BW, de exploitant dat vermoeden alleen met succes weerlegt als hij er in slaagt te bewijzen dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk. Voor bewijs in het burgerlijk procesrecht is niet vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan: de te bewijzen feiten en omstandigheden moeten voldoende aannemelijk worden.

4.3

Verweerder heeft voor de toepassing van het bewijsvermoeden advies gevraagd aan het zogenoemde Panel van Deskundigen (het panel). Het panel heeft in een rapport van
22 januari 2019 geadviseerd om het wettelijk bewijsvermoeden weerlegd te achten als de schadeoorzaak evident en aantoonbaar een andere is dan de in artikel 6:177a BW bedoelde bodembeweging.

4.4

De door verweerder ingeschakelde deskundigen toetsen met inachtneming van het advies van het panel of zij met een voldoende grote mate van zekerheid kunnen uitsluiten dat de schade door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is ontstaan, en zo ja, waardoor de schade dan wel is ontstaan. Het bewijsvermoeden wordt niet weerlegd geacht als het weliswaar aannemelijk is dat een schade niet door bodembeweging als gevolg van gaswinning is ontstaan of verergerd, maar onvoldoende zekerheid kan worden gegeven over de vraag waardoor de schade wel is ontstaan of verergerd.

4.5

In het kader van de vergewisplicht toetst verweerder aan de hand van welke feiten de deskundige tot de conclusie is gekomen dat er met een voldoende mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak van de schade is aan te wijzen. Verweerder acht het bewijsvermoeden pas weerlegd als de deskundige een hoge mate van zekerheid heeft over de oorzaak van de door hem aangewezen schade, wat aansluit bij de bedoelingen van het panel. Van de deskundige wordt niet gevergd dat hij met 100% zekerheid kan uitsluiten dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten.

4.6

De rechtbank verwijst verder naar het toetsingskader zoals uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374).

4.7

Verweerder heeft een deskundige ingeschakeld bij de beoordeling van de door eiser gestelde schade. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS, waaronder de uitspraak van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4250), mag een bestuursorgaan, als in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren zijn gebracht (rechtbank Noord-Nederland 18 mei 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:1935).

5. Met betrekking tot de scheurvorming in de vloer (schade 1) overweegt de rechtbank als volgt.

5.1

In het adviesrapport van 2 juli 2020 van Krijns is over deze schade het volgende opgenomen:

“Betreft scheuren in de vloer ter plaatse van de aansluiting van een aanbouw met de oorspronkelijke bouw. De oorzaak is gelegen in een zettingsverschil. Juist ter plaatse van de scheuren bevindt zich onder de later (omstreeks 2012) gestorte vloer de fundering van de oorspronkelijke achtergevel uit de jaren zestig van de vorige eeuw. Aan weerszijden van deze fundering is de betonvloer gestort. De vloer is tevens doorgestort over de aanwezige fundering. De vloer kan ter plaatse van de bestaande fundering niet of nauwelijks zakken. Links en rechts van deze fundering zal de vloer meer zakken als gevolg van de normale zetting ten gevolge van inklinking van de ondergrond. Inklinking ontstaat als gevolg van het onvoldoende verdichten van het zandpakket waarop de betreffende vloer, met maar een dikte van 10 cm is gestort. Hierdoor zijn spanningen ontstaan in de vloer ter hoogte van de fundering met als gevolg de thans zichtbare scheurvorming in de vloerafwerking. De scheuren zouden zijn voorkomen als ter plaatse van de overgang van de aanbouw met het hoofdgebouw een dilatatie was gerealiseerd. Er zijn geen scheuren aanwezig in de aansluitende wanden. Het ontstaan of de verergering van de schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten is uitgesloten.

