Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBMNE:2025:280

Rechtbank Midden-Nederland
10-01-2025
07-02-2025
585188 KG ZA 24-615
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig,Kort geding,Mondelinge uitspraak,Proces-verbaal

Kort geding. Afwikkeling samenwerking van een BV. Op de bestuurders rust een gezamenlijke verantwoordelijkheid om schulden van de BV op te lossen en gedaagde is daarin tekortegschoten. Gedaagde heeft in strijd gehandeld met het concurrentie- en relatiebeding door bij een klant van de BV in dienst te treden en wordt veroordeeld om een voorschot op verbeurde boetes te betalen.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/585188 / KG ZA 24-615

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 10 januari 2025

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. M.N. Guntenaar,

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

verschenen in persoon.

Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.

De zaak wordt behandeld door mr. N.A.J. Purcell, voorzieningenrechter, en mr. G. Delissen als griffier.

Aanwezig zijn:

  • -

    de heer [A] , bestuurder van [eiseres] ,

  • -

    mr. Guntenaar,

  • -

    de heer D. [gedaagde] ,

1 De procedure

1.1.

De voorzieningenrechter beschikt over de dagvaarding met 6 producties, de akte wijziging van eis en 3 aanvullende producties.

1.2.

Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechter in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die mondelinge uitspraak en de motivering daarvan zijn hieronder opgenomen in paragraaf 3 en 4. Paragraaf 2 is toegevoegd voor de duidelijkheid.

2. De kern van de zaak

2.1.

Partijen hebben op 12 april 2023 samen [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ) opgericht, en werden allebei 50% aandeelhouder. [eiseres] verzorgde de administratie en deed de sales. [gedaagde] voerde de installatiewerkzaamheden uit. De samenwerking was niet wat partijen ervan verwachtten en [eiseres] heeft op 8 oktober 2024 schriftelijk meegedeeld dat zij de samenwerking wilde beëindigen. Vanaf dat moment heeft [gedaagde] geen werkzaamheden meer verricht voor [bedrijf 1] en zijn er geen inkomsten meer binnengekomen. [gedaagde] is in dienst getreden bij één van de opdrachtgevers van [bedrijf 1] .

2.2.

Hiermee handelt [gedaagde] volgens [eiseres] in strijd met het relatie-en concurrentiebeding uit de aandeelhoudersovereenkomst en hiermee heeft hij boetes verbeurd. [eiseres] vordert in dit kort geding een voorschot op de verbeurde boetes. Daarnaast werkt [gedaagde] volgens [eiseres] niet mee aan de afwikkeling van [bedrijf 1] , terwijl hij dat als medebestuurder / aandeelhouder wel zou moeten. [eiseres] vordert daarom dat [gedaagde] veroordeeld wordt tot medewerking aan die afwikkeling en in het kader daarvan bepaalde actie moet nemen, zoals de afgifte van materiaal dat aan [bedrijf 1] toebehoort en medewerking aan de verkoop daarvan, op straffe van dwangsommen.

3 De beoordeling

3.1.

De voorzieningenrechter wijst het merendeel van de vorderingen van [eiseres] toe en legt uit waarom.

3.2.

De voorzieningenrechter constateert dat de discussie tussen partijen begint op 8 oktober 2024 met de aankondiging van [eiseres] dat zij wilde stoppen met [bedrijf 1] . Voor de beoordeling in dit kort geding is niet relevant wat de redenen daarvoor zijn. Ook wordt op diezelfde dag duidelijk dat [gedaagde] niet alleen met [bedrijf 1] verder wil gaan, dus niet de aandelen van [eiseres] wil overnemen. Dat blijkt uit de Whatsapp chat van die dag. Verder is het voor beide partijen duidelijk dat er schulden en kosten in [bedrijf 1] zitten ( [gedaagde] benoemt die in dezelfde Whatsapp chat).

3.3.

Het had beide partijen op dat moment duidelijk moeten zijn dat ze gezamenlijk de verantwoordelijkheid hadden om die schulden van [bedrijf 1] op de een of andere manier op te lossen. Op dat punt is [gedaagde] flink tekortgeschoten. Hij is weggelopen voor deze verantwoordelijkheid. Hij is gestopt met werken voor [bedrijf 1] en is bij een opdrachtgever van [bedrijf 1] gaan werken, [bedrijf 2] BV (hierna: [bedrijf 2] ). Hiermee heeft hij ervoor gezorgd dat [bedrijf 1] zonder inkomsten kwam te zitten, zodat de schulden niet zouden kunnen worden afgewikkeld.

