1.8.
Naar aanleiding van het onder 1.7. geciteerde boekenonderzoek heeft verweerder de in het procesverloop vermelde naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd aan eiseres.
1.9
Verweerder heeft in zijn brief, gedateerd 29 april 2016, de uitspraak op bezwaar van 4 mei 2016 gemotiveerd. In deze brief staat onder meer het volgende:
"
Parkeerplaatsen
(…)
In uw subsidiaire stelling stelt u dat de naheffingsaanslag over het jaar 2011 verminderd dient te worden met de btw die kan worden toegerekend aan de belaste verhuur van parkeerplaatsen aan niet-bewoners. Tevens stelt u dat ter zake van de nog niet in gebruik genomen parkeerplaatsen alsnog aftrek van voorbelasting dient plaats te vinden over 2011. Tenslotte geeft u bij dit punt aan dat voor zover de naheffingsaanslag over het jaar 2011 bestaat uit de ten onrechte voldane btw ter zake van de verhuur aan de bewoners van de huurappartementen, deze moet worden verminderd. Voor wat betreft uw subsidiaire stelling kom ik aan uw bezwaar tegemoet. De naheffingsaanslag over het jaar 2011 wordt verminderd met een bedrag van € 162.817. De heffingsrente wordt dienovereenkomst verminderd.
(…)
Samenvatting
(…)
De naheffingsaanslag over het jaar 2011 (…) wordt verminderd met een bedrag van
€ 162.817. Het bezwaar tegen de naheffingsaanslag over het jaar 2012 (…) wordt afgewezen."
Geschil en beoordeling
2.1.
In geschil is of verweerder de naheffingsaanslagen OB voor de tijdvakken 2011 en 2012 terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd aan eiseres. Meer in het bijzonder gaat het om het antwoord op de vragen of:
a. artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op de omzetbelasting (hierna: Wet OB) in strijd is met artikel 187 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: Btw-richtlijn); en
b. de verhuur van de parkeerplaatsen behorende tot de appartementencomplexen, aan huurders van woningen in de appartementencomplexen, als een afzonderlijke (belaste) prestatie in aanmerking moet worden genomen (standpunt eiseres), dan wel of die verhuur zo nauw verband houdt met de verhuur van een woning dat beide verhuren één enkele (vrijgestelde) economische handeling vormen (standpunt verweerder).
2.2
Tussen partijen is niet in geschil dat als het gelijk is aan de zijde van:
a. verweerder: de bij uitspraak op bezwaar vastgestelde bedragen juist zijn; én
b. eiseres: de naheffingsaanslagen omzetbelasting dienen te worden verminderd tot de navolgende bedragen:
2011
- naheffingsaanslag: € 6.189.407
- herziening over een reeks van jaren: € 3.321.844 -/-
- aftrekbare voorbelasting voor het parkeren: € 514.915 -/-
- verschuldigde btw huurtermijnen parkeerplaatsen: € 2.156
resteert: € 2.354.804
2012
- naheffingsaanslag: € 1.112.126
- herziening over een reeks van jaren: € 238.588 -/-
- verschuldigde btw huurtermijnen parkeerplaatsen: € 3.892
resteert: € 877.430
2.3
Ter zitting heeft eiseres haar beroepen ingetrokken voor zover deze betrekking hebben op de in rekening gebrachte heffings- en belastingrente. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat zij zijn overeengekomen in onderling overleg afspraken te zullen maken over de afwikkeling van de door eiseres verschuldigde rente, voor het geval de rechtbank één of beide beroepen tegen de naheffingsaanslagen geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart.
Is artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet OB in strijd met de Btw-richtlijn?
3. De relevante bepalingen uit de Btw-richtlijn luiden als volgt:
"Artikel 184
De oorspronkelijk toegepaste aftrek wordt herzien indien deze hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen.
1. De herziening vindt met name plaats indien zich na de BTW-aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die voor het bepalen van het bedrag van de aftrek in aanmerking zijn genomen, bijvoorbeeld in geval van geannuleerde aankopen of verkregen rabatten.