(…)

Behalve de ongelijke zetting is hier nog een andere oorzaak aan de orde. De vloer is aangebracht tot tegen de houten kolommen. Materialen krimpen en zetten uit door temperatuur- en/of vocht veranderingen. Door uitzetting/krimp van materialen zal de afstand tussen de vloer en de kolommen groter of kleiner worden. Omdat er niet voldoende ruimte is om te kunnen uitzetten, ontstaan vanaf de houten kolommen scheuren in de vloer.”

5.2

In het door eiser ingebrachte rapport van Lania van 2 maart 2021 is het volgende opgenomen:

“Er zijn geen tekenen gevonden die doen duiden op een zettingsverschil als gevolg van het onvoldoende verdichten van het zandpakket. Wanneer dit de oorzaak van de schade zou zijn geweest, had er een duidelijke verzakking zichtbaar moeten zijn ook langs de wandaansluitingen en bij de plinten, dit is niet het geval. (…) Tevens is er op de lijn van de oorspronkelijke achtergevel aan de andere zijde van de woonkamer geen schade waargenomen. Derhalve kan zetting van de vloer geen uitsluitende oorzaak van deze schade zijn. Wanneer de oorzaak van deze schade het krimpen en uitzetten van de materialen zou zijn geweest zou dit in de jaren na oplevering zichtbaar moeten worden, dit is niet het geval. Daarnaast is er bij de houten kolom aan de andere zijde van de wand geen schade waargenomen. De hele ruimte is onderhevig aan de zelfde temperatuurverschillen en bij deze schadeoorzaak zou dit bij meerdere kolommen zichtbaar moeten zijn, dit is eveneens niet het geval. Derhalve kan krimp en uitzetting van materialen niet de uitsluitende oorzaak van deze schade zijn geweest. (…) Voor de scheurvorming in de betonvloer is geen evident en aantoonbare andere oorzaak als uitsluitende oorzaak gevonden.”

5.3

In de door verweerder in beroep overgelegde opinie van Nabben is het volgende opgenomen:

“Het oorspronkelijke gebouw is reeds (ruim) 50 jaar geleden gebouwd. Eerst jaren daarna is een aanbouw aan het oorspronkelijke gebouw gebouwd. Daarbij werd in 2012 een betonnen (werk)vloer gestort waarna de vloer eerst in 2016 volledig is afgewerkt. (…) Van het oorspronkelijke gebouw kan worden gesteld dat de mechanismen, indrukking van de bodem onder het gebouw en fundering als gevolg van het eigen gewicht van het gebouw (consolidatie), en doorgaande vervorming onder het eigen gewicht van een gebouw (kruip) reeds (grotendeels) heeft plaatsgevonden. Dit proces is in de latere jaren enigszins gestabiliseerd. Met andere woorden, de fundering ter plaatse van de oorspronkelijke achtergevel en de reeds eerder belaste grondslag in het oorspronkelijke deel is enigszins gestabiliseerd.

Daarentegen zal de niet eerder (door bouwdelen) belaste grondslag in de aanbouw, indrukken/ verdichten, als gevolg van het belasten van het grondpakket, als gevolg van de verbouwingswerkzaamheden. (…) Door een toename in de belasting zal de grondslag verder verdichten, waarbij de grondkorrels dichter bij elkaar komen, en er volume afname optreed. De (verschil) zetting is slechts minimaal, waardoor er ook geen directe noemenswaardige naadvorming is ontstaan tussen de verschillende bouwdelen. Wanneer er slechts sprake is van een minimale (verschil) zetting zal dit overigens ook niet leiden tot noemenswaardige naadvorming ter plaatse van de wandaansluitingen. De toename in (verschil) zetting leid tot een toename in (trek)spanning aan de bovenzijde van het vloerpakket. De spanning overschrijdt de treksterkte van de cementdekvloer vloer met de daarop aangebrachte coating, waardoor deze is gescheurd. De scheurvorming bevindt zich dan ook aan beiden zijden van de doorgang, hetgeen als kenmerkend kan worden gezien. In zoverre, dat het vloerpakket als het ware over de fundering, het oplegpunt heen “buigt”. Het ontbreken van een dilatatie had in de meeste gevallen dergelijke scheurvorming kunnen voorkomen.
(…)
De breuksterkte van stucwerk is lager dan dat van een betonnen vloer met daarop aangebracht een cementdekvloer met afwerking. Derhalve is het niet aannemelijk dat de cementdekvloer is gescheurd als gevolg van een dynamische belasting door beving en trilling, terwijl er geen enkele scheurvorming is geconstateerd op meer kwetsbare plaatsen, bijvoorbeeld in het stucwerk nabij sparingen. (…) De deskundige is stellig van mening dat invloed door mijnbouwactiviteiten is uitgesloten.”

