Procesverloop
Op 21 december 2020 heeft eiser verweerder verzocht om zijn volledige dossier toe te zenden. Op 19 juli 2021 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld, omdat een beslissing op zijn verzoek uitbleef.
Bij brief van 3 september 2021 heeft verweerder aan eiser geschreven dat hij niet in gebreke gesteld kon worden, omdat het opsturen van een dossier geen beslissing is die binnen een vaste termijn genomen moet worden.
Bij brief van 23 november 2021 heeft verweerder aan eiser bericht dat het verzoek van eiser aangemerkt wordt als een verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Op 16 september 2022 heeft eiser verweerder opnieuw in gebreke gesteld omdat een beslissing op zijn verzoek uitbleef.
Op 24 september 2022 heeft eiser beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn verzoek.
Bij besluit van 3 november 2022 heeft verweerder gereageerd op het verzoek van eiser van 21 december 2020.
Op 17 november 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 9 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigden van verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-tijdig beslissen op zijn verzoek om toezending van zijn volledige dossier.
2. Op 3 november 2022 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat er 153 documenten zijn aangetroffen met zijn persoonsgegevens. Deze documenten zijn als bijlage bij het besluit gevoegd. Bij dat besluit heeft verweerder ook bepaald dat de maximale dwangsom is verbeurd omdat hij niet tijdig op het verzoek van eiser heeft beslist.
3. Eiser heeft bij brief, bij de rechtbank binnengekomen op 2 februari 2023, laten weten dat het besluit van 3 november 2022 niet geheel aan zijn beroep tegemoet komt. Daarom gaat deze uitspraak ook over het besluit van 3 november 2022. Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank
Beroep niet-tijdig beslissen
4. Met het besluit van 3 november 2022 heeft verweerder beslist op het verzoek van eiser. Daarbij heeft verweerder ook bepaald dat de volledige dwangsom van €1442,- is verbeurd, omdat niet tijdig is beslist op het verzoek van eiser. Eiser heeft dan ook bereikt wat hij met zijn beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen kon bereiken. Daarom heeft eiser geen belang meer bij de behandeling van dat beroep.
5. Het beroep van eiser tegen het niet-tijdig beslissen op zijn verzoek is daarom niet-ontvankelijk.
Het besluit van 3 november 2022
6. Eiser stelt dat verweerder met het besluit van 3 november 2022 niet zijn volledige dossier heeft toegestuurd. Volgens eiser heeft hij altijd aangegeven dat hij alle informatie wil ontvangen die bij verweerder over hem bekend is. Het gaat hem dus niet alleen om documenten over toeslagen, maar bijvoorbeeld ook over belastingen. Eiser wijst er daarbij op dat hij de stukken nodig heeft voor verschillende rechtszaken en voor de Commissie werkelijke schade.
7. Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij na de eerste ingebrekestelling een opdracht van de Autoriteit Persoonsgegevens heeft ontvangen om op het verzoek van eiser te beslissen. Daarna is dat verzoek aangemerkt als een verzoek op grond van de AVG. Dat kader is vervolgens volgens verweerder niet in het besluit van 3 november 2022 genoemd en bij de totstandkoming daarvan waarschijnlijk ook niet betrokken. Met dat besluit is feitelijk een aantal documenten verstrekt. Niet is uit te sluiten dat er nog meer documenten bij verweerder beschikbaar zijn die ook gaan over eiser.
8. De rechtbank overweegt als volgt.
9. De rechtbank stelt voorop dat naar haar oordeel het besluit van 3 november 2022, gelet op de brieven en contactmomenten die daaraan vooraf zijn gegaan, moet worden beoordeeld als een besluit op een verzoek om inzage als bedoeld in artikel 15 van de AVG. De rechtbank heeft kennis genomen van de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 april 20231. Daarin is bepaald dat met de beslissing op het verzoek van betrokkene om het persoonlijk dossier te verstrekken geen rechtsgevolg intreedt, maar dat het alleen maar tot feitelijk handelen leidt. De rechtspositie van de betrokkene verandert door die beslissing niet. De betrokkene krijgt er geen rechten, bevoegdheden of verplichtingen bij, maar wordt daarin ook niet beperkt. Het verzoek van betrokkene levert in die zaak daarom naar het oordeel van de rechtbank Arnhem geen besluit in de zin van de Awb op. De rechtbank Arnhem benadrukt in die zaak dat het verzoek van betrokkene niet gericht was op inzage in (de verwerking van) persoonsgegevens, maar dat zij verstrekking wil van het gehele persoonlijk dossier en dat dat niet hetzelfde is.
10. De rechtbank kan dit oordeel in die zaak volgen maar heeft reden om in de nu voorliggende zaak van eiser tot een ander oordeel te komen. Immers, hoewel verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht dat sprake is van het feitelijk toesturen van een aantal documenten, heeft verweerder voorafgaand aan het besluit aan eiser laten weten dat zijn verzoek van 20 november 2021 wordt aangemerkt als een verzoek in het kader van de AVG. Eiser heeft toegelicht dat hij in november 2021 contact heeft opgenomen met het servicecentrum over zijn verzoek van 21 december 2020. Daarna is vervolgens de brief van 23 november 2021 door verweerder aan eiser verzonden. Verweerder heeft deze gang van zaken niet bestreden. Met het besluit van 3 november 2022 is vervolgens een aantal documenten toegestuurd aan eiser. Daarbij is verwezen naar het verzoek van 21 december 2020. Verweerder heeft bovendien in dat besluit bepaald dat een dwangsom is verbeurd omdat de wettelijke termijn om te beslissen op het verzoek is overschreden. Ook daaruit maakt de rechtbank op dat verweerder een beslissing op het verzoek heeft beoogd en niet uitsluitend de feitelijke handeling van het toesturen van documenten.