2. In afwijking van lid 1 vindt geen herziening plaats voor handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven, in geval van naar behoren bewezen en aangetoonde vernietiging, verlies of diefstal, alsmede in geval van de in artikel 16 bedoelde onttrekking voor het verstrekken van geschenken van geringe waarde en van monsters.
In geval van geheel of gedeeltelijk onbetaald gebleven handelingen en in geval van diefstal, kunnen de lidstaten evenwel herziening eisen.
Artikel 186
De lidstaten stellen nadere regels voor de toepassing van de artikelen 184 en 185 vast.
1. Voor investeringsgoederen wordt de herziening gespreid over een periode van vijf jaar, het jaar van verkrijging of vervaardiging der goederen daaronder begrepen. De lidstaten kunnen evenwel de herziening baseren op een periode van vijf volle jaren te rekenen vanaf de ingebruikneming van de goederen. Voor onroerende investeringsgoederen kan de herzieningsperiode tot maximaal twintig jaar worden verlengd.
2. Voor elk jaar heeft de herziening slechts betrekking op eenvijfde deel, of, indien de herzieningsperiode is verlengd, op het overeenkomstige gedeelte van de BTW op de investeringsgoederen.
De in de eerste alinea bedoelde herziening geschiedt op basis van de wijzigingen in het recht op aftrek die zich in de loop van de volgende jaren ten opzichte van het jaar van verkrijging, vervaardiging of, in voorkomend geval, eerste gebruik van de goederen hebben voorgedaan.
1. Investeringsgoederen die gedurende de herzieningsperiode worden geleverd, worden tot het verstrijken van de herzieningsperiode beschouwd als investeringsgoederen die voor een economische activiteit van de belastingplichtige worden gebruikt.
De economische activiteit wordt geacht volledig belast te zijn indien de levering van het investeringsgoed belast is. De economische activiteit wordt geacht volledig vrijgesteld te zijn indien de levering van het investeringsgoed vrijgesteld is.
2. De in lid 1 bepaalde herziening wordt in één keer verricht voor de gehele nog resterende herzieningsperiode. Indien de levering van investeringsgoederen vrijgesteld is, kunnen de lidstaten er evenwel van afzien herziening te eisen, voorzover de afnemer een belastingplichtige is die de betrokken investeringsgoederen uitsluitend gebruikt voor handelingen waarvoor de BTW in aftrek mag worden gebracht.
Artikel 189
Voor de toepassing van de artikelen 187 en 188 kunnen de lidstaten de volgende
maatregelen nemen:
a. het begrip investeringsgoederen definiëren;
b. het bedrag aan BTW dat bij de herziening in aanmerking moet worden genomen, nader bepalen;
c. alle passende maatregelen nemen om te verzekeren dat de herziening niet tot ongerechtvaardigde voordelen leidt;
d. administratieve vereenvoudigingen toestaan."
4. Eiseres heeft aan haar beroepen ten grondslag gelegd dat artikel 15, vierde lid, tweede vol zin, van de Wet OB in strijd is met de Btw-richtlijn. Volgens eiseres ziet artikel 187 van de Btw-richtlijn specifiek op investeringsgoederen, zoals in dit geval de woningen en de parkeerplaatsen. Op grond van die richtlijnbepaling is - kort gezegd - herziening in termijnen het uitgangspunt en wijkt artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet OB daarvan af, aldus eiseres. Eiseres stelt dat moet worden beoordeeld of die afwijking mogelijk is op grond van artikel 189, letter b of c, van de Btw-richtlijn. Eiseres beantwoordt die vraag ontkennend. Volgens haar volgt uit de geschiedenis van de Btw-richtlijn niet dat met artikel 189, letter b, van de Btw-richtlijn beoogd is de mogelijkheid te openen om af te wijken van voormelde hoofdregel uit artikel 187 van de Btw-richtlijn. Eiseres stelt verder dat een toelichting bij de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting (hierna: Uitv.besch) op dit punt ontbreekt en de Uitv.besch ouder is dan de Btw-Richtlijn. Daarom moet ervan uitgegaan worden dat de wetgever met artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet OB evenmin afwijking van de hoofdregel voor ogen heeft gestaan, aldus eiseres. Tot slot heeft eiseres gesteld dat herziening ineens op grond van artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet OB zowel in het voor- als nadeel van de belastingplichtige werkt. Daarmee heeft dit artikel niet (alleen) ten doel ongerechtvaardigde voordelen weg te nemen, zodat artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet OB evenmin kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 189, letter c, van de Btw-richtlijn.
