Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBNHO:2025:1033

Rechtbank Noord-Holland
28-01-2025
04-02-2025
11204253 WM
Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig

De stelling van betrokkene dat de wettelijke helmplicht voor snorfietsen niet op democratische wijze tot stand is gekomen en dat daarvoor geen draagvlak bestaat in de samenleving treft geen doel. Het argument van betrokkene dat de helmplicht in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, gaat ook niet op. Anders dan betrokkene ziet de kantonrechter ook niet in dat de snorfiets waarop betrokkene reed onder een uitzondering op de helmplicht valt. Betrokkene heeft verder nog aangevoerd dat de helmplicht voor snorfietsen ongeldig zou zijn vanwege “marktsturing” en “voorkeursselectie” door de politiek. Daarin kan de kantonrechter echter geen juridisch of feitelijk relevant argument vinden dat tot de conclusie kan leiden dat de helmplicht voor snorfietsen ongeldig is. Het beroep is dan ook ongegrond

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknummer : 11204253 \ WM VERZ 24-1107

CJIB-nummer : [nummer]

Uitspraakdatum : 28 januari 2025

Uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van de Wet administratief-

rechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)

in de zaak van

[betrokkene]

De verkeersboete en het beroep

Aan betrokkene is een boete opgelegd voor een verkeersovertreding. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de boete. Het beroep is behandeld op de zitting van 21 januari 2025. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is ook verschenen. Er is na de zitting uitspraak gedaan.

De beoordeling

Aan betrokkenen is een boete is opgelegd van € 100,00, omdat hij op 6 mei 2023 zonder helm op een snorfiets reed.

Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft zijn standpunt uitvoerig toegelicht. Dat standpunt komt erop neer – kort samengevat – dat de wettelijke helmplicht voor snorfietsen niet op democratische wijze tot stand is gekomen en dat daarvoor geen draagvlak bestaat in de samenleving, dat de helmplicht in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, en dat de snorfiets waarop betrokkene reed, valt onder een uitzondering op de helmplicht.

De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene betwist de gedraging ook niet.

De stelling van betrokkene dat de wettelijke helmplicht voor snorfietsen niet op democratische wijze tot stand is gekomen en dat daarvoor geen draagvlak bestaat in de samenleving, kan geen doel treffen. Daarover wordt het volgende overwogen.

In artikel 60 lid 1 van Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) is bepaald dat de bestuurder van een snorfiets een goed passende helm moet dragen. Deze helmplicht voor snorfietsen is in werking getreden met ingang van 1 januari 2023, door publicatie van een Besluit van 24 juni 2022 in het Staatsblad (Stb. 2022, 270). Deze algemene maatregel van bestuur berust op artikel 13 lid 1 van de Wegenverkeerswet.

Gelet op het bovenstaande is de wettelijke helmplicht voor snorfietsers in werking getreden en geldig vanaf 1 januari 2023. Er is dus een wettelijke grondslag voor de helmplicht en voor het opleggen van een boete voor het niet dragen van een helm.

De kantonrechter begrijpt dat betrokkene vindt dat de helmplicht voor snorfietsers niet door een gedegen democratisch proces tot stand is gekomen, omdat de onderbouwing voor de helmplicht ondeugdelijk is en daarvoor draagvlak ontbreekt. Echter, het is in dit kader niet aan de kantonrechter om de onderbouwing van de wettelijke helmplicht te beoordelen of het draagvlak daarvoor. Volgens artikel 11 van de Wet algemene bepalingen moet de rechter immers volgens de wet rechtspreken en mag hij niet de ‘innerlijke waarde’ of billijkheid van de wet beoordelen. De kantonrechter is ook geen wetgever. Als betrokkene vindt dat de helmplicht moet worden afgeschaft, moet hij zich richten tot de wetgever en de politiek.