10. In artikel 15, eerste lid, van de AVG is het recht van inzage geregeld. Een betrokkene heeft het recht te weten of zijn persoonsgegevens worden verwerkt door de verwerkingsverantwoordelijke. Als dat zo is, heeft de betrokkene recht op inzage van die persoonsgegevens en onder meer het recht om te weten waarom de persoonsgegevens worden verwerkt, om welke categorieën persoonsgegevens het gaat, wie de persoonsgegevens zal ontvangen en hoe lang de persoonsgegevens worden bewaard. Het inzagerecht heeft tot doel de betrokkene in staat te stellen kennis te nemen van de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld en te controleren of die gegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt2.
12. Gelet op artikel 15, derde lid, van de AVG heeft de betrokkene ook het recht op een kopie van de verwerkte persoonsgegevens. Maar dat artikel heeft niet tot doel de toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren. Een bestuursorgaan is niet verplicht een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een bestuursorgaan mag dat doen, maar het mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, mits met de gekozen wijze van verstrekking wordt voldaan aan het doel van artikel 15 van de AVG3.
13. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit kader dat het verzoek van eiser niet het recht met zich brengt om alle door hem gewenste documenten van verweerder te ontvangen. Verweerder is immers niet verplicht om eiser alle documenten die betrekking hebben op zijn persoonsgegevens in kopie toe te sturen, als dat niet nodig is om tegemoet te komen aan het doel van het inzagerecht. Bovendien heeft eiser zijn verzoek om het volledige dossier per e-mail gestuurd aan een medewerker van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen van de Belastingdienst (UHT). In reactie op dat verzoek is eiser bij e-mail van 22 december 2020 er op gewezen dat het toe te sturen dossier informatie zal betreffen over de toeslagen. In zijn reactie op die e-mail heeft eiser niet laten weten dat het verzoek daarmee te beperkt is opgevat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de beslissing op het verzoek dan ook kunnen beperken tot persoonsgegevens van eiser voor zover die bij UHT zijn verwerkt.
14. Verweerder heeft in reactie op het verzoek een aantal – volgens het besluit 153 – documenten toegestuurd aan eiser. De documenten hebben direct of indirect betrekking op aan eiser verstrekte of teruggevorderde toeslagen. Volgens verweerder is in elk geval het Toeslagenverstrekkingensysteem geraadpleegd, en daarmee ook een archief van het systeem zoals dat bestond van vóór 2012. Verweerder kan niet toelichten waarom de zoekactie tot deze twee systemen is beperkt. Verweerder sluit niet uit dat er nog meer systemen zijn waarin de persoonsgegevens van eiser voor komen, bijvoorbeeld die van het landelijke incassocentrum.
15. Omdat verweerder ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat als het alleen gaat over de Toeslagen stukken, het kan kloppen dat niet alle stukken bij de 153 documenten zitten en omdat eiser zegt dat hij niet alle stukken heeft ontvangen, is het beroep van eiser al gegrond. Dit geldt temeer daar verweerder ook ter zitting heeft erkend dat uit het bestreden besluit niet volgt dat het verzoek is beoordeeld met toepassing van artikel 15 van de AVG. Naar het oordeel van de rechtbank komt het besluit dan ook niet tegemoet aan het recht van eiser om kennis te nemen van de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld en om te controleren of die gegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt. Het besluit heeft aldus een zorgvuldigheidsgebrek en motiveringsgebrek en dient daarom wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd.
16. De rechtbank ziet in dit geval geen mogelijkheid om nu een einde te maken aan het geschil. Verweerder zal immers in het licht van artikel 15 van de AVG opnieuw in de systemen moeten zoeken naar verwerking van de persoonsgegevens van eiser en zal op basis daarvan een overzicht of dossier op moeten stellen dat tegemoetkomt aan het inzagerecht van eiser en daarover een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij sluit de rechtbank niet uit dat opnieuw contact tussen verweerder en eiser nodig is om zijn verzoek nader te concretiseren en om er voor te zorgen dat zoveel mogelijk aan het verzoek van eiser tegemoet wordt gekomen. De rechtbank draagt verweerder daarom op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het verzoek van eiser van 21 december 2020 te nemen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag na verzending van deze uitspraak.
Is de redelijke termijn overschreden?
17. Eiser stelt zich op het standpunt dat de redelijke termijn is overschreden en hij recht heeft op een schadevergoeding.
17. Gelet op vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. In zaken waarin er geen bezwaarfase is, bedraagt de redelijke termijn twee jaar voor de beroepsfase4. Eiser is in beroep gekomen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek. Uit jurisprudentie volgt dat dan voor het bepalen van de redelijke termijn van belang is of alsnog een reëel besluit is genomen. In dat geval vangt namelijk de redelijke termijn aan op de dag waarop het beroep van rechtswege is ontstaan5.
19. In dit geval heeft verweerder op 3 november 2022 een reëel besluit genomen. Sinds dat besluit zijn er nog geen twee jaar verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.