5. Volgens verweerder is artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet OB niet in strijd met de Btw-richtlijn. In dat kader voert hij aan dat artikel 187, eerste lid, van de Btw-richtlijn de lidstaten de mogelijkheid biedt om herziening van omzetbelasting van investeringsgoederen te laten lopen vanaf het moment van ingebruikneming en dat de Nederlandse wetgever gebruik heeft gemaakt van die mogelijkheid. Verweerder voert verder aan dat de Btw-richtlijn niet voorziet in een correctiemogelijkheid voor het geval de aftrek bij aanschaf niet overeenkomt met de aftrek bij ingebruikneming. Invulling daarvan is derhalve aan de lidstaten overgelaten. Nederland heeft daarin voorzien door middel van artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet OB, aldus verweerder. Tot slot heeft verweerder aangevoerd dat als herziening ineens niet mogelijk zou zijn, dit feitelijk tot voorfinanciering van omzetbelasting leidt. Dit levert een ongerechtvaardigd voordeel op en dat is in strijd met de doel en strekking van de omzetbelasting, aldus verweerder.
6.1
De rechtbank overweegt als volgt. Ten tijde van de eigendomsverkrijging van de (deels in aanbouw zijnde) appartementencomplexen heeft eiseres bepaald dat het voorgenomen gebruik van de woningen (belaste verkoop) aanleiding gaf tot aftrek van voorbelasting op grond van artikel 15, eerste en vierde lid, van de Wet OB. Dat is ook daarna, tijdens de afbouwfase, nog enige tijd zo geweest. Eiseres heeft in verband daarmee de omzetbelasting terecht in aftrek gebracht die ter zake de aankoop en afbouw van de woningen aan haar in rekening is gebracht (zie 1.2).
6.2
Omdat eiseres er niet in slaagde de woningen en de parkeerplaatsen binnen afzienbare tijd te verkopen, heeft zij deze te huur aangeboden (zie 1.4). Telkens wanneer eiseres een afzonderlijke woning of parkeerplaats aan een huurder van een woning is gaan verhuren, is sprake geweest van de eerste ingebruikneming daarvan. Op die momenten bleek dat het voorgenomen gebruik (kort gezegd: belaste verkoop) afweek van het werkelijke gebruik (kort gezegd: vrijgestelde verhuur). Dit brengt mee dat de in eerste instantie (terecht) in aftrek gebrachte omzetbelasting, herrekend moet worden. De regeling van artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet OB schrijft dan voor dat de teveel afgetrokken belasting op het tijdstip van de eerste ingebruikneming verschuldigd wordt. Verweerder heeft voor zijn naheffingen aangesloten bij het aldus vastgestelde gewijzigde gebruik. Naar nationaal recht bezien, zijn de naheffingsaanslagen in zoverre terecht opgelegd (want in overeenstemming met artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet OB).
6.3
Naar het oordeel van de rechtbank bestaan de bepalingen voor de herziening van aftrek uit de BTW-richtlijn (zie 3.) uit twee regelingen, te weten:
- een algemene herzieningsregeling, die van toepassing is op alle goederen en diensten, dus ook op investeringsgoederen; én (vervolgens)
- een aanvullende herzieningsregeling, die uitsluitend van toepassing is op investeringsgoederen en die nadere herzieningsregels geeft voor (de resterende jaren van) een bepaalde herzieningsperiode voor deze goederen.