5.4

Voor zover eiser heeft betoogd dat deskundige Nabben zijn rapport enkel heeft gebaseerd op de foto’s, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is aangevoerd om aan te nemen dat een (verdere) beoordeling van de aan de orde zijnde schade op basis van de foto’s niet mogelijk was. Zoals verweerder ter zitting ook naar voren heeft gebracht is er (eerder) wel een deskundige ter plaatse geweest, is naar aanleiding van deze schadeopname een adviesrapport opgesteld en zijn de hierin opgenomen foto’s duidelijk.

5.5

Met betrekking tot de op 20 juli 2021 ingediende gronden en de ter zitting overgelegde pleitnotitie stelt de rechtbank vast dat zowel Krijns als Nabben uitleggen waarom volgens hen de in de vloer vastgestelde scheuren zijn veroorzaakt. De rechtbank ziet in het in beroep gevoerde betoog geen grond gelegen voor het oordeel dat de wijze waarop onderzoek is gedaan strijdig is met het advies van het panel van deskundigen van

22 januari 2019, de inhoudelijke reactie van Ir. W.A.B. Meiborg van 1 december 2020 of de aangepaste notitie van Ir. P.C. van Staalduinen en Ing. H.J. Everts van 16 december 2020. Het onderzoek beperkt zich immers niet tot de conclusie dat de trillingssnelheid geringer is dan de in de laatste notitie geformuleerde grenzen. De deskundigen hebben de conclusie getrokken dat is uitgesloten dat de schade door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is ontstaan en uitgelegd waardoor de schade dan wel is ontstaan.

5.6

In het rapport van 2 juli 2020 is hierbij door Krijns van belang geacht dat de scheuren zich bevinden op de overgang tussen een recente, in 2016 afgeronde, aanbouw en een al meer dan 50 jaar bestaand bijgebouw. Verweerder heeft in het verweerschrift verwezen naar de reactie van Nabben op de overgelegde contra-expertise, waarin het oordeel van Krijns dat geen sprake is van mijnbouwschade, is bevestigd. Volgens Nabben staaft het ontbreken van scheuren in de (meer kwetsbare) wanden de conclusie dat invloed door mijnbouwactiviteiten is uitgesloten. Ook is, evenals deskundige Krijns, geconcludeerd dat het aanbrengen van een dilatatie scheurvorming mogelijkerwijs had kunnen voorkomen. Verweerder wijst er op dat Nabben stellig van mening is dat invloed door mijnbouwactiviteiten is uitgesloten. Het is een conclusie die vergelijkbaar is met de conclusie die op zitting door de deskundige Frankort is getrokken. Anders dan zowel Lania als de gemachtigde van eiser in de pleitnotitie opschrijven is de schade recent na het afwerken van de aanbouw (in 2016) ontdekt; namelijk eind 2018.

5.7

De rechtbank ziet, gelet op het bovenstaande, in wat eiser (ook overigens) aanvoert geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de rapporten van de door verweerder ingeschakelde deskundigen. Met die rapporten wordt op een voldoende objectieve en onpartijdige wijze verslag gedaan van het verrichte onderzoek en op een voldoende inzichtelijke wijze aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd, en deze conclusies zijn niet onbegrijpelijk (zie de uitspraak van de ABRvS van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS: 2019:4250). Verweerder mocht dan ook de conclusie trekken dat wat betreft schade 1 het bewijsvermoeden is weerlegd omdat voor die schade met een voldoende mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is aangewezen.