3.4.

[gedaagde] stelt dat hij toestemming heeft gekregen van [eiseres] om bij de opdrachtgever in dienst te gaan, maar dat klopt niet. Uit het Whatsapp bericht waarnaar [gedaagde] verwijst en waarin [eiseres] de suggestie oppert dat [gedaagde] namens zijn eigen zaak bij [bedrijf 2] aan de slag kan gaan (productie 4), blijkt duidelijk dat de strekking is dat hij dit zou kunnen doen na de afwikkeling van [bedrijf 1] . De heer [A] stelt dat hij pas merkte dat [gedaagde] bij [bedrijf 2] in dienst was getreden omdat zijn werkzaamheden niet meer door [bedrijf 1] konden worden gefactureerd. Verder blijkt uit het dossier en uit wat vandaag op de zitting is besproken dat [gedaagde] in zijn algemeenheid een lakse opstelling heeft gehad als het gaat om zijn verantwoordelijkheden voor [bedrijf 1] . Bijvoorbeeld door de bedrijfsbussen niet in te leveren en door de gereedschappen niet te inventariseren en in te leveren.

3.5.

Dat betekent voor de beoordeling van de vorderingen het volgende.

Vordering 1

Veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een voorschot op de verbeurde boetes vanwege overtreding van het concurrentie- en relatiebeding zoals genoemd in de alinea’s 7 en 12 van de dagvaarding ad € 50.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag als voorschot op de verbeurde boetes, binnen 1 week na het te wijzen vonnis.

3.6.

De voorzieningenrechter wijst een bedrag van € 25.000 als voorschot toe. Het relatie- en concurrentiebeding zijn duidelijk overtreden. Zowel naar de letter als naar de geest. Op grond van deze bedingen mag [gedaagde] niet bij een klant van [bedrijf 1] in dienst treden of voor zichzelf elders hetzelfde werk gaan doen als hij bij [bedrijf 1] deed. Nou is het wel zo dat partijen wilden stoppen met hun samenwerking, met [bedrijf 1] dus. Noch [eiseres] noch [bedrijf 1] heeft er last van als [gedaagde] elders gaat werken als de activiteiten van [bedrijf 1] worden gestaakt. Maar dat was nog niet zo, en er was nog niets eens overleg geweest over hoe af te wikkelen. Doordat [gedaagde] zonder überhaupt met [A] te overleggen bij [bedrijf 2] is gaan werken kwamen er van de ene op de andere dag geen inkomsten meer binnen bij [bedrijf 1] . Dat schaadt [bedrijf 1] en dat schaadt [eiseres] , dus heeft [eiseres] recht en belang om zich op deze bedingen te beroepen.

3.7.

Toewijzing van het volledig gevraagde voorschot zou betekenen dat [gedaagde] voor inhoudelijk dezelfde overtreding twee keer een boete verbeurt. Dat gaat wat ver. De voorzieningenrechter houdt het daarom bij een voorschot van € 25.000. Het is bepaald niet uitgesloten dat de rechter in een eventuele bodemprocedure een lager bedrag dan de geclaimde € 50.000 zal toewijzen.

Vordering 2

Veroordeling van [gedaagde] tot het doen van een gespecificeerde opgave van het materieel van de vennootschap, binnen 1 week na het te wijzen vonnis, met bijbehorende nieuw- en dagwaarde.

3.8.

Deze vordering wijst de voorzieningenrechter toe. [gedaagde] heeft gezegd dat het geen probleem is om hieraan te voldoen.

Vordering 3

Veroordeling van [gedaagde] tot het verlenen van medewerking aan een verkoop van het

materieel van de vennootschap aan (een) derde(n);

3.9.

Ook deze vordering wijst de voorzieningenrechter toe. [gedaagde] heeft ook wat deze vordering betreft aangegeven dat het geen probleem vormt om hieraan te voldoen. De voorzieningenrechter merkt nog op dat onder het materieel van [bedrijf 1] ook de twee door [bedrijf 1] geleasede bussen vallen.

Vordering 4

Veroordeling van [gedaagde] tot het afgeven c.q. inleveren van de leasebus met het kenteken [kenteken] (vide alinea 14) bij de vennootschap, onder afgifte van sleutels en

kentekenbewijzen aan de vennootschap.