De algemene herzieningsregeling staat beschreven in de artikelen 184, 185 en 186 van de BTW-richtlijn; de aanvullende herzieningsregeling voor investeringsgoederen is vastgelegd in de artikelen 187 en volgende. De algemene herzieningsregeling van de artikelen 184, 185 en 186 van de BTW-richtlijn biedt lidstaten de mogelijkheid de herziening ineens te laten plaatsvinden. Bovendien volgt uit de onderlinge samenhang van de herzieningsbepalingen uit de BTW-richtlijn dat de aftrek bij de herziening in het jaar van eerste ingebruikneming definitief zijn beslag krijgt, tenzij sprake is van investeringsgoederen. Uit artikel 187, tweede lid, tweede volzin, van de BTW-richtlijn, gelezen in samenhang met de daaraan voorafgaande tekst van dit artikel, leidt de rechtbank af dat - in aanvulling op de algemene herzieningsregeling - gedurende de herzieningsperiode de aftrek voor uitsluitend investeringsgoederen ook na het jaar van verkrijging, vervaardiging of ingebruikneming jaarlijks moet worden gevolgd en zo nodig herzien, overeenkomstig het gebruik in elk van de desbetreffende jaren. Daarbij moet het laatstbedoelde gebruik steeds worden vergeleken met het gebruik ten tijde van de verkrijging of vervaardiging, of het bij de algemene herziening vastgestelde gebruik in het jaar van ingebruikneming.
6.4
De even bedoelde algemene herzieningsregeling staat omschreven in artikel 15, vierde lid, van de Wet OB, juncto artikel 12 van de Uitv.besch. Deze nationale regeling heeft dus als basis artikel 186 van de BTW-richtlijn. De aanvullende herzieningsregeling voor investeringsgoederen staat omschreven in artikel 15, zesde lid, van de Wet OB juncto artikel 13 en 13a van de Uitv.besch. Bij de uitwerking daarvan heeft Nederland de ruimte benut van de artikelen 187, 188 en 189 van de BTW-richtlijn. Op grond van wat is overwogen in 6.3 is de nationale herzieningsregeling naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met het stelsel van de BTW-richtlijn.
6.5
De rechtbank plaatst derhalve de herziening die verweerder heeft toegepast, in de sleutel van de algemene herzieningsregeling (ineens), en níet in die van de aanvullende herzieningsregeling (in jaarmoten). Anders dan eiseres, is de rechtbank van oordeel dat de regeling van artikel 187 van de BTW-richtlijn geen lex specialis vormt ten opzichte van artikel 184; waar het gaat om investeringsgoederen bestaan beide regelingen naast elkaar. Daarvan uitgaande, is de uitwerking van artikel 15, vierde lid, van de Wet OB niet in strijd met de BTW-richtlijn. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4109 (zie met name r.o. 3.5.2). De rechtbank is van oordeel dat - zoals ook eiseres heeft gesteld - weliswaar is gewezen onder de werking van de Zesde richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, maar nog altijd toepasbaar is als richtsnoer vanwege de gelijkluidende strekking van de orde zijnde bepalingen van de (huidige) BTW-richtlijn. De door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) (Gmina Miedzyzdroje, 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1750) biedt geen grond voor een ander oordeel, aangezien het Hof in die zaak - anders dan in de door de rechtbank te berechten zaak - is gevraagd uitspraak te doen over de werking van (uitsluitend) de aanvullende herzieningsregeling van artikel 187 en verder van de BTW-richtlijn voor een later jaar dan het jaar van ingebruikneming. Het arrest bevat ook geen oordeel dat inhoudt dat de regeling van artikel 187 van de BTW-richtlijn en die van artikel 184 elkaar zouden uitsluiten.
6.6
Uit het voorgaande volgt dat de stelling van eiseres dat artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet OB in strijd is met artikel 187 van de BTW-richtlijn niet slaagt, aangezien de rechtbank van oordeel is dat artikel 187 van de BTW-richtlijn niet ziet op de herziening van aftrek in het jaar van eerste ingebruikneming zoals hier aan de orde is; deze richtlijnbepaling bevat de herzieningsregels voor de daaropvolgende jaren en sluit niet uit dat de aftrek in het jaar van ingebruikneming, zoals in dit geval, ineens wordt herzien overeenkomstig de artikelen 184, 185 en 186 van de BTW-richtlijn.