Overigens merkt de kantonrechter op dat uit de toelichting bij eerdergenoemd Besluit blijkt dat de voorheen bestaande uitzondering op de verplichting op het dragen van een helm voor bestuurders van een snorfiets is vervallen, met als doel om het aantal verkeersdoden en verkeersgewonden onder snorfietsers te verminderen. Betrokkene vindt dat dit doel niet wordt bereikt met de helmplicht voor snorfietsers, maar dat doet er niet aan af dat dit doel als zodanig redelijk en begrijpelijk is.

Het argument van betrokkene dat de helmplicht in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, gaat ook niet op. Volgens betrokkene is sprake van ongelijkheid, omdat bestuurders van een elektrische fiets geen helm hoeven te dragen, terwijl die fietsen ook 25 km/h kunnen rijden. Uit de toelichting bij eerdergenoemd Besluit blijkt dat geen sprake is van gelijke gevallen en dat snorfietsen niet kunnen worden gelijkgesteld met elektrische fietsen. De verschillen met de elektrische fiets zijn onder andere dat een snorfiets een blauw kenteken moet voeren en dat de bestuurder daarvoor een zogeheten AM-rijbewijs moet hebben. Die verschillen zijn ook door betrokkene genoemd en onderkend. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat al daarom niet op.

Anders dan betrokkene ziet de kantonrechter ook niet in dat de snorfiets waarop betrokkene reed onder een uitzondering op de helmplicht valt. Betrokkene verwijst voor die uitzondering naar artikel 60 lid 2, onderdeel a, RVV 1990. Volgens dat artikel geldt de helmplicht niet voor de bestuurder van een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet. Het gaat in dat laatste artikel om een bromfiets (motorrijtuig) waarvoor geen typegoedkeuring volgens voorschriften van de Europese Unie vereist is.

Uit de hiervoor genoemde toelichting bij het Besluit blijkt dat het bij deze uitzondering gaat om een zogenoemde ‘bijzondere bromfiets’, waarvoor geen Europese typegoedkeuring vereist is, zoals een elektrische step of een Segway. In die toelichting staat dat voor de bestuurders van dergelijke bijzondere bromfietsen de uitzondering voor het verplicht dragen van een helm blijft bestaan.

Uit artikel 20b van de Wegenverkeerswet, artikel 5.6a.0 van de Regeling voertuigen en artikel 1 van de Regeling Aanwijzing bepaalde zelfbalancerende bromfietsen in verband met toelating tot het Nederlandse verkeer, volgt dat de Segway in dit verband is aangewezen als bijzondere bromfiets. De snorfiets waarop betrokkene reed, is geen bijzondere bromfiets en ook niet als zodanig aangewezen. Voor die snorfiets is dus ook geen uitzondering van de helmplicht van toepassing. Dat het vermogen van zijn snorfiets is beperkt tot 0.9 kW, zoals betrokkene stelt, maakt daarbij niet uit.

Betrokkene heeft verder nog aangevoerd dat de helmplicht voor snorfietsen ongeldig zou zijn vanwege “marktsturing” en “voorkeursselectie” door de politiek. Daarin kan de kantonrechter echter geen juridisch of feitelijk relevant argument vinden dat tot de conclusie kan leiden dat de helmplicht voor snorfietsen ongeldig is.

Het voorgaande betekent dat de boete terecht is opgelegd. De kantonrechter ziet geen reden om die boete te matigen.

Betrokkene heeft nog opmerkingen gemaakt over (de planning van) de hoorzitting bij de officier van justitie. Die opmerkingen hebben geen gevolg hebben voor de beoordeling van deze zaak, omdat betrokkene feitelijk wel is gehoord door de officier van justitie, zoals blijkt uit het hoorverslag van 19 maart 2024.

Het beroep is daarom ongegrond.

De kantonrechter merkt nog op dat de stukken die betrokkene met een e-mail van 23 januari 2025 heeft ingediend buiten beschouwing zijn gelaten, omdat deze stukken na de zitting zijn toegestuurd en ontvangen.

De uitspraak

De kantonrechter:

‒ verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 Wahv hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.

Datum toezending:

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.