5.8

Met betrekking tot het door eiser ter zitting gedane bewijsaanbod om aan te tonen dat de schades wel zijn ontstaan door mijnbouwschade overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om op te komen tegen de in de rapporten getrokken conclusies. Zo heeft eiser zijn zienswijze gegeven op het rapport van Krijns van 24 december 2019, heeft hij in de bezwaarprocedure tegen het primaire besluit van 17 augustus 2020 kunnen uitleggen waarom hij het niet eens is met verweerder, heeft hij in beroep een rapport van Lania van 2 maart 2021 kunnen overleggen en is hem op zitting de gelegenheid geboden te reageren op de in beroep overgelegde opinie van Nabben van 23 juli 2021 en hetgeen door deskundige Frankort naar voren is gebracht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het onderzoek te heropenen om eiser te laten reageren op het hiervoor, onder 5.7, gegeven oordeel (vgl. de uitspraak van de ABRvS van 13 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7098 en de uitspraak van de ABRvS van
11 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1136).

5.9

Ten slotte ziet de rechtbank gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen over de aan verweerder uitgebrachte adviezen, geen grond zelf een deskundige te benoemen (vgl. de uitspraak van de ABRvS van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674).

6. Met betrekking tot de krimpscheur (schade 2) overweegt de rechtbank als volgt.

6.1

In het adviesrapport van 24 december 2019 van Krijns is over deze schade opgenomen:

De scheur in de toplaag van de vloerafwerking (coating) is het gevolg van krimp. Door deze krimp ontstaat er spanning in de vloer die deze niet kan opnemen, waardoor er een willekeurige scheur is ontstaan. De aanvrager verklaarde zelf al dat deze krimpscheur al langere tijd aanwezig is en geen verband houdt met mijnbouwactiviteiten. Het ontstaan of de verergering van de schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten is uitgesloten.”

6.2

In de door eiser op 22 januari 2020 gegeven zienswijze is bevestigd dat het scheurtje is te herleiden naar het formaat van de gebruikte isolatieplaten en een half jaar na afwerking zichtbaar was.

6.3

In het door eiser ingebrachte rapport van Lania van 2 maart 2021 is het volgende opgenomen:

“Wanneer de oorzaak van deze schade krimp zou zijn geweest zou dit korte tijd na oplevering zichtbaar moeten worden, dit is niet het geval. Daarnaast is het vloeroppervlakte niet dermate groot dat het risico van krimpscheuren hier hoog is. (…) Voor de scheurvorming in de betonvloer is geen evident en aantoonbare andere oorzaak als uitsluitende oorzaak gevonden.”

6.4

Met betrekking tot deze schade overweegt de rechtbank dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eiser in zijn zienswijze zelf heeft verklaard dat deze schade een half jaar na de afwerking is ontstaan en dat deze schade geen verband houdt met mijnbouwactiviteiten. De door Lania getrokken conclusie staat dan ook haaks op de zienswijze van eiser. Hierbij betrekt de rechtbank eveneens dat Lania, anders dan eiser in zijn zienswijze stelt, er vanuit is gegaan dat de scheur niet kort na oplevering is ontstaan. Tot slot heeft Nabben, in de door verweerder overgelegde opinie, er op gewezen dat ook Lania niet uitsluit dat er scheurvorming kan optreden. Gelet hierop wordt over deze scheur niet anders geoordeeld dan hiervoor, onder 5.5 tot en met 5.8, is gedaan.

7. Gelet op het bovenstaande is het beroep van eiser ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.I. Havinga, griffier, op 7 september 2021. De uitspraak wordt openbaargemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.