7. Op grond van wat de rechtbank onder 6.1 tot en met 6.6 heeft overwogen, komt de rechtbank tot de slotsom dat de door verweerder toegepaste herziening ineens in het jaar van eerste ingebruikneming overeenkomstig artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet OB, niet in strijd is met het richtlijnstelsel voor herziening van aftrek voor investerings-goederen. De beroepen van eiseres zijn in zoverre ongegrond.
Is de verhuur van parkeerplaatsen aan huurders van woningen belast met, of vrijgesteld van, omzetbelasting?
8. Volgens eiseres is de verhuur van de parkeerplaatsen belast met omzetbelasting. Zij stelt dat uit het arrest van het HvJ EU van 13 juli 1989 (Hendriksen, C-173/88, ECLI:EU:C:1989: 329) (hierna: het arrest Hendriksen) volgt dat sprake kan zijn van een zo nauwe samenhang dat de verhuur van parkeerruimte opgaat in de verhuur van woonruimte indien sprake is van één economische handeling. De rechtsregel uit deze jurisprudentie kan echter niet meer onverkort worden toegepast, aldus eiseres. Uit het arrest van het HvJ EU van 4 juni 2009 (Salix, C-102/08, ECLI:EU:C:2009:345) (hierna: het arrest Salix) leidt eiseres namelijk af dat bij de beoordeling of sprake is van één economische handeling rekening moet worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Eiseres stelt dat in de door de rechtbank te beoordelen zaak niet sprake is van één economische handeling, in het bijzonder omdat zij:
- parkeerplaatsen verhuurt aan kopers, huurders en derden; en
- in alle gevallen dezelfde huurprijs in rekening brengt; en
- voor elk van de parkeerplaatsen een afzonderlijke huurovereenkomst heeft gesloten;
zodat (ook) de verhuur van parkeerplaatsen aan huurders van woningen in hetzelfde complex, als afzonderlijke (belaste) prestaties in aanmerking moeten worden genomen.
9. Volgens verweerder volgt uit het arrest Salix dat het HvJ EU nog altijd dezelfde opvatting huldigt als in het arrest Hendriksen, inhoudende dat sprake is van één economische handeling als:
- de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen en het voor ander gebruik bestemde onroerende goed deel uitmaken van één onroerend complex; én
- beide goederen aan dezelfde huurder zijn verhuurd.
In de voorliggende zaak wordt aan beide criteria voldaan. Volgens verweerder is de verhuur van de parkeerplaatsen door eiseres aan huurders van woningen in de appartementen- complexen daarom niet aan te merken als een afzonderlijk in aanmerking te nemen belaste prestatie.
10.1
De rechtbank stelt voorop dat het geschil zich beperkt tot uitsluitend de omzetbelasting die samenhangt met de verhuur van parkeerplaatsen aan huurders van een woning in de appartementencomplexen (zie 1.4.a). Daarover overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 11, eerste lid, sub b, onder 3 van de Wet OB is de verhuur van onroerende zaken vrijgesteld van omzetbelasting, met uitzondering van de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen en de verhuur van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen. De rechtbank neemt verder in ogenschouw dat het HvJ EU in rechtsoverweging 38 van het arrest Salix het volgende heeft overwogen:
"Hierbij moet echter worden aangetekend, dat "verhuur van onroerende goederen", waarvoor de vrijstelling van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn geldt, noodzakelijkerwijs niet slechts de verhuur omvat van het goed waarop de huurovereenkomst primair betrekking heeft, doch ook alle bijbehorende goederen. Verhuur van parkeerruimte voor voertuigen kan derhalve niet van die vrijstelling worden uitgesloten, wanneer die verhuur zo nauw verband houdt met de verhuur van onroerend goed dat een andere bestemming heeft, dat beide verhuren één enkele economische handeling vormen (arrest van 13 juli 1989, Henriksen, 173/88, Jurispr. blz. 2763, punten 14 en 15)."