3.10.

Deze vordering ziet op afgifte van de Ford. De Opel heeft [gedaagde] na het uitbrengen van de dagvaarding ingeleverd. Wat betreft de afgifte van de Ford zijn er misschien nog wat praktische problemen te verwachten. De Ford is namelijk zeven maanden geleden met pech naar een garage gebracht en is daar door [gedaagde] nooit opgehaald. [gedaagde] weet niet waar de bus nu is. Dat bevreemd de voorzieningenrechter. Rekening houdend met wat er vandaag is gezegd, is het namelijk duidelijk de verantwoordelijkheid van [gedaagde] om te weten waar de Ford is. Deze bus had [bedrijf 1] eigenlijk niet nodig, want er was een nieuwe bus (de Opel) aangeschaft. De Ford is alleen bewaard gebleven zodat de ex-vriendin van [gedaagde] er in kon rijden. Dat maakt dat de verantwoordelijkheid voor de Ford alleen bij [gedaagde] ligt. Hij moet regelen dat de bus boven water komt.

Vordering 5 en 6

[gedaagde] gebieden de overtreding van het in alinea 7 jo. alinea 13 omschreven

concurrentie- en/of relatiebeding te staken en gestaakt te houden.

[gedaagde] verbieden het in alinea 7 omschreven concurrentie- en/of relatiebeding te

overtreden.

3.11.

Als deze vorderingen toegewezen zouden worden dan heeft dat kennelijk tot gevolg dat [gedaagde] ontslag moet nemen bij [bedrijf 2] en, dat is het logische vervolg, tot een onduidelijk moment in de toekomst weer voor [bedrijf 1] moeten gaan werken. Terwijl niet duidelijk is of er wel werk is voor [bedrijf 1] en het materieel en de bussen weg zijn (deze worden immers verkocht om de schulden af te lossen, dat eist [eiseres] in deze procedure). Er bestaat dan ook een groot risico dat toewijzing van deze vorderingen meer kwaad zal doen dan goed. Daarom wijst de voorzieningenrechter deze vorderingen af. Voor wat betreft de vraag wat te doen aan de overtreding van deze bedingen, laat de voorzieningenrechter het bij de veroordeling tot betaling van een voorschot op de verbeurde boete.

Vordering 7

Veroordeling van [gedaagde] tot het verlenen van medewerking aan een administratieve-,

financiële c.q. juridische afwikkeling van de vennootschap per eerst mogelijke datum, zo

mogelijk onder het verrekenen van de privé-uitgaven zoals genoemd in alinea 11 in de

rekening-courantverhouding tussen de vennootschap en gedaagde.

3.12.

Alleen het eerste deel van deze vordering wijst de voorzieningenrechter toe. De rekening-courant moet nog vastgesteld worden. Voor zover er schulden bestaan aan [bedrijf 1] zullen die voldaan moeten worden. Verrekening van eventuele privé-uitgaven hoort bij de financiële afwikkeling.

Vordering 8

Veroordeling van [gedaagde] tot het wegnemen van de gebreken c.q. het opheffen van de

wanprestatie althans het verzuim het zoals aan de orde volgens het proces-verbaal van

de deurwaarder d.d. 4 januari 2025 geleverd door gedaagde op de opdracht voor

opdrachtgever [bedrijf 3] B.V. te Soest.

3.13.

[gedaagde] heeft bij [bedrijf 3] in Soest een airconditioning geplaatst, maar die werkt volgens [bedrijf 3] niet goed. [eiseres] heeft een deurwaarder op 4 januari 2025 een proces-verbaal met foto’s laten opmaken van de door [bedrijf 3] geconstateerde gebreken (productie 7). Het is in het belang van [bedrijf 1] dat deze gebreken verholpen worden. Anders kan het zijn dat door een claim van [bedrijf 3] de schuldenlast van [bedrijf 1] nog hoger wordt. Het verhelpen van deze gebreken ligt vooral op de weg van [gedaagde] . De voorzieningenrechter veroordeelt [gedaagde] daarom tot het wegenemen van de gebreken bij [bedrijf 3] .

Vordering 9

Oplegging van een dwangsom van € 1.000 dan wel een in goede justitie te bepalen dwangsom per dag dat [gedaagde] niet, niet tijdig en/of niet volledig aan het onder 2 t/m 8 van het petitum gevorderde voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 dan wel een in goede justitie te bepalen maximum.

