Overwegingen
1. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is geboren op 29 september 1942.
2. Eiser heeft in de jaren ’70 bij een bedrijf in [stad in Duitsland] gewerkt. In deze periode is hij chronisch ziek geworden ( [ziekte] ). Eiser is in Duitsland afgekeurd en krijgt sinds 1975 een uitkering, aanvankelijk van de Bundesversicherungsanstalt für Angestellte, later van de Deutsche Rentenversicherung. Het betrof een invaliditeitspensioen. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is dat omgezet in een ouderdomspensioen.
3. Sinds 1 januari 1986 staat eiser ingeschreven op de [adres] te [woonplaats] .
4. Eiser woonde in het jaar 2020 in Nederland. In dat jaar bedroeg het Duitse pensioen € 7.587. Eiser ontving in dit jaar ook een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ter hoogte van € 8.569. Daarnaast kreeg hij een pensioen van de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek ter hoogte van € 9.
5. In geschil is of de aanslagen voor het jaar 2020 naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. In het bijzonder is in geschil of verweerder het Duitse pensioen van eiser in de premie- en belastingheffing mocht betrekken.
6. Eiser stelt dat zowel in Duitsland als in Nederland belasting en sociale premies worden geheven over zijn Duitse pensioen. Echter, alleen Duitsland mag premies en belasting heffen. Dit is altijd zo geweest. In het verleden is dat ook bevestigd door verschillende instanties, zoals de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK). Deze stukken heeft eiser overgelegd. Eiser betoogt dat op grond van de toepasselijke regels (waaronder de Europese socialezekerheidsverordening en het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland) alleen Duitsland mag heffen. Van dubbele heffing mag geen sprake zijn. Hij concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslagen.
7. Verweerder stelt dat Nederland bevoegd is om het Duitse pensioen te belasten. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
8. De rechtbank stelt voorop dat de belastingheffing en de premieheffing door verschillende regels beheerst worden. De rechtbank zal deze twee aspecten daarom afzonderlijk behandelen.
9. Eiser was in 2020 Nederlands ingezetene. Volgens de Nederlandse regels is hij dan verplicht verzekerd voor de Algemene nabestaandenwet (artikel 13, eerste lid, aanhef en letter a, van de Algemene nabestaandenwet), de Wet langdurige zorg (artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet langdurige zorg) en de Zorgverzekeringswet (artikel 2, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet). Hij is daarom ook premieplichtig voor deze wetten. Omdat eiser de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, is hij niet langer verzekerd en premieplichtig voor de AOW.
10. De Europese socialezekerheidsverordening (Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004) verbiedt Nederland soms om premie te heffen. In dit geval is dat niet zo. Omdat eiser zijn woonplaats in Nederland heeft, is hij onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van Nederland (artikel 11, eerste lid, en artikel 11, derde lid, aanhef en letter e, van Verordening (EG) nr. 883/2004). De verordening bevat bijzondere regels voor personen zoals eiser die pensioenen ontvangen krachtens de wetgeving van twee lidstaten, maar ook die regels schrijven voor dat premies worden geheven conform de wetgeving van de woonstaat (artikelen 23 en 30 van Verordening (EG) nr. 883/2004).
11. Eiser woont in Nederland. Dat betekent dat periodieke uitkeringen zoals het Duitse pensioen voor de Nederlandse inkomstenbelasting tot zijn belastbare inkomen uit werk en woning behoren (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en letter a, artikel 2.4, eerste lid, aanhef en letter a, en artikel 3.101, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001). Op grond van een belastingverdrag moet in sommige gevallen een vrijstelling of verrekening worden verleend voor pensioenen uit een ander land dan de woonstaat. In het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland, dat in 2016 van kracht geworden is, is bepaald dat de staat waaruit het pensioen afkomstig is (in dit geval Duitsland) het pensioen ook in de heffing mag betrekken als het gaat om pensioenen met een brutobedrag van meer dan € 15.000 in een kalenderjaar (artikel 17, tweede lid, van het belastingverdrag Nederland-Duitsland). Het Duitse pensioen van eiser is echter lager dan dat bedrag. Het Duitse pensioen mag dus volgens het belastingverdrag alleen in Nederland belast worden. Daarom komt eiser in Nederland niet in aanmerking voor een vrijstelling of verrekening van in Duitsland betaalde belasting (artikel 22 van het belastingverdrag Nederland-Duitsland).
12. De rechtbank merkt op dat zij in het dossier geen aanwijzingen heeft gevonden dat het pensioen van eiser ook in Duitsland aan belasting- of premieheffing wordt onderworpen. Voor de uitkomst van deze zaak maakt dat echter geen verschil. Hiervóór is vastgesteld dat alleen Nederland over het Duitse pensioen belasting en premies mag heffen. Als Duitsland dat ook doet, is het aan Duitsland om daarmee op te houden.
13. Eiser heeft inlichtingen en standpuntbepalingen van diverse instanties overgelegd. Daaruit blijkt dat zij ervan uitgingen dat eiser voor het Duitse pensioen uitsluitend in Duitsland premie- en belastingplichtig was. De rechtbank stelt vast dat deze stukken dateren uit de jaren ’90. De regelgeving was toen wezenlijk anders dan nu. De Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 kende niet dezelfde toewijzingsregels als de huidige socialezekerheidsverordening (Verordening (EG) nr. 883/2004). Hetzelfde geldt voor de regels over pensioenen in het oude belastingverdrag Nederland-Duitsland uit 1959. Daar komt nog bij dat de feitelijke situatie in 2007 op een belangrijk punt is gewijzigd, doordat eiser de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Dat heeft tot gevolg dat in deze zaak niet kan worden uitgegaan van de geldigheid van de in het verleden verkregen inlichtingen en standpuntbepalingen.
14. Ter zitting heeft eiser nog naar voren gebracht dat de regels niet zomaar veranderd kunnen worden. De oude regels, die zo lang op het Duitse pensioen van toepassing zijn geweest, moeten volgens eiser gerespecteerd blijven. De rechtbank kan eiser niet volgen in dit betoog. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat burgers in het algemeen er in redelijkheid niet op kunnen vertrouwen dat de belastingwetgeving ongewijzigd zal blijven (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, r.o. 2.3). Er bestaat geen grond om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken.
15. Het voorgaande komt erop neer dat verweerder voor het jaar 2020 terecht het Duitse pensioen in de heffing van inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet heeft betrokken. De beroepen van eiser zijn dus ongegrond.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).