10.2
Het HvJ EU verwijst in voormelde passage dus expliciet naar de rechtsoverwegingen 14 en 15 van het arrest Hendriksen. Daarin overwoog het HvJ EU als volgt:
"14. Hierbij moet echter worden aangetekend, dat “verhuur van onroerende goederen”, waarvoor de vrijstelling van artikel 13, B, sub b, van de Zesde Richtlijn geldt, noodzakelijkerwijs niet slechts de verhuur omvat van het goed waarop de huurovereenkomst primair betrekking heeft, doch ook alle bijbehorende goederen.
15. Verhuur van parkeerruimte voor voertuigen kan derhalve niet van die vrijstelling worden uitgesloten, wanneer die verhuur zo nauw verband houdt met de vrijgestelde verhuur van onroerend goed dat een andere bestemming heeft - zoals gebouwen met een woonfunctie of voor commercieel gebruik -, dat beide verhuren één enkele economische handeling vormen."
10.3
In rechtsoverweging 38 van het arrest Salix heeft het HvJ EU niet uitdrukkelijk verwezen naar rechtsoverweging 16 van het arrest Hendriksen, waarin het HvJ EU het volgende overwoog:
"Dit is het geval wanneer, in de eerste plaats, de parkeerruimte voor voertuigen en het voor een ander gebruik bestemde onroerend goed deel uitmaken van één onroerend complex en, in de tweede plaats, beide goederen door dezelfde eigenaar aan dezelfde huurder zijn verhuurd."
10.4
In plaats daarvan vervolgt het HvJ EU in rechtsoverweging 39 van het arrest Salix als volgt:
"In de hoofdzaak moet de verwijzende rechter in voorkomend geval, rekening houdend met alle relevante omstandigheden, onderzoeken of het feit dat IHK een deel van de ondergrondse parkeerplaatsen voor voertuigen op lange termijn onderverhuurt aan de langetermijnhuurders van kantoren in hetzelfde gebouw, een onderdeel is van één enkele economische handeling in de zin van de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak."
11.1
Anders dan het betoog van eiseres, leidt de rechtbank uit de onder 10.1 tot en met 10.4 geciteerde rechtspraak van het HvJ EU af dat de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen niet kan worden uitgesloten van de vrijstelling op grond van artikel 11, eerste lid, sub b, onder 3 van de Wet OB wanneer die verhuur zo nauw verband houdt met de vrijgestelde verhuur van een onroerende zaak die een andere bestemming heeft (zoals in dit geval de woningen) dat beide verhuren één enkele economische handeling vormen én dat de rechtbank bij de beoordeling of daarvan sprake is, rekening moet houden met alle relevante omstandigheden. Daarbij leidt de rechtbank uit de zinsnede "in voorkomend geval" af dat de onder 10.4 aangehaalde overweging door het HVJ EU is bedoeld als een instructie aan de nationale rechter van algemene strekking. Dat brengt mee dat in dit soort gevallen een materiële toets moet plaatsvinden, waarbij alle relevante omstandigheden meewegen. Bij die toets gaat het om toetsing aan dezelfde rechtsregel, zoals het HvJ EU die ook al in r.o. 14 en 15 van het arrest Henriksen had geformuleerd (de 'zo nauw verband'-regel) en waarnaar het HvJ EU in het arrest Salix verwijst.