3.14.

De voorzieningenrechter zal als verzocht, dwangsommen verbinden aan de veroordelingen. Ter voorkoming van onduidelijkheid, maakt hij nog wel een aantal opmerkingen over de dwangsommen, in relatie tot de verschillende vorderingen/veroordelingen:

  • -

    Vordering 2: als [gedaagde] niet binnen 1 week na de datum van het vonnis aan deze veroordeling voldoet verbeurt hij een dwangsom van € 1000 voor iedere dag dat hij hier niet aan voldoet.

  • -

    Vordering 3: omdat deze vordering impliceert dat het initiatief bij [eiseres] ligt en dit feitelijk ook steeds zo is geweest, verbeurt [gedaagde] pas een dwangsom als [eiseres] op enig moment concreet om bepaalde medewerking heeft gevraagd en [gedaagde] daar geen gehoor aan heeft gegeven.

  • -

    Vordering 4: er bestaat een kans dat de Ford na 7 maanden niet meer bij de garage staat. Als [gedaagde] aan kan tonen dat hij de Ford niet terug kan halen of dat de kosten daarvan niet opwegen tegen de baten, verbeurt [gedaagde] geen dwangsommen. Dwangsommen zijn immers een prikkel tot nakoming van iets wat nog mogelijk is. Als blijkt dat de bus kwijt is of als het heel duur is om die terug te krijgen, dan komt de schade die [bedrijf 1] daardoor lijdt voor de goede orde wel voor rekening van [gedaagde] .

  • -

    Vordering 5 en 6: die zijn afgewezen.

  • -

    Vordering 7: ook bij de verkoop van het materieel ligt het initiatief bij [eiseres] en daarom verbeurt [gedaagde] pas een dwangsom als [eiseres] concreet om medewerking heeft gevraagd en [gedaagde] daar geen gehoor aan heeft gegeven.

  • -

    Vordering 8: hier geldt hetzelfde als voor de Ford. Als [gedaagde] hard kan maken dat hij het probleem niet kan oplossen, dan verbeurt hij geen dwangsom.

Het door [eiseres] voorgestelde maximum van € 25.000 lijkt redelijk en wordt gevolgd.

3.15.

[eiseres] heeft gevraagd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wijst de voorzieningenrechter toe. Dat betekent dat [gedaagde] , ook als hij in hoger beroep gaat tegen deze uitspraak, nu al moet uitvoeren waartoe hij is veroordeeld.

De proceskosten

3.16.

[gedaagde] heeft grotendeels ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten van [eiseres] betalen. Die kosten zijn tot nu toe begroot op:

- dagvaarding € 112,99

- griffierecht € 2.995,00

- salaris advocaat € 1.107,00 (tarief gemiddelde zaak)

- nakosten € 178,00 (plus, eventueel, de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 4.392,99

3.17.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 1 week na betekening van het vonnis een voorschot van € 25.000 te betalen op boetes die hij heeft verbeurt door overtreding van het relatie- en concurrentiebeding,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 1 week na de datum van het vonnis een gespecificeerde opgave te doen van het materieel van [bedrijf 1] , met bijbehorende nieuw- en dagwaarde,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] tot het verlenen van medewerking aan een verkoop van het

materieel van de vennootschap aan (een) derde(n),

4.4.

veroordeelt [gedaagde] tot het afgeven c.q. inleveren van de Ford met het kenteken [kenteken] bij [bedrijf 1] , onder afgifte van sleutels en kentekenbewijzen aan [bedrijf 1] ,

4.5.

veroordeelt [gedaagde] tot het verlenen van medewerking aan een administratieve-,

financiële c.q. juridische afwikkeling van de vennootschap per eerst mogelijke datum,

4.6.

veroordeelt [gedaagde] tot het wegnemen van de gebreken c.q. het opheffen van de

wanprestatie op de opdracht voor opdrachtgever [bedrijf 3] B.V. te Soest,

4.7.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat hij niet, niet tijdig en/of niet volledig aan de onder 4.2 t/m 4.6 genoemde veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 25.000 is bereikt,

4.8.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.392,99, te betalen binnen veertien dagen na betekening. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 92 extra betalen, plus de kosten van betekening.

4.9.

veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,

4.10.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N.A.J. Purcell, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, dat is ondertekend op 16 januari 2025.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.