11.2
In verband met de materiële toets acht de rechtbank van belang dat:
- eiseres parkeerplaatsen verhuurt aan kopers, huurders en derden;
- eiseres aan kopers, huurders en derden dezelfde huurprijs in rekening brengt voor de verhuur van een parkeerplaats;
- eiseres voor elke parkeerplaats een afzonderlijke huurovereenkomst heeft gesloten;
- kopers en huurders van woningen geheel vrij waren om al dan niet een (of meer) parkeerplaatsen te huren;
- tot de appartementencomplexen meer parkeerplaatsen dan woningen behoren;
- de individuele parkeerplaatsen vrij toegankelijk zijn en niet zijn afgesloten met bijvoorbeeld een beugel;
- eiseres in de jaren 2011 en 2012 nog diverse parkeerplaatsen (behorende tot de appartementencomplexen) in eigendom had, die eiseres op dat moment ook niet had verhuurd;
- in de jaren 2011 en 2012 geen koppeling bestond tussen een bepaalde woning en een specifieke parkeerplaats;
- uit de tekst van de huurovereenkomsten (zie 1.5. en 1.6.) volgt dat de verhuur van de parkeerplaatsen tegelijk met de verhuur van de woningen eindigt;
- uit de tekst van de huurovereenkomsten (zie 1.5 en 1.6) volgt dat als de woningmarkt weer aantrekt wél (weer) een koppeling kan ontstaan tussen woningen en specifieke parkeerplaatsen;
- namens eiseres ter zitting is verklaard dat iemand die in 2011 of 2012 zijn woning in een van de appartementencomplexen verliet, een parkeerplaats kon blijven huren omdat er toen voldoende parkeerplaatsen beschikbaar waren om te voldoen aan de vraag naar parkeerplaatsen van de bewoners van beide appartementencomplexen.
11.3
De onder 11.2 genoemde omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien leiden de rechtbank tot het oordeel dat de verhuur van de parkeerplaatsen en de woningen één economische handeling vormen. De rechtbank heeft daarbij in ogenschouw genomen dat met name sprake is van één prestatie als één of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl één of meer andere elementen moeten worden beschouwd als één of meer bijkomende prestaties die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Een prestatie moet worden beschouwd als bijkomend bij een hoofdprestatie, wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om de hoofdprestatie zo aantrekkelijk mogelijk te maken (vgl. HvJ EG 22 oktober 1998, Madgett en Baldwin, nrs. C-308/96 en C-94/97, V-N 1998/59.20).
11.4
De rechtbank overweegt dat de verhuur van de parkeerplaats op grond van de overeenkomst tegelijk eindigt met de verhuur van de woning. Dat de parkeerplaats door een vertrekkend huurder vervolgens wel afzonderlijk (opnieuw) kon worden gehuurd, doet daaraan niet af, nu bij de keuze om de parkeerplaats al dan niet opnieuw te verhuren, bij eiseres de beschikbaarheid voor bewoners van de woningen voorop heeft gestaan. Uit de considerans van de huurovereenkomsten voor de parkeerplaatsen (zie 1.6) leidt de rechtbank bovendien af dat ook in de voorliggende zaak de beschikbaarheid van parkeerruimte een middel is om de verhuur van woonruimte zo aantrekkelijk mogelijk te maken en geen doel op zich is. Zodra zich een koper of huurder zou hebben gemeld voor een woning 'behorende bij deze parkeerplaats', moest de huurder van een (extra) parkeerplaats afstand doen van zijn huurrechten. Het doel was om de nog beschikbare woningen inclusief een parkeerplaats te verhuren of te verkopen.
Met dat doel is ook in lijn de verhuur aan een zittende huurder, waarover dit geschil (uitsluitend) gaat. Dat er destijds te weinig belangstelling voor de gekoppelde verhuur of verkoop van de woning en de parkeerplaats was, waardoor de koppeling (tijdelijk) is losgelaten, is voor de beoordeling die de rechtbank moet verrichten, minder relevant. Onder al deze omstandigheden komt de rechtbank tot de slotsom dat de verhuur van de parkeerplaatsen aan huurders van woningen ook in 2011 en 2012 al zo nauw verband hield met de verhuur van de woningen, dat sprake is van één economische handeling. Dit heeft tot gevolg dat de verhuur van parkeerplaatsen niet van de voor de verhuur van woningen geldende vrijstelling kon worden uitgesloten. Immers, van een afstand kijkend zou de modale (potentiële) huurder van een woning de huur van de parkeerplaats opvatten als behorend bij de huur van zijn woning, ook al zou hij twee afzonderlijke huurovereenkomsten hebben getekend.
12. Op grond van wat de rechtbank onder 10.1 tot en met 11.4 heeft overwogen, is zij van oordeel dat de verhuur van parkeerplaatsen aan huurders van woningen in de appartementencomplexen is vrijgesteld van omzetbelasting. Daarom zijn de beroepen van eiseres ook in zoverre ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.